Oorkonden (2)

Dit is het tweede en laatste deel van een serietje van twee blogs over de soorten geschreven bronnen naast kronieken en annalen. Het bevat nogal wat droog statistisch materiaal, maar zo krijgt u wel een indruk van de kleine hoeveelheid documenten waar historici soms vanuit moeten gaan.

frans van mieris
Frans van Mieris (II) gravure door Jacob Houbraken, ca 1750.

Een deel van wat we weten over het graafschap Westfrisia, later Holland (en Zeeland), in de middeleeuwen is dus afkomstig uit oorkonden.  Al heel lang is men bezig geweest alle uitgaande en inkomende documenten van die graven te inventariseren. In de achttiende eeuw, tussen 1753 en 1756 gaf de Leidse schilder en geschiedschrijver Frans van Mieris (1689-1763) vier grote, dikke boeken uit met daarin alle op Holland en Zeeland slaande oorkonden die hij kon vinden.

De meest recente verzameling is die van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland (OHZ voor de kenners) dat tussen 1970 en 2006 in vijf dikke delen verscheen. Ze bevatten alle officiële stukken die naar en van de graven gingen tussen het eind van de zevende eeuw en het eind van 1299. En dat zijn er niet minder dan 3536… Van Mieris heeft in het eerste deel van zijn Groot Charterboeck voor de periode 723 – 1299 ruim 600 pagina’s nodig. Het OHZ telt in de vijf delen samen voor die periode niet minder dan ruim 4500 pagina’s. Dat is natuurlijk wel met meer commentaar en bewijsvoering dan wat Van Mieris kon doen, maar het mag duidelijk zijn dat er sinds het midden van de achttiende eeuw flink wat meer materiaal boven water is gekomen.

ohz
De serie Oorkondenboeken van Holland en Zeeland (1970-2006)

Toch valt het aantal oorkonden  voor de vroegste periode behoorlijk tegen. Er werd gewoon nog weinig geschreven. En het is natuurlijk het langst geleden, dus is het waarschijnlijk dat er naar verhouding meer is verdwenen. Uit de aantallen per boek in de OHZ serie kun je mooi aflezen hoe men steeds meer officiële geschreven documenten produceerde in de loop van de zes eeuwen tussen 700 en 1300. Of dat er steeds meer bewaard zijn gebleven, natuurlijk…

Deel      Data                      Jaren                    Aantal charters

1             700 – 1222          522 jaar                423

2             1222 – 1256         34 jaar                  660

3             1256 – 1278        22 jaar                  740

4             1278 – 1291        13 jaar                  747

5             1291 – 1299        8 jaar                    963

Het is misschien een beetje saai, maar om te laten zien met hoe weinig oorkonden-bronnen we het voor de vroegste geschiedenis van Holland moeten doen, heb ik een soort inventarisatie gemaakt van de nog bekende oorkonden uit de periode 700-1120. Dat laatste is het jaar waarin de vroegste gegevens over de geschiedenis van het graafschap in de abdij van Egmond werden opgeschreven. Daar komt het volgende uit:

  • Uit die periode van 420 jaar zijn 102 charters bekend.
  • Daar zijn er maar twaalf van bewaard gebleven, de andere zijn allemaal afschriften van soms veel later.
  • Vier van die bewaarde oorkonden berustten in de abdij van Sint Baafs en twee in die van Sint Pieter, beide te Gent en nu dus in het stadsarchief aldaar.
  • Drie liggen in het archief van het kapittel van Sint Jan in Utrecht en berusten in het Utrechtse stadsarchief.
  • Dan is er nog één in Thorn (Limburg) en één in Hannover en één in Munster, alle drie in Duitse kerkelijke archieven.
nationaal archief
Het gebouw van het Nationaal Archief naast het Centraal Station in Den Haag.

Dat is alles. Er bevindt zich zelfs geen enkel origineel document uit de periode van vóór 1120 in het grafelijke archief, dat in ons Nationaal Archief in Den Haag verblijft. Ook daar liggen alleen afschriften en kopieën.

