“Dordrecht had de eerste vrouwelijke burgemeester”

stadsrecht 1220

In 2016 heb ik al aandacht besteed aan wat ons in 2020 te wachten staat: Ik was toen al vijf jaar bezig de gemeente, burgemeesters en wethouders en de raad ervan te overtuigen dat het dan toch wel de moeite waard is om aandacht te besteden aan onder andere de reden waarom Dordrecht de oudste stad van Holland is. Daar heeft men hier nogal de mond van vol, maar bij doorvragen blijkt toch meestal wel dat het niet duidelijk is wat men daar onder verstaat en hoe dat zo is gekomen. Het is onder andere de aanleiding geweest om die serie blogs over dat onderwerp op Apud Thuredrech te zetten. Ik ben alleen bang dat de verantwoordelijken – een projectteam, zoals gebruikelijk in de moderne gemeentepolitiek  –  (en natuurlijk Dordrecht Marketing) het weer niet begrepen hebben. Ze hebben vast niet de moeite genomen mijn blog te lezen en de historische achtergrond van de stadsrecht van 1220, die ik in een voor elke leek begrijpelijk stuk aan de wethouder en de ‘stadsintendant’ had gezonden, hebben ze klaarblijkelijk ook niet gesnapt.

Op een open avond in schouwburg Kunstmin op 10 juli 2019 schijnen de nodige bloopers de zaal in te zijn geslingerd. Een verslag erover in Indebuurt kopt namelijk met:

Wist je dat de eerste burgemeester van onze mooie stad een vrouw én een keizerin was?

Gek genoeg weten we wel degelijk wie de eerste burgemeesters van Dordrecht waren, maar dat waren geen vrouwen. Het waren heer Thieleman ver Mathildenzoon en heer Willem Dukinc, die ook in de schepenraad hadden gezeten of er later nog in terechtkwamen, en ze werden in het belastingjaar 1284-85 aangesteld. Ze waren verantwoordelijk voor de openbare werken in de stad en beheerden ook de daarvoor benodigde gelden. Het waren dus nog niet de burgervaders van tegenwoordig die met een ceremoniële zilveren keten om de raadsvergaderingen voorzit en met de wethouders samen B&W vormt. Dat soort bestuurders had je in de middeleeuwen niet en er is ook niemand van nu mee te vergelijken. Schepenen van toen waren niet hetzelfde als wethouders nu, de schout was niet hetzelfde als de commissaris van politie en er was nog geen gemeenteraad, laat staan politieke partijen. De graaf van Holland was de baas over de stad. Hij stelde zelf een vertegenwoordiger aan, de schout, om de boel in de gaten te houden, en hij koos de schepenen uit een door hun collega’s voorgesteld dubbeltal van geschikte, vrije mannen met voldoende middelen om zonder betaling een jaar lang de stad te helpen besturen.

Zegel van keizerin Maria van Leuven, ca 1215.

De bedoelde vrouw, Maria van Leuven (ook van Brabant genoemd, maar dat is in die tijd eigenlijk nog niet correct) trouwde in juli 1220 met de Hollandse graaf Willem I. Zij was inderdaad tussen 1214 en 1218 met keizer Otto IV van het Duitse Rijk getrouwd geweest en kon zich keizerin noemen al was ze nooit gekroond. Ze werd vanaf haar huwelijk samen met hem opgejaagd door zijn vijanden en ze is in dat laatste jaar weduwe geworden. Graaf Willem en zij kenden elkaar al een tijdje en er kan toen een vonk zijn overgesprongen, maar bewijs is daar niet voor. In die tijd was een huwelijk onder vorsten vooral een politieke verbintenis. Het leeftijdsverschil tussen beide was meer dan 20 jaar en het zat erin dat de graaf, die 51-52 was in 1220, zijn 29-30-jarige vrouw verzorgd achter wilde laten in geval van een spoedige dood. Vandaar dat hij haar naast wat heerlijkheden, een hof en de nodige rechten ook de stad Dordrecht als bruidsschat gaf, met de grafelijke inkomsten. Ze kreeg dus de rechten die haar man eerder over Dordrecht uitgeoefend had en trok daar haar inkomsten uit. Met andere woorden: ze werd stadsvrouwe. Burgemeesters waren er dus nog niet en toen die er in 1284 kwamen deden ze heel andere dingen dan moderne burgemeesters. De populaire verwoorde vergelijking is dus fout en eigenlijk te belachelijk voor woorden voor iedereen die een beetje verstand van geschiedenis heeft. Of die mijn blogs heeft gelezen.

Zegel van graaf Dirk VII, ca 1198-1200

Het nog steeds bewaarde, maar zwaar gehavende, stadsrecht van 1220 is waarschijnlijk inderdaad gegeven ter gelegenheid van dat vorstelijke huwelijk. U weet inmiddels echter dat er al minstens twee eerdere setjes keuren aan de stad gegeven waren, waarschijnlijk door de oudere broer van graaf Willem I, graaf Dirk VII die in 1203 overleed. Al voor 1200 stond Dordrecht in wijde omgeving al bekend als stad en had men een eigen schepenraad. Ze hadden een eigen rechtgebied dat los stond van de rest van het landrecht van Holland. Bovendien en boven alles kreeg de stad in 1220 in die nieuwe stadskeur het recht zijn eigen regels of keuren te maken. Dat was in Holland nog nooit vertoond en het zou nog 25 jaar of meer duren voor andere Hollandse steden iets dergelijks kregen. En dan nog: die moesten hun nieuwe keuren toch nog aan de graaf voorleggen en soms waren ze maar een jaar geldig en moesten steeds vernieuwd worden met grafelijke toestemming. Het Dordtse keurrecht moest zelfs door de graaf en zijn schout gerespecteerd worden, tenzij het natuurlijk tegen de grafelijke eigen rechten inging. Bovendien kon een schout die zich niets aan de rechten gelegen liet liggen ontslagen worden.

Het is dus niet het feit dat we in 1220 een setje van 15 artikelen kregen dat we kunnen gaan vieren, maar dat door het krijgen van het keurrecht Dordrecht zijn eerste plaats onder de Hollandse steden innam. En dat dit de groei en bloei van de stad als een handelsemporium, een spil in de commercie tussen Holland en het buitenland, veroorzaakte. Dordrecht werd er het Rotterdam van de 13e en 14e eeuw door. Aan die positie hebben we onze unieke plaats in de geschiedenis van Nederland te danken, ondanks dat we vanaf 1421 overvleugeld werden door Amsterdam. En later door Rotterdam. Ik wilde dat Dordtenaren zich dat eens realiseerden in plaats van dat ze denken dat ze verjaardag van Dordrecht vieren. Of 800 jaar stadsrechten. Of dat het gewoon een leuke aanleiding voor een feestje is. Maar ik zal wel weer tegen windmolens aan het vechten zijn.

Nawoord:

Ik begin een zwaar vermoeden te krijgen dat het vieren van 800 jaar keurrecht in 2020 weinig te maken zal gaan hebben met wat er werkelijk in 1220 gebeurde. Ik heb diverse signalen vanuit de gemeente en organiserende personen en groepen ontvangen die me doen huiveren voor wat er komen gaat. Ik zal hier daarom de komende maanden regelmatig verslag doen van de voorbereidingen voor het feest dat een jaar zal duren en € 1.300.000 mag gaan kosten. Volgens nooit officieel bevestigde berichten heeft de gemeente er echter geen € 10.000 voor over om nu eens een echt, nooit eerder gehouden, onderzoek naar het stadsrecht te laten doen. Dat zegt mij eigenlijk al genoeg. Maar we zullen zien…

Lachen om ons stadsrecht

stadsrecht 1220

Een paar weken geleden woonde ik in mijn alma mater Leiden een symposium bij over de geboorte en groei van het graafschap Holland. De laatste lezing van die dag werd gegeven door professor Rudi van Maanen en zou gaan over de oudste stadsrechten. We zijn hem al eens eerder in een van mijn blogs tegengekomen . Hij herhaalde nog eens dat een stadsrechtverlening geen geboorteacte van een stad was. Maar toen hij over Dordrecht en Geertruidenberg te spreken kwam (waarbij hij de ruzie over wie nou de oudste was nog noemde) vertoonde hij er ook een dia bij van ons oudste stadsrecht-exemplaar. U ziet het hierboven. Er ging een klaterend gelach door de collegezaal met ruim 250 aanwezigen. Ik wist niet wat ik hoorde en voelde me eigenlijk een beetje geïrriteerd: wat dachten die mensen wel! Ik heb alleen al in de eerste week van mijn studie (september 2003) afgeleerd om tijdens een hoorcollege mijn hand op te steken en de professor een vraag te stellen: zoiets  doet men niet!

prof van maanen
Professor Rudi van Maanen.

Nou is een lezing niet echt een college en ik heb het echt wel meegemaakt dat mensen mij tijdens lezingen onderbraken. Dat is dus hinderlijk. Ik heb na dat gelach echter niks van me laten horen. Tijdens het vragenrondje na afloop was het zo druk dat ik me ook toen stil gehouden heb. Zelfs in een kort gesprek tijdens de borrel heb ik het er met Van Maanen niet over gehad. Het was trouwens zijn schuld niet dat de mensen lachten. Ik heb me die avond op weg naar huis wel af zitten vragen waarom er gelachen werd. En eigenlijk vraag ik het me nog steeds af.

Het is natuurlijk een onooglijk ding, ons ‘stadsrecht’: vijf snippers beschreven perkament op een kartonnetje geplakt. Stukken van de tekst zijn verbleekt en de randen lijken wel door de muizen aangevreten. We weten zelfs niet hoe hoog het origineel was want de bovenrand is weg. Het is dat we de heruitgave van 1252 hebben die, op een paar aanvullingen na, letterlijk dezelfde tekst bevat, want anders zou de inhoud ons ook nog eens niks gezegd hebben. We weten zo tenminste wat er kwijt is. Het ziet er inderdaad niet uit. Maar om er nou om te gaan zitten lachen…

Het komt natuurlijk omdat de mensen in de zaal geen idee hadden hoe uniek dat stukje perkament is, ondanks dat er de nodige historici onder hen waren. Zij zijn trouwens de enigen niet. Ook Dordtenaren weten dat niet.  Ik moet het toch maar eens (nog een keer) uitleggen. Weet u, als lezer van dit blog, hoeveel  bronnen in de vorm van oorkonden, brieven, charters, kortom stukken beschreven perkament we voor Holland en Zeeland tussen het vroegst bekende van ca. 700 en 5.2.1222 (de dood van graaf Willem I) kennen?  423. Weet u hoeveel er van dit aantal nog fysiek ergens aanwezig zijn? 147. De rest is alleen bekend van afschriften. Weet u nog hoe dat komt? Juist, omdat ze door geestelijke instellingen als het bisdom Utrecht, kapittels, kloosters en abdijen zorgvuldig bewaard zijn door de eeuwen. Weliswaar zijn er bij die instituten ook wel stukken verdwenen, tot de draad versleten of gewoon verbrand en gestolen, maar ze lagen er relatief veilig. We zullen wel nooit weten hoeveel van die oorkonden er ooit echt geweest zijn.

