Het is bijna acht jaar geleden dat de Canon van Nederland, die in 2006 gepresenteerd werd, verplicht op scholen ingevoerd werd: 1 augustus 2010. Sindsdien zie je blauwe poster met de slinger van 50 vensters op elke school hangen. De website www.entoen.nu vormt er de onderbouwing van en diverse lesmaterialen, zoals de Canonclips, ondersteunen het project.
Dat ging allemaal niet zonder slag of stoot. Het duurde niet voor niets vier jaar voor het kind van de commissie Van Oostrom in het onderwijs was geaccepteerd. Ik heb tijdens mijn onderzoek, De middeleeuwen in de klas, dat in 2010-11 plaatsvond, diverse leraren en onderwijzers gesproken die me vertelden dat ze die canon de eerste tijd zeker niet serieus namen. Dikwijls vonden ze het veel te oppervlakkig en iedereen miste wel een aspect van de geschiedenis dat ze er liever in gehad hadden willen hebben. Niet voor niets zijn er daarna allerlei alternatieve, regionale en lokale canons verzonnen die op vele manieren werden gebruikt in onderwijs, erfgoeduitingen en (toeristische) cultuur.
Wat dikwijls onderbelicht bleef is het waarom van de geschiedenis terugbrengen tot 50 vensters. Tijdgebrek dus. Er werd en wordt steeds minder geschiedenisles gegeven op scholen en bij sommige onderwijstypen is het vak gewoon afgeschaft. Of opgegaan in iets wat ze vroeger maatschappijleer noemden, maar dat nu met allerlei moderne termen aan de man wordt gebracht. Minister Slob heeft het over burgerschapsonderwijs waarin ‘respect’ voor ons en ons democratisch systeem zouden moeten worden aangeleerd. Een aardige reactie daarop is hier te lezen. Maar ook een mooie kritische column over het fenomeen canon en waar die voor bedoeld was stond in Trouw.
Ik heb in mijn blogs al enkele malen geconcludeerd dat dat gebrek aan tijd er ook voor zorgt dat er gegraasd wordt in de vensters en dikwijls maar een selectie eruit op school wordt behandeld. Het is niet vreemd om dan te concluderen dat vooral de geschiedenis van de laatste 100 jaar min of meer uitgebreid wordt behandeld en de rest er een beetje bijhangt. Recent concludeerde ik echter dat ook daarover de inhoud in de lesmethoden zienderogen kleiner, korter en oppervlakkiger is geworden.

En nu moet de canon dus op de schop. De Tweede Kamer vond afgelopen week dat hij aan een herziening toe was. Trouw nam gisteren, zaterdag 23 juni 2018, een voorschotje en interviewde enkele historici over dit voornemen. En vroeg enkele van hen ook wat eruit mocht en wat zij dan erin wilden hebben. Ook niet-historici kregen dergelijke vragen, zoals een ontwerper en een muziekwetenschapper. Dat leverde de Afsluitdijk in plaats van de Beemster op en het Concertgebouworkest in plaats van Srebrenica. U leest het hier.
Daarnaast gingen natuurlijk al direct stemmen op voor meer vrouwen en slavernij in de canon, met lijstjes van voorbeelden, onder andere van vrouwelijke slaven die hun juk niet pikten. Elke tijd lijkt zijn eigen canon te maken en die is meestal nogal politiek correct ook. Iets waar de verdieping van al die vensters ook nogal last van heeft. Mijn vakgebied, de middeleeuwen (1000 jaar geschiedenis in maar vijf vensters), werd zomaar gekoppeld aan moderne hangups als analfabetisme, helden en “het nut van sociale vaardigheid om iets te kunnen bereiken”. De bekendste Hollandse graaf, Floris V, kreeg in de canon een eigen venster waarin hij ten onrechte werd beschuldigd van het afknijpen van zijn edelen (machtsmisbruik!) die hem daarom maar vermoordden. En dat is niet de enige historische fout die erin gemaakt werd.
Het is nog niet bekend wat er gaat veranderen en wie dat gaan doen, maar ik verwacht er niet veel van. Het principe blijft hetzelfde: hoe vullen we die 1 tot 2 uur geschiedenisles per week (als het tenminste nog zo heet) zodat je er aan het eind van het schooljaar een stel multiple choice vragen over kunt stellen. Het gaat al lang niet meer om het kweken van historische besef bij de leerling, zoals de jaren-negentig-onderwijskundigen wilden bereiken, maar nooit voor elkaar hebben gekregen. En dat ondanks de kerndoelen die de regering nog voor de 10 tijdperken en de 50 vensters uitgebracht werden had vastgesteld. Het is zelfs de vraag of men in de toekomst nog wat over onze geschiedenis zal leren als het aan de overheid ligt.
