Dordrecht en zijn geschiedenis 5

De illustraties van dit blog zijn gekozen vanwege hun nostalgische inhoud. De gemiddelde Nederlander voelt zich bij dit soort plaatjes van een idyllisch vaderland het best: gezellig, traag, gemoedelijk. Zoals wij zijn. Toch?

Laat ik dit blog eens beginnen met een wat cynisch citaat uit het blog van een goede vriend, Jona Lendering, de Mainzer Beobachter van 4 november jl: 

Het is algemeen bekend dat, als het gaat over het verleden, iedereen het beter weet dan historici. Hun opleiding dient immers nergens toe. Linkse hobby. En de overbodigste historici, dat zijn die van continentaal Europa, die vakken hebben als geschiedtheorie, waarbij ze de kentheoretische basis van hun wetenschappelijke vakgebied leren kennen. Professionalisering, dat moeten we niet willen. Als je dan toch moet praten met een historicus, spreek je liever met een Amerikaan of een Brit, want die beschouwen geschiedenis tenminste slechts als scholarship. Maar beter is het natuurlijk om helemaal niet met historici te praten. Als je een Nationaal Historisch Museum wil stichten, kun je ook wel twee kunsthistorici benoemen als directeur. En voor academisch onderwijs over de Oudheid kun je net zo goed een classicus inzetten. Want kunsthistorici en classici weten het beter dan historici. Iedereen weet het immers beter dan degenen die ervoor zijn opgeleid?

Als je de voorgaande blogs in deze serie leest kan je zien dat hier toch echt wel een vorm van waarheid in zit. Je kan als historicus (en ik was echt de eerste of de enige niet) nog zo de algemeen bekende feiten uitleggen, men luistert er niet naar en gaat gewoon zijn eigen gang. Onder het motto: een feit is ook maar een mening. Afijn, u hebt het zelf kunnen lezen. Jona denkt dat het een breed verspreid gedachtengoed is, en dat zal ook best, dus dat het blijkbaar in zo’n historische stad als Dordrecht ook opgaat moet me eigenlijk niet verbazen. 

Vraag

De vraag blijft echter wel: hoe komt het dat men hier zo raar omgaat met de eigen historie? Dat je niet naar lokale of andere historici luistert is daar maar een onderdeel van. Men schept er tegen toeristen, de collega-steden en de media immers over op dus er moet toch een zekere  trots achter schuilen. Maar waarom wil je dan niet weten wat er echt gebeurd is en verspreidt je sprookjes of achterhaalde verhaaltjes? Gewoon eigenwijsheid? Denken ze dat ze het beter weten? Verwachten ze dat de buitenstaanders het toch niet gaan controleren? Zit er angst voor het kwijtraken van (toeristische) inkomsten achter? Gezichtsverlies? Is het louter politieke retoriek die door het tegenover elkaar manouvreren van partijen ervoor zorgt dat ze uit misplaatste trots niet (meer) naar elkaar willen luisteren?  

Is het soms iets dat typisch Dordts is (al zegt Jona dat het overal gebeurt…)? Ligt het aan de psyche van de eenzelvige eilandbewoner die de Dordtenaar ondanks pontveren, bruggen en tunnels nog steeds lijkt te zijn? Ligt het dus aan hun karakter? Ik ben zelf ook best een kritisch baasje (… geen Dordtenaar van geboorte!), maar ik ben maar een kleine jongen als ik lees hoe sommige stadgenoten te keer gaan tegen hun eigen bestuur en ambtenaren. Of komt het, in mijn geval, omdat ik uit Sliedrecht kom en dus eigenlijk mijn mond moet houden als het over Dordtse geschiedenis gaat?

Het is wel zo dat het zeuren, kankeren en afkraken nu op andere manieren dan vroeger plaats vindt. De traditionele vormen (verjaardag, langs de lijn, in het café en op de leugenbank) zijn er nog steeds, maar digitaal kritiek geven op de Social Media is wel steeds belangrijker geworden. Ik doe er natuurlijk zelf ook aan mee, maar de reacties op artikelen op de sites van de lokale weekbladen liegen er niet om, evenals die op de  columns van diverse journalisten. Ik doe niet aan Twitter maar via via hoor en lees je daar ook genoeg over. En ik blog er natuurlijk over; dat is dikwijls ook een vorm van kritiek. Daaruit blijkt overigens dikwijls dat ik een trouw groepje vrienden heb (en Dordts cutureel gezien niet de minsten) dat me onvoorwaardelijk steunt en die individueel zelf ook de nodige kritiek op de gemeente hebben.

Kritisch

De inhoud van die kritiek op hoe het hier toegaat  is verschillend. Hij is dikwijls helemaal niet inhoudelijk, maar speelt niet zelden in op onlustgevoelens die blijkbaar onder de burgers leven. Aan de ene kant kan de gemeente het niet gauw goed doen en is elke culturele uiting die geld kost te veel, in het kader van “en dat van onze belastingcenten”. Aan de andere kant ziet men dikwijls niet waarom je aandacht zou schenken aan iets dat lang geleden is gebeurd: “dat is geweest, is niet belangrijk meer: je kan beter vooruit kijken”. Met andere woorden: aan het aandacht schenken van de stedelijke geschiedenis mag geen geld uitgegeven worden want daar krijg je niks voor terug. En het helpt je niet vooruit, de toekomst in.

Alle openbare evenementen die sinds ongeveer de laatste wereldoorlog in Dordrecht zijn gestart en die het verleden, van middeleeuwen tot 19e eeuwse nostalgie, tot onderwerp hadden, hebben last gehad van de geliefde uitspraak van de chagrijnige Dordtse kritikasters: “waar hep dat nou voor nodig?” Die vervolgens steen en been klaagden als zo’n evenement na een paar jaar weer verdween wegens gebrek aan levensvatbaarheid. Waarna er een tiental jaren later weer vol nostalgische gevoelens op werd teruggekeken. Maar vooral dat laatste lijkt, ook, een algemeen menselijk trekje te zijn: nostalgie. Maar nostalgie is geen geschiedenis.

Maar waarom gaat de gemeente (burgemeester, wethouders, raad en ambtenaren) zo met haar geschiedenis om?  Heeft het te maken met het geen-Dordtenaar-zijn van die mensen, import dus, zoals een lezer van mijn blog suggereerde? Ik heb het niet uitputtend gecontroleerd maar dat lijkt me niet echt een doorslaande reden om geen band te hebben met het verleden van de stad. De wethouder cultuur en binnenstad, onder wie dit allemaal valt, is in ieder geval een rasechte Dordtenees. Ik kom trouwens genoeg nieuwe Dordtenaren tegen bij de cursus Dordtologie die juist graag meer willen weten over hun woonplaats. Het een sluit het ander dus niet uit. Of zou dat niet hoeven te doen.

Of ligt het aan de geringe kennis van de geschiedenis zoals die is opgetreden tijdens het steeds verder afkalvende geschiedenisonderwijs van de laatste decennia. Zou dat gebrek aan kennis die afwezigheid van alertheid op het misbruik van je eigen verleden kunnen verklaren? Men weet gewoon niet wat er aan de hand is en klaarblijkelijk is de roep om verantwoordelijkheid niet voldoende om de belangstelling te wekken. Toch maak ik overal om me heen mee dat er wel degelijk belangstelling is voor geschiedenis. Kijk maar naar de mensen die bij de opgravingen in de binnenstad en de buitenwijken staan te kijken en beluister hun opmerkingen. Kijk naar de kijkcijfers van de Nationale Geschiedenisquiz in zijn hoogtijdagen (over 1 miljoen, de laatste keer 600.000) en Andere Tijden (afhankelijk van het onderwerp vele honderdduizenden kijkers). En leg je oor maar eens te luisteren op verjaardagen. Ik weet het: het is maar een kort moment dat het over geschiedenis gaat en dan gaat men al weer over op ‘wie er slecht ligt’ of ‘wie er gaat scheiden’,  maar toch…

Populisme

Of er nog iets anders aan de hand? Want intussen gaan de populistische partijen met onze geschiedenis aan de haal en halen eruit wat lekker bekt en bij de kiezers een schuldgevoel veroorzaakt. Ze praten ons een identiteit aan die gebaseerd is op selectieve keuzes uit wat te vinden is in de meer dubieuze krochten van ons geschiedenisonderwijs. Door dat gebrek aan kennis van hun eigen verleden en de ingebouwde eigenwijsheid van de mens plus de kennelijke minachting voor wat historici te berde brengen zal de afkalving van een positieve houding tegenover geschiedenis, vrees ik, alleen maar verder gaan. Men heeft zo straks in het geheel geen verdediging meer tegen cynische partijen die hun (potentiële) kiezers manipuleren met bewust verwrongen historische ‘feiten’. Ik zie het somber in en ik eindig met nog een citaat:

“Het populisme wil de geschiedenis gebruiken als voorraadkast voor nationale eigendunk of ethnische superioriteit, maar moet dan willens en wetens hele hoofdstukken overslaan. En een identiteit die gebaseerd is op geheugenverlies is misschien wel comfortabel, maar ook wankel. Als het erop aankomt heb je er niets aan. Alleen wie weet waar hij vandaan komt, begrijpt hoe kronkelend de weg kan zijn.”

( Stevo Akkerman, Trouw ma  4.11.2019).

Verstandige mensen hebben nuttige zaken aangekaart over hoe we met onze historie en onze historici om zouden kunnen gaan. Ik zou willen dat mijn lezers zich dat realiseren en niet als kippen zonder koppen meelopen met hen die onze geschiedenis verkwanselen als commerciële verdienmodellen. Dat ze zich niet mee laten slepen door manipulaties van onze ‘identiteit’ door louche politici, waarvan de zogenaamde ‘bezitters’ van die identiteit niet eens weten wat dat inhoudt. Identiteit: bestaat dat wel? Wie zijn wij eigenlijk, als onze geschiedenis en onze voorouders niet serieus wordt genomen door de mensen die wij gekozen hebben om over ons te regeren? Hoe moet dat verder?

Dordrecht en zijn geschiedenis 3

statenzaal

Over de meer verborgen geschiedenis van de stad moet je de meeste Dordtenaren maar niet vragen. Ja, we zijn de oudste stad van Holland, of was het nou Nederland? Maar hoe oud? En hoe dat kwam? De wat meer geïnteresseerde Dordtenaar kan nog wel een paar jaartallen en namen opnoemen:

                1421      St. Elisabethsvloed

                1457      Grote stadsbrand (als die tenminste is blijven hangen…)

                1572      ‘Eerste vrije statenvergadering’

                1619      Nationale synode en de Statenbijbel

                1672      Jan en Kees de Witt ‘vermoord’

In de 18e eeuw gebeurde hier niks en alleen een enkeling weet dat op 5 oktober 1811 Napoleon hier nog door de havens is gevaren. Dat is het zo’n beetje. De stad heeft daarom al enkele jaren geleden een soort herdenkingskalender op internet gezet: de Dordtse historische kalender.

Daarin kan je zien hoe lang een sportclub of winkel al in Dordrecht is gevestigd en dus een jubileumfeestje verdient. Of hoelang geleden een belangrijke Dordtenaar is geboren of overleden zodat we hem of haar op tijd kunnen gedenken. Daarin staan ook wat stedelijke herdenkingsmomenten opgenoemd. Zo is het dit jaar 50 jaar geleden dat mijn stamboekhandel De Bengel werd geopend; ik kan het me nog goed herinneren. Ook staat ons Stadskantoor aan de Spuiboulevard er inmiddels 50 jaar; ook daar kwam ik al vanaf die tijd. Op 24 oktober aanstaande is het 75 jaar geleden dat er een geallieerd bombardement op het Merwesteinpark plaats vond (1944) en 100 jaar geleden reed hier de laatste paardentram. We hebben ook net de viering van 400 jaar Synode (1619) achter de rug en het is tegelijk 350 jaar geleden dat de eerste Statenbijbel bij drukkerij Keur van de pers kwam (1669).