Dikwijls zijn dergelijke verzamelingen oorkonden  voor men ergens tot de reformatie overging of voor geuzen, Spaanse of Frans-Revolutionaire troepen een klooster in brand staken nog in stedelijke archieven terecht gekomen. Zo worden de archieven van de abdijen van St Pieter en St Baafs, waar we de oudste Hollandse bronnen door kennen, in het Gentse stadsarchief  bewaard en die van de abdijen van Ter Doest en Ten Duinen in dat van Brugge. In Nederland berusten de archieven van de Utrechtse bisschop en de kapittels van de Dom en Oudmunster, van St. Jan, St. Pieter en St. Marie in het Rijksarchief van Utrecht en die van de graven van Holland en de abdijen van Egmond en Rijnsburg in het Nationaal Archief in Den Haag. In Middelburg worden in het in de oorlog zwaar beschadigde Rijksarchief van Zeeland die van de Onze Lieve Vrouwenabdij in die stad, voor zover niet verbrand, bewaard. Maar u moet niet denken dat dat er honderden zijn; het gaan meestal om niet meer dan enkele tientallen voor de genoemde periode.

Weet u hoeveel oorkonden verleend door wereldlijke heersers uit de periode ca 700-1222 die op Holland en Zeeland betrekking hebben zich in stedelijke archieven bevinden? 33. Elf daarvan zijn Duitse steden en betreft het vooral koninklijke of keizerlijke oorkonden. Zes zijn Vlaamse steden en ook daar zijn het koninklijke of grafelijke oorkonden. Dan een stel in Brabant (zeven in Brussel en één in Antwerpen), drie in Italië, één in Luxemburg, één in Parijs en één in Londen. In het huidige Nederland zijn er twee oorkonden gericht aan Utrecht: één door de stad Keulen (24.11.1203) en één van rooms koning Frederik II (19.4.1220). En dan hebben we Dordrecht. U herinnert zich het chartertje door graaf Dirk VII van februari 1200 dat het oudste stuk in het stadsarchief is en dan de in juli 1220 verleende stadskeur van graaf Willem I. Dat beide aan de stad gerichte oorkonden ook echt in het stadsarchief bewaard zijn gebleven mag gerust een klein wondertje genoemd worden. Al is de stadskeur dus zwaar beschadigd.

charter feb 1200
De tekst van het charter van februari 1200 uitgelicht.

Er zijn meer Nederlandse (en ook Hollandse) steden waar oudere stadsrechten vermoed worden. Ze worden soms zelfs genoemd in latere bewerkingen ervan, maar er is niks bewaard gebleven. En dat geldt natuurlijk ook voor het stadsrecht van vóór 1200 voor Dordrecht,  waarvan ik het bestaan heb  proberen te bewijzen. Tenminste… als dergelijke rechten inderdaad op schrift werden gesteld, want ook dat is niet bekend. Soms wordt in het nieuwe stadsrecht vermeld dat het een eerder, wel geschreven exemplaar verving dat intussen zo vervaagd of beschadigd was dat het niet meer te lezen was. Wat ook wat zegt over de bewaarmethoden in middeleeuwse steden. Er werd misschien niet al te voorzichtig mee omgesprongen of er trad beschadiging op door een brand die zegels liet smelten en perkament deed krimpen tot geplooid en gedonkerd leer.

Dat ook zo’n beschadigde stadskeur toch wel van waarde was voor de ontvangers blijkt uit het feit dat het exemplaar van Dordrecht uit 1220 in ieder geval in die vorm (“enkele verschroeide snippers”)  in een laatje van de Ijzeren Kast werd opgeborgen.  Dan bleef het in ieder geval bewaard, nadat er die vermeerderde kopie van was gemaakt in 1252. Bewaard om in de 19e eeuw door de stadssecretaris te worden teruggevonden en herkend te worden voor wat het was. Hoewel Van den Brandeler zich dat waarschijnlijk niet realiseerde, was het het tevens het oudst fysiek bewaard gebleven stadsrecht van Holland. Het volgende, dat van Haarlem, dateert van 25 jaar later; 1245. Dat is trouwens alleen maar te danken aan het feit dat het na een opstand in 1492 in beslag in genomen door de grafelijkheid en in Den Haag goed werd opgeborgen. Wie weet wat er mee was gebeurd als het in Haarlem was gebleven. Net zoiets als het zwaar beschadigde exemplaar van Delft uit 1246 waarschijnlijk.

Er valt dus helemaal niks te lachen om onze wat sjofele stadskeur. En al helemaal niet om het charter van 1200. Andere steden in Holland kunnen niet tippen aan onze oudste archiefstukken; wij hebben ze tenminste nog. En daar mogen we best een beetje chauvinistisch over doen.

De oudste stad van Holland (9)

Iedereen die de voorgaande blogs met aandacht heeft gelezen zal inmiddels tot dezelfde conclusies zijn gekomen als de historici die zich met dit onderwerp bezig houden.

  1. Het bewaard gebleven ‘stadsrecht’ van een dertiende-eeuwse nederzetting hoeft niet het oudste te zijn.
  2. Dat er in het wel bewaard gebleven ‘stadsrecht’ niet aan een eerder exemplaar gerefereerd wordt betekent ook niet dat er geen eerder geweest is. Dat kun je namelijk ook opmaken uit wat er in dat bewaarde stuk geschreven staat.
  3. Het is goed mogelijk dat rechten die in de late twaalfde eeuw aan een plaats gegeven zijn helemaal niet zijn opgeschreven, maar via eden door graaf en burgers live zijn bekrachtigd. Dat lijkt op een cirkel-redenering, en er is ook weinig bewijs voor, maar er bestond in die tijd gewoon bijna nog geen schrijfcultuur. Die was eigenlijk louter voorbehouden aan kloosters en een enkel kerkelijk centrum als de bisschopsstad Utrecht.
  4. Dat het bewaard gebleven ‘stadsrecht’ dus de geboorte-acte van de steden Dordrecht en Geertruidenberg was klopt niet. De verwijzingen erin duiden erop dat beide nederzettingen al eerder een eigen rechtsgebied bezaten.
  5. Dat van Dordrecht moet al van voor 1200 dateren en zal waarschijnlijk door graaf Dirk VII, als stadsheer, ergens kort na 1195 zijn toegestaan, omdat hij zich regelmatig in Dordrecht ophield. Geertruidenberg kan eigenlijk alleen tussen 1206 en 1208 (misschien 1210) zulke eerste rechten hebben verkregen; daarvoor was er geen reden voor. Willem I zal in het gebied dat hij toegewezen kreeg (waarvan hij niet wist dat het voor zo’n korte tijd zou zijn) ook een woonplaats van wat meer status hebben willen stichten. Toen hij zijn graafschap in januari 1213 weer vast in handen had, zal hij die eerste voorrechten hebben uitgebreid om het bestaansrecht als centrale marktplaats te waarborgen.

Dat het toen al een sterkte op de grens met Brabant had moeten worden, zoals Cox en anderen denken, is onwaarschijnlijk. Pas vanaf het eerste kwart van de veertiende eeuw werden een verdedigingswal aangelegd en een kasteel gebouwd. Tot die tijd was het gewoon een klein open wegdorp met een flinke markt gelegen aan een kruising van regionale wegen en omgeven door ontginningen waar zich diverse boerendorpjes bevonden.

Iets dergelijks geldt ook voor Dordrecht. Na de bevestiging van het bezit van de tol van Geervliet in 1195 heeft de graaf het systeem uitgebreid en een kring van tollen aan de grenzen van het graafschap gelegd. Met Dordrecht als middelpunt. Een plaats waar het na de opening van de route naar Vlaanderen ca 1170 logisch werd om met kooplieden van overzee en Duitsland te handelen. Het werd een natuurlijk knooppunt, waar regels nodig waren om de handel in goede banen te leiden, rechten van vreemdelingen moesten worden gerespecteerd en waar misdaad veel gedetailleerder moest worden bestraft dan daarvoor gebruikelijk was. De graaf stelde daarbij ook zijn eisen: hij moest er wel van mee kunnen profiteren. En dat gold zowel financieel als in manschappen voor de verdediging van Holland.

Het stadje werd echter in 1204 zonder meer geplunderd en in brand gestoken door een Utrechts legertje. Dat kan betekenen dat er nog niet echt aan grachten en muren was gedacht.  Het is niet onwaarschijnlijk dat er daarna een gracht en wal om de vroegste nederzetting werd gelegd. Pas in 1271 kreeg Dordrecht echter van de graaf toestemming om een wijder om de stad liggende gracht te graven en daarvoor land te onteigenen. Ook toen zal de verdediging uit niet meer bestaan hebben dan uit een aarden wal, waarop een houten sciltraminghe of schutting,  met enkele poorten met ophaalbruggen op de uitvalswegen. Aan het eind van de dertiende eeuw worden ook enkele torens in die verdediging genoemd. Pas in de veertiende eeuw zijn er onmiskenbare bewijzen voor stenen muren, waaraan tot in de volgende eeuw werd gebouwd. Hendriks denkt dat er misschien aan het eind van de dertiende eeuw is begonnen met de muur, maar het is moeilijk dat te bewijzen. Hij was toch afhankelijk van vermeldingen in latere archiefstukken, waaruit hij door ‘combineren en deduceren’ een tamelijk waarschijnlijke volgorde kon reconstrueren.

Tegelijk houdt dit in dat de zes punten waaraan een plaats moet voldoen om stad genoemd te worden (zoals ik hier heb beschreven), lang niet altijd opgaan voor de vroege steden van Holland en Zeeland. Dordrecht had in 1200-1220 in ieder geval geen muren, al kunnen er wel grachten en misschien aarden wallen geweest zijn.  Voor Geertruidenberg was dat in 1206-1213 ook niet het geval. Dordrecht was echter in 1200 al een handelsplaats waar voor vreemdelingen zaken geregeld moesten worden en waar de broederschap van burgers en de koopliedenhanze werden ingeschakeld bij de verkoop van laken. Dat was in Geertruidenberg duidelijk niet het geval. De boeren en burgers daar mochten week- en jaarmarkten houden en zich zonder hinder naar andere Hollandse markten begeven. Over vreemdelingen en de problemen met internationale handel gaat het in hun voorrechten helemaal niet.

Wat betekent dit nu allemaal? Ten eerste dat het geen kwaad kan om eens opnieuw naar de originele bronnen te kijken. Maar dan wel met de ogen van een mediëvist. U hebt ook gezien dat het opnieuw vertalen van dergelijke originele stukken door deskundige latinisten, die verstand hebben van middeleeuws latijn, kan zorgen voor een andere conclusie over zo’n oeroud stuk perkament.

Ten tweede kan het vergelijken van de inhoud van de diverse nog bestaande of nog bekende ‘stadsrechten’ wel eens voor verrassende inzichten zorgen. Om te beginnen met de vergelijking  tussen de stadsrechten van Dordrecht en Geertruidenberg, waar al zoveel over te doen is geweest.

stadsrecht 1220
De resten van het Dordtse ‘stadsrecht’ van 1220.

