Het falsum van 1064 (3)

falsum citaat

Het is klaarblijkelijk geen eenvoudige stof, dat falsum. Ik knip de blogs dus in wat kleinere, meer behapbare stukjes, zodat u niet overvoerd wordt met informatie. Sterkte…

Het falsum is dus gedateerd op 2 mei 1064 en is, net als dat van 30 april, zogenaamd uitgegeven in Kaiserswerth, in het document zelf weergegeven als Werede (Weerde). Ik heb al geschreven dat het vals zijn niet hoeft te betekenen dat de informatie in dat document dan ook niet klopt. Uit diverse bronnen in het bisschoppelijke archief is bekend dat het bisdom Utrecht gedurende de hele christelijke vroege middeleeuwen, dus tussen ca 700 en 1000 de nodige schenkingen ontving van met name de koning/keizer, maar ook van priesters en particuliere grondbezitters. De vroegste lijst van schenkingen van goederen aan het bisdom staat in een lang document dat het Cartularium van Radbod (een Utrechtse bisschop die tussen 899 en 917 regeerde) wordt genoemd. Het is aangelegd tijdens de ballingschap van de bisschoppen nadat de Noormannen Utrecht hadden ingenomen en al wat er stond hadden verwoest (856-857). De bedoeling was om een overzicht te hebben van het bisschoppelijk bezit voor als de Deense bezetters weer weg waren. Bisschop Balderik (918-975), de opvolger van Radbod, zou trouwens in 920 weer vanuit Deventer in Utrecht terugkeren.

Er komen veel namen van dorpen in het latere Holland, dan nog West-Frisia, in dat document voor. Ook dorpen die in 1064 genoemd worden. Het cartularium (register van oorkonden) bevat schenkingen die te dateren zijn vanaf  723 en die na 917 nog tot aan het midden van de tiende eeuw zijn bijgehouden. Mijn goede vriend Kees Nieuwenhuijsen heeft het nodige uitgezocht over deze lijst en op zijn website gepubliceerd.

liber donationum
Het Liber Donationum, zoals het nog steeds in het bisschoppelijk archief binnen het Utrechts Archief berust. Dit exemplaar werd in het laatste kwart van de twaalfde eeuw geschreven, naar eerdere exemplaren.

Het oorspronkelijke cartularium is niet bewaard gebleven maar slechts uit twee afschriften bekend. De oudste, van rond 1100, is te vinden in hetzelfde boekwerk in de British Library als waarin de al eerder besproken Annalen van Egmond zich bevinden. Het is een, waarschijnlijk, in Egmond gemaakt afschrift uit het originele Utrechtse register. Over het waarom daarvan is men het niet eens, maar het was natuurlijk handig om in Holland een lijst te hebben van de Utrechtse bezittingen aldaar. Egmond, als het centrum van schrijfcultuur ter plaatse, was de beste locatie om die te bewaren. Een latere versie van het cartularium is onderdeel van het zogenaamde Liber Donationum (boek van schenkingen) in het Utrechtse bisschoppelijke archief uit de late twaalfde eeuw. Ik kom op dit boek nog terug in latere blogs.

Er zijn dus overlappingen tussen het falsum en dit cartularium. Met name Valkenburg, Lisse, Noordwijk, Velsen en Petten komen in beide voor. Maar vanaf 885 tot 950 zijn er ook delen van de rest van Kennemerland in te vinden. Ook dorpen in het gebied tussen Den Haag en Haarlem (Rijnland dus) en het latere Westland tussen het nog niet bestaande Delft en de kust in bezit van de bisschoppen  worden genoemd. En dat zijn dikwijls de eerste vermeldingen van die plaatsen. Soms is zo’n dorp in zijn geheel ‘aan de kerk van St Maarten’ geschonken, maar dikwijls gaat het over een deel van de hoeven in het dorp en/of de kerk of de kapel met zijn toebehoren.

In ieder geval staan verder in het cartularium geen plaatsen langs de rivieren die in mei 1064 worden genoemd. Die, of het ontgonnen gebied waarin ze ontstonden, moeten dus later dan 950 aan het bisschoppelijke gebied zijn toegevoegd. Daar zijn echter geen schenkingsoorkonden van en ze staan ook niet vermeld in latere registers. We moeten er daarom van uitgaan dat ze lagen in gebied dat de bisschop, in zijn onontgonnen staat (dus als wildernis) als horend tot zijn bezit beschouwde. Met andere woorden: hij kon niet verwijzen naar oorkonden waarin het bewuste gebied geheel of gedeeltelijk aan hem geschonken was. En zoals gezegd: in de oorkonde van 30 april wordt deze hele streek niet genoemd.

(Wordt vervolgd)

Het falsum van 1064 (2)

falsum citaat

Even een wat korter blog over de inhoud van het falsum. Ik realiseer me dat dit serietje niet een echt eenvoudig onderwerp behandelt. U moet er even doorheen om te begrijpen waarom een vervalsing toch een (eniszins) betrouwbare bron kan zijn. Even volhouden dus…

Voor alle duidelijkheid: het stuk van 30 april 1064 is dus niet de valse oorkonde. Dat is wel de koninklijke brief van een paar dagen later: 2 mei 1064, klaarblijkelijk gegeven in dezelfde plaats als die van 30 april, Kaiserswerth, door dezelfde jonge koning aan dezelfde Utrechtse bisschop.

keizerpalts kaiserswerth
De palts of het paleis van de koningen en keizers van het Duitse rijk in Kaiserswerth zoals het er in 1630 uitzag. Inmiddels is het een schilderachtige ruïne (Stadtarchiv Düsseldorf).

Wat is dit dan voor een oorkonde? Hij is wat specifieker dan de eerdere, er worden kerken, plaatsnamen en rivieren in genoemd die preciezer aangeven waar sommige bezittingen van de bisschop in het graafschap volgens hem lagen. In het kort gaat hij over het volgende: koning Hendrik IV stelt Willem, bisschop van Utrecht, weer in het bezit van een serie met name genoemde goederen en kerken die hem door graaf Dirk zijn afgenomen. Dat komt overeen met de vorige oorkonde, maar hij is gedetailleerder. Hij bevestigt daarnaast ook nog dat de bisschop de koningsban uitoefent in Holland en dat de kerken van St Maarten en St Salvator vrij over hun bezit tussen IJssel en Lek mogen beschikken. Het leek er hier dus op dat de koning de bisschop nog eens te hulp kwam en hem nu wat specifiekere gebieden en kerken teruggaf.

De hiervoor al geciteerde zin waar Dordrecht in voorkomt, bovenaan dit blog te zien, is maar een onderdeel van de inhoud van dat charter. Krimpen wordt er ook in genoemd als gedeeltelijk bezit van de bisschop. In 2014 hebben daarom zowel Krimpen als Sliedrecht hun 950-jarig bestaan gevierd, gebaseerd dus op een falsum. Daarnaast worden er dorpen en kerken genoemd in de duinstreek van het hedendaagse noordwestelijk Zuid-Holland zoals Voorhout, Valkenburg, Kerkwerve (nu Oegstgeest), Lisse en Noordwijk, maar ook de kerk van Vlaardingen.

kerk velsen
De kerk van Velsen. Alleen het rechter gedeelte van het schip is geheel uit tufsteen gebouwd en dus het oudste deel van de kerk. Hij werd ergens in de twaalfde eeuw gebouwd op de plaats van de oudste kerk, waarvan gezegd wordt dat hij ca 700 door Willibrord werd gesticht. De kerk van Velsen behoort tot de oudste vijf kerken van Holland.

