
het wapen van Dordrecht dat ik 1977 had hertekend.
In 1981 stopte ik met het striptekenen dat ik sinds 1969 had gedaan. Ik wilde met de heraldiek verder. Maar ik was inmiddels getrouwd met Pauline en ons eerste kind was onderweg. Ik zocht naar wat meer zekerheid dan het zzp-leven van de heraldische tekenaar voor het CBG en de HRvA. Gelukkig had in 1977 de Dordtse archivaris me al gevraagd iets te schrijven over het stadswapen. Ook zat hij ermee dat de rijke zegelcollectie van het archief niet beschreven was. Met name de beschrijving van de wapens van de schepenen in de middeleeuwen had nooit plaatsgevonden. Hij vroeg me of ik dat kon. Ik voelde me capabel genoeg en zei ja. In 1978 begon ik een dag in de week al die middeleeuwse zegels te fotograferen en heraldisch te beschrijven. En ik kwam letterlijk in aanraking met de middeleeuwen via de perkamenten chartertjes waar die zegels aan hingen. Ik heb er al eens over geblogd.

Toevallig ging de educatief ambtenaar van het archief in 1981 weg en de archivaris vroeg mij en een bekende Dordtse fotograaf, Ad Molendijk, of we elk in deeltijd zijn baan in konden vullen. Dat wilden wij wel. In de jaren die volgden kwam ik pas echt in aanraking met de geschiedenis van Dordrecht en mijn belangstelling voor het middeleeuwse gedeelte daarvan werd alleen maar meer. Ik maakte tentoonstellingen, gaf vorm aan het archieftijdschrift en posters, deed stadsrondleidingen en studiezaaldiensten, gaf cursussen heraldiek en oud schrift, maar ook archief- en huizenonderzoek en schreef. Enkele collega’s gaven me les in Nederlands en historisch onderzoek en ik kon op den duur een aardig historisch artikel schrijven. Het was een unieke ervaring waar ik Pieter en Peter nog steeds dankbaar voor ben.

Bovendien werden er computers aangeschaft en dat wekte mijn belangstelling zeker zo hevig als die voor geschiedenis. Binnen de kortste keren was ik bezig met desktop publishing, word-processing, pc-beheer en de opstart van de automatisering van de gemeentelijke dienst Kunsten waar het archief onder viel. Ik ben er nog steeds trots op dat ik voor die dienst in 1991 een automatiseringsrapport heb geschreven dat zelfs voor de grootste digibeten onder de diverse directeuren begrijpelijk was. Maar er lokten andere verten.

In 1989 was ik weer in contact gekomen met de SCA en hoorde dat er een Nederlandse afdeling zou worden opgericht. Daar wilde ik meer van weten. Ik werd lid en woonde een paar bijeenkomsten bij. Allemaal heel aardige mensen, maar ik wist inmiddels (ook door het archief en wat ik allemaal las) genoeg van de middeleeuwen om te zien dat ze niet erg historisch verantwoord bezig waren. Met name die adellijke rang die je door vechten met rotan zwaarden kon opwaarderen stond me tegen. Ik vroeg me af of dat niet anders kon. Ik brainstormde erover met een paar jongemannen die regelmatig op bijeenkomsten van de Nederlandse Tolkienvereniging Unquendor, herbergen werden die genoemd, aanwezig waren. Die bleken al met zwaardvechten en gruitbier brouwen bezig te zijn en het duurde niet lang voor we zelf een ‘levende geschiedenisvereniging’ op gingen richten. Begin 1991 was het zover. Middeleeuws genootschap Die Landen van Herwaerts Over (LHO) was een feit.