Wat zelfs Joost Cox niet is opgevallen (hij vermeldde het in ieder geval niet als iets aparts) is dat de Dordtse en Bergse ‘stadsrechten’ in vergelijking met andere Hollandse en Zeeuwse stadsrechtverleningen wel heel erg kort zijn. De meeste andere zijn allemaal veel langer. Middelburg in 1254 (gedeeltelijk teruggaande op 1217) bevat 51 artikelen en de daarvan afgeleide stadsrechten van Westkapelle en Domburg (beide 1223) respectievelijk 50 en 49. Haarlem in 1245 telt er 69 en die van Delft (1246) en Alkmaar (1254) die daar weer van zijn afgeleid respectievelijk 62 en 70. Zierikzee uit 1248 heeft er 62. Later in de eeuw hebben Beverwijk (1298) en Medemblik (1289) er beide 71. Daarentegen hebben de steden die al eerder bestonden of al eerder een stadsrecht hadden gekregen dat niet bewaard is gebleven er een stuk minder: Vlaardingen met 14, Staveren 30, Schiedam 24 en Leiden 20. Het kleine plaatsje ’s-Gravenzande, dat nooit tot een echte stad uitgroeide, had er ook 20, alsof men al vermoedde dat het zo zou gaan. En Dordrecht dus 15 en Geertruidenberg 16. Overigens tellen de stadsrechten die in de veertiende eeuw aan toen pas echt doorbrekende stedelijke nederzettingen werden gegeven ook zo tussen de 60 en 80 artikelen.

Dat het samengestelde ervan niemand is opgevallen, en dat daar geen conclusies uit zijn getrokken kan ik niet anders omschrijven als slordig. Dat verder een deskundige als Cox niet heeft gezien dat uit het privilege van 1200 en het Dordtse ‘stadsrecht‘ van 1220 blijkt dat de schepenen al in hun eigen rechtsgebied als wetgevers en rechters functioneerden is gewoon nalatig.

gezicht geertruidenberg 1625
Gezicht op Geertruidenberg vanaf het noorden, vóór 1625 (gravure Daniel Meisner en Eberhard Kieser uit ‘Thesaurus philopoliticus’ uitgegeven in Frankfurt am Main)

In Geertruidenberg zullen schepenen voor 1213 ook bepaalde bevoegdheden hebben gehad, maar uit het document van dat jaar blijkt nergens dat ze keurrecht hadden. Floris V voegt dat in 1275 er ook niet aan toe en het komt ook verder nergens in de bronnen aan de orde. Nou zeggen bronnen ook niet alles (zeker niet als ze ontbreken…), maar als er in Geertruidenberg ook in de veertiende eeuw niet over keurrecht wordt gesproken is het wel duidelijk dat het of niet nodig was of niet nodig gevonden werd en in Dordrecht in 1220 wel. Dat duidt wel op een opvallend verschil in belangrijkheid.

Alles bij elkaar hoop ik dat het in de afgelopen blogs duidelijk is geworden dat Dordrecht in 1200, behalve de verdedigingsgordel, al alle kenmerken van een handelsstad vertoonde. Hoeveel mensen er woonden is niet bij benadering te berekenen, maar er werd laken verhandeld en werd in 1204 wijn en graan in het groot opgeslagen. Er zal nog best wat geboerd zijn in de stad (al kenden de Dordtenaren niet de regel dat de inwoners bij zaaien, ploegen en oogsten een bepaalde tijd buiten de stad mochten verblijven) maar het was voornamelijk een stad van handel en nijverheid, met al vroeg bakstenen pakhuizen en werkplaatsen. Sarfatij heeft daar tijdens opgravingen het nodige van teruggevonden. Of de bebouwing dicht was en of de stad door de omgeving als centrum van de streek werd beschouwd is alleen maar uit circumstantial evidence te halen, maar dat het een eigen vrijheid, een rechtsgebied, kende en dat men er sinds 1220 zelf wetten maakte is zeker.

Ook bij Geertruidenberg kan niet berekend worden hoeveel mensen er in 1213 woonden en hoe dicht de bebouwing was, maar dat het een marktplaats voor de (wijde) omgeving was is duidelijk. Dat er internationale handel plaats vond is onwaarschijnlijk. Het zal ook nog lang de aanblik van een landelijk dorp hebben gehouden. Men had schepenen en die vonnisten bij overtredingen en de burgers moesten de graaf bij zijn beden en krijgstochten ter wille zijn, dus er waren zeker stedelijke kenmerken, maar die kunnen pas na 1206 zijn ontstaan.

Dordrecht is dus de oudste stad van Holland en Geertruidenberg niet. Het is zelfs waarschijnlijk dat andere Hollandse steden nog voor Geertruidenberg  stedelijke rechten hebben gekregen en dat het dus zelfs niet de tweede stad van Holland was. Maar dat is een ander verhaal…

De oudste stad van Holland (8)

Is u, behalve dat ik het in de derde alinea in het vorige blog al aankondigde,  in het voorgaande iets opgevallen? Ik heb enkele termen gebruikt die vertaald waren uit het originele latijn. Daar staat bijvoorbeeld in dat Geertruidenberg een op(p)idum is, dat er op(p)idani, dus burgers of poorters, wonen en dat er scabini, dus schepenen, zetelen. Bovendien word met zoveel woorden gezegd dat die recht spraken: per sententiam scabinatus, oftewel bij vonnis van schepenen. Dat betekent dus dat Geertruidenberg, net als Dordrecht, eerder stad was dan wordt aangenomen. Daaraan alleen al kun je zien dat de (bewaard gebleven) documenten van 1213 en 1220 nooit de stichtingsoorkonden van de beide steden geweest kunnen zijn. Er zijn dus, zoals gezegd, al eerder bepaalde rechten aan die plaatsen gegeven, die hen tot steden met hun eigen vrijheid maakten. Alleen… die documenten zijn niet bewaard gebleven, als ze al in schriftelijke  vorm hebben bestaan.

Het is natuurlijk wel moeilijk om te bepalen wanneer ze die rechten kregen, want daar is niks meer over terug te vinden. Daarom moet je, als historicus, op zoek naar mogelijke historische aanleidingen voor die verlening. Dat is niet makkelijk, want er is gewoon heel weinig aan bronnen aanwezig over de streek in die periode. Net als Dordrecht bestond Geertruidenberg al ver voor 1213. Er zou al in de tweede helft van de tiende eeuw over de plaats geschreven zijn, maar de bronnen die dat zeggen waren al jaren geleden verdacht. Pas zeer recent, dit jaar 2016, heeft Bas Aarts met zeer goede argumenten de bewuste oorkonden voorgoed als vals verklaard. Ze dateren uit de periode rond 1600 toen er veel moeite werd gedaan om de Nassaus, de voorouders van ons huidige koningshuis, een claim op dit gebied te geven.

geertruid
St Geertruid, maar de abdij van Nijvel, die zij stichtte, heeft hier nooit bezit gehad (collectie Huis Bergh).

De naam kwam in de tiende eeuw nog lang niet voor. Het is ook nog steeds onbekend waarom ene Sint Geertruid als kerkpatroon werd gekozen. Het jaar 1213 is overigens pas de eerste keer dat de naam in een tekst gebruikt wordt. En die is, zoals we hebben gezien, alleen maar bekend via overlevering uit de veertiende eeuw.

De vraag blijft waarom de stad dan al vóór 1213 stedelijke rechten kreeg. Graaf Willem I (1168-1222, graaf vanaf 1208) moet daarvoor wel wat met Geertruidenberg gehad hebben. En dat is inderdaad te reconstrueren. In het kader van de Loonse Oorlog (1204-1206, ik kom daar later nog wel eens op terug) heeft hij op een bepaald moment moeten  accepteren dat hij voorlopig geen opvolger van zijn broer Dirk VII kon worden. Hij moest na een verloren strijd namelijk toegeven dat een Limburgse edelman, Lodewijk van Loon, die met zijn nichtje Ada was getrouwd, in Holland zou opvolgen. Dat gebeurde in oktober 1206 toen er een verdrag werd gesloten door de beide partijen. De markgraaf van Namen, die zijn broer, de graaf van Vlaanderen, verving,  en de hertog van Brabant bemiddelden tussen Lodewijk en Willem. De laatste moest het grootste deel van Holland aan Lodewijk laten, maar kreeg zelf een uitkering uit de tol van Geervliet en “al het land dat zich van de Maas tot Vlaanderen uitstrekt”.  Oftewel  het zuidelijke deel van de latere Grote Waard, inclusief Geertruidenberg, en Zeeland Beöosten Schelde min wat kleinere eilanden. Dat laatste was wat nu Schouwen-Duiveland (waar Zierikzee al lag), Tholen en St Philipsland zijn. Vergeleken met Holland was dit maar een klein gebiedje.

kaart willems deel
Kaart van het Hollands-Zeeuws-Brabants-Vlaams grensgebied met de lenen van Willem en het deel dat Lodewijk van Brabant had.

Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland plus wat kleinere eilanden waren een Vlaams leen dat samen door de beide graven werd geregeerd. Het werd Zeeland Bewesten Schelde genoemd. Dat kreeg Willem dus niet, want dat was Vlaanderen. We moeten echter niet vergeten dat het Zuid-Hollandse gedeelte sinds eind 1200 een leen van Brabant was. Misschien heeft de hertog  als bemiddelaar Willem, die toen alleen maar dominus of heer genoemd werd, hem een stuk van het leen van Dirk VII teruggeven. De hertog, Hendrik I, en Willem waren in die periode goed bevriend. Hendrik had in 1198 ook het land van Breda van de heer die daar de baas was ontvangen en die had het, net als de graaf van Holland, in leen teruggekregen. Brabant strekte zich nu uit tot aan de Merwede. Lodewijk was dus leenman van Brabant voor het gedeelte boven de Maas, inclusief het in 1204 verwoeste Dordrecht, en Willem voor het deel ten zuiden ervan.

OttoIVgoudenbul
Gouden bul (zegel) van keizer Otto IV.

Korteweg had het moeilijk met het bepalen van de bezitter van Geertruidenberg voor 1213. In wezen is dat niet zo ingewikkeld. Tot eind 1200 was het Hollands, daarna van Brabant en het werd door de graaf van Holland als leen bestuurd. Hij kon daar als leenman gewoon voorrechten blijven geven. Na de dood van graaf Dirk VII is het enige tijd betwist gebied geweest (1204-1206), maar na oktober was het leen van Willem en kon hij, net als zijn broer, daar voorrechten verlenen. In 1208 wordt hij door de Engelse koning weer graaf genoemd en zal dus Holland weer terug hebben gekregen. Lodewijk van Loon wordt na dat jaar ook niet meer genoemd. Geleerden denken echter wel dat het nog tot 1210 duurde voor Willem weer overal in Holland vaste voet aan de grond had. Ik zie daar weinig bewijs voor. Of Lodewijk veel invloed in Holland heeft gehad tussen 1206 en 1208 is trouwens de vraag. In ieder geval kreeg Willem I in januari 1213 van keizer Otto IV het hele graafschap Holland weer in bezit als rijksleen en hij was dan dus ook geen leenman van Brabant meer. Het feit dat hertog Hendrik inmiddels van de keizerlijke naar de tegenpartij was overgelopen zal daar niet vreemd aan zijn geweest.