In Noord-Holland worden Velsen, Heiloo, Heemstede, Petten en Oudorp bij Alkmaar en hun kapellen genoemd. Geen van die plaatsen, behalve die in Noord-Holland (uitgezonderd Heemstede), ligt overigens in het Westflinge of de Rijnoevers van de voorafgaande acte. Bovendien wordt er letterlijk geschreven dat de bisschop over de koningsban beschikt in het hele graafschap Holland (comitatis omnis in Holland). Dat betekende dat hij in naam van de koning de opperste rechtsmacht had over dat graafschap, dus boven de graaf, die daardoor een bisschoppelijk leenman werd. Maar volgens de bisschop was hij dat altijd al geweest.

Verder bevestigt de koning de bisschop, en niet de graaf, als leenheer van een gravenleen langs de Rijn, van de Rijnmonding  tot aan Bodegraven (circa horas Reni dus…). Ook de bezittingen van de twee oudste Utrechtse kapittels  in de gouw rond de (Hollandse) IJssel en de Lek werden dus beschermd. Kapittels zijn colleges van wereldlijke geestelijken, kanunniken, wiens voornaamste taak het was “in het koor het ‘officie’ te zingen, de bisschop omringen bij het uitvoeren van liturgische plechtigheden en hem met raad en daad bijstaan in het bestuur van zijn bisdom”.  De oudste (en hier ook genoemde) waren die van de St Maartenskerk of de Utrechtse Dom en van de St Salvatorkerk of Oudmunster, die even ten zuiden van de Dom stond. De Westfriese graven waren namelijk al begonnen met het ontginnen in dat gebied tussen Lek en IJssel (Lake et Isla), dat later de Krimpenerwaard zou worden.

De route die beschreven wordt in het falsum en het gebied eromheen dat door de bisschop werd geclaimd.

Het is waarschijnlijk wel duidelijk dat met die route over de rivieren rondom Dordrecht niet werd bedoeld dat het water bezit van de bisschop was. Het gaat om het land dat er inmiddels aan weerskanten was ontgonnen en dat de graaf stilzwijgend als zijn bezit beschouwde. Het gaat dus om land aan weerszijden van de Alblas, de Waal (bovenin de Zwijndrechtse Waard), Merwede en Dubbel/Devel. En de Thuredrecht. Die stroomden respectievelijk langs of in de Riederwaard, de Zwijndrechtse Waard, Alblasserwaard en Grote Waard, al bestonden die waterschappen toen nog niet onder die namen. Dat wil zeggen: de Zwijndrechtse Waard wordt onder die naam al in 1028 genoemd en is waarschijnlijk als ontginningsgebied nog een stuk ouder. Ik kom daar in een aparte blog later nog op terug.

(Wordt vervolgd)

Het falsum van 1064 (1)

falsum citaat

Dit is het eerste  in een serie van vijf (of zes) blogs over een bron die heel veel vragen heeft opgeroepen. Al in 1909 is hij vals verklaard, maar toch wordt hij als één van de vroegste bronnen voor de geschiedenis van Zuid-Holland beschouwd. Hoe dat kan? Dat ga ik u proberen uit te leggen. Het betoog is nog niet helemaal af, vandaar dat ik nog niet precies weet hoeveel blogs ik er aan ga spenderen.

Onder Nederlandse historici die zich met dit deel van de middeleeuwen bezig houden is de oorkonde van 2 mei 1064 zeer bekend. Het is niet alleen het tweede document, in chronologische volgorde, waarin Dordrecht wordt genoemd, maar ze weten ook allemaal dat het een vervalsing is, falsum in het latijn, van tientallen jaren later. De gemiddelde Dordtenaar weet dat niet, tenzij hij/zij Van Herwaarden cs Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 heeft gelezen. Websites over de geschiedenis van de stad noemen het ook niet, evenmin als populaire boekjes en pamfletten die het oudste Dordrecht behandelen. Ook het historisch museum in het Hof heeft het er niet over. In mijn eerste blog heb ik al verteld dat die vervalsing in Wikipedia foutief aan de oudste vermelding van de Thuredrech werd opgehangen, waardoor de verwarring over het ontstaan van de stad alleen maar groter werd.

In Van Herwaarden cs wordt ingegaan op wat er in die vervalste oorkonde over Dordrecht staat. Ze geven een vertaling van het voor de stad belangrijkste deel:

…van Riede langs de Merwede tot Sliedrecht, voorts langs de Merwede in de Dordrecht, vandaar in de Dubbel, vandaar in de Duvelhara (Devel), vandaar in de Waal, vandaar weer in de Merwede tot in (de) Dordrecht, met de pas gebouwde kapel, van (de) Dordrecht oostwaarts tot Godekins hofstede die bij Werkenmonde staat.

Bovenaan de serie blogs over deze bron staat het stuk in het latijn in de versie uit de twaalfde eeuw. Uit dit citaat is duidelijk dat hier een route beschreven wordt en wel een die door een serie rivieren en riviertjes voert. Er blijkt ook uit dat Dordrecht, in het origineel als Thuredrith geschreven, zowel een water als een nederzetting is. Overigens wordt er in het hele boek geen aandacht besteed aan de herkomst van deze oorkonde, waarom hij als vervalsing wordt gezien en wat de reden van die vervalsing is geweest. Ik wil in een korte serie een poging wagen om meer begrip te vragen voor de betekenis van dit document als bron. Met name waarom een vervalsing toch waardevol kan zijn voor de geschiedenis van een streek. Ik hoop dat het ook voor wat meer helderheid zal zorgen in het kader van de zoektocht naar het ontstaan en de groei van Dordrecht.


Het is geen simpel verhaal dus ik zal proberen het zo duidelijk mogelijk te beschrijven. De hoofdpersonen in de oorkonde uit 1064 zijn de Duitse koning Hendrik IV (1050-1106) en de Utrechtse bisschop Willem Flamens (ca 1024-1076) die gezamenlijk actie ondernamen tegen de Westfriese graven. We hebben gezien dat die het er wel naar gemaakt hadden en dat met name Dirk IV en Floris I het daarom met de dood moesten bekopen. Na de dood van de laatste in 1061 was zijn oudste zoon Dirk nog maar 6 of 7 jaar en dus nog minderjarig. Zijn moeder, gravin Geertruid, nam de regering op zich. In de middeleeuwen lag dat voor vrouwen nogal moeilijk. Vandaar dat ze twee jaar na de dood van graaf Floris een huwelijk sloot met een jongere zoon van de graaf van Vlaanderen, Robrecht (ook Robert genoemd) met het uiteindelijke doel om beter bestand te zijn tegen de vijandschap van de nabije bisschop en de verder weg verblijvende koning.

hendrik IV
Één van de weinige portretten van koning Hendrik IV. Er zijn er geen van toen hij 16 was, maar hier is hij in de kracht van zijn leven voorgesteld, ca 30 jaar oud. Elfde eeuwse miniatuur.

Ook koning Hendrik was bij het overlijden van zijn vader, keizer Hendrik III (die graaf Dirk IV gestraft had) in 1056 nog minderjarig, eveneens niet meer dan 6 of 7. Ook zijn moeder, keizerin Agnes, nam de regering waar. Zeker bij de Duitse hoge adel en de aartsbisschoppen van Keulen en Bremen, die zelf van hoge adellijke afkomst waren, lag dat niet goed en er braken opstanden uit. In 1062 lieten ze Hendrik ontvoeren en hij kwam onder invloed van met name die aartsbisschoppen te staan.