Ook uit de middeleeuwen of de tijd er net na zijn er voor 2019 vierbare data bekend: 475 jaar geleden werd het bouwvallige stadhuis aan de Tolbrug naar het de Vlaamse Hal aan wat nu het Stadhuisplein heet verplaatst (1544), 500 jaar geleden werd de Van Slingelandtshof (1519) gesticht en het is ook  500 jaar geleden dat augustijner prior Hendrik van Zutphen door het stadsbestuur werd afgezet (1519) omdat hij Lutherse sympathieën zou hebben. En volgend jaar hebben we 800 jaar Dordrecht. Denken de Dordtenaren. Want zo staat het ook op de website, zoals ik in september nog schreef:

In 2020 vieren we met de hele stad dat Dordrecht achthonderd jaar geleden als eerste nederzetting in het toenmalige graafschap Holland stadsrechten kreeg. Hiermee is onze stad dan ook echt de oudste stad van (het huidige) Holland. Een gebeurtenis om niet te vergeten en om samen te vieren met activiteiten gericht op het verleden, het heden en de toekomst.

Lezers van mijn blog weten inmiddels wel beter, maar Dordrecht Marketing, al of niet gecontroleerd door b&w, weet van niks en denkt dat we toen, in 1220, stadsrechten hebben gekregen, daardoor een stad werden en daarmee tegelijk ook de oudste stad van (het huidige) Holland werden. Dat ‘huidige’ staat tussen haakjes omdat Geertruidenberg in 1213 zijn ‘stadsrechten’ kreeg,  gelukkig  nu in Noord-Brabant ligt. Toen was het echter Hollands en daar is in 2011 die hele rel  over ontstaan. Ik heb er toen niet minder dan negen blogs aan besteed en ben er later nog diverse keren op teruggekomen. Hoewel ze door duizenden mensen zijn gelezen, is de inhoud ervan nog steeds niet doorgedrongen tot de gemeentelijke diensten. Ik betwijfel zelfs of het Dordtse college van b&w of de lokale cultuurbobo’s mijn schrijfsels kennen. Als dat zo is hebben ze ze in ieder geval niet begrepen.

Ik denk dat dit typerend is voor de omgang met de eigen geschiedenis door Dordtenaren. En dat dat niet alleen geldt voor de gemiddelde burger, maar ook voor de bestuurlijke elite of de culturele bovenlaag. Er zitten diverse kanten aan die ik niet anders kan ontleden dan door me te bedenken wat hier de oorzaken van kunnen zijn.

  • Men kan niet begrijpend lezen
  • Men kan niet van eigen vooroordelen of traditionele kennis loskomen
  • Men weigert wetenschappelijk bewezen feiten te erkennen uit botte eigenwijsheid
  • Men heeft een hekel aan kritiek en weet niet hoe ermee om te gaan. Standaard is:
    • Negeren
    • Op de man terugspelen
    • Met drogredenen of onbewezen tegen-stellingen komen
    • Of, en dat vind ik eigenlijk de ergste: het allemaal niet boeiend vinden

Intussen heb ik wel dikwijls het gevoel of ik tegen de bierkaai of windmolens vecht. En als ik een sombere bui heb (dat komt gelukkig weinig voor) of ik omgeven wordt door heel onwetende mensen dan raak ik wel eens gefrustreerd.

Het hele gedoe rondom de zogenaamde ‘Eerste Vrije’ statenvergadering is een prima voorbeeld van hoe men tot in de hoogste ambtelijke en culturele gelederen zijn  poot stijf hield na gekozen te hebben voor een wel heel onhistorische interpretatie van deze vergadering. Die was louter bedoeld om Willem van Oranje financieel en moreel te helpen met het organiseren van het verzet tegen de opgedrongen Spaanse  overheersing. Ten onrechte werd daar het ontstaan van een klimaat van gewetensvrijheid en godsdienstige verdraagzaamheid aan opgehangen, terwijl duidelijk in de notulen staat dat beslissingen op dat gebied zouden moeten wachten tot de Staten Generaal bij elkaar zouden komen. Dat is er nooit van gekomen, dus dat Nederland zo’n tolerant land werd moet een andere oorzaak hebben. En op een ander tijdstip hebben plaatsgevonden. Als het dat is is tenminste…

Prof. Dr. Judith Pollmann

Toch is er een glimpje hoop aan de horizon verschenen. Ter gelegenheid van het onthullen van het controversiële standbeeld van Willem van Oranje jongstleden 9 oktober 2019 kwam er een boekje uit met de titel ‘Willem van Oranje en de Eerste Vrije Statenvergadering’. Hierin schreef prof. dr. Judith Pollmann, een zeer deskundige historica op het gebied van vroeg-moderne geschiedenis van Nederland een hoofdstuk getiteld: ‘De statenvergadering en de herinnering’, waarin ze het omgaan met deze historische gebeurtenis door de eeuwen beschrijft. Dat ging dus van kwaad tot erger; er werd van alles aan die vergadering opgehangen. Met name het volkomen belachelijke idee dat daarmee in 1572 Nederland begon ontwikkelde zich gedurende die eeuwen. Toen er ter gelegenheid van de 400-jarige herdenking van de statenvergadering in Dordrecht een congres plaats vond, hield een van de sprekers, de Leidse historicus Juliaan Woltjer, de luisteraars al voor dat dat onterecht was:

Een zekere simplificatie van het zeer complexe proces is moge­lijk, maar er is een – helaas vrij hoog – niveau waar beneden simplificatie vervalsing wordt. Wanneer de geschiedwetenschap om brede groepen aan te spreken, beneden dat niveau afdaalt, verliest zij m.i. inderdaad haar functie.

Hij was niet bang om het woord ‘vervalsing’ te gebruiken, net als ik deed in mijn blog van 22 november 2016.

Maar ook toen werd er niet naar de stem van de rede geluisterd. Sterker nog: het idee dat in Dordrecht in 1572 het tolerante Nederland ontstond werd in 2013 nog eens extra aangewakkerd in een herdenkingsrede over het gebeurde door Herman Pleij, “emeritus-hoogleraar in de letterkunde van de Middeleeuwen en zelfverklaard kenner van de Nederlandse identiteit”, zoals Pollmann hem noemt.  Ten onrechte dus, zoals Herman van Duinen (sinds 2013) en ik (sinds 2016) hebben aangetoond. Prof. Pollmann lijkt dat idee inmiddels ook omhelsd te hebben want ze schrijft:

Prof. Dr. Herman Pleij.

Aangemoedigd door Pleijs redenaarskunst en plannen voor een nieuwe museale opstelling in het Augustijnenklooster ging het stadsbestuur aanvankelijk ver mee in deze nieuwe retoriek.

Met name dat woordje retoriek is een behoorlijk ernstige kritiek tussen twee professoren onderling. Het wijst in dit verband op manipulatie van de geschiedenis; een ernstige beschuldiging. Zij vult dat aan door een mededeling die mij wat hoop geeft voor een omslag in het denken over Dordrechts eigen geschiedenis. Maar ik houd mijn adem niet in….

Ze schrijft:

Inmiddels is ook het stadsbestuur zich ervan bewust dat het daar­mee wel erg ver afdwaald van de historische gebeurtenissen: het Hof van Nederland wordt opnieuw ingericht.

Het zal mij benieuwen.

(met dank aan Herman van Duinen)

Waardeoordeel

Toen onze lichting deeltijdstudenten in 2003 in Leiden begon waren we met ruim 200 man. We werden in 6 of 7 groepen opgedeeld en in obscure zaaltjes overal binnen de universiteitsgebouwen kregen we dat eerste semester onze colleges. Zo stond in een bovenzaaltje van het academiegebouw aan het Rapenburg Maurits Ebben voor ons met een college vroeg-moderne geschiedenis. Ik wist nog van niks (ik stelde vragen in hoorcolleges!) en ik reageerde op enkele uitspraken over de 80-jarige oorlog. Het ging of over Philips II of de hertog van Alva en ik zei zoiets van: “dat was geen beste…”. Direct eroverheen strafte Maurits dat af met: “wij doen hier niet aan waardeoordelen!” Daar zat ik dan als 55-jarige volwassene, terechtgewezen door iemand die 7 jaar jonger is dan ik. Ik weet niet meer of ik bloosde, maar het kwam behoorlijk binnen.

Dat was dus typerend voor mijn opleiding in Leiden: er werd niet om de hete brij heen gedraaid. Je kreeg direct te horen als je iets fout deed of als je een verkeerde kant dreigde heen te gaan met je onderzoek. En dat vergat je vervolgens nooit meer. En alle docenten deden dat, ook de meest zachtaardige types. Ik grapte wel eens dat het net leek of ze volgens een vooropgezet plan en een uitgestippeld parcours werkten om ons op te voeden. Dan glimlachten ze maar zo’n beetje.

Wat opvalt als je met niet-historici praat over geschiedenis dat men heel makkelijk die fout van het vellen van waardeoordelen maakt. De collega’s (een archeoloog en een waterbouwkundige) met wie ik een boekje over het ontstaan van Dordrecht schreef, zeggen gerust dat een Hollandse graaf uit de elfde eeuw gewoon een struikrover of warlord was, zonder dat ze daar enig bewijs voor hebben. Ik weet dat ze dat deels als een soort plagerijtje bedoelen, maar toch… Of de mensen die mijn boek lezen en die daaruit op denken te maken dat een bepaalde graaf zielig of misdadig is. Ik schrijf ergens in de inleiding dat ik ondanks alle bronnen eigenlijk nog steeds geen idee heb wat voor mensen die graven nou eigenlijk waren. Je krijgt af en toe wel een glimp van een karakertrek of uiterlijk, maar om daar nou een oordeel uit te destilleren over hoe ze in het leven stonden… nee.

Eigenlijk gebeurt dat aan de lopende band. Men leest een paar feiten, die lang niet voldoende vertellen over een gebeurtenis, en men gaat zelf invullen. Van geschiedenis wordt het een verhaal, een fabel, een roman. Fictie dus. Terwijl geschiedenis non-fictie is. Incompleet overgeleverde gebeurtenissen uit het verleden die door een historicus worden geïnterpreteerd. Een historicus die na onderzoek in bronnen en eerder verschenen literatuur een zo compleet mogelijk verslag van aanleiding, gebeuren en nasleep op schrift probeert te zetten, zodat een stuk geschiedenis wat beter te begrijpen wordt. Hoe verder je teruggaat hoe minder materiaal je hebt om mee te werken. En geloof me: dan is het bijzonder verleidelijk om zaken in te gaan vullen om er zo een lopend verhaal van te maken.

Niet dat dat verboden is, maar het is verplicht om al je aannames te verklaren aan de hand van de redenaties die je naar aanleiding van je bronnenstudie hebt gemaakt. Die moeten allemaal op logica, waarschijnlijkheid en fysieke mogelijkheden berusten, anders moet je het gewoon niet doen. Je kan nog zo narrativistisch bezig zijn, als je betoog (deels) op fantasie of wishful thinking is gebaseerd klopt het gewoon niet. Het moet aannemelijk blijven en er moeten parallellen zijn met vergelijkbare onderzoeken. Hoe meer bronnen en interpreteurs hoe beter, want op één been kan je niet (lang genoeg) staan.