Uit de tijd vóór 1204 is er geen enkele bron over Geertruidenberg bekend. Dirk VII lijkt zich niet met dit gebied bemoeid te hebben. Na 1206 moeten er voor Willem weinig vestigingen van allure in zijn deel van het graafschap zijn overgebleven. Zierikzee was een plaatsje in opkomst, dat hem tijdens de Loonse Oorlog ook had gesteund, maar Geertruidenberg zal niet meer dan een dorp langs de weg van Dordrecht naar Breda zijn geweest, waar de weg naar Den Bosch op aansloot. Zo zal het een streekfunctie hebben gehad en was het de logische plaats om een veemarkt voor de boeren in de omgeving te houden.

Misschien was Willem de nederzetting ter wille en heeft hij hem tussen eind 1206 en 1208 (of 1210?) zekere rechten gegeven,  waardoor ze een eigen vrijheid kregen en schepenen die er, naast de schout, recht mochten spreken. Ze mochten zeker niet zelf maken. Het was waarschijnlijk nog erg klein, zeker niet omgracht en omwald en er waren klaarblijkelijk nog geen ambachtslieden behalve de meest noodzakelijke gevestigd. Laat staan dat er internationale handel was. Die eerste rechten zullen niet meer hebben bevat dan het regelen van de schepenbank en de bevoegdheden van de schepenen, plus een serie boetes voor overtredingen. In 1213 werden daar, zoals we zagen, erfrechten en marktrechten aan toegevoegd, plus de nodige verplichtingen aan de graaf. Die gingen duidelijk minder ver dan die van Dordrecht. Het blijkt ook duidelijk dat het stadje veel kleiner was en zeker geen stadslegertje kon leveren zoals andere Hollandse steden dat konden.

Een niet erg betrouwbare tekening van het kasteel van Geertruidenberg zoals het er in 1417 uitgezien zou hebben (kunstenaar onbekend).
Een niet erg betrouwbare tekening van het kasteel van Geertruidenberg zoals het er in 1417 uitgezien zou hebben (kunstenaar onbekend).

Graaf Willem I zag misschien de mogelijke groei tot een grensvesting al wel voor zich, maar het heeft nog ruim 100 jaar geduurd voor het zover was. Tot die tijd bleef het een wegdorp met een brede veemarkt aan een wegkruising gelegen op een zandbult in het veen, de berg. En die werd weer bekroond door een tufstenen kerkje van ongeveer 24 x 10 m groot met een aangebouwd kapelletje. Pas in de veertiende eeuw zou de kerk verder uitgebreid worden, zou het stadje ommuurd worden en in de hoek van ommuring een burcht krijgen. Die hield het tot het begin van de zestiende eeuw uit en was toen zo vervallen dat hij opgeruimd werd.

In ieder geval hebben de toestemming voor het houden van drie jaarmarkten (plus een vierde na 1275) en de verplichting tot het kopen en verkopen van vee op de weekmarkt  ervoor gezorgd dat Geertruidenberg het middelpunt werd van de boerensamenleving van de zuidelijke Grote Waard en waarschijnlijk een stuk Brabant. Een dynamische samenleving was het waarschijnlijk niet; meer een slaperig marktstadje, dat vier keer per jaar wat meer reuring meemaakte. Dat ze tolvrij naar andere Hollandse markten mochten reizen is daarbij niet bepaald een teken van grote handelsbewegingen, maar een voorbeeld van vrij verkeer binnen het graafschap. Zoals dat ook aan andere steden werd verleend.

(Wordt vervolgd)

De oudste stad van Holland (7)

Dit wordt een beetje saai en lang stuk, want ik heb er niet veel plaatjes bij. Voor Dordtenaren, maar zeker voor Bergers, is het belangrijk om de vergelijking tussen de beide ‘stadsrechten’  eens te kunnen maken. Het wordt namelijk tijd dat we aandacht gaan besteden aan de inhoud van wat de Bergers als hun ‘stadsrecht’ beschouwen. Dat doen ze trouwens nog niet zo lang. Pas in een artikel in een regionaal weekblad, De Dongebode, in januari 1931 stelde de schrijver, ene G. Offermans, de vraag hoe oud de stadsrechten waren en kwam uit op 1213. Hij baseerde zich op Van Mieris, die we hier eerder zijn tegengekomen  en die al in 1753 het stadsrecht van 1213 in zijn Groot Charterboek had opgenomen en ook nog had vertaald. Volgende geschiedschrijvers over Geertruidenberg in de achttiende en negentiende eeuw hadden daar helemaal geen aandacht aan geschonken.  De publicatie uit 1931 was de oorzaak dat in 1938 voor het eerst een jubileum, het 725-jarig bestaan van de stad, werd gevierd. Inmiddels was in 1921 door Oppermann, die we ook al eerder zijn tegengekomen grote twijfel geuit over de echtheid van de oorkonde uit 1213. Hij vermoedde dat die pas in 1275 was opgesteld. In deze door graaf Floris V gegeven heruitgave wordt inderdaad verwezen naar een eerdere oorkonde, uitgegeven door Willem, die graaf van Holland was geweest, maar er wordt niet gezegd in welk jaar dat was. Gelukkig was er dat afschrift uit 1324 dat duidelijk maakte dat hij wel degelijk in 1213 was uitgegeven. Van Mieris heeft de oorkonde uit 1275 trouwens niet opgenomen.

afschrift 1324
Het afschrift uit 1324, genomen uit het boek Geertruidenberg Hollands oudste stad van Bas Zijlmans (NA Den Haag inv. nr. 289)

Oppermann’s twijfels waren dus niemand in Geertruidenberg opgevallen, tot K.N. Korteweg in 1946 in een publicatie in de tijdschriftenreeks met de ellenlange naam Verslagen en mededelingen der vereeniging tot uitgaaf der bronnen van het oud-vaderlandsch recht aan de slag ging om zijn ongelijk aan te tonen. Korteweg was jurist en heeft enkele rechtshistorische studies over deze streek in Noord-Brabant geschreven en over middeleeuws recht gepubliceerd. Hij heeft in het tijdschrift met de lange naam geprobeerd het stadsrecht van 1213 in zijn tijd te plaatsen en de twijfels van Oppermann weg te nemen. Die was trouwens in een later artikel uit 1923 al een beetje teruggekomen van zijn beschuldigingen. Het is niet te doen de argumenten van Korteweg hier te herhalen; het is een artikel van niet minder dan 67 pagina’s. Voor zover ik als historicus het juridisch-technische jargon kan volgen is hij er wel van overtuigd dat het stadsrecht echt zo oud is. Koch, in het eerste deel van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland uit 1970, denkt dat ook en dat is goed genoeg voor mij.

Bas Zijlmans, de lokale historicus van Geertruidenberg, was in 1978 in zijn boek Hollands oudste stad de eerste die lokaal aandacht aan het stadsrecht schonk. Dat herhaalde hij nog eens in een flink artikel in het tijdschrift van de lokale historische vereniging In de Hollantsche Tuyn van 1988. Ook dat was ter gelegenheid van het stadsjubileum, nu dat van 775 jaar. Hij ving zijn stuk aan met een beschrijving die de Geertruidenbergers van nu inmiddels vergeten lijken te zijn:  “Uit het verkregen stadsrecht van 1213 blijkt dat de nederzetting voordien al een aantal voorrechten ontvangen heeft”.  Ik heb er daar sinds 2011 tenminste niemand over gehoord. Ook Cox heeft het er in zijn proefschrift uit 2011 niet over.

zegel fordwich
Een afdruk van het zegel van Fordwich (UK) van omstreeks 1200, waarop je een handels- een oorlogsschip uit die tijd ziet. Het heeft nog veel weg van de vikingschepen.

Wat kreeg Geertruidenberg dan in 1213 gepresenteerd? Ten eerste een stel grafelijke eisen. Ze waren verplicht met de graaf op heervaart of krijgstocht te gaan, waarschijnlijk met een schip, maar dat hoefde maar gedurende de tijd van “eenmaal het opkomen van eb en vloed” oftwel twaalf uren varen (artikel 2). Dat is dus niet bepaald lang. Al kun je in die tijd best een eind zeilen, maar of het dan ook over de terugreis ging blijkt hier niet uit. Daarentegen moesten ze wel altijd klaar staan om het land te verdedigen oftwel meedoen met de landweer. De stedelingen moesten ook bijdragen in bepaalde beden oftewel betalingen aan de graaf als hij naar de keizer moest (en daarvoor de brug van Maastricht moest passeren, dus serieus onderweg was), als hij in een oorlog gevangen werd genomen (voor het losgeld), zijn zoon tot ridder werd geslagen of zijn dochter huwde (3). Dat kostte hen telkens 100 schellingen, oftewel 5 ponden Hollands geld. Aan andere beden hoefden ze niet bij te dragen. Verder moest elk huis dat zich binnen de vrijheid van de stad (!) bevond jaarlijks op het feest van St Lambertus (17 september) aan de graaf 6 penningen betalen (11). Behalve als er een schepen, in functie, in woonde. En als laatste grafelijk recht was er de bepaling dat van elke boete de graaf twee derde zou krijgen en de stad een derde (14). Dit laatste is het enige artikel dat met het ‘stadsrecht’ van Dordrecht uit 1220 overeen komt, en dat zou ons al wat moeten zeggen…

Voor de burgers zelf werd wat erfrecht geregeld. De erfenis van poorters, van welke stand ook, moest bij de erfgenamen in rechte lijn terecht komen (1). Korteweg zag hier ook het vrij worden van horigen in, dus iets dergelijks als in Dordrecht, maar dan met een omweg. Ik vind dat nogal twijfelachtig. Maar als er iemand overleed en niemand eiste zijn goederen als erfenis op, zou die na een jaar en een dag aan een betrouwbaar man worden toevertrouwd en later, na schepenvonnis, verhuurd worden (12).

Het belangrijkste dat Geertruidenberg echter ontving was het recht om drie jaarmarkten per jaar te houden: op 3 juli, op 17 september (St Lambertusdag) en op 20 oktober (5) (in 1275 kwam er nog een vierde bij). Daar hoorden een serie tarieven bij. Voor lastwagens moest als markttol 4 penningen betaald worden, voor wagens met hout 1 penning, voor schepen met een staand roer 16 penningen, voor schepen met een sleeproer 4 penningen en voor die met een handroer 2 penningen (8). Het gebruik of plaatsen van een kraam kostte 4 penningen, een handelstent 2 en een tafel (of disch) 1 penning en het gebruik van de vleesbank kostte 2 penningen (9). Verder moesten handelaren van paarden en vee voor elk dier 2 penningen betalen en de koper ook, voor schapen en varkens  bedroeg  het 1 penning. Tolgeld voor groot vee, paarden en koeien dus, bedroeg 1 penningen en per vier varkens of schapen betaalde men ook een penning. En dan was er nog de begeleidingsbeslasting voor de last of bagage van een paard: 1 penning (10). Ook mochten van handelaren die geen juiste maten of behoorlijke gewichten gebruikten 10 schellingen (120 penningen) boete eisen (7).