De bisschop van Utrecht, Willem, zat sinds 1054 op de troon en stond onder de aartsbisschop van Keulen, één van die koninklijke voogden. Het bisdom Utrecht was dus onderdeel van het aartsbisdom Keulen, net als Luik, Osnabrück, Minden, Bremen en Munster. Willem maakte van de gelegenheid gebruik om de teruggave van een hele serie kerken in West-Frisia, die door de graven aan de abdij van Egmond waren geschonken, voor elkaar te krijgen. Daar was na de dood van Dirk IV al over onderhandeld, maar er was nog niets van een regeling getroffen. In 1063 werd er door een synode (bisschoppen vergadering) besloten dat Utrecht de kerken weer terug zou krijgen en de inkomsten zou delen met de abdij van Echternach in Luxemburg. Die was gesticht door de heilige Willibrord, die in de zevende eeuw al die kerken in West-Frisia (en elders) had gesticht. Die waren bij zijn dood allemaal aan de abdij gekomen. De monniken zaten echter te ver weg om te kunnen voorkomen dat de graven hun kerken inpikten.

Via de aartsbisschoppen wist bisschop Willem bij de koning (inmiddels dertien) te bereiken dat hij ook het graafschap weer in zijn bezit kreeg. De bisschop wierp zich dus op als de leenheer van de graven van Westfrisia. De oorkonde waarin de koning dat bevestigde is gedateerd op 30 april 1064. Let op: dit is dus niet het falsum: dit is een onverdacht stuk.

30 april 1064
Detail over de graafschappen Westflinge en Horas Reni uit de oorkonde van 30 april 1064. Dit is een latere optekening van deze oorkonde. Ik kom daar in een volgende blog nog op terug.

Er staat met zoveel woorden in dat bisschop Willem het hele graafschap Westflinge en de het gebied circa horas Reni, dat graaf Dirk bezette, terugkreeg. Met Westflinge werd het gedeelte van Holland boven het IJ bedoeld. Westflinge, oftewel de gouw ten westen van het Vlie, kan gezien worden als het huidige West-Friesland, met waarschijnlijk Texel, een stuk (Noord-)Kennemerland, plus Waterland en de Zeevang daarbij aansluitend. Horas Reni, of de Oevers van de Rijn,  is het gebied aan weerszijden van de Rijn van de monding bij Katwijk via Rijnsburg en Leiden tot bijna aan Bodegraven toe. Het was de voorloper van het latere Rijnland. Bovendien kreeg de bisschop ook de abdij van Egmond met al zijn bezittingen (en dat was een flink stuk Kennemerland) in beheer. De graven beschouwden die al ruim een eeuw als eigen bezit.

abdij egmond
Het monnikenverblijf en de kerk van de moderne abdij van Egmond. Het origineel is in 1573 verwoest. Vorige week nog geweest: een zeer rustige plek.

In de praktijk kon de bisschop zijn gebied niet zonder hulp terugkrijgen. Graaf Robrecht, die inmiddels De Fries werd genoemd, en gravin Geertruid hadden de touwtjes in het graafschap nog stevig in handen. Willem had ook de pech dat de koning nog jong was (hij zou pas in 1065 meerderjarig worden verklaard) en nog niet veel kon beginnen, want hij stond onder zware druk van de aartsbisschoppen en had met zijn Saksische onderdanen veel te stellen. Ook Godfried met de Baard, de hertog van Lotharingen, die de militaire arm van de koning was, was niet beschikbaar: die verbleef vooral in zijn nieuw verworven bezittingen in Italië. Er veranderde pas wat toen de hertog in 1069 overleed en zijn opvolger, zijn zoon Godfried met de Bult, bisschop Willem te hulp kwam. Dat kwam ook omdat de abt van Echternach hem, als hij West-Frisia zou veroveren, een flink bedrag uit de opbrengst van de door de graven ingepikte kerken had beloofd.

In 1070 wist de Lotharingse hertog met een groot leger graaf Robrecht te verslaan. Hij en zijn gezin (de latere Dirk V was nog steeds maar 15 of 16 jaar) vluchtten naar Vlaanderen, met de bedoeling om daar hulp te zoeken voor een herovering. Datzelfde jaar overleed Robrechts oudere broer, graaf Boudewijn VI, en hij raakte verzeild in de opvolgingsproblemen. Hij werd na de nodige oorlogsvoering, onderhandelingen en vredes zelf graaf, maar moest zich eerst met Vlaanderen bemoeien voor hij zijn blik weer naar het noorden kon richten.

(Wordt vervolgd)

Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (4)

bayeux borduurwerk

Het vierde en laatste blog in een serie van vier over de dood van graaf Dirk IV bij Dordrecht.

Was dat normaal dat een graaf tijdens een strafexpeditie werd gedood? Nee, dat was het niet. Iedereen weet dat de middeleeuwen soms een behoorlijk gewelddadige tijd kon zijn, waarin mensen elkaar met allerlei scherpe wapens afmaakten, maar het zomaar doden van een hoge edelman was zeker tamelijk zeldzaam. Natuurlijk sneuvelden edelen regelmatig op een toernooi of in een oorlog, maar dat zo iemand door of op bevel van zijn leenheer werd gedood was niet gebruikelijk. Het geval van de aanstichter van de opstand tegen keizer Hendrik III waar Dirk ook aan meedeed, de Opper-Lotharingse hertog (en dat is nog wel wat hoger dan een graaf) Godfried met de Baard, toont dat duidelijk. Hij werd gedurende zijn opstanden regelmatig gevangen genomen, na een tijdje weer vrijgelaten en als onderdaan aangenomen om dan weer te rebelleren, etc.  Ondanks dat hij steeds weer verraad pleegde tegen de keizer werd hij ook steeds weer vergeven.  Ook de andere samenzweerders werden zo behandeld. Het land van de Vlaamse graaf, bijvoorbeeld, werd verwoest, maar de graaf kon weer gewoon terugkomen.

De adel ging namelijk van een soort erecode uit die zei dat je collega-edelen niet zomaar dood maakte. Het was beter de verliezer van een gewapend conflict te vragen zich over te geven, hem gevangen te nemen en losgeld voor hem te vragen. Dat was een stuk voordeliger. Niet dat er nooit edelen sneuvelden, maar dat was  zelden de opzet. Dat hield overigens tegelijkertijd in dat het niet-adellijke voetvolk min of meer vogelvrij was en door de zwaar gewapende ruiters zonder probleem gedood mocht worden. Boeren vielen natuurlijk niet onder de erecode. En dat gold ook voor de boeren die de pech hadden dat ze het land van de vijand bewerkten zoals die in Vlaanderen. Het in brand steken van hun boerderijen en oogst was een soort economische oorlogsvoering die zo de vijandelijke welvaart trof.

Waarom bestond die ‘erecode’? Veel lieden van Europese adel waren  aan elkaar verwant en je ging niet zomaar je eigen familie uitroeien, ook al was je neef toevallig even je vijand. Een jaar later kon de situatie politiek weer heel anders liggen en vocht je weer aan dezelfde kant. Dat ging heel snel in de middeleeuwen (en later). Het hield ook in dat je je opeens kon realiseren dat je er de schuld van was dat je het land en de dorpen van je nieuwe vrienden had verwoest en dat die de opbrengst daarvan nu moesten missen. En dat ze nu misschien wel een beroep op je moesten doen om toch te kunnen eten en drinken. En soldaten betalen. Dan boette je op die manier dus voor je eigen misdaden. Over de boeren werd echter verder niet gepraat. Tenminste: daar wordt door historici van uitgegaan. Ik kan me echter niet voorstellen dat edelen op den duur niet in de gaten hadden dat ze door hun gedrag zichzelf benadeelden. Maar dat is een onderwerp waar al het nodige over is geschreven en nog heel wat over te zeggen valt.

guldensporenslag
Scene uit de Guldensporenslag uit 1302 waarin bij Kortrijk een Frans ridderleger door Vlaamse burgers gewapend met o.a. ‘goedendags’ (zware knotsen met een ijzeren punt) werd verslagen. Honderden edelen werden gedood en hun vergulde sporen werden daarna in één van de stedelijke kerken opgehangen. Houtsnijwerk van vlak na de slag op de zogenaamde kist van Oxford.