Dus als ik bijvoorbeeld geen andere aanwijzing heb voor de vergiftigingsdood van Lodewijk van Loon (ca. 1180-1218), de tragische would-be graaf van Holland, dan één vage vermelding in één tijdeigen kroniek, dan moet ik me inhouden er geen complot-theorie achter te zoeken. Dan moet ik nagaan wat er nou eigenlijk precies staat en of je die conclusie wel mag trekken. En dan moet ik als een rechercheur gaan denken aan middelen, motief en gelegenheid. Wie zou de mogelijkheid hebben aan vergif (en waarom vergif en niet gewoon een dolk of zwaard) te komen? Waarom dan Lodewijk (en drie dagen erna zijn broer Hendrik) vermoorden? En waar en wanneer zou hij dat hebben kunnen doen? Vooropgesteld dat je uit hun leven of de politieke situatie in 1218 de nodige gegevens voor zoiets zou kunnen destilleren. Dat is hondsmoeilijk.

Reinier van St. Jacob (1157-1230), de Luikse geestelijke die in zijn kroniek over die vergiftiging schreef, had overigens geen bezwaar tegen het geven van waardeoordelen. Hij schreef over Lodewijk (vertaling door Eef Dijkhof):

Dat jaar overleed Lodewijk graaf van Loon, een man sterk met wapens en, ondanks zijn jonge leeftijd, wel bespraakt bij een beraadslaging en aanzienlijk in alles door goedheid en eerlijkheid.

Dergelijke adellijke doden werden door kroniekschrijvers wel meer de hemel in geprezen en je weet maar nooit of ze het wel meenden. Misschien zat er de nodige vleierij achter en hoopte de schrijver op een (financiële) tegemoetkoming van de familie. De voormalige Hollandse onderdanen van Lodewijk zullen het er in ieder geval niet mee eens zijn geweest. Aan de andere kant moet je je afvragen of Reinier de man wel gekend heeft. Hij noemt hem jong, maar zijn ouders trouwden volgens de bronnen vóór 1179 en Lodewijk was de oudste zoon, dus hij moet in 1218 ongeveer 38 jaar geweest zijn. Dat is in de middeleeuwen al behoorlijk middelbaar. Hij was al sinds zijn 13e of 14e graaf van Loon, dus hij had ook de nodige ervaring in de politiek en oorlogsvoering. Je zou dus bijna denken dat de kroniek niet al te betrouwbaar is, al heeft hij onder historici die kwalificering wel degelijk.

Tegelijk moet je er rekening mee houden dat die vergiftiging van de broers Van Loon plus nog wat andere mensen ook niet helemaal was wat hij leek. Voor hetzelfde geld overleden ze na het eten van bedorven voedsel, wat in de hele middeleeuwen regelmatig gebeurde. Al ontstonden daar dan weer complot-theorieën over. Ook toen…

De historicus mag zich dus niet bezig houden met het vellen van waardeoordelen over de mensen (of gebeurtenissen) over wie hij schrijft, maar heeft wel te maken met die van middeleeuwers zelf die deze mensen kenden of die de gebeurtenissen meemaakten. Dat is een lastige positie, zeker als verschillende bronnen verschillende waardeoordelen laten zien. Het komt erop neer dat je dan keuzes moet maken en via logische redeneringen tot een afgewogen oordeel moet komen. Maar het komt ook voor dat het onbegonnen werk is om te kiezen. Dan kan je alleen die verschillende meningen maar tegenover elkaar laten staan en tegen je lezers bekennen dat je er niet uit komt. Dat doe ik in ieder geval liever dan dat ik een keuze maak en de rest invul met fantasie. De lezers van Dageraad zullen dat dilemma in ieder geval enkele keren zijn tegengekomen. En daar schaam ik me niet voor.

Wat is geschiedenis?

Op Linked-In circuleert een door Vrij Nederland verspreid filmpje waarop sociaal historicus Katie Digan het probleem van onze omgang met geschiedenis behandelt, en dan met name de politiek correcte versie daarvan. Ons VOC en slavernij-verleden dus. Ik heb er al meer over geschreven: standbeelden weghalen, straatnamen wijzigen, excuses aanbieden, u weet wel. Het filmpje komt van STUDIO De Balie, het bekende culturele centrum aan het Leidseplein in Amsterdam. VN zegt er specifiek bij:

“Wat weet jij eigenlijk over ‘onze’ geschiedenis? En hoe weet je dat? Wees kritisch, zegt historica Katie Digan. Geschiedschrijving is ook, vooral, een verhaal.”

Als ik zoiets lees, die paar zinnetjes van VN dus, gaan m’n stekels al weer overeind staan. Want waarom ‘onze’ geschiedenis tussen aanhalingstekens, alsof er ‘zogenaamd onze’ bedoeld wordt. Geschiedenis is geschiedenis, daar is niks dubbelzinnigs aan. En geschiedenis gaat over een dorp, stad, streek, provincie, land of werelddeel en de mensen daarin. Dus als we het in het Nederlands hebben over onze geschiedenis gaat dat over de Nederlandse geschiedenis. U weet wel:  de Batavieren, Bonifatius, graaf Floris V, slag bij Nieuwpoort, VOC, pruikentijd, Anne Frank en Srebrenica. Tien tijdperken en 50 vensters, dus.

Want zo weten we dat: uit de geschiedenisboeken en lesmethoden die op bovenstaande indeling zijn gebaseerd. Dat die boeken en methoden verre van volledig noch foutloos zijn maakt echter wel dat we niet bepaald een compleet of correct beeld van het verleden krijgen en ook al lang niet hebben gekregen. Je vraagt je dan wel af hoe we dan kritisch met die gegevens om moeten gaan. Want als er iets is dat je niet leert uit het geschiedenisonderwijs op basisscholen en in het voortgezet onderwijs is een kritische houding ten opzichte van het gebodene. Sterker nog: er wordt van leerlingen gewoon verwacht dat ze geloven wat ze leren en dat ze de los van elkaar hangende feitjes uit hun hoofd leren zodat ze bij het examen hun opdrachten: “schrijf in je eigen woorden op wat de invloed  van de industrialisatie op de maatschappij was” kunnen maken of een serie multiple choice vragen over de gouden eeuw kunnen beantwoorden.

En dan komt het:

“geschiedschrijving is ook, vooral, een verhaal.”

NEE, dat is het dus niet. Geschiedschrijving is het beschrijven van gebeurtenissen uit het verleden, hun oorzaken en gevolgen, gebaseerd op bronnen- en literatuuronderzoek, zonder de lege plekken op te vullen met fantasie of romantische verklaringen. Verhalen hebben die functie niet. Dat zijn maar al te vaak praatjes voor de vaak (dus om je in slaap te wiegen). En als je dan als historicus je werkmethode nog uit kunt leggen en kunt verantwoorden welke keuzes je hebt gemaakt voor het interpreteren van een stuk historie, kan je zeggen dat je vakkundig bezig bent. Dan pas kan je lezer begrijpen wat het vak inhoudt en zich gaan bedenken dat er meer achter zit dan een spannend ‘verhaal’ vertellen, waarin ‘helden’ dekselse dingen doen voor ‘hun’ volk. Dat hoort namelijk in het hoekje sagen, mythen en legenden thuis, en die hebben slechts zeer zijdelings met geschiedenis te maken. En als die leek ook nog andere interpretaties van hetzelfde kan lezen of horen kan hij pas een kritische houding ten opzichte van het gebodene gaan ontwikkelen.

De gemiddelde leek is niet toegerust (en wordt dat ook steeds minder) om kritisch met zijn verleden om te gaan want ze krijgen al honderden jaren gewoon slechte, onvolledige en dikwijls gemanipuleerde voorlichting over dat verleden. Aan historici de taak om dat te verbeteren. Maar dat gebeurt helaas veel te weinig. Lesmethoden-schrijvers schrijven gewoon van hun voorgangers over en doen geen origineel , of zelfs literatuuronderzoek, terwijl historici zich ver houden van het populariseren van de echte geschiedenis voor jongeren. Media willen alleen maar leuke en spannende historiespektakels en zien geschiedenis het liefst ‘met een knipoog’ aan de man gebracht worden; onzinverhalen dus. Historici schrijven liever voor hun collega’s in prestigieuze, achter betaalmuren verborgen tijdschriften of bij dure uitgevers gepubliceerde boeken met voetnoten, literatuurlijsten en indices in vakjargon.  Met dat laatste is trouwens niks mis, maar als de conclusies uit die boeken en tijdschriften op den duur niet naar de scholen doorsijpelen en zo het beeld van het verleden scherper maken is het verloren moeite. Men moet maar eens lezen hoeveel verouderde en verder ook dubieuze informatie er in die al genoemde lesmethoden staat.

En dan zegt Katie Digan ook nog dat wij historici (en zij dus ook) een beroepsgeheim hebben! En dat geheim is dat er geen geschiedenis is. Huh? Wat? En nou komt het: er zijn geschiedenisSEN!!!!  Ja, dat haalt je de koekoek!  Een historicus is ook maar een mens. Hij maakt fouten, vergeet wel eens wat, heeft bijvoorbeeld een bepaald boek niet goed gelezen of een artikel gemist en dan wordt zijn artikel of boek net wat anders dan dat van een collega die over hetzelfde onderwerp publiceert. Daar zijn polemieken over gehouden, ruzies door ontstaan en richtingenoorlogen over gevoerd. Meestal tot de bewuste gebrouilleerde collega’s waren overleden, waarna hun leerlingen weer wat nader tot elkaar konden komen. Ja, natuurlijk: geschiedenissen! Dat is de aard van de wetenschap. Geschiedenis is nooit af: je kunt ineens een andere interpretatie voor je zien, je kunt een nieuwe bron ontdekken die iets opheldert, je kunt twee tegengestelde oplossingen zo combineren dat er een nieuwe, waarschijnlijkere oplossing uit voorkomt. Zulke dingen gebeuren. Dat heb ik het afgelopen jaar bij het schrijven van mijn boek over de graven van Holland tussen 1100 en 1300 regelmatig meegemaakt.

We hebben namelijk helemaal geen geheim. Iedereen die twee of meer historische artikelen of boeken over welk onderwerp dan ook leest kan dat zelf ontdekken. “De historici zijn het er niet over eens…” is dan dikwijls de berustende reactie. Dat duidt op zichzelf al op een weinig kritische houding. Want waarom die historici niet ter verantwoording roepen en hen laten uitleggen hoe ze tot die specifieke conclusies kwamen. Desnoods in een publiek debat in een zaal, op de radio of op tv, dan komt er ook nog eens wat interessants op de buis in plaats van Pleij of Van Rossem die hun grappige riedel af komen draaien.

Katie Digan eindigt haar praatje met de dooddoener:

“geschiedenis is en-en, niet of-of”

Waarmee ze wil zeggen dat er verschillende interpretaties mogelijk zijn, die misschien ook wel naast elkaar kunnen bestaan. Hoe dat eerste kan heb ik hiervoor al uitgelegd, maar als je het tweede wilt kunnen realiseren moet er toch nog heel wat gebeuren met het door didactici en pedagogen zo gewenste historisch besef van de Nederlander. Ons onderwijs is daar niet (meer?) voor ingericht. Je leert tegenwoordig namelijk een stel niet bij elkaar aansluitende of uit elkaar voortkomende feitjes uit je hoofd, wordt daarover overhoord en gaat dan over tot de orde van de dag. De meesten  denken er de rest van hun leven niet meer aan. Alleen potentiële re-enacters en (amateur)historici  krijgen later de kans zich verder te ontwikkelen in het vak. De rest van de bevolking komt er alleen nog mee in aanraking bij uitjes naar erfgoederen en historische evenementen en weet vervolgens niet waar hij naar kijkt. Of in de bioscoop bij de zoveelste bloederige ridderfilm of op tv bij de zogenaamd leuke historie-met-een-knipoog programma’s. En dat worden er steeds meer en de serieuze concurrentie, zoals Andere Tijden, gaat het steeds meer afleggen tegen het platte vermaak.