In geen enkel vroeg stadsrecht in Nederland komt het verlenen van jaarmarkten voor. De vraag is daarom waarom Geertruidenberg dat recht kreeg. Korteweg heeft al aangeduid dat jaarmarkten meestal oeroud zijn en zo goed als nooit later nog eens verleend werden. Ze waren, en zijn nog dikwijls, vooral in dorpen gebruikelijk. In Holland bijvoorbeeld Voorburg of Alblasserdam.  Hier krijgt een stadje dat recht, waarschijnlijk omdat het al een streekfunctie had en dat het bevorderen van de ‘marktdwang’ het economisch belangrijker kon maken.

paardenmarkt
Paardenmarkt te Alblasserdam die al sinds de middeleeuwen op dezelfde plaats wordt gehouden (fotograaf onbekend)

Niet alleen de jaarmarkten werden geregeld, ook de weekmarkt. Mensen in het graafschap die levende dieren (behalve vis) wilden kopen of verkopen moesten dat op de Bergse weekmarkt doen. En dat gold ook voor lieden van buiten het graafschap (Brabanders dus). Ze mochten geen vee door de stad leiden zonder het op de markt te brengen. De boete was niet mis: 100 schellingen of 5 pond. Al denkt Korteweg dat dit een verschrijving is voor 10 schellingen (of een half pond = 120 penningen). Twee derde daarvan komt weer aan de graaf en een derde moet “ten behoeve van de stad gebruikt worden” (6). Het lijkt erop dat met name op de weekmarkt vee wordt verhandeld, hoewel dat in andere plaatsen meestal op jaarmarkten gebeurd.

Ook belangrijk op economisch gebied was dat Geertruidenbergers die hun waren naar een andere Hollandse markt wilden gaan daar vrij in waren (16). Bovendien hoefden ze op jaarmarkten in Holland, noch daarbuiten, markttol te betalen (4). Wat ‘daarbuiten’ inhield wordt meestal geïnterpreteerd als dat ze geen tol bij de andere Hollandse tollen, de riviertollen dus, hoefden te betalen, maar dat wordt niet duidelijk gezegd. Die bewuste tollen waren trouwens vooral bedoeld voor ‘buitenlandse’ kooplieden die Holland binnenkwamen, niet voor de Hollanders zelf. Die moesten zelf natuurlijk wel tol betalen als ze buiten de landsgrenzen kwamen in de aangrenzende gebieden als Vlaanderen, Brabant, Gelre en Utrecht. Tolvrijdommen voor de Hollandse tollen werden bij uitzondering (en dikwijls maar gedeeltelijk) door de graven gegeven aan bepaalde ‘buitenlandse’ steden, kloosters en bijvoorbeeld militaire ridderorden zoals die van het Duitse Huis te Utrecht.

Wat ook geregeld werd is dat de kooplieden uit ’s-Hertogenbosch op de jaarmarkten van Geertruidenberg die tol ook niet hoefden te betalen (15). Omgekeerd hoefde dat ook niet, maar dat is natuurlijk wel vreemd, want hoe kan de Hollandse graaf dat voor de Brabantse hertog, die in Den Bosch de baas was, beslissen? Nu hadden ze dat bij het overdragen van het leen Zuid-Holland aan Brabant in 1200 wel onder elkaar afgesproken.  Maar het is wel raar dat Willem, nadat hij in januari 1213 weer in het onbetwist bezit van Holland en Zeeland was gekomen dit zomaar kon toestaan. Ook Korteweg was hier nogal verbaasd over. Hij denkt ook dat dat in Brabant niet bekend was, en schrijft dat Geertruidenberg dat in de zestiende eeuw lijkt te zijn vergeten. De bewijzen hiervoor zijn echter nogal vaag.

drimmelen standhazen
Gezicht in Drimmelen. Dat dorp en Standhazen vormden oorspronkelijk één ambacht. Het oorspronkelijke Standhazen is in de St. Elisabethsvloed ten onder gegaan (fotograaf onbekend, maar te vinden op https://renrnatuurlijk.blogspot.nl/p/over-dit-weblog.html)

Als laatste krijgt Geertruidenberg van de graaf enkele stukken land in de omgeving van de stad voor eigen gebruik, een zogenaamde gemeynt (13). Het gaat om het bos tussen Oosterhout en Steelhoven, nu een industriegebied, en het veen tussen Steelhoven en Standhazen. Dat lag ten noorden van het bos, net buiten de stad in de richting van de Maas en was misschien nog niet lang geleden ontgonnen. Het kon als stadsweide gebruikt worden. Zo’n gift was niet ongewoon in Brabant, zodat Korteweg dit, en enkele andere artikelen, een voorbeeld vond van Brabantse invloed op een Hollands stadsrecht. Het is mogelijk, want in andere Hollandse stadsrechten zie je dit niet voorkomen.

(Wordt vervolgd)

De oudste stad van Holland (6)

stadsrecht 1220

Dr. Joost Cox heeft in zijn proefschrift uit 2011 alle nog bestaande stadsrechten van Holland en Zeeland tussen 1213 en 1484 – en dat zijn er 60 – behandeld. Hij heeft ze netjes op alfabet van de stadsnaam gezet en de originele Latijnse of Middelnederlandse tekst met nieuwe vertalingen in modern Nederlands gepubliceerd. Dat alles voorafgegaan door een gedegen inleiding en vraagstelling, gevolgd door een stevige analyse en conclusie. Voor de geïnteresseerde is het hier te vinden.

omslag hebbende
Omslag van het proefschrift ‘Hebbende privilege van stede’.

U zult inmiddels wel begrepen hebben dat ik, wat Dordrecht betreft, niet heel gelukkig ben met enkele van die conclusies en soms ook niet met de analyses van deze stadsrechten. Maar ook de verschillen tussen die korte stadsrechtjes van Dordrecht en Geertruidenberg (en andere) en de lange van de meeste andere steden komen nauwelijks aan bod. Het gaat een beetje te ver om dat in dit blog wel te doen, maar ik wil tenminste een indruk geven van wat er nu eigenlijk in het stadsrecht van 1220 staat en hoe dat te vergelijken is met al die andere stadsrechten.

Ik heb al eerder geschreven dat de tekst (zie boven) is onder te verdelen in 15 artikelen. Zes daarvan hebben betrekking op strafrecht. Het zijn boetes (en dat zijn hoge bedragen) voor mensen die iemand een kaakslag geven (5), neerslaan (4), tot bloedens toe verwonden (3) of zwaar verwonden (2) en voor iemand die aan andermans huis aanvalt (6). Tegelijk wordt voor sommige daarvan de compensaties voor de slachtoffers geregeld. Verder bepaalt de graaf dat een derde van de opbrengst van alle boetens aan de burgers (de stad dus) ten goede zal komen en tweederde aan hem moet worden afgestaan (7); dat is dus een grafelijk recht.

Dan zijn er drie artikelen die over de rechten van vreemdelingen gaan: afspraken over het betalen van aan burgers door vreemdelingen toevertrouwde goederen (en andersom) die op tijd betaald moeten worden, want anders wordt de wanbetaler gegijzeld (9), vreemdelingen die in Dordrecht recht zoekt worden volgens hun eigen recht behandeld, zoals al langer gebruikelijk was (!) (13) en dat vreemdelingen onder elkaar geen duels mogen aangaan (maar gewone burgers ook niet!) en zo vetes veroorzaken. Dat wil zeggen: behalve als het om schepenen, raden (meestal ex-schepenen) of eigenerfden (de oorspronkelijke grondbezitters in Dordrecht) gaat (11). Staaltje van klassenjustitie dus. Maar intussen gaat het hier om vreemdelingen van verder weg dan de buren op het platteland van bijvoorbeeld Zeeland, zoals die in het stadsrecht van Middelburg voorkomen. Het zijn typisch bepalingen die wijzen op een (drukke) handelsstad.

fecamp horigen
Boeren op het land ca 1180 (Fécamp Psalter (Normandië), KB Den Haag 76, f. 13).
.

Verder is er het bijzondere artikel (10) dat bepaalt dat een horige of onvrij persoon die een jaar en een dag in de stad woont en in die tijd niet door zijn heer wordt opgeëist daarna een vrij man is. Het is het vroegst bewaard gebleven bewijs dat zulke vrijmakingen in Nederland ook voorkwamen.

De graaf stelt ook eisen aan de burgers: als hij en zijn vrouw Dordrecht bezoeken, moeten ze veertien dagen op krediet door de stad onderhouden worden, maar de kredietgevers zullen op den duur wel door de graaf terugbetaald worden (14). Hij sluit af met de bepaling dat deze voorrechten gegeven zijn op voorwaarde dat de stad hem elk jaar 60 pond Hollands zal betalen (15). Ook dit zijn dus grafelijke en geen stedelijke rechten, in het kader: voor wat, hoort wat.

In het eerste artikel al geeft de graaf dat hij het keurrecht aan de stad heeft verleend en dat iedereen, hijzelf incluis, zich moet houden aan wat schout, schepenen en raadslieden van Dordrecht als recht bepaald hebben (1). Tenzij die natuurlijk tegen de grafelijke rechten ingaan, maar daar zag de schout als het goed was op toe. Realiseert u zich wat daar staat? De schepenraad, onder toezicht van de grafelijke vertegenwoordiger, de schout, en de daaraan toegevoegde raadslieden (meestal oud-schepenen)  krijgen het recht om zelf regels (op den duur keuren genoemd) op te stellen en hoeven niet langer te wachten tot de graaf die vaststelt.

Bovendien maakt de graaf duidelijk dat hij geen afwijking van die regels duldt, ook niet van zijn vertegenwoordiger. Hij stelt namelijk dat de schout geen beslag op goederen mag leggen als hij daar geen toestemming van de schepenen voor heeft (12). Dat kan je natuurlijk niet hebben in een handelsstad; daar krijg je een slechte naam door en bij internationale handel is reputatie alles. En als het toch gebeurt belooft de graaf dat hij een schout die door burgers en vreemdelingen ‘nutteloos’ (inutilis) wordt gevonden zal vervangen door “een goede en nuttige” persoon (8). Zoiets kom je niet veel tegen in deze periode van de middeleeuwen: een hoge edelman, een graaf, die toegeeft dat hij niet altijd de juiste keuze maakt bij het aanwijzen van schouten.

Dit alles duidt erop dat de schepenen en raden in eigen huis een behoorlijke macht hebben. Ze mogen dan wel niet het jaarlijkse bedrag dat ze aan de graaf moeten betalen halveren, of hem een derde in plaats van twee derde van de boeten sturen, of hem maar een week onderhouden in plaats van veertien dagen, maar verder zijn zij verantwoordelijk voor de juridische gang van zaken in de stad.