Het ging pas mis met de adel toen mensen zich niet meer aan die code hielden. En dat waren rond 1300 vooral de steeds belangrijker wordende steden en hun zelfverzekerde, rijke, burgers. Er zijn zo tussen 1280 en 1350 diverse momenten geweest dat ridderlegers, vol edelen en ridders (er is verschil; ik kom daar nog wel eens op terug), volledig in de pan werden gehakt door gewone burgers. Er werd geen kwartier gegeven, geen gevangenen gemaakt  ook. Ze werden gewoon gedood. Op den duur kregen de stedelingen wel door dat losgeld vragen van gevangen genomen adellijke tegenstanders ook voor hen best voordelig kon zijn. Maar dan zitten we nog later in de middeleeuwen.

Rond 1040-50 was je als edelman, als je geen pech had, redelijk veilig. Maar het in opstand komen tegen je heer kon toch ook wel fataal uitpakken. Zeker als je je bij een andere heer aansloot en tegen je eerdere heer ging vechten. Felonie werd dat genoemd. Er stonden allerlei straffen op dat gedrag. De belangrijkste was natuurlijk dat je het risico liep dat je heer je af kwam straffen met een leger en je land ging verwoesten. De graaf van Vlaanderen, bijvoorbeeld, sloot zich voor zijn Duitse landen aan bij de Lotharingse hertog, waardoor hij zijn echte leenheer de keizer in de steek liet, en werd zo afgestraft.

Hendrik III en bisschoppen
Keizer Hendrik III tussen enkele bisschoppen. Miniatuur uit het midden van de elfde eeuw die de consecratie van de abdij van Stavelot in 1140 voorstelt.

Keizer Hendrik III had een goede band met de kerk. Hij vertrouwde meer op de bisschoppen in zijn rijk (die hij zelf aanstelde) dan op de hoge adel. Bisschoppen bouwden geen erfelijke macht op zoals de adel, al verzamelden ze wel land. Na een tijdje kwam er gewoon een nieuwe, die geen familie van de vorige was. De hoge adel vond dat niet leuk en daarom zijn er zijn hele regering (1039-1056) opstanden van edelen tegen Hendrik III geweest. Zoöok die waaraan Dirk IV meedeed. De Westfriese graaf plunderde en brandde bovendien in de landen die de betreffende bisschoppen van de keizer of zijn voorgangers hadden gekregen. Hij speelde nogal met vuur. Daarom werd het graafschap van Dirk in 1046 en 1047 zo gestraft.

Graaf Dirk heeft in 1048 misschien gedacht dat het zo’n vaart niet zou lopen met zijn opstand en plundertochten, net zoals bij de beide vorige keren. De keizer nam de opstandelingen die hij kon overwinnen meestal gevangen, zoals gebeurde met Godfried met de Baard. Gezien wat ik hierboven heb geschreven zal het waarschijnlijk niet de bedoeling zijn geweest dat hij werd gedood. Van bisschoppen mag je zelfs verwachten dat ze niet zo moorddadig zijn en nog eerder vergeven dan een keizer dat zou doen. Dirk  had echter pech. Hij was te weinig op zijn hoede voor zijn vijanden en sneuvelde in een hinderlaag.

Hierna komt nog een blog over het misverstand of Dirk nu vermoord werd of sneuvelde. Houd deze plaats in de gaten.

Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (3)

Het derde blog in een serie van vier over de dood van graaf Dirk IV bij Dordrecht.

Maar waarom kwam dat leger hem dan mores leren? In eerste instantie kwam dat door de al genoemde ontginningen. Ik heb het al gehad over de bisschop van Utrecht die in ieder geval een flink deel van het gebied, waar de Dirken aan het graven waren, als het zijne beschouwde. Maar ook de bisschop van Luik had last van hen. Dat bisdom reikte in het noorden tot de Oude Maas, die dus niet meer dan een kilometer of vijf onder wat nu Dordrecht is, stroomde. Een restje van die Maas is nog te vinden in de huidige Hoeksche Waard, waar het de Binnenbedijkte Maas heet. Trek die waterloop, met de nodige bochten erin, naar het oosten door en je hebt een idee waar hij ongeveer liep. De ontginners staken de Maas over en veroorzaakten daar dezelfde moeilijkheden als in het Utrechtse gebied. Dat moet allemaal al tussen 1039 en 1045 zijn gebeurd, maar misschien was Dirk III zelfs al met die zaak begonnen.

vita st aubin
Een schip met zwaarbewapende soldaten uit het laatste kwart van de elfde eeuw. Miniatuur in het heiligenleven van St Aubin (Vita S. Albini, Angers, FR).

In 1046 kwam de koning, Hendrik III (1017-1056, koning sinds 1028 naast zijn vader en na 1039 alleen) naar Utrecht om pasen te vieren. Na de feestelijkheden voer de vloot waarmee hij naar het westen was gevaren, door naar de Maasmond en dwong daar Dirk tot teruggave van de ontgonnen gebieden. Welke de teruggegeven gebieden waren staat nergens beschreven, maar het zal zeker niet zijn eigen Maasland oftewel het graafschap Vlaardingen zijn geweest. Waarschijnlijk moest hij de ontginningen in het Merwedewoud, de Zwijndrechtse waard en die langs de Merwede en Oude Maas aan de respectieve bisschoppen teruggeven.

Zodra de koning en zijn troepen verdwenen waren trok hij zich niets meer aan van die nederlaag. Hij begon nu zelfs te plunderen in de beide bisdommen.  Bovendien verbond hij zich met een aantal edelen die al in opstand waren gekomen tegen de koning. Daar waren de hertog van Opper Lotharingen (tussen Duitsland, Zwitserland en Frankrijk) en de graven van Vlaanderen en Henegouwen, in wat nu België is, bij. Bronnen suggereren dat hij met zijn mede-opstandelingen aanwezig was bij het platbranden van keizerlijke palts van Nijmegen, het latere Valkhof, en het omliggende dorp. Dat was natuurlijk vragen om moeilijkheden: keizerlijk bezit aantasten mocht niet.

nicolaaskapel valkhof
De St Nicolaaskapel is het enige stukje van het Valkhof in Nijmegen dat nog dateert van voor de aanval van 1047. Het origineel is in ca 1030 gebouwd (de portaaltoren vertoont nog stenen uit die tijd) maar later veel verbouwd en uitgebreid.

De inmiddels eind 1046 tot keizer gekroonde Hendrik III rustte weer een expeditie uit en trok in september 1047 met een vloot langs de Rijn naar Frisia. Waarmee in dit geval het hele Westfriese graafschap van Texel tot en met Zeeland werd bedoeld. Deze keer kwam Dirk er niet genadig af. De keizer veroverde de ‘versterkte nederzettingen’ Vlaardingen en Rijnsburg, waarbij hij de laatste verwoestte. Auteurs over de graven melden dan altijd dat Dirk IV klaarblijkelijk het deel van Holland aan de oevers van de Rijn weer beheerste. Hij moet er zelfs al munten geslagen hebben.

Bij het terugtrekken van het leger naar Duitsland zaten de Friezen, in lichte bootjes, het achterna en via guerilla oorlogsvoering wisten ze de achterhoede herhaaldelijk flinke verliezen toe te brengen. Zo liep die expeditie voor de keizer niet echt goed af.

kerk aalburg
De kerk van Aalburg werd al in 1012 genoemd. Hij is in de 14e eeuw bijna geheel opnieuw gebouwd: de toren en het schip dateren van die tijd. Later is nog veel toegevoegd en de daken zijn eveneens veranderd.