  • Van de 90 overgebleven exemplaren zijn er bovendien 15 bewezen vals, plus dat men nog enkele stukken verdacht vindt.
  • De bewaard gebleven ca 70 stukken zijn vooral afkomstig van de Duitse koningen en keizers en gericht aan kloosters.
  • Ook van bisschoppen zijn er exemplaren voor kloosters bekend met gegevens over geschonken landerijen in ‘Holland’ en ‘Zeeland’.
  • De ‘Hollandse’ graven worden in die 102 oorkonden 40 maal genoemd, maar tien keer daarvan in valse oorkonden.
  • Zes van die vervalsingen zijn van voor het jaar 1000, twee uit de de late elfde eeuw: 1083 en 1099, en twee uit de vroege twaalfde eeuw: 1108 en 1116.
  • Van die 40 vernoemingen van de graven worden ze 23 keer alleen maar als getuige in een konings- of bisschopsoorkonde genoemd.
sint baafsabdij
Wat nog rest van de Sint Baafsabdij te Gent is o.a. de refter. Nu opslag van vloeren en grafstenen.

Eigen uitgaven van de graven zijn er maar heel weinig:

  • Dirk II in 967: een schenking aan de St Pietersabdij te Gent.
  • Arnulf in 980: een morgengave aan zijn vrouw Lutgard ter gelegenheid van hun huwelijk.
  • Dirk III in 993: samen met zijn moeder Lutgard aan dezelfde St Pietersabdij.
  • Dirk V in 1083 (die is dus vals), Floris II in 1108 (ook vals) en 1116 (vals).
  • Er zijn maar vier graven die schenkingen ontvangen, toevallig allemaal koningsoorkonden die in Egmond in afschrift bewaard bleven in de Annalen. Dat waren Gerulf in 889, Dirk I in 922 en Dirk II in 969 en 985.
sint pietersabdij gent
Van de middeleeuwse abdij van Sint Pieter te Gent is niet veel over, de meeste nu zichtbare gebouwen zijn later toegevoegd.

Overigens is al langer bekend dat pas vanaf ongeveer 1100 door de graven van Holland regelmatig geoorkond wordt. Of daarvoor veel geschreven bronnen bestaan hebben is onbekend, maar het zullen er vast niet veel geweest zijn. Voor de geïnteresseerden: het Oorkondenboek van Holland en Zeeland (OHZ) is gedigitaliseerd en staat op internet.

Het is dus maar een magere hoeveelheid bronenmateriaal waarover historici kunnen beschikken voor de geschiedenis van ons graafschap van vóór 1150: wat vermeldingen in kloosterannalen en enkele tientallen oorkonden die voor het grootste deel slechts in afschrift bewaard zijn gebleven. Zoals we gezien hebben worden gebeurtenissen die hier hebben plaatsgevonden ook wel in buitenlandse kronieken genoemd, maar dat is het wel…

U kunt zich wel voorstellen dat historici die deze vroege periode van de Hollandse geschiedenis behandeld hebben – en dat zijn er behoorlijk veel geweest – niet veel  vastigheid hadden bij het reconstrueren van de periode tussen het wegtrekken van de Romeinen en het eerste op schrift stellen van een min of meer  regelmatige kroniek omstreeks 1120. Gelukkig zijn er de laatste eeuw ook de nodige andere bronnen aangeboord, met name archeologische, waardoor men gaten in het verhaal kon opvullen. Langzaam kwamen soms ook meer buitenlandse bronnen beschikbaar die informatie over onze streken bevatten. Telkens kon zo weer een link tussen gebeurtenissen en mensen die deze meemaakten of veroorzaakten gelegd worden.

Overigens ging dat bij historici onderling niet altijd zonder slag of stoot, vooral als er iemand kwam die zo’n bron voor vals verklaarde. Daarna ontstond er dikwijls een soort stammenstrijd van voor- en tegenstanders van deze ontmaskeraars. Die duurde dan meestal tot degene die deze knuppel in het hoenderhok gooide overleed, waarna de ruzies langzaam afnamen. Historici waren (en zijn) wat dat betreft net mensen…

Oorkonden (1)

Dit is nummer één van een serietje van twee over één van de typen geschreven bronnen die ons hebben voorzien van gegevens over de vroege en hoge middeleeuwen.