In artikel 13 staat trouwens dat de schepenen in 1220 hetzelfde recht hanteren als hun voorgangers gewend waren te doen. Ook dat duidt erop dat de stad al een tijd zijn eigen rechtspraak doet. En dat is logisch, want als je geen schepenen hebt kun je niet rechtspreken en als er geen rechten zijn die je moet handhaven heb je geen schepenen nodig. Een stad is een rechtsgebied. In 1200 wordt dat inderdaad door de graaf van destijds genoemd en dan zijn die schepenen er al.

De enige conclusie die hieruit te trekken valt is dat in 1200 Dordrecht al enige tijd een echte juridisch functionerende stad is en voor die tijd al zekere rechten met betrekking tot de handel en de rechten van vreemdelingen en de strafmaatregelen voor hen die de openbare orde verstoorden ontvangen moet hebben. Anders zouden er in die tijd geen broederschap van burgers geweest kunnen zijn, want voor zoiets heb je ook grafelijke toestemming nodig. En ook geen hanze van kooplui. Helaas zijn die eerdere rechten niet bewaard gebleven, of misschien zelfs niet in een oorkonde vastgelegd. Het privilege van februari 1200 is een toevoeging op die rechten, want zoiets regelen als wie laken mocht verkopen bleek toen pas in de praktijk nodig; dat was daarvoor niet bedacht of nodig geweest. Waaruit je weer zou kunnen opmaken dat tot voor kort de Vlamingen zelf hun lakens sneden en verkochten, maar dat er inmiddels ook Dordtse kooplieden waren die dat konden en wilden.

De overdracht van de heerschappij over de stad aan zijn vrouw kan Willem I ertoe gebracht hebben (op verzoek van de burgers?) nog wat zaken te bevestigen en een belangrijke zaak  toe te voegen: het keurrecht. Het vermelden van het grafelijk aandeel in de boeten, de prijs voor het verlenen van rechten en het onderhoud van de graaf en zijn gevolg als ze in Dordrecht zijn, zouden bijvoorbeeld verhogingen van eerdere bedragen en percentages kunnen zijn. Die invrijheidsstelling van horigen na een jaar en een dag lijkt iets dat misschien van elders komt en dat de graaf op zijn vele reizen was tegengekomen, maar dat is niet te bewijzen. Het blijft echter een korte stadskeur, als je het vergelijkt met de stadsrechten die 25 jaar later begonnen te verschijnen.

(Wordt vervolgd)

De oudste stad van Holland (5)

stadsrecht 1220

Nu we hebben gezien dat Dordrecht in 1200 zowel al stad werd genoemd als schepenen had  plus een eigen rechtsgebied en een officiële broederschap en handelsgilde van burgers, is het tijd om terug te gaan naar het zogenaamde stadsrecht uit 1220. Het is in Holland zowel als Zeeland het oudst fysiek bewaard gebleven stadsrecht. Die van Geertruidenberg (1213) en Middelburg  (1217), en de daarvan afgeleide exemplaren van Domburg en Westkapelle (beide 1223), zijn pas bekend van (veel) latere afschriften. Pas in 1245 is het stadsrecht van Haarlem (in twee delen) het eerste na dat van Dordrecht dat bewaard is gebleven, dankzij het feit dat ze dat in 1492 moesten inleveren bij de stadhouder van Holland vanwege deelname aan de opstand van het Kaas- en Broodvolk.

stadsrecht delft
In 2000 gerestaureerd stadsrecht van Delft (foto Fokko Verboom).

De ‘stadskeur’ van Delft, zoals ze die daar noemen, uit 1246 is ook bewaard gebleven, maar die is in bijna nog slechtere staat dan de Dordtse (maar veel langer dan de Dordtse…). Die van ’s-Gravenzande (jawel, dat kreeg ook stadsrecht!) uit het zelfde jaar was aan het eind van de middeleeuwen al verdwenen en dat geldt ook voor het exemplaar van Zierikzee uit 1248 en dat van Alkmaar uit 1254. Middelburg kreeg een herhaling van en aanvulling op zijn stadsrecht van 1217 in 1254 en ook Dordrecht kreeg een betere versie van dat van 1220 in 1252. U ziet dat die stadsrechten ondanks dat ze in stevige kisten waren opgeborgen nogal te lijden hadden en dat het niet vreemd was dat ze soms binnen enkele tientallen jaren (maar ook enkele honderden en alles daartussen) al vervangen moesten worden.

Hoe weten we eigenlijk dat dit zwaar beschadigde stuk perkament uit 1220 is, want het jaartal staat er niet op. In de tekst worden wel graaf Willem (Willelmus Hollandie comes) en zijn vrouw Maria (Marie, uxori mee) genoemd en de maand juli. De graaf en gravin trouwden in die maand in het jaar 1220, waarbij Maria door Willem stadsvrouwe van Dordrecht werd gemaakt. Het is zo goed als zeker dat ter gelegenheid daarvan de stad wat extra voorrechten en verplichtingen kreeg. De maand juli in het jaar 1221 is daarom onwaarschijnlijker  en in februari 1222 stierf Willem al. Dus: 1220.

citaat liber donationum
Citaat uit het Liber Donationum, eind 12e eeuw.

Het document is eigenlijk, zoals u bovenaan kunt zien, een beetje zielige rest van het origineel. Grote stukken zijn weg en soms zijn delen van de tekst vervaagd. Het was ook niet echt indrukwekkend toen het nog heel was.  Omdat van de bovenkant een stuk is verdwenen kun je de hoogte niet precies bepalen, maar als het 15 cm is, is het veel. De breedte is niet meer dan 31 cm. Er staan misschien maar 18-20 regels tekst op. Meer is het niet. Het schrift is eigenlijk nog laat twaalfde-eeuws en lijkt erg op dat in het Liber Donationum uit diezelfde periode. De letters zijn klein en de regels zijn dicht op elkaar geschreven, net als in dat boek.

Het belangrijkste is echter dat er in die 18 regels maar 15 artikelen staan. Dat is best vreemd voor een oorkonde die als een stadsrecht wordt beschouwd. De andere uit de dertiende eeuw  bewaard gebleven stadsrechten bevatten tussen de 50 en 80 artikelen, die een uitgebreide reeks van regels en boeten bevatten. Dat is te zeggen… behalve, gek genoeg, dat van Geertruidenberg uit 1213, dat 16 artikelen telt. Ik kom ook nog op de vergelijking tussen die twee stadsrechten terug, al was het alleen maar om de Brabanders te laten zien dat ze een beetje te hoog van de Gertrudistoren blazen.

stadsrecht 1252
Het nieuwe stadsrecht van 1252 (GAD-001-0033).

Zoals u zult verwachten bevat het in 1252 door graaf en Rooms koning Willem II verleende vervangende exemplaar dezelfde artikelen, alleen zijn er drie bijgekomen; het zijn er daar dus 18. De originele oorkonde ervan is nog bewaard gebleven, hij is helemaal gaaf en het zegel van de graaf-koning hangt er nog onderaan aan zijn zijden streng (zie hierboven). Het is groter dan het stadsrecht van 1220, ongeveer 32 x 39 cm. Het bevat natuurlijk ongeveer evenveel zinnen, in het geheel 24, maar het is in een andere letter, het zogenaamde kanselarijschrift, geschreven. Er zit ook veel meer ruimte tussen de regels  en de letters staan niet zo dicht op elkaar. Omdat de oorkonde in Brunswijk (Braunschweig) is uitgegeven zal de koninklijke hofklerk hier de hand in hebben gehad. Het is gedateerd 28 januari 1252 in het vierde jaar van de regering van de koning.

zegel willem ii
Het zegel van graaf en Rooms koning Willem II van Holland aan het stadsrecht van 1252 (GAD-0001-0033)

In het stadsrecht van 1252 wordt nergens vermeld waarom er 32 jaar na  dato een nieuw, iets uitgebreid exemplaar moest worden uitgereikt. Graaf-koning Willem (1227-1256, graaf vanaf 1234, koning vanaf 1247-48) zegt alleen maar dat hij het vanwege hun trouw en goede diensten en ter herinnering aan zijn voorvader graaf Willem, een opa die hij nooit gekend heeft, aan de Dordtenaren heeft gegeven. Het is echter heel waarschijnlijk dat het document uit 1220 in die tijd al in slechte staat was (niet goed opgeborgen?) en dat het aan vervanging toe was. Het is overigens wel treffend dat ze het oude exemplaar, dat misschien nog eens extra beschadigd is tijdens een stadsbrand in de veertiende eeuw, toch al die tijd in een laatje van de stadskist hebben bewaard. Dat zegt wel iets over de waarde die eraan werd toegekend.

In het volgende blog ga ik in op de inhoud van deze stadsrechten.

(Wordt vervolgd)

De oudste stad van Holland (4)

charter feb 1200

We gaan nog even verder met het oudste stuk in het Dordtse archief. Er staat dus niks in over een gilde van lakenkopers, terwijl dat in alle beschrijvingen ervan staat. Pas mijn oude leermeester Professor Wim Blockmans in zijn Metropolen aan de Noordzee (2010) vermeldde voor het eerst dat het handelen in laken aan de broederschap en de hanze van Dordtse burgers was voorbehouden.

Emeritus professor Wim Blockmans.
Emeritus professor Wim Blockmans.

Alleen vermeldt hij niet dat anderen, die als (bonafide?) lakenkopers  bekend stonden – en dat zullen met name Vlamingen geweest zijn die via Zeeland en de Striene Dordrecht aandeden – ook laken mochten verkopen. Die kunnen natuurlijk best in Brugge, Gent of Ieper tot daar al bestaande ansa of koopliedengilden behoord hebben, maar dat is in deze oorkonde niet aan de orde.  Je kunt er niet uit opmaken dat er in Dordrecht al zo’n gilde bestond. Stilzwijgend moeten we dan aannemen dat de Dordtse burgers die dat wel mochten wel kennis van zaken gehad moeten hebben.  Het zal dus een select groepje geweest zijn, dat al langer op Vlaanderen voer en daar de kunst zal hebben afgekeken.

dr joost cox
Dr Joost Cox

Joost Cox, in zijn proefschrift uit 2011, ‘Hebbende privilege van stede’ (over Hollandse en Zeeuwse stadsrechten  van de dertiende tot de vijftiende eeuw), vermeldt ook dit charter, maar heeft het er wel over dat ‘ambachtelijke groepen in gilden actief’ zijn en stelt dat ze dezelfde zijn als de broederschap en de hanze, maar de tekst noemt ze duidelijk apart. Overigens geeft hij wel toe dat Dordrecht in 1200 al stedelijke trekken vertoonde, maar dat dat nog niet hoefde te betekenen dat het ook een stad was. Dat is behoorlijk verwarrend. Hij geeft ook toe dat Dordrecht “een afzonderlijke rechtsgemeenschap” was, maar schrijft er direct achter dat er “nog geen sprake hoeft te zijn van een stad in juridisch opzicht”. Vreemd! Schepenen, oftewel rechtsprekers en –vormers,  hebben in een eigen rechtsgebied en toegeven dat er “in georganiseerd verband” lakenhandel plaats vindt en dat zou geen juridische basis hebben? Ik kan dat niet geloven. Vervolgens zegt hij dat het stadsrecht van 1220 een ”constituerend stadsrechtprivilege” is, met andere woorden: dan is Dordrecht pas echt stad. Maar historici hebben, volgens professor Van Maanen, dat principe al lang losgelaten. Cox is echter geen historicus, maar een jurist.

dr jan van herwaarden
Dr. Jan van Herwaarden

Jan van Herwaarden, in de Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 (1996), denkt met Posthumus, die de geschiedenis van de Nederlandse lakenindustrie heeft onderzocht, dat de oorkonde bedoeld was om de concurrentie tussen vreemde kooplieden en al aanwezige Dordtse wevers aan banden te leggen. Er zal hier best al voor eigen gebruik zijn geweven, maar een lakenindustrie zoals hij in Vlaanderen al sinds de vroege twaalfde eeuw bestond, had je hier nog niet. Pas in 1276 is er sprake van dat de stad wel zelf zo’n industrie zou willen hebben. Ze probeerden hier wevers, ververs en vollers heen te krijgen door ze het burgerschap aan te bieden en ze tien jaar lang vrijstelling van belastingen te beloven. Ze wisten ook de toenmalige graaf, Floris V, nog in datzelfde jaar zover te krijgen dat hij deze nieuwe burgers tolvrijdom voor wol, verfstoffen en andere benodigdheden voor de wolbewerking gaf.

zegel floris v
Ruiterzegel van graaf Floris V uit 1288.