Ik heb in een blog uit 2012 nog eens opgeroepen tot anarchie en voorgesteld als lokale musea, archieven en scholen met hulp van historici lokale geschiedenismethoden te gaan maken. Ik kreeg één reactie van iemand die me steunde en me toeriep te blijven vechten. In 2015 hebben we ter gelegenheid van 950 jaar Sliedrecht zo’n lokaal lespakket gemaakt dat op alle groepen 6 van alle basisscholen in het dorp verspreid werd. Het bloedde helaas een beetje dood…
Natuurlijk kregen de krantenartikelen ook al wat reacties van de lezers. Dat waren duidelijk geen scholieren, maar de trend daarin was dat de canon maar afgeschaft moest worden. Het was toch allemaal gemanipuleer wat de klok sloeg. Er waren ook voorstellen om het anders te gaan doen. Waarom niet, zoals Geert Mak voorstelde, een geschiedenis van eten gaan schrijven (wat overigens in verschillende landen al is gebeurd) want: “aan de hand daarvan kun je aandacht besteden aan allerlei dingen: politiek, handelsafspraken, slavernij, de cultuur van koken. Zo zouden heel veel mensen een plek krijgen in de geschiedenis.” En daar bedoelde hij dus niet alleen de vorsten en politici mee, en wilde hij ook niet de vrouwen op de voorgrond trekken, maar al die mensen die door de eeuwen heen in de weer waren voor onze dagelijkse maaltijd. Ik vind dat een verfrissende gedachte. En als je dat uitbreidt met drinken, kleding, huizenbouw en –inrichting, vervoer te land en over water, wapens en wapenrusting en nog zowat dagelijkse dingen, dan heb je een vracht van aanknopingspunten tot je beschikking die je aan de geschiedenis van, bijvoorbeeld, je woonplaats kunt koppelen. Zo zou je een historisch kloppend beeld kunnen krijgen van het leven van je voorouders tot aan dat van jezelf. Maar of zoiets ooit van de grond komt is de vraag. Zolang een regering bepaalt welke historische feiten nu weer in de mode zijn en zolang populisten erop blijven hameren dat onze levenswijze de enige echt goede is en al die vreemdelingen hier niet horen zal er, vrees ik, niet veel veranderen. Het gaat weer om onze ‘identiteit’ en die heeft de neiging nogal eens te veranderen. Het zal wel weer “een nationale discussie zonder eind” worden.
Wat mij hierin zo treft is dat het die mensen zo verrast dat hun voorouders zo’n zwaar leven hadden. Slechte woonomstandigheden, zwaar werk of werkloos, ongezonde, slechte of te weinig voeding, rampen als overstromingen, misoogsten, hongersnood, besmettelijke ziekten en oorlog met alle gevolgen vandien. Hoe verder terug men komt hoe meer misère men in een mensenleven meemaakte. Al was de nog tamelijk nabije negentiende eeuw wat dat betreft ook best een zware tijd voor de Europese en Amerikaanse bevolking. Ze weten het niet of realiseerden zich dat niet. Ik wed ook dat men daarover op school niks hoorde tijdens de geschiedenisles.
Dat tekent dan ook het klassieke geschiedenisonderwijs. Men leert over koningen, hertogen en graven, de almacht van de kerk na kerstening en opstand, veldslagen en vredes, kolonisatie en de grachtengordel, maar het leven van de gewone man/vrouw blijft onderbelicht. Ik merk het bij mijn studie naar de graven van Holland gedurende de twaalfde en dertiende eeuw (en dat is natuurlijk een vroeg en slecht gedocumenteerd stukje geschiedenis) waarin je boeren en zeker burgers met een zwak lantaarntje moet zoeken. Dat geldt echter ook voor de veel beter gedocumenteerde opstand, oftewel onze eigen gezellige 80-jarige oorlog (1568-1648). Ik ken eigenlijk maar één studie die aandacht besteedt aan de gevolgen voor het volk van zo’n langdurig conflict: Ronald de Graafs, Oorlog, mijn arme schapen… (2004). Dat is wel weinig.
Er zullen ongetwijfeld mensen reageren met: ja maar, in dat en dat boek en bij die en die historicus hoor je toch ook over roof en plundering, onderdrukking en inkwartiering en kijk eens naar al die boeken over de Tweede Wereldoorlog met zijn concentratiekampen en hongerwinter. Ik weet het. Om maar een paar titels te noemen: Geert Mak, De eeuw van mijn vader (1999, twintigste eeuw), Peter Stokvis, red. Geschiedenis van het privéleven (2007, middeleeuwen tot twintigste eeuw) en Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen (2010, negentiende eeuw). Mak had er een bestseller mee omdat veel mensen zijn familiegeschiedenis heel herkenbaar vonden. En dat is dus tekenend voor dit onderwerp. Het was verrassend dat iemand op zo’n toegankelijke, journalistieke manier over een eeuw Maks schreef. Die andere boeken kostten echter tussen de 30 en 40 euro en dat is toch geen bedrag dat de gemiddelde Nederlander snel op de toonbank zal leggen. Die zullen dus veel minder impact hebben. En zeker niet op het onderwijs.
De bestudering van de geschiedenis lijkt altijd behoefte te hebben gehad aan helden. Aan spektakel en drama met veel rook en vuur. Voor de stille ellende van alledag was weinig plaats. Die werd min of meer uit de geschiedenisboekjes gehouden, zeker in de tijd der zuilen. Alleen de socialistische zuil wilde nogal eens uithalen over het onderdrukte proletariaat en de daarom nodige opstand tegen het kapitaal. Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw echter geen item meer toen elke arbeider een auto voor de deur kreeg en tien dagen per jaar in Torremolinos doorbracht. Achtereenvolgende generaties hebben nationalistisch getinte en konings (of in ieder geval Oranje) gezinde geschiedenislessen ontvangen. Zelden hebben ze geleerd om kritisch naar dergelijke geschiedschrijving te kijken en hun mond open te trekken.