Het andere type middeleeuwse bronnen, naast de annalen en kronieken, zijn oorkonden.  Als moderne mensen dat woord horen denken ze aan getuigschriften voor het winnen van iets of over het vieren van zoveel jaar trouwe dienst, etc. Als men dat er een beetje antiek uit wil laten zien dan geeft men het vorm als een van  boven en onder omkrullend, vergeeld blad perkament met verschroeide randen en daar ook voorzien van scheurtjes.

nep-oorkonde
Commercieel sjabloon van een zogenaamde oorkonde.

Daarop zit dan een felrode ronde plak lak, waarin een eveneens  rond zegel is afgedrukt met soms iets erin dat op een wapenschild lijkt. Het blad moet dan beschreven zijn in een krullerige letter met bovenaan een grote rode hoofdletter en eventueel nog andere versieringen. Dat beeld klopt niet met oorspronkelijke oorkonden. Het is door Hollywood verspreid, zoals zoveel foute ideeën over de middeleeuwen. In historische films zie je daar mensen officiële aankondigingen uit voorlezen. Of er worden schatkaarten op getekend. We komen er maar moeilijk vanaf.

Echte oorkonden zagen er heel anders uit. Hieronder ziet u een voorbeeld van een door de bisschop van Utrecht in 1105 uitgegeven oorkonde, met opgedrukt zegel, die toevalligerwijze gaat over de omgeving van Dordrecht. U ziet dat na 911 jaar het perkament niet is omgekruld, dat het geen schroeiranden heeft en geen scheurtjes vertoont aan die randen. Het zegel is niet rood, maar van blanke was en laat, hoewel moeilijk te zien, een afbeelding van de bisschop zien. Het is ook mooi regelmatig beschreven in een zogenaamd kanselarijschrift, dat, als je er een beetje aan gewend bent (en als je latijn kent) makkelijk te lezen is. Dat het er zo gaaf uitziet ligt natuurlijk wel aan het feit dat dit stuk altijd goed opgeborgen is geweest en dat het niet van vuur of andere rampen te lijden heeft gehad. Maar toch…

charter 1105
Beslechting van een ruzie tussen Sliedrecht en Houweningen door bisschop Burchard van Utrecht, 1105. Utrechts Archief, archief kapittel van St Jan, nr. 321.

Wat is een oorkonde dan eigenlijk? Wikipedia heeft een aardige definitie van deze bronnen:

Een oorkonde is een schriftelijke weergave van afspraken.[…] Veelal zijn deze oorkonden op perkament geschreven. Veel oorkonden bleven zo goed bewaard, omdat zij voor latere eigenaren het bewijs van eigendom van een stuk grond of een recht vormden.

Door archivarissen worden ze ook wel charters genoemd. In de middeleeuwen zelf noemde men ze in de taal die hier gesproken werd, het middelnederlands, een ‘perkamenten brieve’. Dikwijls werden die brieven, als ze eenmaal opgeschreven waren, ook nog hardop voorgelezen (verkondigd aan het oor), zodat getuigen later zouden kunnen bevestigen dat hij op een bepaalde datum was uitgegeven en wat er in stond. De meeste middeleeuwers konden voor 1300 niet lezen en daarom waren mondelinge getuigenissen nog heel belangrijk in de rechtspraak of de politiek.

perkament maken
Het schrapen van een opgespannen dierenhuid om perkament te maken.

Wat veel mensen zich niet realiseren is dat perkament dierenhuid is, leer dus. Meestal werd het van geiten of schapen gemaakt, soms van kalveren. De huiden ondergingen een hele serie bewerkingen tot het mooi wit was en geschikt om aan beide kanten te beschrijven. Men denkt tegenwoordig  dat het een soort papier is en dat verklaart ook die scheurtjes aan de randen in Hollywoodse oorkonden. Leer scheurt echter erg moeilijk, en daarom zal je dat soort beschadigingen heel zelden in echte oorkonden terugvinden. De verwarring wordt trouwens ook veroorzaakt doordat er zogenaamd perkamentpapier verkrijgbaar is, dat oppervlakkig een soort perkamentstructuur heeft. Al is nieuw perkament, als je het niet aanraakt, niet te onderscheiden van papier; het is net zo glad en wit.

zegel floris V
Zegel van graaf Floris V uit ca 1285.