Dirk was hardleers en ging daarna toch weer zijn eigen gang. Hierbij schijnt hij niet alleen de bisschoppen van Utrecht en Luik, maar ook die van Metz, in Noord-oost Frankrijk, lastig gevallen te hebben met branden en plunderen. Hoe dat kan?  De abdij van St. Truiden in Belgisch Brabant, tussen Leuven en Hasselt, was in bezit van de bisschop van Metz. Deze abdij bezat veel land in wat nu Noord-Brabant  is, onder andere Aalburg, in land van Altena een paar kilometer boven Heusden, waar de Hollandse graaf Floris II later, rond 1100, voogd bleek te zijn voor de abdij.  Daar was je, als je de Maas naar het zuidoosten volgde, zo. We weten niet welke kerken of dorpen hij daar plunderde, maar de bisschop was niet blij.

De drie bisschoppen besloten hem nu echt hard aan te pakken. Het is niet waarschijnlijk dat ze zelf de wapens opnamen, want daar hadden ze hun mannetjes voor. Er waren diverse leken in dienst van de bisschoppen die aan hun hof als dienstmannen functies hadden, onder andere die van militair. Ook  waren er edelen die als leken-voogden de kloosters in de bisdommen beschermden. De kronieken zeggen dan ook dat een leger van deze mensen naar het graafschap Vlaardingen trok. Herman van Reichenau schreef ook nog dat edelen en soldaten uit de streek zelf er aan mee deden. Waren dat ontevreden onderdanen van de graaf? Er zijn verder geen aanwijzingen, dus we zullen het niet meer te weten komen.

Reconstructiekaartje van de routes naar Thuredrech in 1049.

In wat een gecoördineerde aanval over Lek en Merwede (vanuit Utrecht naar het oosten en noorden) en Maas (vanuit het zuiden) geweest moet zijn, trok men op de zuidoosthoek van het graafschap aan. Anderen zeggen trouwens dat men bij Tiel verzamelde en vandaar de Merwede afvoer, want dat gecoördineerde aanvallen over water in die tijd moeilijk te plannen waren. In ieder geval kwam men hem in Thuredrech op het lijf vallen. Hoe ze wisten dat de graaf daar zat is onduidelijk. De Egmondse kroniek zegt met zoveel woorden dat hij:

…te weinig op zijn hoede [was] voor zijn vijanden…

motteburcht
Een mottekasteel zoals dat in Lüneburg (DE) is gereconstrueerd. Het is niet gezegd dat de Vlaardingse burcht hierop leek, maar het bouwprincipe kan er ook gevolgd zijn.

Daaruit zou je op kunnen maken dat hij dacht dat hij in Dordrecht veilig was. Daar kun je direct de vraag aan verbinden: waarom voelde hij zich veilig in Dordrecht? Hij had in Rijnsburg en in Vlaardingen een soort burcht. Daar moet je je niet te veel van voorstellen. Rijnsburg (Rinasburg in de elfde eeuw) zal een soort ringwalburcht geweest zijn. Een ronde wal, met een houten palissade, waaromheen een gracht en een paar ingangen, die een stuk land van ongeveer een hectare omgeeft. Daar kun je je als bevolking terugtrekken als er kapers op de kust zijn. Vlaardingen bezat een grafelijke burcht. Dat was waarschijnlijk een houten toren binnen een palissade op een kunstmatige heuvel, een motte, met een ronde gracht eromheen, die dicht bij de uitmonding van de Vlaarding in de Merwede-Maasmonding lag.

Voor de jaren 1040-1046 was er al jaren flink ontgonnen in het gebied van de Merwede en Maas  en het is niet onwaarschijnlijk dat de graaf, vanwege de dreiging van de buren, op een strategische plaats net zo’n nogal geïmproviseerde sterkte had gebouwd. Dordrecht, net voorbij het uiterste zuidoostelijke puntje van de Zwijndrechtse Waard vormde een prima plek om zo’n soort burcht te bouwen. We hebben er alleen geen bewijs voor. Maar als Dirk zich daar veilig voelde en desondanks daar sneuvelde, is het niet geheel onwaarschijnlijk.

Het ziet er naar uit dat Dirk echt in een hinderlaag is gelopen. Hij zal best een legertje van geoefende soldaten bij zich gehad hebben als zijn lijfwacht, maar was waarschijnlijk niet voorbereid op een van beide kanten komende aanval. Het ziet er naar uit dat hij geen kans maakte. Dirk werd overwonnen en sneuvelde daarbij. Hij was nog niet echt oud, waarschijnlijk zo rond de 30, ongehuwd en kinderloos. Het is duidelijk dat hij in de abdij van Egmond werd begraven, bij zijn voorvaderen. Er wordt in alle talen gezwegen over wat er verder met zijn landen gebeurde. Zijn broer Florens volgde hem op, maar het is niet duidelijk wat die daarna deed.  Hij had natuurlijk een vete geërfd: zijn broer was gedood. Verder wordt hij ‘krijgszuchtig’ genoemd en zal de politiek van zijn broer, ontginnen en de buurbisschoppen lastig vallen, hebben voortgezet. Hij werd tenminste toen hij, van een krijgstocht terugkomend bij Hemert onder een boom een dutje deed, door bisschoppelijke troepen omgebracht. Men mocht hem daar dus niet.

Zijn zoontje, de latere Dirk V, was nog erg jong en de voogdij van zijn moeder was niet bestand tegen de macht van de bisschop, die het gebied van de Westfriese of Vlaardingse graven inlijfde. Daarmee was de rol van de graven voorlopig uitgespeeld.

Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (2)

Het tweede blog in een serietje van vier over de oorzaken van de dood van graaf Dirk IV.

Uit de Annalen van Egmond blijkt niet waarom die vijanden hem in West-Frisia kwamen aanvallen. Daarom moeten we in buitenlandse bronnen zoeken naar redenen. Er zijn namelijk wel degelijk meer verslagen van de dood van de Westfriese graaf dan de ‘Nederlandse’.  Dat maakt de gebeurtenis trouwens alleen maar betrouwbaarder, want hoe meer mensen over een gebeurtenis schrijven hoe waarschijnlijker het wordt dat hij echt plaats gevonden heeft. De vroegste vermelding, vroeger dan de Egmondse, werd geschreven door de kreupele (of lamme) Herman van Altshausen, monnik in de abdij van Reichenau. Men noemde hem later Herman van Reichenau. Hij schreef zijn kroniek tussen 1048-54, dat is dus ten tijde van de gebeurtenis zelf en niet 70 jaar later zoals monnik C deed.

abdij reichenau
De abdij van Reichenau vertoont nog veel van de Romaanse oorsprong, al is er een gotisch koor tegenaan gebouwd (foto Radurlaub.bodensee.de).

De abdij van Reichenau lag en ligt nog steeds  helemaal in het zuiden van Duitsland op een eilandje in de Bodensee, die daar de grens met Zwitserland vormt. Dat is dus een flink eind weg. Maar Herman was goed op de hoogte van wat er in het Duitse Rijk gebeurde en moet de feiten, gezien de nauwkeurigheid van de beschrijving, kort na de gebeurtenis van een betrouwbare getuige gehoord hebben.

Hij schrijft letterlijk (in vertaling):

1049 Intussen, terwijl er overal volop winters ijs lag, is een aantal soldaten en edelen van het gebied langs de zee met de bisschoppen van van Luik, Utrecht en Metz samengekomen en legden in Vlaardingen een hinderlaag voor Dirk. In het gevecht dat ontstond, overmeesterden en doodden ze hem en ze onderwierpen zijn gebied aan de keizer.