Drapeniers, oftewel de mannen die het weven en verder bewerken van wollen stoffen industrieel organiseerden, die zich voor 1276 al in Dordrecht hadden gevestigd, kregen bij diezelfde gelegenheid toestemming hun produkten elke dag op de markt brengen. De nieuw te werven wevers mochten dat voorlopig alleen op zaterdag, al kregen ze wel de genoemde tolvrijstellingen. Dat duidt er niet bepaald op dat de lakenindustrie, hier al gevestigd was.  Misschien zal er kort voor 1276 al een voorzichtig begin mee gemaakt zijn via de waarschijnlijk uit het zuiden afkomstige drapeniers die burgerrecht kregen, maar in 1200 was dat nog niet aan de orde. Uit de oorkonde van februari 1200 blijkt dat ze de vreemdelingen zeker nog nodig hadden.

Het is toch wel curieus dat dit niemand eerder is opgevallen. Misschien hadden vroegere deskundigen niet zo’n goede vertaling tot hun beschikking.

Overigens moet deze oorkonde gezien worden als een verlening van een voorrecht, een privilege. De graaf bepaalde het voor zijn stedelingen. Of dat zijn eigen initiatief was of op verzoek van de burgers kun je er niet uit opmaken, maar het laatste is waarschijnlijker. Dit privilege was dus eigenlijk een aanvulling op of toevoeging aan al bestaande rechten die de stad bezeten moet hebben. Omdat de Hollandse graaf hun stadsheer was (oppidanos nostros = onze stedelingen) moet die al eerder een serie voorrechten hebben gegeven aan Dordrecht. Je vormt geen eedgenootschappen en handelsgilden  van burgers als je daar van je stadsheer geen toestemming voor hebt gekregen. En een oppidum met scabini was een gebied dat buiten het omringende platteland viel; een stad dus, met een eigen jurisdictie of rechtsgebied: in eorum iure (in hun rechtsgebied). Of hun ‘vrijheid’, zoals de middeleeuwers dat zelf zeiden.

En dan komen we bij een tweede bewijs van het al stad-zijn van Dordrecht in 1200. Graaf Dirk VII kwam later datzelfde jaar met de  hertog van Brabant overeen, na een waarschijnlijk diepgaand overleg met allerlei edelen uit Holland en Brabant, dat Dordrecht en omgeving in leen gehouden zou worden van de hertog. Die had duidelijk gewezen op oudere rechten die hij in dit gebied had. De graaf werd dus achterleenman van de keizer, via de hertog, voor een gedeelte van zijn graafschap. Wel kwamen er goede afspraken om elkaars handelaars te ontzien en elkaars tollen te respecteren.

brabants charter 7
Vidimus (letterlijk: ik heb gezien, dwz het origineel) uit 1305 van de overeenkomst tussen graaf Dirk VII en hertog Hendrik I in november 1200 (Brabantse charters nr 7).

In de in Leuven uitgegeven oorkonde uit november 1200 die hierover handelt (die ook niet bewaard is gebleven, maar we kennen wel de inhoud, zie hierboven) staat ook duidelijk dat het hier om de stad Dordrecht gaat: opidum Durtreth. Dus ook in Brabant was bekend dat hier een stad lag. En ook komt de Durtretwerde erin voor, oftewel de naar de stad genoemd Dordrechtse Waard, het ontgonnen gebied rondom Dordrecht. Een andere aanwijzing voor het feit dat die ontginningen voor uitbreiding van het stadsgebied hebben gezorgd is de toevoeging na opidum Durtreth: ex utraque parte aque. Dat betekent: aan beide zijden van het water. Het is duidelijk dat na de doorbraak van de Merwede in 1170 of wat vroeger, de bewoning niet alleen meer ten noordwesten van de Thuredrecht bleef, maar ook ten zuidoosten ervan plaats vond. En dat die bewoning bij Dordrecht hoorde.

detail bc 7
Detail uit de vidimus van de oorkonde van november 1200.

Dat het zo nadrukkelijk in de oorkonde genoemd wordt, betekent dan waarschijnlijk dat het nog niet zo lang geleden zover was gekomen. En dat komt dan weer overeen met het besef van een tamelijk nieuwe situatie sinds ongeveer 30 jaar in het zuiden van Holland. Het is inmiddels via archeologisch onderzoek bewezen dat al voor de doorbraak aan de andere kant van het water mensen woonden. Ook bij de Brabanders, die juist in die tijd bezig waren hun invloed op het gebied van de heren van Breda te laten gelden, was dit dus bekend. Dat gebied sloot aan bij de al in de elfde eeuw door de Hollanders ontgonnen venen ten zuiden van de Maas. Met het leenbezit van die streek, tussen Maas en Schelde, van Strijen tot aan Dussen en Waalwijk toe, sloeg de hertog een flinke slag ten koste van Breda, dat nu min of meer ingesloten raakte door Brabants gebied.

wijnkelder
Wijnkelder in een middeleeuws gewelf. Het licht en de tonnen zijn modern, maar het geeft wel een indruk hoe wijn werd opgeslagen (fotograaf onbekend)

Als laatste bewijs is er nog een vermelding in twee onafhankelijke bronnen van duidelijke stedelijke kenmerken. Zij zijn te vinden in het gedeelte van de Annalen van Egmond dat in 1205 geschreven is en in de Quedam Narracio uit omstreeks 1231. Hierin staat dat in het jaar 1204 een leger onder aanvoering van de broer van de Utrechtse bisschop Dordrecht plunderde en brandschatte en dat bij die gelegenheid grote hoeveelheden  wijn, tarwe en gerst werden meegenomen. Dit duidt op internationale handel in het groot. Wijn kwam uit Duitsland en Frankrijk, graan uit Noord-Frankrijk en misschien al wel uit het Oostzeegebied. Die goederen moesten ook opgeslagen worden en dat betekent wijnkelders en pakhuizen. Hiermee voldoet Dordrecht dus aan aan het economische punt: een handelsstad en geen boerennederzetting. Laken, gezien de kostbaarheid ervan een geliefde buit, wordt dus niet genoemd. Dit duidt er ook al op dat er nog geen lakenindustrie was. Misschien zullen wel pakken laken van toevallig aanwezige (Vlaamse) kooplieden meegenomen zijn, maar die waren in ieder geval niet belangrijk genoeg om te vermelden.

(Wordt vervolgd)

De oudste stad van Holland (3)

stadsrecht 1220

Dordrecht bezit dus een oorkonde uit 1220 waarin, volgens historieschrijvers en historici, de oudste stadsrechten van de stad vermeld staan. Er zijn er zelfs twee uit de dertiende eeuw, want in 1252 werd er nog één gegeven. Ik zal daar in latere blogs uitgebreid op ingaan. Het is zelfs zo dat de versie uit 1220 onderwerp van nieuw onderzoek gaat worden, maar ook daar zal ik later over berichten.

brandeler
Mr. Pieter van den Brandeler (1816-1908), stadssecretaris en eerste stadsarchivaris. Naar een portret door H. Windhausen (Dordracum Illustratum 551-50651)

Het had trouwens niks gescheeld of die oorkonde was verdwenen. Het is aan de oplettendheid van Mr. P. van den Brandeler, gemeentesecretaris van Dordrecht (1847-1870), te danken dat we het document nog hebben. Bij het bekijken van de inhoud van de IJzeren Kast, de veertiende-eeuwse en nog steeds bestaande archiefkist van de stad, in 1867 vielen hem in een laatje enkele verschroeide snippers beschreven perkament op. Met wat puzzelen kon hij daar een gedeeltelijke reconstructie van een oorkonde van maken. Bij vergelijking met de versie uit 1252 bleek hij bijna woordelijk hetzelfde te zijn.  De snippers zijn op een stuk karton geplakt en je kunt nu een indruk krijgen van hoe het er in oorsprong heeft uitgezien. Het ligt overigens in een vitrine in het nieuwe historisch museum in het Hof, zodat elke toerist het kan komen bekijken. En u ziet hem hier bovenaan de pagina afgebeeld staan.

ijzeren kast
De IJzeren Kast.

Ik wil echter aandacht vragen voor een nog ouder stuk, waaruit ook veel te leren is over het al of niet stad zijn van Dordrecht. Hiermee gaan we dus echt in het diepe. Het dateert van februari 1200, uitgegeven door graaf Dirk VII en zijn vrouw Aleid en het is daarnaast het oudste document in het Dordtse stadsarchief. Ik weet dat het fysieke en digitale gebouw tegenwoordig regionaal archief wordt genoemd, maar deze oorkonde zat en zit dus al ruim 816 jaar in het zogenaamde oud archief van de stad.  Het werd ook, net als het stadsrecht, bewaard in de IJzeren Kast, maar heeft duidelijk minder te lijden gehad van de branden in het verleden, al is het niet onbeschadigd. Het wassen zegel van de graaf is bijvoorbeeld door de hitte van zijn groen-zijden staart gesmolten. Het zegel en de zegelstaart van de gravin zijn helemaal verdwenen. Het sneetje in de plica of pliek (latijn voor vouw: het omgevouwen onderste randje van de oorkonde wordt zo genoemd) zit er nog wel, dus ze heeft inderdaad ook mee bezegeld.

zegel dirk vii
Het zegel van graaf Dirk VII (CSN 503-504).