Oorkonden werden dus uitgegeven door belangrijke mensen die schenkingen konden doen of die konden bevestigen. Dus onder de uitgevers waren keizers, koningen, hertogen, graven, maar ook de paus, kardinalen, bisschoppen en abten van kloosters. Als bewijs dat zij die oorkonde hadden uitgegeven stond bovenaan hun naam en hing onderaan hun zegel. Of het was er opgedrukt. Zegels zijn afdrukken in blanke of gekleurde was (lak kwam pas in de zeventiende eeuw op) met een  zegelstempel, dat meestal van metaal was. Hierin stond aanvankelijk het portret van de vorst, al of niet op een troon gezeten, of als het een hertog of graaf (of wat later: ridder) was, zijn afbeelding te paard met schild en lans of zwaard. Geestelijken beeldden zichzelf ook af in hun liturgische dracht, al of niet met krom- of kruisstaf. Later werden voor vorsten en ridders zowel als voor geestelijken hun familiewapen gebruikt, maar dan zijn we inmiddels in de dertiende eeuw of later.

Omdat deze oorkonden belangrijk waren werd er goed voor gezorgd en werden ze veilig opgeborgen. Helaas is er veel tijd vergaan sinds de middeleeuwen en hebben veel verzamelingen daar erg onder te lijden gehad. Er zijn oorkonden door vuur of water vernietigd, tijdens opstanden en oorlogen gestolen en soms gewoon vergeten en vergaan. Gelukkig zijn in sommige vorstelijke  en kerkelijke archieven later ook kopieën gemaakt van oudere oorkonden of zijn er afschriften aan derden gegeven. Soms is het origineel op de plaats van uitgave niet meer bewaard, maar bijvoorbeeld wel bij degene die hem heeft ontvangen. Elke oorkonde werd namelijk op z’n minst in twee exemplaren gemaakt: één voor de ontvanger en één voor het archief van de uitgever. De ontvanger kon er dan ook nog een kopie van gemaakt hebben – één om op te bergen en één om te kunnen laten zien- die bewaard kan zijn gebleven.

(Wordt vervolgd)

Wat is dat: apud Thuredrech?

In mijn eerste blog staat al dat apud Thuredrech ‘in Dordrecht’ betekent. Het is latijn. Tenminste: het eerste woord is latijn. Dat was de taal waarin iedereen voor de dertiende eeuw  in de kerk en het klooster, op de universiteit en aan de hoven schreef en die men onder elkaar sprak als men elkaar in hun moedertaal niet verstond. In onze streken werd die taal sinds het wegtrekken van de Romeinen niet meer door de bevolking verstaan of gesproken (en het is de vraag of iedereen dat voor die tijd kon…), maar het was wel en bleef nog lang de internationale taal van de geleerden en de kerk. Welke lang hetzelfde waren want geleerden waren meestal tegelijkertijd geestelijken. Studenten aan de kathedraalscholen, waar ze tot priester werden opgeleid, van voor 1100 ondergingen standaard de lage wijdingen en werden daardoor ‘clerici’ oftewel geestelijken genoemd. Het woord ‘clericus’ ligt ook aan de basis van het woord klerk oftewel schrijver. En dat kwam omdat de gestudeerde geestelijkheid (er waren ook ongestudeerde geestelijken) zo’n beetje de enige was die voor 1200 kon schrijven. Daarna pas komt in onze streken het schrijven door leken op. Ook geholpen doordat meer leken naar de uit de kathedraalscholen voortgekomen universiteiten gingen voor andere dan kerkelijke carrières.

annalen van egmond
Omslag van de publicatie Annalen van Egmond.

Dat ‘apud Thuredrech’ staat dus in een latijnse kroniek die officieel de Annales Egmundenses heet. Oftewel de Annalen van Egmond.  Hij is nog niet zo lang geleden, in 2007, opnieuw uitgegeven, samen met het Chronicon Egmundanum, dat een kortere, meer op de geschiedenis van Holland gerichte kroniek is uit de dertiende eeuw. In die uitgave staat de latijnse versie naast een moderne Nederlandse vertaling. Heel nuttig als je je latijnse lessen inmiddels een beetje vergeten bent. Of als je alleen klassiek latijn kent, want ik heb begrepen dat middeleeuws latijn voor de classici bijna onbegrijpelijk is als het een beetje technisch wordt. Of als de middeleeuwse schrijver eens een keer geen klassiek voorbeeld nadoet.