Daar staat het. De vijanden blijken drie bisschoppen te zijn, die met edelen en soldaten uit het kustgebied langs de Noordzee (Friezen? Zeeuwen?) de graaf komen belagen. Maar wat opvalt is dat Dordrecht hier niet genoemd wordt, maar wel Vlaardingen. Dat moet uitgelegd worden.

Ik heb hier al geschreven dat graaf Dirk III naar het zuiden van zijn graafschap, het Maasland, vluchtte na de dood van zijn vader Arnulf. Hij bouwde daar een sterkte in het plaatsje dat, naar het ernaast stromende riviertje, Vlaardingen werd genoemd. Zijn gewonnen slag tegen de troepen van de keizer in 1018 leverde hem flink wat prestige op. Lees hier over die slag.  De opvolger van die keizer, Koenraad II (ca 990-1039, koning vanaf 1024, keizer vanaf 1027), werd door Dirk gesteund, dus daarna had hij weinig last meer van keizerlijke bemoeienis. Hoe de tolheffing (of roof…), waar het allemaal om te doen was geweest, verder geregeld werd is niet bekend.

Dirk III zelf komt in diverse bronnen voor als de Friese graaf. Uit de titel van zijn opvolger, zijn zoon Dirk IV, blijkt dat de naam Vlaardingen, als hofcentrum, overging op dit deel van het graafschap. En zo gebeurde het dat hij in het buitenland, o.a. in Reichenau, Dirk, markgraaf van Vlaardingen (Theodericus Phladirtinga marchio), werd genoemd.

reliek herman de lamme
Relikwie van de bovenkant van de schedel van Herman van Altshausen, die bewaard wordt in de slotkerk van Altshausen. Relieken zijn resten van heiligen, maar Herman is nooit heilig verklaard, al werd hij wel lokaal vereerd.

Dat betekent dus niet dat hij graaf was van dat plaatsje, maar markgraaf van een flink gebied van die naam. Een markgraafschap is de benaming voor een graafschap aan de grenzen van het rijk, daar waar men risico loopt van vijandelijke invallen. In dit geval van overzee. Dat hield dus in dat markgraven meer verantwoordelijkheid droegen dan gewone graven.

slotkerk altshausen
Slotkerk van het kasteel van Altshausen, in het gelijknamige stadje, waar Herman begraven ligt. Het kasteel behoorde oorspronkelijk aan Hermans ouders (foto Oberschwabens Sehenswürdigkeiten, 2016).

Omdat onder Dirk III en Dirk IV de ontginningen zich langzaam (of juist misschien wel heel snel) uitbreidden naar de Zwijndrechtse Waard en de oevers van de Merwede (ook wat nu de Noord is), lag het plaatsje aan de Thuredrecht in het zuidoosten van het markgraafschap Vlaardingen. In Reichenau hadden ze waarschijnlijk geen idee dat daar een dorp van die naam lag en situeerden ze de dood van de graaf gewoon ‘ergens’ in het graafschap.

Dat gebeurde trouwens ook in een wat latere buitenlandse kroniek, die van Bernold, geschreven tussen ca 1075-1100 (dus ook vroeger dan Egmond). Over 1049 staat er:

Enkele edelen en bisschoppen trokken Vlaardingen binnen, beroofden Dirk van het leven nadat hij in een gevecht was overmeesterd en onderwierpen zijn gebied aan de keizer.

Dat houdt dus ook niet in dat ze het plaatsje Vlaardingen binnen trokken, maar het graafschap van die naam. Bernold kwam uit dezelfde streek als Herman van Reichenau en wist ook niet beter. Ook in een paar andere kronieken komt de dood van graaf Dirk door het leger van de drie bisschoppen voor, maar daar staan geen plaats- of graafschapsnamen in. Maar waarom kwamen die bisschoppen en hun leger naar het Westfriese graafschap?

(Wordt vervolgd)

Oorkonden (1)

Dit is nummer één van een serietje van twee over één van de typen geschreven bronnen die ons hebben voorzien van gegevens over de vroege en hoge middeleeuwen.

Het andere type middeleeuwse bronnen, naast de annalen en kronieken, zijn oorkonden.  Als moderne mensen dat woord horen denken ze aan getuigschriften voor het winnen van iets of over het vieren van zoveel jaar trouwe dienst, etc. Als men dat er een beetje antiek uit wil laten zien dan geeft men het vorm als een van  boven en onder omkrullend, vergeeld blad perkament met verschroeide randen en daar ook voorzien van scheurtjes.

nep-oorkonde
Commercieel sjabloon van een zogenaamde oorkonde.

Daarop zit dan een felrode ronde plak lak, waarin een eveneens  rond zegel is afgedrukt met soms iets erin dat op een wapenschild lijkt. Het blad moet dan beschreven zijn in een krullerige letter met bovenaan een grote rode hoofdletter en eventueel nog andere versieringen. Dat beeld klopt niet met oorspronkelijke oorkonden. Het is door Hollywood verspreid, zoals zoveel foute ideeën over de middeleeuwen. In historische films zie je daar mensen officiële aankondigingen uit voorlezen. Of er worden schatkaarten op getekend. We komen er maar moeilijk vanaf.

Echte oorkonden zagen er heel anders uit. Hieronder ziet u een voorbeeld van een door de bisschop van Utrecht in 1105 uitgegeven oorkonde, met opgedrukt zegel, die toevalligerwijze gaat over de omgeving van Dordrecht. U ziet dat na 911 jaar het perkament niet is omgekruld, dat het geen schroeiranden heeft en geen scheurtjes vertoont aan die randen. Het zegel is niet rood, maar van blanke was en laat, hoewel moeilijk te zien, een afbeelding van de bisschop zien. Het is ook mooi regelmatig beschreven in een zogenaamd kanselarijschrift, dat, als je er een beetje aan gewend bent (en als je latijn kent) makkelijk te lezen is. Dat het er zo gaaf uitziet ligt natuurlijk wel aan het feit dat dit stuk altijd goed opgeborgen is geweest en dat het niet van vuur of andere rampen te lijden heeft gehad. Maar toch…

charter 1105
Beslechting van een ruzie tussen Sliedrecht en Houweningen door bisschop Burchard van Utrecht, 1105. Utrechts Archief, archief kapittel van St Jan, nr. 321.

Wat is een oorkonde dan eigenlijk? Wikipedia heeft een aardige definitie van deze bronnen:

Een oorkonde is een schriftelijke weergave van afspraken.[…] Veelal zijn deze oorkonden op perkament geschreven. Veel oorkonden bleven zo goed bewaard, omdat zij voor latere eigenaren het bewijs van eigendom van een stuk grond of een recht vormden.

Door archivarissen worden ze ook wel charters genoemd. In de middeleeuwen zelf noemde men ze in de taal die hier gesproken werd, het middelnederlands, een ‘perkamenten brieve’. Dikwijls werden die brieven, als ze eenmaal opgeschreven waren, ook nog hardop voorgelezen (verkondigd aan het oor), zodat getuigen later zouden kunnen bevestigen dat hij op een bepaalde datum was uitgegeven en wat er in stond. De meeste middeleeuwers konden voor 1300 niet lezen en daarom waren mondelinge getuigenissen nog heel belangrijk in de rechtspraak of de politiek.

perkament maken
Het schrapen van een opgespannen dierenhuid om perkament te maken.

Wat veel mensen zich niet realiseren is dat perkament dierenhuid is, leer dus. Meestal werd het van geiten of schapen gemaakt, soms van kalveren. De huiden ondergingen een hele serie bewerkingen tot het mooi wit was en geschikt om aan beide kanten te beschrijven. Men denkt tegenwoordig  dat het een soort papier is en dat verklaart ook die scheurtjes aan de randen in Hollywoodse oorkonden. Leer scheurt echter erg moeilijk, en daarom zal je dat soort beschadigingen heel zelden in echte oorkonden terugvinden. De verwarring wordt trouwens ook veroorzaakt doordat er zogenaamd perkamentpapier verkrijgbaar is, dat oppervlakkig een soort perkamentstructuur heeft. Al is nieuw perkament, als je het niet aanraakt, niet te onderscheiden van papier; het is net zo glad en wit.

zegel floris V
Zegel van graaf Floris V uit ca 1285.