We gingen van start met 40 leden. We maakten bio’s en naaiden kleding en zochten uitrusting. Dat was nog niet zo makkelijk, want waar haalde je patronen en voorbeelden vandaan. Ik was al in 1989 aan het experimenteren gegaan met een 19e eeuws kostuumboek waar o.a. patronen in stonden, maar die bleken na uitproberen niet te kloppen. En waar haalde je middeleeuwse schoenen vandaan, of zwaarden? We kwamen er al snel achter dat kleding in die tijd van wol en linnen was en dat je als je rijk was zijde kon betalen, maar waar haalde je die in 1992? Wol bleek meestal vermengd met kunststof en linnen met katoen. Dus onze eerste kleren waren van die halffabrikaten. Dikwijls in de verkeerde kleuren. We droegen zogenaamde Spaanse sloffen en bankstel-leren tassen en beurzen. Het was allemaal nogal geïmproviseerd. En toen kregen we, al in 1991, een vererend aanbod.

In Alphen aan den Rijn waren plannen om een archeologisch themapark te bouwen met o.a. een middeleeuws gedeelte waarin huizen op ware grootte zouden komen uit de periode 1100-1400. De directeuren hadden in 1990 al over ons gelezen in de kranten die aandacht aan de oprichting van de LHO hadden geschonken. Dus een maand na onze oprichting zaten we met een paar bestuursleden in Alphen. Of we zin hadden om als het park er stond af en toe de middeleeuwen te bevolken. Onze mond viel open! Een droom leek uit de komen. Dus we zeiden graag ja. En we werden vast uitgenodigd om in november 1991 bij het eerste paal slaan voor de Romeinse gebouwen te verschijnen.


Het werd nu echt serieus en diverse van onze mensen deden naarstig onderzoek naar kleding en verdere uitrusting. Ook kregen we hulp. Olaf Goubitz, de historisch leer-kenner, gaf ons patronen voor schoenen, tassen en schedes van archeologische vondsten. We ontdekten dat je op stoffenmarkten best goede wol konden kopen en bij IKEA bleken ze echt linnen te hebben. Met mijn zus Ger, die een vakkundig naaister is, ontdekten we door experimenteren de meest waarschijnlijke methoden waarmee de middeleeuwers hun kleren maakten. Onze ‘rocken’ (de middelnederlandse term voor lijfkleding bij mannen en vrouwen) gingen er steeds echter uitzien. De eerste turnshoes verschenen. Iemand wist middeleeuws-achtige gespen te scoren en die gingen op de net echte tassen en aan riemen.

In 1992 gingen we met een grote groep van onze mensen naar een middeleeuws evenement in Satzvey (Duitsland). Daar bleek iedereen als edelman en –vrouw rond te lopen in fluweel, zijde en nepbont en in felle chemische kleuren. En ze zetten hun brilen niet af en deden over hun permanentjes geen hoofdkleden. Het stikte er ook van de niet al te beste heraldiek. We liepen mee in de optocht en na afloop kregen we het commentaar dat we er wel een beetje gewoontjes bij hadden gelopen. Ik kon het niet laten te reageren met: jawel, maar zo zagen de meeste middeleeuwers eruit, niet zoals jullie. Ik zag dat we op de goede weg waren, maar ook dat we er nog lang niet waren. We gaven onszelf tot 1996 om echt beslagen ten ijs te komen.

De eerste paal van Archeon, want dat was het park, leverde nog iets op, met name voor mij. Daar stond namelijk een tafel met een grote maquette van het toekomstige park (gemaakt door het genie Peter de Haas) waar ik met name in het middeleeuwse deel de nodige fouten dacht te herkennen. De volgorde van de huizen aan de beide straten klopte niet en er stonden nogal wat tijden door elkaar. Na thuiskomst schreef ik daar een brief over aan de directeuren. Ik hoorde een tijd niks tot begin 1992. Of ik zin had bij een bouwvergadering over het middeleeuwse ‘stadje’ te komen zitten? Dus ik schoof in maart aan bij de directeuren en een paar archeologen. Ik had me goed voorbereid want op het archief had ik geleerd literatuuronderzoek te doen. Er was er recent in Nederland niet veel over stadsgeschiedenis gepubliceerd, maar ik had toch het nodige gevonden. Daarom had ik genoeg argumenten klaar om de bouw van de huizen aan te passen. Bovendien kon ik ter plekke tekeningetjes maken van hoe het er dan uit zou gaan zien. Al met al kon ik met name de archeologen, die de indelingen hadden gemaakt, ervan overtuigen dat het anders moest.
De plannen werden omgegooid en Gravendam zoals het er nu ligt was het resultaat. Maar daar bleef het niet bij.
Wordt vervolgd


