Ik geloof best dat Digan het goed heeft bedoeld, maar haar hele verhaal heeft een groot open-deuren-intrappen gehalte en verwacht veel te veel van de door populisten bewerkte, Nederlandse bevolking. Die heeft niet geleerd kritisch over geschiedenis te denken en zal dat in de naaste toekomst ook niet leren als het niet snel anders gaat op school. Tot die tijd blijven ze gevoelig voor het klagen van gekleurde zielepieten die nog steeds zo lijden onder de slavernij of het juk van J.P. Coen.

 

 

Kolonialisme en het ‘empire-syndroom’

dwangarbeiders Indonesië

Op vrijdag 4 mei 2018 plaatste Trouw op zijn opiniepagina een stuk van Marjolein van Pagee. Het ging over haar verontwaardiging dat niet meer aandacht geschonken is en wordt aan de 4 miljoen dode ‘onderdanen’ in het zich bevrijdende Indonesië van na de Tweede Wereldoorlog. Het is hier te lezen voor wie niet op die krant geabonneerd is.  Ze heeft al eerder over de visie van Nederland op haar koloniën en koloniale oorlogen geschreven in Trouw, maar ook in andere media.  Ze is verder geschiedenis master (Leiden) in koloniale en wereldgeschiedenis (2016) en daarbij professioneel fotograaf en filmer.

Zoals gewoonlijk bij dit soort opiniestukken werd ook dit niet met open armen onthaald. Verwijten over ongenuanceerdheid (hoeveel nuance kan je in 300-400 woorden stoppen), selectieve keuzes (zie ongenuanceerdheid), het is een complottheorie, onze “jongens waren op een missie gestuurd waarvoor ze niet opgeleid waren” en  ”erg jammer dat Trouw de opiniepagina op 4 mei openstelt voor zo’n ‘weg met ons’ activiste, die geen ander doel heeft dan in een bijzonder rammelend betoog Nederland als de boeman neer te zetten”. Nu is niet elke historicus een begaafd stilist, maar Van Pagee kan best een opiniestuk schrijven. Ik ken haar master thesis niet, maar aan ondeskundigheid kan de strekking van die artikelen niet liggen. Vandaar dat sommige types maar ‘op de vrouw’ gingen spelen.

Één reactie viel me op. Ene T. Meijers schrijft namelijk: “Natuurlijk is het schandalig dat er zo weinig aandacht is voor het Nederlandse koloniale verleden. Er wordt op school bijna geen aandacht aan geschonken”. Hier komt weer een addertje uit het gras. Met andere woorden: Nederlanders reageren verkeerd op dergelijke onderwerpen omdat ze ze nooit gehad hebben in de geschiedenisles. En dat terwijl ik de laatste tijd doodgegooid wordt met verhalen over ons slavernijverleden, J.P. Coen en de genocide op Banda en andere verrichtingen van de VOC. Nog niet lang geleden in een goedbekeken TV-serie over de zogenaamde Gouden Eeuw zelfs.

Ook is het al jaren traditie dat omstreeks het begin van mei naast de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog ook die van de Japanse bezetting van ‘ons Indië’ en de nasleep daarvan in de media de ronde doen. Inclusief de bij ons ‘politionele acties’ genoemde Indonesische Vrijheidsoorlog, die nog steeds wat gevoelig liggen. De Nederlandse samenleving kennende zal het nog een jaar of tien duren dat iedereen die dat meegemaakt heeft en verantwoordelijkheid droeg dood is en dan kan de ‘ware geschiedenis’ geschreven worden. Al is er sinds de jaren ’80 een behoorlijk indrukwekkende hoeveelheid boeken en artikelen van gerenommeerde historici over verschenen. Nu staat er trouwens al een aardige samenvatting op Wikipedia.

Maar daar heeft men het weer: we hadden dat moeten weten. We hadden er les in gekregen moeten hebben. Ik heb het wel eens gehad over het stukje geschiedenis dat nog wel op bijna alle schooltypen voorbij komt: 1940 tot nu. Daar hoort ons verlies van Insulinde toch bij, zou je denken. Ik heb het even opgezocht aan de hand van de lesmethode MeMo. Ik heb daar twee uitgaven van vergeleken. Mijn zoons kregen les uit de eerste druk uit 1995 en ik heb van de uitgever zelf de derde druk, tweede oplage uit 2009 gekregen.  De beide dikke boeken tellen ongeveer 400 pagina’s. In 1995 zijn er daar vier (283-286) van gewijd aan de Indonesische Vrijheidsoorlog, in 2009 stond er alleen op 306-308 wat over. Waren het in 1995 nog 12 volle tekstkolommen,  6 tamelijk kleine foto’s en een kaart van Indonesië (dus bij elkaar ter grootte van 1 pagina) en een wat grotere foto op de voorafgaande pagina (zie bovenaan dit blog). In 2009 stonden er in 5 kolommen 2 foto’s van 1/3 pagina hoogte en twee kaarten (Afrika, Maleisië/Indonesië) die een halve pagina in beslag namen. Ik heb berekend dat in de laatste MeMo de tekst bij elkaar 2,5 kolom besloeg, waarvan niet meer dan één kolom echt aan Nederland-Indonesië gewijd was, de andere ruimte ging over India en de bemoeienis van de USA en de USSR met het vrijheidsstreven van diverse Afrikaanse en Aziatische koloniën. In 1995 ging het echter nog  in 9 van de 12 kolommen over de Nederlandse reactie op de Indonesische onafhankelijheidswens. Dat is nogal een verschil en het is tekenend voor hoe ons geschiedenisonderwijs verarmd is in minder dan 15 jaar tijd. En niet alleen bij MeMo (uitgeverij Malmberg).

Is het een wonder dat mensen die kritiek op ons koloniale verleden niet kunnen velen? Ze wisten het niet en voelen zich aangevallen door al die intellectuelen die hun mooie sprookje over het tolerante Nederland verstoren dat zo goed voor z’n koelies zorgde en er stinkend rijk van werd. In dezelfde Trouw van vandaag 4 mei 2018 staat op de voorpagina een stuk dat de kop heeft: ‘Onveilige wereld schept behoefte om te herdenken”.  De wereld van vandaag wordt onveiliger door het oplopen van internationale spanningen en dan is het lekker om samen te herdenken dat we ‘dat nooit weer’ willen.  Oorlog en zo… Na een dip in de late jaren 60 en de jaren 70, waarin de noodzaak niet meer zo gezien werd, is men daarna steeds meer en steeds grootser gaan herdenken. Het hoort volgens de moderne mediadeskundigen inmiddels ook tot onze identiteit om gezellig, maar beheerst, met z’n allen onze vrijheid  te vieren. En Koningsdag.

Marjolein van Pagee onderkent zelf ook wat ze veroorzaakt: “Het is begrijpelijk dat als je de continuïteit over het hoofd ziet en algemene kennis over het koloniale verleden ontbeert, je de kritiek op de dodenherdenking niet kunt plaatsen”.  Ze noemt dat het ongeloof over wat zij en anderen aan de kaak stellen, over de post-koloniale oorlogen dus, ligt aan wat zij het ‘empire-syndroom’ noemt.  “Het verblindende effect dat optreedt als je te lang deel uitmaakt van de veilige cocon van het centrum van de wereldmacht”. Ik had daar nog nooit van gehoord en heb dus proberen op te zoeken wat erover gezegd wordt. Het internet laat het een beetje afweten in deze en ik ben geen psycholoog die het in de vakliteratuur op kan zoeken. Maar ik vermoed dat het lijkt op wat de Britten nu aan het doen zijn met hun Brexit: als ze zelf alle touwtjes maar weer in handen hebben dan wordt het weer net als vroeger toen ze nog een wereldrijk (empire) waren. Behalve dat er nu veel meer darkies en Polen in de UK wonen dan voor de zon over alle roze gebieden op de wereldkaart onderging. Tja, de wereld is een beetje veranderd sindsdien: er zijn nogal wat ingrijpende zaken gebeurd die maken dat het nooit meer zo wordt als vroeger. En hoe bedoel je: nooit meer oorlog, als er over de hele wereld wapens ingezet worden om groepen te onderdrukken of de macht ergens te grijpen. Het militair-industrieel complex wrijft in zijn handen en telt zijn ducaten. De zaken gaan goed…

Ik begrijp de reacties op Van Pagee, maar ook haar boosheid over de schijnheiligheid van de politici die hun hoofden schudden over iemand die de twee minuten stilte wilde verstoren omdat hij aandacht wilde vragen voor wat er in 1946-47 in ‘ons Indië’ gebeurde. Ik wil echt niet dat de wereld aan begrip ten onder gaat, maar ik wijs er wel op dat veel van dat gekissebis over ons koloniaal verleden te voorkomen was geweest (en nog is) met beter geschiedenisonderwijs.

Historie-blues

Het is niet makkelijk om een historicus te zijn. Begrijp me goed: ik klaag niet, want ik was gewaarschuwd. Maar je hebt er een hoop werk aan om je te verdedigen tegen mensen die je van van alles en nog wat beschuldigen. En dat terwijl we het zo goed bedoelen! Want ga maar na: wij proberen te achterhalen hoe het er vroeger aan toeging en waarom bepaalde gebeurtenissen plaatsvonden en dat schrijven we op zodat iedereen het kan lezen. Of we geven er lezingen over. Of we komen op radio en tv om het, als deskundigen, uit te leggen aan de bevolking in interviews of documentaires. Of we werken mee aan tentoonstellingen of vaste opstellingen in musea. Of we helpen om begrijpelijke teksten te schrijven bij de routes door erfgoedinstellingen. Het enige waar we, gek genoeg, niet echt aan de bak komen is in het onderwijs. Dat is gedeeltelijk, en historisch, onze eigen schuld, maar er zijn ook verzachtende omstandigheden die ons dat moeilijk maken.

Één van de problemen waar we mee te maken hadden was namelijk dat we moesten concurreren met niet-historici die denken ook wel wat over vroeger te weten. En dat is al heel lang zo. In het verre verleden waren er geen als zodanig opgeleide historici maar alleen zogenaamde ‘historieschrijvers’. Geleerde mannen uit de 16e, 17e en 18e eeuw, vooral dominees, dokters en juristen, die boeken vol schreven over hoe ze dachten dat een stad was ontstaan of een oorlog, of wat hun voorouders en vorsten allemaal gedaan hadden. En dat alles meestal gebaseerd op veel te weinig bronnen en daarom voor een groot deel uit de duim gezogen. Daarna kwam de 19e eeuw waarin de onderdanen van het koninkrijk der Nederlanden het wij-gevoel aangepraat moest worden, want al die provincies waren daarvoor min of meer zelfstandig geweest en de steden erin nog zelfstandiger. Daar moest een overkoepelend verhaal voor ontwikkeld worden zodat iedereen zich Nederlander zou gaan voelen in plaats van bijvoorbeeld Brabander of Enkhuizenaar. Het is ook de periode waarin aan universiteiten de opleiding tot historicus ontstond.