Oorkonden werden dus uitgegeven door belangrijke mensen die schenkingen konden doen of die konden bevestigen. Dus onder de uitgevers waren keizers, koningen, hertogen, graven, maar ook de paus, kardinalen, bisschoppen en abten van kloosters. Als bewijs dat zij die oorkonde hadden uitgegeven stond bovenaan hun naam en hing onderaan hun zegel. Of het was er opgedrukt. Zegels zijn afdrukken in blanke of gekleurde was (lak kwam pas in de zeventiende eeuw op) met een  zegelstempel, dat meestal van metaal was. Hierin stond aanvankelijk het portret van de vorst, al of niet op een troon gezeten, of als het een hertog of graaf (of wat later: ridder) was, zijn afbeelding te paard met schild en lans of zwaard. Geestelijken beeldden zichzelf ook af in hun liturgische dracht, al of niet met krom- of kruisstaf. Later werden voor vorsten en ridders zowel als voor geestelijken hun familiewapen gebruikt, maar dan zijn we inmiddels in de dertiende eeuw of later.

Omdat deze oorkonden belangrijk waren werd er goed voor gezorgd en werden ze veilig opgeborgen. Helaas is er veel tijd vergaan sinds de middeleeuwen en hebben veel verzamelingen daar erg onder te lijden gehad. Er zijn oorkonden door vuur of water vernietigd, tijdens opstanden en oorlogen gestolen en soms gewoon vergeten en vergaan. Gelukkig zijn in sommige vorstelijke  en kerkelijke archieven later ook kopieën gemaakt van oudere oorkonden of zijn er afschriften aan derden gegeven. Soms is het origineel op de plaats van uitgave niet meer bewaard, maar bijvoorbeeld wel bij degene die hem heeft ontvangen. Elke oorkonde werd namelijk op z’n minst in twee exemplaren gemaakt: één voor de ontvanger en één voor het archief van de uitgever. De ontvanger kon er dan ook nog een kopie van gemaakt hebben – één om op te bergen en één om te kunnen laten zien- die bewaard kan zijn gebleven.

(Wordt vervolgd)

Wij waren Duitsers (3)

Dit is de derde en laatste blog over wat u van ‘graven’ moet weten en met name over die van Holland, dat voor 1100 Westfrisia heette.

Wat de graven, zeker in onze streken, ook deden, was de wildernis ontginnen. Ons gebied, aan de mondingen van Rijn, Merwede en Maas,  had een eigen graaf die aanvankelijk de Westfriese graaf werd genoemd omdat zijn graafschap West-Frisia heette. Het huidige Friesland en Groningen was toen Midden-Frisia en over de Dollard begon Oost-Frisia. In wezen waren alle mensen die daar woonden Friezen, die een vergelijkbaar dialect spraken, en die pas langzaam uit elkaar groeiden.

elzenbroekbos
Voorbeeld van een nat elzenbroekbos met laag struikgewas. Zo zagen de oeverwallen en het land erachter in zuidelijk Holland er voor 1100 meestal uit.

Het was hier aan de grote riviermondingen, tussen Zwin en Vlie, waterrijk met veel veenmoeras en uitgebreide moerasbossen en hoge veenkussens. Je kon eigenlijk alleen in de duinstreek en de geestgronden erachter comfortabel wonen en voor een gedeelte op de oeverwallen van die grotere rivieren. Toen de noormannen aan het einde van de tiende eeuw hier waren verdwenen konden de boeren weer ongehinderd landbouw bedrijven en trok de internationale handel weer aan. Dat had tot gevolg dat de bevolking groeide en dat veroorzaakte een gebrek aan land om iedereen een bestaan te bieden. De Westfriese graven van even voor en omstreeks 1000 begonnen daarop vanuit de geestgronden en via de oeverwallen de hoog- en laagveenmoerassen te ontginnen, om meer bebouwbaar land te winnen. Al voor het jaar 1000 was zo al een flink stuk land aan weerszijden van de Rijn ten oosten van Leiden in cultuur gebracht.

bisschop 12e eeuw
Een bisschop zoals die er ca 1175 uitzag als hij in vol ornaat was. British Library, Yates Thompson MS 26, f. 1v. Aan zijn voeten knielt een Benedictijner monnik.

Tegelijk was al sinds de zevende eeuw in Utrecht een bisschop gevestigd die, in naam, al het land van zijn bisdom bezat. In principe was dat eigenlijk heel modern Nederland boven de Maas. Dat had hij van de Duitse koning/keizer bevestigd gekregen. Daar hoorde ook de wildernis bij, het veenmoeras. Toen de graaf dat rond 1000 geschikt ging maken voor landbouw en de inkomsten daarvan zelf op ging strijken, ontstond er een conflict. Die ruzie heeft ongeveer 150 jaar geduurd. Toen gaf de bisschop het verzet tegen de inbeslagneming van zijn land pas op. De graaf was te machtig geworden in zijn eigen gebied. Dat kwam ook omdat de koningen en keizers te veel met hun eigen politiek en in hun eigen gebied in Duitsland bezig waren. Ze kregen ook steeds minder over de bisschoppen te zeggen. De bisschoppen waren dus op zichzelf aangewezen. Als zowel kerkelijke als wereldlijke leiders moesten ze het tegen de agressie van de graven in hun bisdom opnemen en dat lukte steeds minder goed. Oorspronkelijk, in de tijd van Karel de Grote, waren graven gewoon een soort hoge ambtenaren die aangesteld en afgezet konden worden. Rond het jaar 1000 waren ze echter zelfstandige potentaatjes die hun gebied aan hun oudste zoon nalieten en zo een dynastie stichtten.

Het waren echter geen wetteloze krijgsheren, zoals ze in het verleden wel werden weggezet. De Westfriese graven konden wijzen op koningsoorkonden waarbij ze gebieden in Texel en Kennemerland, rond de mond van de Rijn in de buurt van Rijnsburg en Leiden en in het Maasland ten zuiden van Den Haag toegewezen kregen als eigen bezittingen. Ze voelden zich daar, terecht, heer en meester. Dat de aangrenzende wildernis onder beheer van de bisschop stond, het zogenaamde wildernisregaal, kon hen blijkbaar niet zoveel schelen. Bovendien hadden ze land nodig en schoven zo met de ontginningen hun grenzen steeds verder op naar het oosten en zuiden.

De laatste reconstructie van Vlaardingen ten tijde van de slag van 1018. Copyright Ulco Glimmerveen 2018.

Graaf Theoderik III (wij kennen hem als Dirk de Derde) verhuisde als nog zeer jonge man, na moeilijkheden met een deel van zijn onderdanen (die zijn vader hadden vermoord), naar het zuiden van zijn gebieden. Dat was het Maasland met Vlaardingen als hoofdplaats. Hij bouwde er een sterkte en hief van daaruit al tol voor eigen rekening, terwijl dat eigenlijk zoals gezegd een koninklijk recht was. De opbrengst moest naar Duitsland, maar Dirk hield hem zelf. En als kooplui niet wilden betalen roofde hij hun schepen leeg. Natuurlijk klaagden ze bij de keizer en die stuurde in 1018 een leger om de graaf een lesje te leren. Het leger raakte echter in de moerassen zijn initiatief kwijt, verloor veel mensen en moest eerloos vluchten. Dirk kon daarna voorlopig zijn gang gaan.

slag bij Vlaardingen
Heropvoering van de slag bij Vlaardingen in 2008. Het gevangen nemen van de Lotharingse hertog. Linksachter, in de zwarte pij, uw blogger als monnik. Foto copyright René Kuysten (2008).