Wat mij hierin zo treft is dat het die mensen zo verrast dat hun voorouders zo’n zwaar leven hadden. Slechte woonomstandigheden, zwaar werk of werkloos, ongezonde, slechte of te weinig voeding, rampen als overstromingen, misoogsten, hongersnood, besmettelijke ziekten en oorlog met alle gevolgen vandien. Hoe verder terug men komt hoe meer misère men in een mensenleven meemaakte. Al was de nog tamelijk nabije negentiende eeuw wat dat betreft ook best een zware tijd voor de Europese en Amerikaanse bevolking. Ze weten het niet of realiseerden zich dat niet. Ik wed ook dat men daarover op school niks hoorde tijdens de geschiedenisles.
Dat tekent dan ook het klassieke geschiedenisonderwijs. Men leert over koningen, hertogen en graven, de almacht van de kerk na kerstening en opstand, veldslagen en vredes, kolonisatie en de grachtengordel, maar het leven van de gewone man/vrouw blijft onderbelicht. Ik merk het bij mijn studie naar de graven van Holland gedurende de twaalfde en dertiende eeuw (en dat is natuurlijk een vroeg en slecht gedocumenteerd stukje geschiedenis) waarin je boeren en zeker burgers met een zwak lantaarntje moet zoeken. Dat geldt echter ook voor de veel beter gedocumenteerde opstand, oftewel onze eigen gezellige 80-jarige oorlog (1568-1648). Ik ken eigenlijk maar één studie die aandacht besteedt aan de gevolgen voor het volk van zo’n langdurig conflict: Ronald de Graafs, Oorlog, mijn arme schapen… (2004). Dat is wel weinig.
Er zullen ongetwijfeld mensen reageren met: ja maar, in dat en dat boek en bij die en die historicus hoor je toch ook over roof en plundering, onderdrukking en inkwartiering en kijk eens naar al die boeken over de Tweede Wereldoorlog met zijn concentratiekampen en hongerwinter. Ik weet het. Om maar een paar titels te noemen: Geert Mak, De eeuw van mijn vader (1999, twintigste eeuw), Peter Stokvis, red. Geschiedenis van het privéleven (2007, middeleeuwen tot twintigste eeuw) en Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen (2010, negentiende eeuw). Mak had er een bestseller mee omdat veel mensen zijn familiegeschiedenis heel herkenbaar vonden. En dat is dus tekenend voor dit onderwerp. Het was verrassend dat iemand op zo’n toegankelijke, journalistieke manier over een eeuw Maks schreef. Die andere boeken kostten echter tussen de 30 en 40 euro en dat is toch geen bedrag dat de gemiddelde Nederlander snel op de toonbank zal leggen. Die zullen dus veel minder impact hebben. En zeker niet op het onderwijs.
De bestudering van de geschiedenis lijkt altijd behoefte te hebben gehad aan helden. Aan spektakel en drama met veel rook en vuur. Voor de stille ellende van alledag was weinig plaats. Die werd min of meer uit de geschiedenisboekjes gehouden, zeker in de tijd der zuilen. Alleen de socialistische zuil wilde nogal eens uithalen over het onderdrukte proletariaat en de daarom nodige opstand tegen het kapitaal. Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw echter geen item meer toen elke arbeider een auto voor de deur kreeg en tien dagen per jaar in Torremolinos doorbracht. Achtereenvolgende generaties hebben nationalistisch getinte en konings (of in ieder geval Oranje) gezinde geschiedenislessen ontvangen. Zelden hebben ze geleerd om kritisch naar dergelijke geschiedschrijving te kijken en hun mond open te trekken.