Er waren in die tijd ook echt geschiedkundigen die zich voor dat karretje lieten  spannen. Zij bedachten dat de Opstand tegen de Spanjaarden en de daarop volgende vrijheidsstrijd wel eens een effectief samenbindend vermogen zou hebben. Andere landen hebben hun middeleeuwse geschiedenis om tegenop te kijken: wij hebben dus de Tachtigjarige Oorlog. Ik heb hier al eens een recensie gewijd aan een boek over deze problematiek.

Ze vergaten daar wel een beetje bij dat het rooms-katholieke deel der natie nou niet zulke leuke herinneringen aan die tijd en wat erna kwam had. Natuurlijk hadden de protestanten ook geleden, maar zij, de katholieken, hadden een paar eeuwen niet in het openbaar naar de mis gemogen, hadden geen mogelijkheid gehad om in overheidsdienst te komen en hun katholiek gebleven regio’s en provincies waren een soort wingewesten onder calvinistische regenten en dominees geworden. Tot de Fransen kwamen.

Voor het grotere doel werd wel de geschiedenis van die periode tussen 1568 en 1648 een beetje mooier en lelijker gemaakt dan verantwoord was. Met andere woorden: hij werd gemanipuleerd. De Spanjaarden en met name koning Filips II en de hertog van Alva werden de ‘slechten’ en de watergeuzen en Willem van Oranje waren de ‘goeien’. NIet dat daar geen kern van waarheid in stak, maar veel zaken werden wel heel erg zwart-wit neergezet. En dat is niet wat echte, verantwoordelijke historici zouden moeten doen. Intussen werd die herschreven geschiedenis op elke school onderwezen uit speciaal geschreven schoolboekjes die bepaald geen voorbeelden van nuancering waren. Dat had grote invloed op het volk. De ouderen onder ons zullen zich de jaartallenlijstjes en de heldenverhalen nog wel herinneren. Wijlen mijn schoonmoeder had nog steeds een hekel aan Spanje en Spanjaarden vanwege de Tachtigjarige Oorlog en zou daar ook nooit naar op vakantie zijn gegaan. Ze was van gereformeerde huize…

De geschiedenisles was namelijk ook nogal verzuild. Openbare scholen hadden andere lesboekjes dan scholen met de bijbel, waardoor de nadruk op gebeurtenissen soms behoorlijk verschillend lag. En op rooms-katholieke scholen was dat wéér anders, zeker als het paters- en nonnenscholen waren. Pas na de jaren ’50 van de 20e eeuw begon dat wat te veranderen. Maar ook nu, nu de zuilen weg zijn, kom je in de geschiedenis-lesmethoden de resten van het 19e eeuwse onderwijs tegen. En dat houdt in dat naast de oudere generaties die het ouderwetse geschiedenisonderwijs hebben genoten ook de jongeren nog steeds geen genuanceerde, op modern onderzoek gebaseerde kennis in huis hebben over hun verleden. De bezoekers in Archeon of op historische evenementen, die ik 25 jaar lang te woord heb gestaan, hebben nog steeds die rare denkbeelden over vroeger. Re-enacters en levende geschiedenis spelers proberen uit alle macht het beeld te veranderen en betere informatie te geven, maar het is een lang en moeizaam proces.

Schoolboekenuitgevers, de scholen zelf en de erfgoedinstellingen werken er ook niet echt van harte aan mee. Want niet iedereen van die instituten neemt een bonafide historicus in de arm om hen te vertellen hoe het zat. Dat is voor de historicus die in musea, kastelen, buitenplaatsen en andere monumenten rondloopt maar al te duidelijk. Om maar te zwijgen over historische romans, strips en games en wat er in films en op radio, tv en het internet allemaal over de geschiedenis beweerd wordt.

Dus als je als historicus probeert om die soms al bijna 200 jaar vastliggende patronen te doorbreken, stuit je dikwijls op weerstand. Zeker als een instantie als een stad, bijvoorbeeld, al flink wat jaren heeft geïnvesteerd in een stuk geschiedenis dat moet zorgen dat toeristen hier wat te beleven hebben. En dat geldt vooral als je dat in de openbaarheid brengt, zodat in principe iedereen het kan lezen of horen. Er kunnen dan twee dingen gebeuren: je wordt óf doodgezwegen óf er wordt een openbare scheldpartij georganiseerd. Het gekke is dat de autoriteiten dikwijls naar de eerste methode grijpen en de media, bij monde van bijvoorbeeld columnisten, en het daarbij horende reageervolk naar de tweede. Voor radio en tv en de krant is iemand die tegen de gevestigde orde ingaat gewoon nieuws en zeker in de komkommertijd (of als het om lokaal of regionaal nieuws gaat) pak je elke oprisping aan, want zoveel interessants gebeurt er nou ook weer niet in de provincie.

Zeker als het gaat over feestelijkheden als historische herdenkingen moet je uitkijken wat je zegt. Je kunt zomaar beschuldigd worden van verraad aan je stad. Of je bent op z’n minst een spelbreker of azijnpisser, iemand die zijn medeburgers geen feestje gunt. Maar dat is natuurlijk oorzaak en gevolg door elkaar halen. Je kunt geen feestje vieren naar aanleiding van een herdenking van iets dat niet heeft plaatstgevonden. Of: je moet geen standbeeld oprichten voor iemand die niets met je stad te maken had. Als je daar dan toch een evenement van maakt dan blaas je een fictie op tot een lege huls die door een kenner heel makkelijk is door te prikken. Dan ben je dus bezig met een non-event gebaseerd op geschiedvervalsing. Of geschied-manipulatie.

Als historicus kun je dan blijven protesteren tot je blauw ziet, maar als de overheid besloten heeft deze weg in te slaan is dat niet makkelijk terug te draaien. Niet voor het geld dat het inmiddels heeft gekost, maar ook niet niet voor je stedelijke reputatie. Je gaat af als je toegeeft dat je je eigen verleden zo hebt omgewerkt dat het resultaat is dat iedereen denkt dat je aan de basis van de Nederlandse democratie en onze zogenaamde tolerantie staat. En dat kan niet: dat is slecht voor je naam en het toerisme. Dus wat moet je dan als historicus? Ik weet het niet.

Is het paarlen voor de zwijnen wat we doen? Willen mensen niet van hun heldenverering en vijandbeelden afgeholpen worden? Is het de schuld van de historici zelf die sinds de laatste oorlog dikke, dure boeken en moeilijk vindbare artikelen hebben geschreven die zeggen hoe het wel is geweest, maar dat niet hebben vertaald naar de schoolboekjes? Die worden nog steeds door niet-academisch opgeleide geschiedenisleraren samengesteld die zelf de geschiedenis uit die verouderde boekjes hebben geleerd, geen nieuw onderzoek hebben gedaan en daarom gewoon van hun voorgangers overschrijven. Waarom proberen die gestudeerde historici niet de geschiedenis voor de gewone man te verklaren zodat die eens wat nieuws hoort in plaats van die ouwerwetse troep. Of hebben ze dezelfde ervaringen gehad die ik hierboven heb beschreven? Misschien moeten historici eens bij elkaar gaan zitten en erover van gedachten wisselen, in plaats van op hun studeerkamers uit blijven zitten zoeken hoe het echt zat en daar dan veel over schrijven. Als datgene wat in de Dordrecht gebeurt het resultaat daarvan is zit je eigenlijk voor niks te werken. Of voor een klein groepje gelijkgestemden. Ik weet het nog steeds niet. Je zou er de blues van krijgen.

Wat ik wel besloten heb is dat ik vanaf nu weer terugga naar de middeleeuwen en daar weer over ga schrijven. Ook daar zal het nog genoeg over zaken die niet kloppen gaan, maar hopelijk heeft dat niet de nare gevolgen die de statenvergadering van juli 1572 of het standbeeld van de de Zwijger hadden. Houd deze plek in de gaten.

Opgedrongen herdenking

Ik word niet gauw boos, maar als ik een collega-wetenschapper onzin hoor beweren over een zaak waar ik wat van afweet, dan is het zover. Ik heb het over Herman Pleij. Pleij is een emeritus (gepensioneerd) hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, met als specialisme de hele late middeleeuwen, eigenlijk meer de vroegmodern tijd. Hij is vooral geïnteresseerd in wat genoemd wordt “de cultuurhistorische achtergronden van de nationale identiteitsvorming” en heeft daar ook diverse boeken over geschreven. Waaronder Moet kunnen dat ik hier besproken heb.

Prof. Dr. Herman Pleij.

Hij houdt zich dus ook bezig met de moderne volkscultuur en probeert te duiden waar die vandaan komt. Dat doet hij (meestal)  leuk, want hij heeft de gave van het woord, waardoor hij pakkend kan vertellen en puntig en toch komisch kan duiden. Vandaar ook dat hij veel op tv te zien is als het weer eens over onze identiteit gaat en ook een graag gezien spreker is. Je kunt hem dan ook voor zoiets huren.

De organisatoren van het Feest van de Vrijheid, afgelopen woensdag 19 juli 2017 in en om het Hof hadden dat ook gedaan. Hij heeft zijn praatje daar gehouden, neem ik aan, en werd later geïnterviewd  door Thijs Blom van RTV Rijnmond. In een later op internet te vinden artikel werd hij geciteerd met deze zin: “De Eerste Vrije Statenvergadering in 1572 in Dordrecht is zo’n belangrijk moment geweest in de Nederlandse geschiedenis, dat het een Nationale Feestdag zou moeten worden”.

In de erbij geplaatste podcast had hij nog een paar opzienbarende uitspraken. Op de vraag of het feest belangrijk was antwoordde hij: “Jawel, maar niet alleen voor Dordrecht, maar ook voor Nederland, want hier is Nederland begonnen”. En even later: “…de steden besluiten het niet meer te pikken en keren zich af van de vorst.” Om nog weer verder te beweren: “de staten van Holland dat is een soort tweede kamer… die stellen de vrijheid van godsdienst vast en dat is uniek in de wereldgeschieddenis”.

De aanhef van de Declaration of Independence, 1776.

Pleij maakte ook de vergelijking met Independence Day, the Fourth of July, waarop de USA met barbecues en vuurwerk herdenkt dat ze onafhankelijk van Groot Brittannië werden en met Quatorze Juillet wanneer  de Fransen het begin van de Revolutie herdenken met veel militaire parades en vuurwerk. En waarom zouden we dat hier niet doen met 19 juli vanwege die o zo belangrijke eerste vrije statenvergadering? Elders noemde hij nog het feit dat ze in Philadelphia het gebouw waar de ondertekening van de Declaration of Independence had plaatsgevonden in de 20e eeuw hebben moeten reconstrueren, want er was door het veranderen en bijbouwen van het originele gebouw niet veel meer over,  terwijl wij hier gewoon het Augustijnenklooster nog hebben staan waar het allemaal gebeurde. Hij weet waarschijnlijk niet dat het helemaal niet zo zeker is dat die bewuste vergaderingen (19 tot en met 23 juli) daar hebben plaatsgevonden. Er is maar één bron voor die dat zegt en die dateert van 100 jaar later. Maar dat zal wel nooit echt bewezen kunnen worden.

godsdienstvrijheid
Het godsdienstvrijheid artikel in de notulen van de statenvergadering.