Het Maasland was ook de basis van de ontginningen die Dirk III inzette. Zowel naar het noordoosten, het latere Delfland, als over de rivier de Merwede (die toen via Noord en Nieuwe Maas naar zee stroomde) naar het zuiden begon men met het graven van sloten en het opwerpen van kades. Het Merwedewoud, nu de Riederwaard en IJsselmonde, was kort na 1005-10 het eerst aan de beurt. Rond 1010-20 ontgonnen ze al in de Zwijndrechtse Waard, tussen  1020-40 rond Dordrecht en de oevers van de Boven Merwede en op de Zuid-Hollandse eilanden. In diezelfde periode werd er langs de Rotte, de Hollandse IJssel en de Gouwe ontgonnen. Tegen 1100 had men ongeveer de grenzen van het huidige Zuid-Holland bereikt. Tegelijk kwam men in dat gebied de ontginners van de bisschop van Utrecht tegen, die naar het westen toe werkten. Het zorgde daar nog voor de nodige moeilijkheden tussen de graaf en de bisschop, voor het ca 1150 tot een soort staakt-het-vuren kwam. De grenzen van de expansie  waren bereikt en bestaan eigenlijk nu nog als provinciegrenzen.

Wij waren Duitsers (2)

Dit is de tweede blog over het onderwerp ‘graaf’. Er volgt hierna nog een derde.

In tegenstelling tot wat dikwijls gedacht wordt werden misdaden in vroege en hoge middeleeuwen (ca 500-ca 1200) zelden met de dood gestraft. Majesteitsschennis en verraad waren in dat deel van de middeleeuwen eigenlijk de enige zaken die altijd in de doodstraf resulteerden. Voor andere ernstige misdaden werd er wel mee gedreigd, maar er werd de voorkeur aan boeten gegeven; dan bracht het ook nog wat op (al vervielen de goederen van een ter dood veroordeelde aan zijn heer). Die boeten kwamen oorspronkelijk ten goede aan de koning in het verre Duitsland, maar de graaf mocht er een deel van houden. Op den duur ‘vergaten’ de graven dat geld door te sturen en hielden ze het zelf. Er waren namelijk nogal wat perioden in de middeleeuwen waarin het gezag van de koning over zijn buitengebieden minimaal was. De graven maakten daar dankbaar gebruik van om hun eigen gang te gaan en extra inkomsten binnen te krijgen.

evangelarium Hendrik V
Keizer Hendrik IV (1050-1106) tussen zijn zonen Hendrik V (links) en Koenraad, die beide na hem koning werden. Evangelarium Heinrich V (na 1106), Krakau, Bibliotheek Domkapittel 208, f. 2v.

Bij het ontstaan en bloeien van de steden (in noordelijk Nederland pas echt na 1200) werd de samenleving ingewikkelder. Daar leefde men in grotere groepen dichter op elkaar dan in de dorpjes uit en van voor die tijd en was bewust gepleegde misdaad meer verspreid dan tijdens de eerdere plattelandssamenleving. Doodstraf, maar vooral lijfstraf, kwamen duidelijk meer voor. Bij het doorvlooien van gerechtsboeken kom je verder vooral agressie-misdrijven tegen: schelden, vechten, verwonden, en dat dikwijls in dronken toestand. Een duidelijk teken van altijd aanwezige onrust in dichter bevolkte gemeenschappen. De graaf voer er wel bij, evenals de stadsregering.

En dat gold ook voor de tolopbrengsten. Als je als koopman met een wagen of schip vol goederen het Duitse rijk binnenkwam, moest je bij de grens invoerrechten of tol betalen. Er stond daar dan een versterkt gebouw, het tolhuis, waar tolgaarders het geld inden. Meestal was dat een percentage van de waarde van de lading. En dat kon ook in natura zijn. Het werd een koninklijk recht genoemd, een regaal. De graaf in het deel van het rijk waar de tol stond was verantwoordelijk voor het doorsluizen van dat geld naar de koning. Ook daarvan mocht hij een deel zelf houden. Maar ook daar kwam het steeds minder van.

Het hielp ook niet als een koning of keizer de tol aan de graaf overdeed, bijvoorbeeld omdat hij grote schulden bij zo’n graaf had of als hij wat goed had te maken. Zo kreeg graaf Floris III van Holland in 1158 de tol van Geervliet van keizer Frederik Barbarossa in leen; een actie die waarschijnlijk de bevestiging van een al bestaande situatie was en bedoeld om de graaf te vriend te houden. Iedereen die van zee de Maas-Merwedemonding opvoer moest daar langs en dus tol betalen. De Rijn was inmiddels bij Katwijk, waar hij in zee uitmondde,  dichtgeslibt dus als je naar Duitsland moest kon je niet om het zuiden van Holland heen. De keizer heeft niet meer meegemaakt hoe de Hollandse graven van die schenking hebben geprofiteerd. Het heeft ze echter ook de nodige problemen opgeleverd.

tollenkrans
De Hollandse tollen rondom Dordrecht afgezet op een reconstructie van Zuid-Holland ca 1200. De plaats- en riviernamen zijn in modern Nederlands maar de locaties zijn historisch.

De opvolger van graaf Floris III, zijn zoon Dirk VII, was namelijk zo voortvarend om naast Geervliet (schuin tegenover Vlaardingen op het eiland Putten) ook aan de andere grenzen van zijn graafschap Holland tolhuizen te bouwen en daar tol te heffen van de kooplieden die via de rivieren zijn gebied binnen kwamen. Zo was er bij Moordrecht aan de Hollandse IJssel een tol, bij Ammers aan de Lek, bij Niemandsvriend, een deel van Sliedrecht, aan de Merwede, bij Almsvoet aan de Maas en bij Strienemonde aan de Striene, de verbinding met Zeeland. En om die ‘krans’ van tollen te controleren bouwde hij een toren in Dordrecht , de jonge stad die als een spin midden in dat tollenweb lag. Dat was de Toltoren, waar de huidige Tolbrug en Tolbrugstraatjes aan weerszijden van de Dordtse Voorstraathaven nog steeds aan herinneren.

Die tollen werden Dirk niet aan dank afgenomen door zijn buren. Hij lag dan ook rond 1200 overhoop met de hertog van Brabant, in het zuiden, en de graaf van Gelre in het oosten. Maar ook de bisschop van Utrecht was er niet blij mee. De conflicten werden zoals gewoonlijk in die tijd over en weer uitgevochten tussen legertjes van die heren, met natuurlijk de nodige schade voor boeren die zich toevallig tussen de partijen bevonden. Met Brabant wist hij trouwens een verdrag te sluiten waarbij Brabantse en Hollandse kooplieden werden ontzien. Ook werden ‘vrijdommen’ van tol onderling geregeld. Want ook de buren hadden de voordelen van tollen al lang ingezien.

Natuurlijk kwam er ook nog wel wat ander geld binnen. De boeren op de sinds ongeveer het jaar 1000 nieuw ontstane ontginningen moesten de graaf ook een klein bedrag per jaar betalen en pachters van grafelijke hoeven betaalden hem natuurlijk pacht. Ook was een deel van de opbrengst van zijn eigen landerijen, al dan niet in natura,  voor hem en zijn hof.  Pas toen er steden begonnen te ontstaan in het graafschap kwam daar een andere geldbron bij. Maar dan zijn we inmiddels in de dertiende eeuw.

(Wordt vervolgd)