De volgende theorie was dat er een bewijs van afstamming uit de graven van Holland te halen was via een zegel uit 1395! Dat was het zegel van Dirck van der Specke, schepen van Leiden en kleinzoon van Willem van de Specke uit 1329. Op het zegel is een klimmende leeuw te zien met eroverheen een barensteel. Dat laatste is een smalle band met een aantal rechthoekige hangers eraan die over de wapenfuguur, de leeuw dus, heengaat. Vervolgens sloeg archivaris Van Noort een flater van jewelste, want hij zei letterlijk: “dat duidt op een bastaardkind”. En dat is dus niet waar! Een barensteel staat in die periode (dus de late 14e eeuw, maar ook al in de late 13e) in eerste instantie voor de oudste zoon binnen een geslacht bij leven van de vader. Zodra die overleed verwijderde die zoon die barensteel, die eigenlijk alleen smalle strook stof of leer was met wat afhangende lapjes, en voerde hij, als nieuw hoofd van de familie, het volle wapen.
Bastaarden voerden in de 13e en 14e eeuw heel andere tekens en tooiden zich dus niet met barenstelen. In de 13e en vroege 14e eeuw stond het wapen van de natuurlijke vader meestal in een vrijkwartier, een vierkant vak linksboven in het schild, of in de bovenste helft van het schild als het vaderswapen zelf al ingewikkeld was. De rest van het schild bleef dan blank. Ook andere methoden werden wel gebruikt, zoals uit de geblokte rand van Dirk van Holland, hierboven, bleek. Dat principe werd ook in Engeland wel toegepast. Tegen 1300 kwamen er de schuinbalk, schuinstaak of schuinstreep bij, een diagonale band van linksboven naar rechtsonder over het voorvaderlijk wapen. Als Dirck van der Specke in 1395 een bastaard van de graven van Holland was geweest had hij waarschijnlijk zo’n schuinstaak over de leeuw gevoerd. De barensteel duidt echter aan dat ze volkomen legitiem waren.
Brederode stamt waarschijnlijk uit Teijlingen (veel bewijs daarvoor is er niet) en dat geslacht zou weer een connectie met de graven van Holland hebben. De naam Teijlingen komt in 1143 voor het eerst voor (Gerhardo de Teilinc) dus als dat zo is moet die aftakking daarvoor ontstaan zijn, zeg aan het begin van de 12e eeuw. Daar zijn echter geen bronnen over en daarom is men later allerlei verhalen gaan verzinnen, bijvoorbeeld over afstamming van een broer van graaf Dirk III genaamd Sicco of Siegfried (+1030). Daar is dus geen enkel bewijs voor. Dat het wapen Teijlingen dat van Holland met een breuk, de barensteel, is klopt, maar we zullen nooit weten hoe die afstamming in elkaar zat want heraldiek werd in Holland pas tegen 1200 gebruikelijk.
De Brederodes geloofden, na het uitsterven van de oudste tak der Teijlingens, dat ze in de 15e eeuw echt de laatste afstammelingen van de graven van Holland waren en lieten op den duur de barensteel weg, maar daar lachte men destijds toch een beetje om. Reinoud II van Brederode werd er door de hertogen van Bourgondië zelfs om gewantrouwd, want hij vond dat hij meer recht op Holland had dan die Bourgondiërs.




Ik wil in mijn blog de middeleeuwen een keer loslaten en even in de zestiende eeuw duiken om wat zaken recht te zetten. Onder andere dat gewetensvrijheid geen uitkomst van de EVS was. Natuurlijk is het niet de bedoeling een heel college te geven over het begin van de 80-jarige oorlog (1568-1648), maar als u meer over die eerste fase tussen 1568 en 1572 wilt weten kan ik u een paar mooie, maar dikke (en dus niet goedkope…) boeken aanraden. Het eerste is van Petra Groen, red., De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog 1568-1648 (Amsterdam 2013, 496 pagina’s). Dat is het boek met de meest recente onderzoeksgegevens die door historici de laatste jaren zijn verzameld. Goed te lezen, luxe uitgegeven, maar pittig van stof. Persoonlijker en zeer leesbaar is het dikkere boek van Ronald de Graaf, Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565-1648 (Franeker 2004, 686 pagina’s). Hij behandelt ook de gevolgen van de opstand voor de gewone man en heeft handige jaartallenlijsten en veel kaartjes.