Dat is echter helemaal het punt niet. De vergaderingen begonnen op 19 juli in Dordrecht, gingen op 25 juli in Rotterdam verder en waren op 28 juli afgelopen en op die dag werden in Delft, waar men inmiddels vergaderde in het stadhuis, de notulen afgesloten. Iedereen kan dat zien: ze staan gewoon op internet. De notulen van de vergaderingen in Dordrecht van 19-23 juli: hier . En die te Delft van 28 juli: hier. Het wordt een beetje vervelend, want dit is de zoveelste keer dat ik dit schrijf: wat Pleij beweert is niet waar. Volgens de notulen werd er niets beslist over de vrijheid van godsdienst (= religie). Er staat onomwonden:

Voorts heeft Marnix verklaard dat het de intentie (bedoeling) is van de prins dat er vrijheid van godsdienst zal heersen tussen gereformeerden en roomsen en dat iedereen die in het openbaar kerken of kapellen zal gebruiken (en dat zal door de overheid geordonneerd worden) dat ongehinderd zal kunnen doen zonder dat iemand zich daarmee bemoeit.  Geestelijken zullen in hun werk ontzien worden en als iemand hen vijandig behandelt of mishandelt gaat dat in tegen het advies van de Staten Generaal van deze landen dat zal worden verordonneerd. De gedeputeerden hebben zich aan deze intentie van de prins geconformeerd.

Is het zo moeilijk te begrijpen? Er is niets besloten, de Staten Generaal moet nog over die bedoeling van de prins beslissen en daar is het zelfs op de Unie van Utrecht in 1579 niet van gekomen. Lees het blog: ik heb er alle bewijzen in gezet.  Dat is toch niet zo moeilijk? De gedeputeerden willen best aan de wens van de prins tegemoet komen, maar ze hebben voorlopig andere, dringender zaken aan hun hoofd. Eerst Alva en zijn troepen eruit en dan zien we weer verder.

alva
De hertog van Alva, geschilderd door Titiaan, ca 1575.

Alle in Dordrecht, Rotterdam en Delft genomen besluiten zijn ondertekend door gehoorzame onderdanen van de Spaanse koning. Ze waren niet in opstand tegen hun vorst, maar hun punt was dat het negeren van hun privileges door de Spaanse houwdegen Alva niet meer gepikt werd. Ze hadden niet de bedoeling een eigen onafhankelijke staat te beginnen, zelfs in 1581 bij het Placcaet van Verlatinghe was dat niet aan de orde. Toen het echt niet anders kon hebben ze in 1588 Filips II afgezet wegens grove schending van hun rechten en de republiek uitgeroepen. En dat was met meer dan alleen de Staten van Holland.

Als Professor Pleij die Staten dan ook nog met een Tweede Kamer vergelijkt, misschien om het begrijpelijk te maken voor de luisteraar, dan is hij verkeerd bezig.  Dat die Staten een democratisch gekozen groep mensen was die de regering (vorst plus parlement) moet controleren is zo anachronistisch dat het belachelijk is. Vanuit de mond van iemand die zich historicus noemt is het bovendien genant.

Overigens kloppen de vergelijkingen van onze in Dordrecht begonnen onafhankelijkheid met de Amerikaanse en Franse herdenkingen ook van geen kanten. De eerste is een onafhankelijkheidsverklaring naar de Britse Kroon toe met een behoorlijk filosofische inhoud: “de onafhankelijkheid werd in de verklaring gerechtvaardigd door een aantal “waarheden” die de ondertekenaars “vanzelfsprekend” achtten: dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door hun schepper zijn uitgerust met bepaalde rechten en dat onder die rechten valt: het recht op leven, op vrijheid en op het nastreven van geluk.” Allemaal dingen die in dat land nou niet echt voor iedereen golden en gelden.

Bestorming van de Bastille, 14 juli 1789.

De Fransen vieren op 14 juli de bestorming  door revolutionair gepeupel van de Bastille, een uit de middeleeuwen daterende gevangenis, in 1789 om aan kruit voor hun gestolen wapens te komen. De officiële instelling van deze viering dateert trouwens pas uit 1880 want “de vaderlandsliefde kon na het debacle van de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) immers wel een oppepper gebruiken” zoals het op Wikipedia cynisch te lezen staat. Er waren bij elke wisseling van het soort regering in Frankrijk in de 19e eeuw al heel wat nationale feestdagen aan vooraf gegaan. Daaraan kun je al zien dat het niet bepaald een definitieve onafhankelijkheid betrof. Die is na 1789 nog diverse keren teloor gegaan en weer uitgeroepen; Frankrijk heeft notabene inmiddels al de Vijfde Republiek. Die bestorming was trouwens een volkomen toevallige keuze en is destijds alleen in 1790 maar een keer herdacht; het had net zo goed een ander wapenfeit uit die dagen kunnen zijn.

De Amerikanen hebben nog tot 1783 gevochten om van de Britten los te komen en kregen in 1782 van de Republiek, als tweede natie, de erkenning dat ze een echte staat waren. Ze zijn ons daar nog steeds kinderlijk dankbaar voor. Voor de oorspronkelijke inwoners van Noord-Amerika en de alom aanwezige zwarte slaven begon de ellende nu pas echt. Die bleken toch niet zo gelijk geschapen te zijn. En dat hebben ze geweten. In Frankrijk nam na de Jacobijnse terreur van de Revolutie eerst het Directoire de macht over en daarna Napoleon Bonaparte die het zelfs tot keizer schopte. Nadat hij in heel Europa een onvoorstelbare hoop ellende aangericht had, werd Frankrijk nog een aantal keren afwisselend weer republiek en keizerrijk. De Derde Republiek heeft dus in 1880 geprobeerd het volk mee te krijgen in een nationale feestdag op 14 juli. Daar zijn de Vierde en de Vijfde gewoon mee doorgegaan, maar eigenlijk is dat gedoe niets anders dan een poging tot het opwekken van een eng nationalistisch en chauvinistisch gevoel. Gelukkig is het voor de meeste inwoners van die landen gewoon een vrije dag, is het meestal mooi weer en kan je dus lekker buiten eten bij de barbecue. Met vuurwerk na. Je zou bijna denken dat zo’n datum daar speciaal voor is gekozen, zoals Pleij ook al opmerkte.

4th of July cookout

Als je iets vergelijkbaars, dus het afstoten van de oude orde en wat nieuws beginnen, zoekt kun je dat vinden in de Vrede van Munster uit 1648, het officiële einde van de 80-jarige oorlog. Één van de gevolgen daarvan was echter wel dat het calvinistische protestantisme daarbij officieel staatsgodsdient werd en de bezittingen van de katholieke kerk definitief aan de Republiek vervielen. Bovendien mochten de katholieken niet in het openbaar hun godsdienst belijden en waren ze tot 1795 aangewezen op schuilkerken. En werden ze buitengesloten van overheidsbetrekkingen. Dus sinds 1572 was er niets veranderd: hoe bedoelt u vrijheid van meningsuiting, religie en geweten? Bovendien hebben wij daarna ook nog diverse keren onze vrijheid verloren en weer moeten herwinnen. Die van de laatste keer, in 1945, wordt nog wel gevierd en herdacht, al gaat dat de laatste jaren steeds moeizamer. Maar als je ziet hoe die van 1813 een paar jaar geleden kunstmatig moest worden opgepompt, laat staan dat de Bataafse Revolutie van 1794-1795 nog wordt herinnerd, dan kun je niet echt zeggen dat het ‘hervinden van de vrijheid’  hier erg  leeft.

De hele roep om onze zogenaamde vrijheid van meningsuiting te vieren met een nationale herdenking, zoals onlangs in een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 17 juli jl, werd bepleit, riekt naar manipulatie van de naar een eigen identiteit op zoek zijnde burger. Zoals dat in de 19e eeuw gebeurde om het volk feestend achter God, Nederland en Oranje te krijgen. Na die rommelige en eigenwijze Republiek van door allerlei oligarchen bestuurde provincies en steden, met hun altijd naar vorstenstatus strevende stadhouders, werd de nationale geschiedenis herschreven om gehoorzame onderdanen van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden te kweken. Inclusief de katholieken, die nu niet zulke goede herinneringen hadden aan de voor dat doel speciaal aangewezen Opstand tegen Spanje als begin van onze vrijheid. Dat was ongeveer net zo pijnlijk als een RK pastoor deze week in Dordrecht met een hagepreek mee laten doen.

Pastoor Tjeerd Visser tijdens zijn hagepreek. Foto Wim van de Pol.

Om het samen te vatten, speciaal voor meneer Pleij:

  • De Nederlandse staat begon niet op 19 juli 1572 in Dordrecht.
  • De statenvergadering was ook geen opmaat voor het uitroepen van zelfstandigheid.
  • Er werd toen geen besluit over de vrijheid van godsdienst genomen.
  • De Staten van Holland keerden zich ook (nog) niet af van de koning van Spanje.
  • En diezelfde Staten waren geen ‘soort tweede kamer’.

Als u het nog eens rustig wilt nalezen kan ik u verwijzen naar mijn blog vanaf oktober 2016.

Ik merk verder dat ik helemaal geen behoefte heb aan een op fout begrepen en misschien wel vervalste historische gegevens gebaseerde nationale feestdag, waarbij Dordrecht als braafste jongetje van de klas fungeert. Als ik behoefte heb aan een eigen identiteit probeer ik wel te kijken naar en leren van wat ik zelf gepresteerd heb. Daar hoeft mijn gemeente, mijn land en zeker de kerk niet voor te zorgen. Ik zou willen dat mijn stadsgenoten hun spreekwoordelijke nuchterheid terugkrijgen en zich niet mee laten slepen door cultuurbobo’s, dominees en pastoors, maar gewoon de feiten tot zich nemen en daar zelf hun conclusies uit trekken. Ik vrees alleen dat er vanaf nu een van bovenaf opgedrongen, naar nationalistisch sentiment riekend  feest zal worden gepromoot. Afijn… als het dan maar met een leuke picknick, een barbecue en vuurwerk opgeluisterd wordt. Naar de toespraken hoeft u niet, dat doet de Dordtse fine fleur wel.

Dordts mysterie

Dit blog moet er even tussendoor…

Toen ik iets meer dan een jaar geleden begon met het Apud Thuredrech blog nam ik als eerste onderwerp het lemma over de geschiedenis van Dordrecht in Wikipedia. U vindt het hier. Ik pakte gelijk maar de slordigheden aan die door de loop der jaren (misschien wel eeuwen) in de geschiedschrijving over het ontstaan van Dordrecht  waren verspreid. De reacties waren toen enthousiast. Ook had ik binnen een paar maanden een groep van meer dan 100 abonnee’s die me trouw volgden in mijn uitleg over Dordtse geschiedenis. Ik had niet de verwachting dat ik hiermee heel de Dordtse bevolking zou bereiken, maar hoopte toch op een soort uitstraling naar familie en vrienden van de abonnee’s.  Er zou een soort bestuiving kunnen ontstaan die langzaam wortel zou kunnen schieten.

Gedurende dat jaar heb ik ook enkele nogal controversiële zaken aangepakt die wel degelijk wat verder reikende gevolgen hadden dan alleen welwillende reacties van liefhebbers. Zo had mijn serie over Dordrecht en de gewetensvrijheid het effect dat ik met de wethouder in gesprek raakt en ik op 16 maart a.s. een gesprek heb met de directeur van de musea. Ook had mijn serie over wat nou de oudste stad van Holland was de nodige gevolgen in de lokale media. Daarentegen werd mijn stukje kritiek op een artikel in het huis-aan-huis-blad De Stem van Dordt niet door iedereen gewaardeerd. Men vond dat ik de schrijver en de geciteerde historicus te streng aanpakte. De historicus en de journalist reageerden beide en ik gaf hen wat gedachten terug die hun reacties bij me opriepen. Ik besloot het geheel met de aanbeveling aan de redacteur van de krant:

Ik denk ook dat als ze nog eens zo’n vraag krijgt over een middeleeuws onderwerp geen modern historicus om hulp moet vragen. Ze kan dan beter naar het archief stappen of bellen, een mediëvist raadplegen of mijn blog lezen.