‘Apud’ heeft in het klassieke latijn twee betekenissen. Ten eerste ‘(er)bij’ als: in het gevolg van, of ten huize van, voor, in tegenwoordigheid van, ten overstaan van. Ten tweede, maar minder regelmatig, ‘bij’ of ‘nabij’ plaatsen, of zelfs ‘bijna’. Bij namen van steden, eilanden en landen kan het ook nog ‘in’ of ‘op’ betekenen, dus in een stad of land of op een eiland. Navraag leerde inderdaad dat in het middeleeuws latijn apud thuredrech inderdaad voor ‘te Dordrecht’ staat (dank, Eef Dijkhof).

Thuredrech staat, zoals gezegd, natuurlijk voor Dordrecht (of de Dordrecht) en is een oud-Nederlands woord. Tot tamelijk recent heeft men die naam altijd uitgelegd als ‘oversteekplaats in de Thure’ of een soort doorwaadbare plaats in een rivier. Nog niet erg lang geleden, in 1996, heeft een Belgische filoloog (taalkundige van verdwenen talen) in de Germaanse talen, Ward van Osta, voorgesteld dat het achtervoegsel –drecht niet komt van het Latijnse trajectum, dat voorde of oversteekplaats betekent, maar dat het van dregan, dragan oftewel trekken komt. Denk aan het Engelse to drag. Thure is dan ‘door’ en het gehele woord staat dan voor ‘door trekken’.  Overigens is deze betekenis van de stadsnaam inmiddels wel tot Wikipedia doorgedrongen.

knarr vrachtschip
Binnenvaartscheepje in de elfde en twaalfde eeuw van het type Knarr. Uit: Björn Landström, Het schip (Hoofddorp 1975) 63.

De Thuredrech zal niet zo breed geweest zijn dat je gemakkelijk door kon zeilen. Schepen in die tijd waren wel klein en hadden maar één vierkant zeil, waarmee je maar moeizaam kon manouvreren. In een smalle veenrivier is dat onmogelijk, zeker met de verkeerde wind. Dan moest je dus of roeien of bomen, of getrokken worden door mensen of paarden langs het water. Dat was hier dus het geval. Je werd door de Thuredrecht getrokken naar de Merwede. En er ontstond daar ook een dorp dat de nodige faciliteiten leverde voor kooplui die er langs kwamen. Dat dorp ging dus naar de doortrekvaart heten.

Dat blijkt tenminste uit een oorkonde uit 1064 waarin twee keer het riviertje/kanaal de Thuredrecht genoemd wordt en één keer de plaats van die naam waar net een nieuwe kapel is gebouwd. Alleen… die oorkonde is vals. Maar daar kom ik later op terug.

De dood van de graaf in 1049 in wat later Dordrecht zou heten, werd rond 1120 opgeschreven, omstreeks 70 jaar na dato. Omdat Dirk in de abdij van Egmond werd begraven, kun je er veilig van uitgaan dat de man echt in of bij het riviertje of de gelijknamige nederzetting is gesneuveld. Er kunnen in 1120 nog best monniken in leven zij  geweest die het van hun voorgangers hadden gehoord en de tombe van Dirk IV kon aangewezen worden in de stenen kerk van het klooster. Bij de datum van zijn dood, 13 januari, werd jaarlijks een memoriemis opgedragen om hem te gedenken. Zo bleef de herinnering aan zijn overlijden ook levend en in de hoofden van de monniken aanwezig.

Hoe weten we dat van die graven? (1)

Schrijvers in abdij 1020
Ingehuurde leek schilderend en monnik schrijvend in de abdij van Echternach, ca 1020 – Universitätsbibliothek MS 217, Bremen.