Helaas; het was aan dovemansoren gericht.

Er bestaat een serie websites die zich richt op buurten in Nederlandse steden. Indebuurt.nl  heten ze en Dordrecht is één van die steden. De websites bevatten allerlei klein nieuws, zoals een kapotte trein die voor vertraging zorgt, een parkiet die is weggevlogen, de opening van een nieuwe ijswinkel, jubilerende marktkooplui, aankondigingen van straatopbrekingen, etc. Zoiets als die huis-aan-huis-bladen dus, maar dan digitaal. Ze werken zelfs samen met De Stem van Dordt. Niemand minder dan hoofdredacteur Karlijn Goorts van De Stem heeft er een soort column in, die Dordtse Mysteries heet. Daarin worden zulke onderwerpen behandeld als “waarom het Dolhuis Dolhuis heet”(het was een krankzinnigengesticht) of “hoe de Blindeliedengasthuissteeg aan haar naam komt” (er stond een gasthuis voor blinden) of “waar zijn de sporen 6 tot en met 14 op station Dordrecht” (historisch zo gegroeid).  Wat daar mysterieus aan is heb ik nog niet kunnen ontdekken, maar zo’n titel zal wel lekker bekken. De stukjes op de website verschijnen trouwens een paar dagen tot weken later ook in De Stem. En daar las ik gisteren het laatste artikel: “hoe Dordrecht aan haar naam komt”.

In de inleiding wordt weer gesproken over dat de naam in 1120 voor het eerst voorkomt toen geschreven werd over de dood van graaf Dirk IV in 1049. Tot zover OK. Misschien is dit zelfs wel ontleend aan mijn blog. Je kan toch hopen? Maar in de volgende zin gaat het al verkeerd, want:

“Of ze toen spraken over de rivier of over een zogenaamde nederzetting is niet duidelijk.  Daarom weten we eigenlijk tot op de dag van vandaag niet honderd percent zeker of de ‘stad’ Dordrecht (of moeten we zeggen Thuredrech) toen al bestond.”

Dan zijn we dus weer bij het falsum van 1064 (of ca 1145), u allen wel bekend, en niet bij het gedeelte van de Annalen van Egmond dat in 1120 door ‘hand C’ werd geschreven. Een ‘zogenaamde’ nederzetting? Niet duidelijk? En dat terwijl ik toch echt, vanuit de vertaling, had geschreven dat daaruit blijkt dat het zowel de naam van het water als het plaatsje was. Hoe duidelijk wil je het hebben? Dat het toen nog geen stad was is wel duidelijk, maar je kunt er wel degelijk van uitgaan dat er in 1049 een plaatsje van die naam lag op de plaats waar nu Dordrecht ligt. En in 1120 en 1145 was dat zeker het geval.

Wie beschrijft mijn verbazing dat daarna weer de historicus van modern Griekenland,  Kees Klok, aan het woord kwam.  Hij bracht in dat de bronnen uit die tijd erg ‘spaarzaam’ zijn (bedoelt hij zeldzaam?) en dat er veel veranderingen in het gebied zijn geweest. Daarom is het, volgens Klok, “niet precies duidelijk hoe Dordrecht aan haar naam komt”. In de krant is nog een ‘grapje’ dat historicus op de website maakte weggelaten: “Ze hadden toen helaas geen cassetterecorder (!) ofzo…” Waarschijnlijk ging dat voor het langzamere medium dat de krant is wat te ver of was het wat te oneerbiedig (of was het gewoon gebrek aan ruimte?).

Het volgende citaat van Klok luidt:

“Ja, we (!) gaan er ook wel vanuit dat het daar van afgeleid is. Maar of ze in die tijd al over de nederzetting spraken, blijft onduidelijk.”

Ik zou hier bijna cynisch van worden. Maar ik houd me in en schrijf hier alleen maar dat als men het in 1120 en in 1145 zo opschreef en daarmee suggereerde dat het respectievelijk in 1049 en 1064 al zo genoemd werd, je er wel van uit kunt gaan dat er ergens aan de Thuredrecht en de Merwede een plaatsje van die naam lag. Hoever moet je gaan om het nog beter te kunnen bewijzen?

Het artikel is dan ongeveer op de helft en dan is er nog steeds niet gesproken over hoe Dordrecht aan haar naam kwam, wat de titel toch aankondigt. Het dorp heet Thuredrech(t) maar waarom het zo genoemd wordt: niets. De naamsverklaring van Van Osta uit 1996 komt niet ter sprake en die staat nog wel in het Wikipedia lemma. Nee, dan begint een volkomen nieuw stuk dat het gaat hebben over “ wie nou de oudste stad van Holland heeft” (!). Vervolgens gaat het over de loco-burgemeester van Geertruidenberg die in 2014 (moet zijn 2012) Dordrecht voor de Rijdende Rechter  zou slepen omdat zijn stad oudere stadsrechten had dan wij. Beide steden hadden daar echter geen zin in. Afijn, u heeft er alles over kunnen lezen in het gelijknamige blog.

Mr. Frank Visser las in 2014 in een ander blog van mij dat het anders zat en zag wel in dat Geertruidenberg zou hebben verloren, maar had een wat flauwe uitspraak achter de hand gehad als Dordrecht onverhoopt toch bakzeil had gehaald. Geertruidenberg ligt tegenwoordig immers in Noord-Brabant en zo kwam hij uit op:

“Dordrecht is de oudste stad IN Holland, maar Geertruidenberg is de oudste stad VAN Holland.”

Wat natuurlijk van geen kanten klopt, want Dordrecht was al voor 1200 een stad met zijn eigen rechten etc. En we weten nu allemaal dat het krijgen van stadsrechten, hoe lang of hoe kort ook, niets zegt over het ontstaan van een stad. Wat doet dit onderwerp verder eigenlijk bij een artikel waarin de herkomst van de naam van Dordrecht aan de orde is? Het slaat nergens op.

Intussen is een ‘Dordts Mysterie’ nog steeds niet opgelost want er wordt niet eens op de in de kop gestelde vraag ingegaan, wordt er weer verwarring gewekt over het oudste voorkomen van de naam en doet een modern historicus foute uitspraken over een periode waar hij geen verstand van heeft. Soms vraag ik me wel eens af waarom ik dit eigenlijk doe…

“Hoe Dordrecht een eiland werd” (vervolg)

Kees Klok beantwoordde in zijn reactie op mijn laatste blog, zoals u allemaal heeft kunnen lezen,  mijn vraag waarom het korte stukje over de St. Elisabethsvloed  in de Stem van Dordt stond: het was een reactie op een lezersvraag. De journalist die het schreef, eindredacteur Karlijn Goorts, was blij met mijn kritiek, maar verontschuldigde zich tegelijk voor die beknoptheid.  Ze bevestigde dat Kloks antwoord uitgebreider was geweest, maar dat het nogal ingekort was:

“Als ik zijn hele verhaal zou moeten opschrijven, haken lezers helaas af halverwege omdat het te lang is.”

Ik vraag me dat af. U weet allemaal hoe die huis-aan-huis-bladen eruit zien. 24-32 pagina’s op tabloid formaat, waarvan meer dan de helft uit advertenties bestaat. De rest is tekst met veel, in verhouding, grote foto’s, inclusief hele fotopagina’s met huisdieren, besneeuwde parken, zonsondergangen en  dekselse kleinkinderen. Je moet je ook nog afvragen of veel van die tekst niet van commerciële oorsprong is, met zijn nieuws over auto’s en gezondheid. Ook wordt er wel aandacht besteed aan de (her)opening van een nieuwe winkel of herstartend bedrijf, welke advertorials (want het is toch ook reclame?)  dikwijls meer dan die 170 woorden bevatten. Er staan altijd wel een paar interviews met plaatsgenoten in, die eveneens beduidend langer zijn dan 170 woorden, maar waarvan dus wel verwacht wordt dat ze gelezen worden. Verder zijn het vooral veel aankondigingen van evenementen en  andere publiekstrekkers als cursussen, lezingen, workshops, open dagen en uitnodigingen om wilgen te komen knotten, etc. En een enkele column.

Ik denk dat het om wat anders dan de korte aandachtspanne van de gemiddelde krantenlezer gaat. Ik denk dat de eindredacteur denkt dat stukjes over de vroege geschiedenis van Dordrecht gewoon niet interessant genoeg zijn voor de gemiddelde lezer van haar krant en daarom maar zo weinig mogelijk plaats in mogen nemen. De nostalgische foto’s worden niet zelden (ook in de andere krant Dordt Centraal) begeleid door het dubbele aantal woorden. Maar dit was toch een antwoord op een lezersvraag? Dus er was interesse. En misschien wilden nog wel meer Dordtenaren weten hoe hun stad een eiland was geworden? Dus waarom die mensen het complete verhaal onthouden? Ik wil helemaal niet paranoïde overkomen en klagen dat de middeleeuwse geschiedenis van Dordrecht in dit soort krantjes achtergesteld wordt, maar je zou het zo wel gaan denken.

Bovendien: heeft een vragensteller over een historisch onderwerp niet ook het recht om correcte informatie te ontvangen? Kees Klok geeft toe dat hij niet over de meest recente informatie beschikt en put daarom maar uit iets dat hij zelf 30 jaar geleden heeft geschreven. En wat hij zich herinnert van een bezoek aan een tentoonstelling in 2006. Hij schrijft ook dat hij meer van de recente geschiedenis is (en de Griekse) en dat wat hij over Dordrecht in het verleden schrijft van “literaire aard” is en geen geschiedschrijving. Daar valt mijns inziens wel over te twisten: historie kan heel goed  literair verantwoord opgeschreven worden. Het ontslaat echter niemand, en zeker een afgestudeerd historicus niet, van de plicht iets kloppends neer te schrijven als er aan hem informatie gevraagd wordt, vooral als het over een onderwerp gaat dat buiten zijn comfort-zone valt. Klok verdedigt zich nog met:

“Kern van de vraag was: hoe is het eiland onstaan, niet wat de oorzaken van de St. Elizabethsvloed waren.”

Maar als je die vraag wilt beantwoorden kom je niet onder de oorzaken van de vloed uit. Hij noemt er zelfs één (foutief weliswaar, maar toch…), want hij wordt in het artikeltje geciteerd:

“Men ging daar turf steken voor brandstof en daardoor werden de dijken verzwakt.”

Maar dat was ook mijn kritiek niet. Ik vind dat je vragenstellers geen sprookjes mag vertellen over wat echt gebeurd is. Zeker niet over zaken die zo’n enorme invloed hebben gehad voor een stad als Dordrecht. Degenen die dit blog volgen weten inmiddels wel dat er in het verleden, tot zeer recent, de nodige onzin is geschreven over aspecten van onze geschiedenis. Ik heb duidelijk gemaakt dat men hier zelfs op hoog niveau kort geleden nog geschiedvervalsing heeft gepleegd. Maar waarom zou je je dan druk maken over zo’n klein artikeltje in een huis-aan-huis-blad, zult u zich afvragen? Nou, dat doe ik omdat het een principieel probleem is.

Zo’n verhaaltje in de Stem van Dordt kan namelijk best flinke gevolgen hebben. Het begint als klein weetje, verspreidt zich op verjaardagen, wordt overgenomen door een geïnteresseerde leek en voor je het weet staat het op papier in een schoolwerkstuk of een lesbrief en wordt het aan de lokale ‘canon’ toegevoegd. Ik zou alleen al voor de vaderlandse geschiedenis honderden voorbeelden van dit soort mis-informatie kunnen noemen. De leek heeft immers niet de mogelijkheid om de dikke dure boeken over zulke onderwerpen te lezen of de vaktijdschriften te vinden (dikwijls achter betaalmuren) waarin de geleerde artikelen over de laatste ontwikkelingen binnen historisch onderzoek staan.

Karlijn Goorts liet merken dat zij wel anders zou willen. Naast dat ze denkt dat mensen geen lange antwoorden op een vraag willen hebben, geeft zij ook de drukte binnen de redactie de schuld. Er is volgens haar gewoon geen tijd voor het verifiëren van beweringen. Zij trekt het verder breder en schrijft:

“Dat is meteen een belangrijk deel waar het grootste gedeelte van de media faalt. Onderzoeken, correct weergeven, context en achtergrond vermelden en niet alleen kijken naar wat men wil lezen, maar kijken naar wat nodig is om te vermelden.”

Ik denk dat ze wat de zogenaamde ‘kwaliteitskranten’ betreft, de bekende landelijke dagbladen, een beetje overdrijft, want ik lees daarin genoeg lange artikelen die een grondig onderzochte herkomst verraden. Al hoor ik van oudere journalisten wel dat het vroeger allemaal veel beter was en dat de jongelui van tegenwoordig niet meer weten wat goede journalistiek is. Ik vind het in ieder geval wel verfrissend dat Goorts, die nog jong is, dat wel zou willen, maar ik denk dat een huis-aan-huis-blad daar niet echt het goede platform voor is. Ik gun haar meer ruimte voor het uitoefenen van haar beroep volgens de eisen van hoor en wederhoor en het checken van bronnen. Ik denk wel dat ze dan niet op die plaats moet blijven zitten.

Ik denk ook dat als ze nog eens zo’n vraag krijgt over een middeleeuws onderwerp geen modern historicus om hulp moet vragen. Ze kan dan beter naar het archief stappen of bellen, een mediëvist raadplegen of mijn blog lezen. Lijkt me.

“Hoe Dordrecht een eiland werd”

artikel svd
Het bewuste artikeltje uit de Stem van Dordt, 11.1.2017.

De beide gratis huis-aan-huis bladen in Dordrecht pronken elk met een historisch rubriekje. Dikwijls gaat het om een oud beeld van onze zo fotogenieke stad en wordt er wat verteld hoe het daar vroeger was. Meestal gaat het ook niet zo ver terug: hoogstens tot de tweede helft van de 19e eeuw. Afgelopen week, woensdag 11 januari 2017, naderde de rubriek in de Stem van Dordt echter angstig dicht mijn periode: die van het ontstaan en de bloei van Dordrecht. Zoals u aan de titel van dit blog kunt zien ging het over de St. Elisabethsvloed, want iedereen weet dat daarna de stad volledig omgeven was door water. Dat wordt ook min of meer bevestigd door de beide illustraties bij het artikeltje (het telt niet meer dan 170 woorden) die Dordrecht als een eilandje met wat aangroeisel tonen. Maar was dat wel zo?

Waarom de journalist Karlijn Goorts, die eindredacteur van de Stem van Dordt is, dit stukje in haar krant gezet heeft is niet duidelijk. Ze noemt het ook nergens. Er is ook geen historische aanleiding voor. Pas in 2021 gaan we de St Elisabethsvloed ‘vieren  (of in 2024?) en in januari 1417 gebeurde er ook niet veel in en rond Dordrecht. Pas volgend jaar, 2018, kunnen we wat ‘doen’ met het beleg van de stad in juli-augustus 1418. Dus er is niet echt een reden om aan die ramp te denken. Maar misschien kwam het omdat ze Kees Klok heeft gesproken. Hij wordt tenminste in het artikel in drie zinnetjes geciteerd.  En daar viel mijn oog dus op. Waarna ik me het nodige afvroeg.

verdronken dorpen
Omslag van het boek Verdronken dorpen boven water (Dordrecht 2007).

Het eerste dat ik me afvroeg was hoe het komt dat lokale historici en leraren geschiedenis, want Klok is beide, niet op de hoogte zijn van het meer recente denken over de St. Elisabethsvloed. In 2007 kwam namelijk als speciaal jubileumboek van de vereniging Oud Dordrecht uit onder de titel Verdronken dorpen boven water. Het bevatte zo’n beetje alles wat er in het verleden over de ramp is geschreven. Er stond ook een zeer interessant artikel in van de voormalige stadsarcheoloog Johan Hendriks met de toen meest recente conclusies over die gebeurtenis en zijn oorzaken en gevolgen onder de titel ‘De watersnoodrampen van 1421 en 1424’.

Helaas is de neerslag van dat jubileumboek, en met name die van het artikel van Hendriks, niet in de krant terug te vinden. Het lijkt zelfs wel of de historicus Klok het helemaal niet gelezen heeft. En dat is toch wel kwalijk voor iemand die altijd zo met oud Dordrecht bezig is. Hij is dan wel een historicus van de moderne tijd, maar als je dan geïnterviewd wordt (?) over een wat ‘ouder’ onderwerp bereid je je toch een beetje voor? Wat hij tussen dubbele aanhalingstekens (dus uit zijn mond opgetekend) beweerde stoorde me namelijk nogal. Ik geef hieronder de drie citaten met mijn commentaar.

  • “Dordrecht lag in de Groote Waard; ook wel een enorme polder met een dikke veenlaag. Men ging daar turf steken voor brandstof en daardoor werden de dijken verzwakt.”

grote waard 1421
Schematische situatieschets van de Grote Waard in 1421. Noordelijk van de Maas werd het land ook de Kleizijde genoemd en het zuidelijk deel de Veenzijde.

Juist het gedeelte van de Grote Waard (die tweede O is wat overdreven) waar Dordrecht in ligt, dus ten noorden van de Maas, was niet louter veen. Men woonde er al sinds de 8e-9e eeuw op de oeverwallen langs de rivieren, waar men graan verbouwde. Men ontdekte ook dat het elzenbroekbos in het veen op een dunne klei-op-veenlaag stond, waar je, na het ontginnen, ook goed graan kon verbouwen. Vandaar dat juist dit gedeelte, door Hendriks, de graanschuur van Holland werd genoemd. Er zal best turf gestoken zijn op stukken die niet bebouwd konden worden, maar de meeste turf kwam toch van bezuiden de Maas. Daar werd ook buiten de dijk in het zuidwesten zout-houdende turf gedolven, de zogenaamde darink. Daaruit werd zout gewonnen, dat voor goed geld verhandeld kon worden. Dat darink-delven gebeurde dus buitendijks, uit steeds met een tijdelijk eigen dijkje, een moerdijk, omgeven poldertjes. Op den duur kwam men te dicht bij de dijk van de Grote Waard, zodat die, na het verdwijnen van de darink, open kwam te liggen voor sterke golfslag bij zware stormen. De dijk bij Broek, aan de zuidwestkant van de waard (nu in de buurt van Wieldrecht) brak hierdoor in de tweede helft van de 14e eeuw steeds weer door. En dat ging in de vroege 15e ook door, ondanks verboden om te dicht bij de dijken te delven. Wel werd de dijk steeds weer gerepareerd of  teruggelegd. Het ligt dus klaarblijkelijk genuanceerder.

“Het water stond tegen de stadsmuren aan.”

sluyter 1560
Detail uit de kaart van Sluyter uit 1560, waarop het opkomende land achter Dordrecht goed zichtbaar is.

Hendriks heeft bij zijn opgravingen juist gevonden dat dat niet het geval was. Wel hebben in november 1421 de storm en de golven schade veroorzaakt aan de houten onderdelen van de stadsverdediging, de staketten,  en er zijn buiten de vesten wat wielen ontstaan, maar dat was allemaal snel gerepareerd. Opgegraven schelpjes en andere maritieme fauna hebben aangetoond dat er inderdaad een korte tijd een met brak water overstroomd gebied onder de muren van Dordrecht heeft gelegen, maar dat het eerder tot een waterig landschap van slikken (onbegroeide klei-zandplaten) en schorren (begroeide idem) uitgroeide, met op hogere gedeelten de resten van dorpen en boerderijen. En bomen. De enorme watervlakte die je op oude kaarten ziet is voor een groot deel fantasie (op de kaart van sGrooten uit ca 1570, boven aan het blog, ziet u een realistischer beeld). Waarschijnlijk berustte die op de nogal bewegelijke situatie van de landresten die afkalfden en aangroeiden. Er moet al heel snel een soort Biesbosch-landschap zijn ontstaan op resten van de vroegere waard. Dat was ook een voorwaarde voor het vanaf het eind van de 16e eeuw opnieuw beginnen met inpolderen: je moest wel van al wat aangegroeid land uitgaan.

“Later was het natuurlijk vooral modder en begonnen ze langzaam aan het droogleggen.”

Er zal veel modder geweest zijn en er tussendoor waterlopen, maar ook begroeide delen, waarin al snel eendenkooien en griendketen te vinden waren. En er stonden veel wilgen, waarvan de pollen ook teruggevonden zijn. En niet te vergeten: er lagen tussen de oevers zalmsteken in de bredere kreken, resten van de oude veenriviertjes.

detail kaart 1520
Detail uit een kaart van ca 1520, met een huis op een hoogte en al begroeide gorzen. De maker heeft met wat vervaagde groene verf aangegeven  dat er veel ondiepten waren.

Er gaan nog veel meer van dit soort verhalen over de St. Elisabethsvloed en de Biesbosch, maar het bovengenoemde boek en artikel, plus meer recentere literatuur over Dordrecht en het eiland en zijn omgeving, heeft die voor het grootste deel ontkracht. Kees Klok heeft die literatuur duidelijk niet paraat gehad en Karlijn Goorts heeft zijn uitspraken niet daaraan geverifiëerd. Bovendien wordt er beweerd dat er drie St. Elisabethsvloeden geweest zijn. Dat is wel zo, maar die van 1404 had vooral Zeeland te pakken en heeft zo goed als geen invloed op de Grote Waard gehad. Dus die telt hier echt niet mee.

Luchtfoto van de doorbraak van de Ringdijk te Wilnis op 26 augustus 2003 (foto www.deltaproof.nl).

De St. Elisabethsvloed van 1424 is daarbij nogal bijzonder, want een nieuwe theorie van Johan Hendriks luidt dat deze niet zozeer door stormvloeden zou zijn ontstaan, maar juist doordat droogte in de zomer van dat jaar de op veen aangelegde dijken heeft ondermijnd. Zoiets als de veendijk bij Wilnis in de zeer warme zomer van 2003, die door uitdroging instabiel was geworden en doorbrak. Een gat in een gewone doorgebroken dijk kun je dichten.  Bij een door droogte verzakte dijk helpt dat niet; die kun je niet meer repareren. In onze tijd zet je er een damwand in en dan moet je maar hopen dat het verval niet doorzet. Die luxe had men in 1424 niet en vandaar dat het Merwedewater bij het gat van Werkendam ruim 150 jaar ongehinderd over de Grote Waard kon stromen en er twee meter klei en zand kon afzetten.

Intussen worden dit soort achterhaalde ‘feiten’ voor zoete koek genuttigd door het lezerspubliek en blijven dergelijke sagen voortwoekeren onder de Dordtenaren. Jammer hoor.

(De kaart bovenaan het blog is een deel van de kaart van Holland die Christiaan sGrooten ergens tussen 1568 en 1573 maakte voor koning Filips II. De afbeelding komt uit Valentine Wikaart, e.a., ‘Nijet dan water ende wolken’ (Tilburg 2009) 110. Het is duidelijk dat niet iedereen zich er met een enorme watervlakte vanaf maakte…)