Dat gravenlijstje uit de vorige blog; hoe komen we daar eigenlijk aan? Eenvoudig: ten minste het eerste deel tot omstreeks 1090 hebben de middeleeuwers zelf voor ons opgeschreven. En als de middeleeuwers iets hebben opgeschreven en we kunnen er wat van leren, heet het een bron. Historici werken vooral met bronnen voor ze iets beweren, en dat waren en zijn nog steeds voornamelijk geschreven bronnen. Dus die zijn eeuwen geleden met een ganzeveer met inkt op perkament (en sinds de veertiende eeuw ook steeds meer op papier) geschreven mededelingen, brieven, verhalen, rekeningen, kronieken en oorkonden.  Men zal denken: als de middeleeuwers zelf hebben opgeschreven wat er gebeurde dan zal het ook wel waar zijn. Maar met zo’n gedachte moet je oppassen.

Ook middeleeuwers hadden fantasie en soms niet zulke goede intenties. Of ze waren misschien vergeetachtig of schreven, bijvoorbeeld, een leugentje om bestwil op, om iemand gunstiger af te beelden dan hij/zij was. Dus een historicus moet altijd uitkijken voor hij volledig op zo’n bron afgaat. Het mooiste is als hij bronnen kan vergelijken die over hetzelfde onderwerp gaan. Maar ook dan moet hij voorzichtig zijn. Stel je hebt een kroniek (oftewel een jaartallenlijst met gebeurtenissen die in die jaren plaats vonden) en de kronikeur schrijft daarin over een bepaalde gebeurtenis omdat hij die meegemaakt heeft en de moeite van het herinneren waard vond. Een andere kronikeur, misschien in het buitenland, hoort via via van diezelfde gebeurtenis en schrijft dat ook op in zijn kroniek. Dat hoeft niet hetzelfde resultaat te hebben. De eerste schrijver kan bijvoorbeeld een hekel gehad hebben aan één van de personen over wie het gaat en hem nogal zwart hebben gemaakt. De buitenlander kende die mensen waarschijnlijk niet persoonlijk en wist natuurlijk ook niet dat die eerste kronikeur zo bevooroordeeld was. Hij zou juist heel positief over die man geschreven kunnen hebben. En dan was er een paar honderd jaar daarna een nieuwe kronikeur, die beide verhalen kende, maar besloot om er wat tierelantijnen aan toe te voegen en de negatieve oordelen weg te laten. Of hij had een derde verslag gelezen van iemand die dan wel niet ter plaatse was, maar het net als de buitenlander uit de tweede hand had en oorzaak en gevolgen niet zo goed begreep. Ook dat kon worden toegevoegd, met alle gevolgen van dien. Plus dat er nog vele variaties op dit thema te maken zijn. En daar moet je dan als historicus een soepel lopend en logisch stuk geschiedenis van maken…

monnik schrijvend 1150
Eadwine de monnik werkend aan zijn psalter, ca 1150 – Trinity College, Cambridge.

Bovendien zijn er ook nog bewuste vervalsingen geweest. Dikwijls weten we niet meer waarom iemand de moeite heeft genomen om zo’n vervalsing te maken. Soms is het echter wel duidelijk en blijkt dat er nogal wat redenen geweest kunnen zijn. Een veel voorkomende reden bij middeleeuwse oorkonden zijn claims op bepaalde stukken land. Iemand probeerde te bewijzen dat hij recht had op een gebied, maar de originele uitgifte of schenking was niet meer terug te vinden. Of er nooit geweest omdat die berustte op een mondelinge toestemming. Dan maar een vel perkament genomen en er in een wat ouderwets aandoend lettertype een schenking van een koning of edelman opschrijven. Veel werd dan gebruik gemaakt van echte voorbeelden van zulke oorkonden, het liefst natuurlijk van die bewuste koning, hertog of graaf zelf.

Omdat in de periode voor 1200 vooral in kerkelijke instituten werd geschreven, komen de meeste vervalsingen uit die richting. Hoe de vervalsers dat met hun geloof in overeenstemming brachten is natuurlijk niet bekend, maar de indruk bestaat dat zelfs voor bisschoppen het doel de middelen heiligde. En dat laatste neem ik dan letterlijk. Je vind die vervalsingen dan ook vooral in klooster- of kapittelarchieven en in bisschoppelijke kanselarijen, want de wereldlijke vorsten (behalve de koning in Duitsland) hadden voor 1200 meestal nauwelijks een klerk in dienst. En dan was dat nog een monnik of priester ook.

(wordt vervolgd)