Het is eigenlijk een onooglijk stukje perkament. Het is niet meer dan 14 bij 22 cm groot, een half A4-tje. Er staan ook maar 9,5 regel tekst op in een laat twaalfde-eeuws kanselarijschrift. De tekst is ook voorzien van heel veel afkortingen om zoveel mogelijk inhoud in de kleine ruimte te krijgen. We weten inmiddels al een tijdje dat graaf Dirk VII de eerste was die er een aparte kanselarij, oftewel schrijfkantoor, op na hield, dus daar kwam het vandaan. Daar moet je je niet te veel van voorstellen. Er zat waarschijnlijk maar één schrijver, of klerk, die best niet veel te doen gehad zal hebben. Onderaan de oorkonde van februari 1200 staat wie hem heeft geschreven: per Willelmum notarium. Oftewel: door Willem de notaris. Dat is dus niet de notaris die wij kennen van het passeren van onze koop- of hypotheekactes, maar het is latijn voor noteerder, opschrijver, zelfs snelschrijver.

charter 1200
Het privilege van februari 1200 (GAD-0001-0123)

In de diverse stadsgeschiedenissen, tot aan de laatste uit 1996 toe, staat dat dit een gildeprivilege is en dat het over een lakenkopers of wantsnijdersgilde gaat. Dat is dus niet waar. Ik gooi het er maar even uit… Maar waar gaat het dan wel over? Zoals u aan de foto kunt zien is het latijn. Ik heb nooit gymnasium gehad en dus ook nooit echt latijn geleerd, maar ik kan dergelijke officiële stukken, als ze niet al te detaillistisch zijn, tegenwoordig aardig lezen. Gewoon omdat ik er al zoveel heb gezien, zowel in het origineel als in vertaling. Maar dit is geen gewoon latijn. Dat bleek ook al toen ik, na jaren verschillende interpretaties van de centrale tekst te hebben gelezen, nu eindelijk wel eens wilde weten wat er nou precies stond. Ik heb het dus aan een stel geroutineerde mediëvisten gegeven, evenals aan een viertal classici. De laatste konden de aanhef, de getuigenlijst en de datering wel vertalen, maar gaven het op wat betreft de centrale boodschap. De vier mediëvisten waren het, op details na, met elkaar eens. Middeleeuws latijn is dus niet hetzelfde als klassiek latijn, dat mag duidelijk zijn. Er staat letterlijk, met alle afkortingen volledig uitgeschreven:

Ik, Dirk, door de genade van God graaf van Holland, en Aleid, gravin van Holland, mijn vrouw, willen aan iedereen, zowel nu aanwezig als toekomstig, bekend maken dat wij hebben besloten dat onze burgers van Dordrecht dit voorrecht genieten in hun rechtsgebied in de genoemde stad, namelijk dat het niemand in Dordrecht is toegestaan lakens te snijden voor de verkoop, behalve diegenen die vanwege de uitoefening van hun ambacht lakensnijders genoemd worden en tenzij zij behoren tot de broederschap en het handelsgilde van de burgers van Dordrecht.

En opdat dit blad met onze beschikking vast en bestendig blijft, hebben wij het bekrachtigd met de aanhechting van ons zegel en de ondertekening door getuigen. Dit zijn in waarheid de getuigen: Boudewijn van Altena, Hugo van Voorne, Gerard van Horst, Gijsbrecht van der Lek, Siger Buth, Gillis van Wendelnesse, en de schepenen van Dordrecht. Gegeven in Dordrecht door Willem de schrijver in het jaar 1200 na de geboorte van de Heer in de maand februari.

U moet van mij aannemen dat historici hebben bepaald dat als het over oppidani en scabini gaat, want dat staat er in het origineel, men het over burgers en schepenen heeft. En dat we dan te maken hebben met een stad met zijn eigen schepenraad. Maar er staat nog meer in dat te denken geeft. Er blijkt ook een broederschap (fraternitas) en een handelsgilde (ansa) van de burgers (oppidanorum) van Dordrecht te bestaan. Dat zijn evenzoveel aanwijzingen dat hier al veel centraal geregeld was. De echte Dordtse burgers, zij die hier bezit hadden, waren georganiseerd als een broederschap, een groep door een eed verbonden (coniuratio), verantwoordelijke mannen, waaruit o.a. juist die schepenen gekozen of aangewezen konden worden. Dat werd in het latijn een communitas of commune genoemd, een gemeenschap. Dat was al in de eeuwen ervoor een normale zaak in meer zuidelijke streken. Het was nodig dat men zich zo bij elkaar aansloot om een juridisch en organisatorisch effectieve maatschappij te vormen. Het was de vroegmiddeleeuwse manier om je eigen rechtsgebied af te bakenen en dat begrip wordt, zoals u kunt lezen, eveneens in het privilege genoemd: in eorum iure. Een stad was niets anders dan een uit zijn landelijke omgeving, waar landrecht bestond, losgemaakt rechtsgebied dat zichzelf, met toestemming van de landsheer, mocht besturen.

We kennen allemaal het woord hanze, al was het alleen al van de Duitse Hanze, waar ook allerlei Nederlandse en Vlaamse steden bij waren aangesloten (maar wij waren allen Duitsers…). Maar hanze betekent eigenlijk gewoon ‘groep’. In deze periode van de middeleeuwen, eigenlijk vanaf de elfde eeuw, maar vooral in de twaalfde eeuw, toen de internationale handel sterk opkwam, organiseerden kooplieden zich. Per plaats van herkomst vormden ze een groep, de ansa of hanze. Je moest toelatingsgeld betalen om erbij te horen, maar de bedoeling was dat je elkaar beschermde tijdens het handeldrijven en desnoods als groep op vreemde markten kon opereren. Ook konden zo ‘geleidegelden’ voor het door onveilig of gevaarlijk gebied reizen gezamenlijk opgebracht worden. Wat zo’n hanze tegelijk tot een gilde maakte, al is dat een wat later begrip. Er was veiligheid in zo’n groep. Omdat de, meestal gegoede, kooplieden ook tot de eedgenoten of broederschap van hun stad behoorden, konden zij ook, als stadsvertegenwoordigers elkaar in het buitenland (en dat begon al over de grens van Holland) beschermen. Dat was dus ook het geval met de vreemde kooplieden die in bijvoorbeeld Dordrecht handel kwamen drijven. Het is niet voor niets dat in veel stadsrechten genoteerd is dat vreemde kooplui volgens hun eigen recht behandeld zouden worden. Dat hun recht wat inhoud betreft dikwijls overeen kwam met het recht plekke maakte niets uit. In een groep kon je zoiets afdwingen of met elkaar uitwisselen, in je eentje ging dat niet.

Dat Dordrecht in 1200 dus al een hanze had van burgers, betekent dat er al zo’n grote groep kooplui in de stad gevestigd was, dat het oprichten van een hanze de moeite waard was. En ook betekent het dat ze internationaal handelden.

(Wordt vervolgd)

De oudste stad van Holland (2)

Stadsgeschiedenis is populair onder studenten en historici. Nationaal en internationaal zijn er universiteiten en geleerden die zich ermee bezig houden. Ze doen groepsgewijs onderzoek, organiseren congressen en symposia, publiceren boeken en artikelen in speciale stadsgeschiedenis-verzamelwerken.  En sinds 2006 is er een Nederlandstalig tijdschrift opgezet door de universiteit van Antwerpen.

stadsgeschiedenis
Omslag van het tijdschrift voor stadsgeschiedenis.

Ze organiseren zich, per land, in clubjes nederzettingsgeschiedenis-specialisten. Ze werken samen met historisch geografen, archeologen, sociaal en economisch historici, taalkundigen en etymologen en komen zo tot interessante conclusies. Ook in Nederland, over Nederlandse steden. Als je dat, zoals ik, een beetje volgt, zie je dat er naar verhouding echter weinig historici zijn die zich met het ontstaan van die steden bezighouden. In dit en de volgende blogs gaat het louter over ons land en natuurlijk met name over Holland en zijn vroegste stadsgeschiedenis.

Wat eigenlijk door de jaren heen steeds duidelijker is geworden is dat het begrip stad nogal lastig helder is te krijgen. Sinds er bij ons in Nederland stadsgeschiedenissen worden uitgegeven – en dat is al sinds de zeventiende eeuw – is de kennis over het ontstaan van steden flink uitgebreid, maar er daarom niet eenvoudiger op geworden. Wanneer is een dorp een stad en hoe komt dat? Dat is eigenlijke de belangrijkste vraag, maar die is niet gemakkelijk te beantwoorden. Ook de zeventiende-eeuwers worstelden daar mee. Ook toen was het al lang geleden dat hun stad ontstond en die verrekte middeleeuwers hadden nergens op schrift gesteld wat er gebeurde toen hun stad die overstap van plattelands- naar stadssamenleving maakte.  Er bleken zelfs al laat-middeleeuwse schrijvers te zijn die legenden of sagen over dat ontstaan hadden opgeschreven. Het is algemeen bekend – en u bent het in mijn blogs ook al tegengekomen – dat men elkaar in kronieken vrolijk naschreef, al of niet op rijm. Omdat die zeventiende-eeuwse historieschrijvers sommige van die kronieken ook kenden, namen ze dan maar die legendarische oorsprongen over, soms aangevuld met eigen vondsten.

balen titelblad
Titelblad van de beschrijving van Dordrecht door Mathijs Balen, 1677.

Zoöok bij Dordrecht. En Van Oudenhoven, Van Beverwijck, Oem en Balen, de Dordtse historieschrijvers, waren niet de enigen. Zelfs in de in 1996 uitgekomen nieuwe Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 worden in de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk, met de titel Legenden, de oeroude sprookjes nog eens opgehaald.  Natuurlijk ontkrachtte de schrijver van dit hoofdstuk, Jan van Herwaarden,  aan het eind ervan die ‘legenden’. Hij deed dat met het zinnetje:

Hoe interessant zulke verhalen ook zijn, zij behoren tot het rijk der fabelen, hersenspinsels van voorgaande geslachten die hun geliefde stad graag als belangrijk centrum in oeroude tijden geworteld zagen. Het ‘ware’ verhaal is  prozaïscher.

GvD1
Omslag van de laatst verschenen geschiedenis van Dordrecht, deel 1 tot 1572 (1996)

In deze wat gedragen stijl probeerde de historicus zijn stoepje dus schoon te vegen. Maar het stond er intussen wel! Romeins ridder Antonius, de Wilten, koning Pharamund en de plundering van de Noormannen werden nog maar eens onder het stof vandaan gehaald.  Ik ga daar niet verder op in, want in mijn blog vertel ik geen sprookjes. En ik vind het ook niet interessant. Waarom zou je die onzin blijven herhalen, als er echte geschiedenis verkrijgbaar is?

Een ander houvast van de zeventiende-eeuwers (en ons) waren de stadsrechten. Elke stad bezat wel zo’n document. En als het niet meer in het echt aanwezig was, dan waren er dikwijls in de middeleeuwen al één of meer kopieën van gemaakt. Daar had je tenminste wat aan. Er stond een datum, of tenminste een jaartal, onder en dat gaf de nodige houvast. De oorkonde of het afschrift bevatte dan een reeks(je) van punten waaruit bleek wat je als stadsburger mocht en niet mocht, wat je moest betalen als je het toch deed en wat je als stad aan de graaf verschuldigd was. Want de graaf (of een familielid) was, zeker in de dertiende eeuw (wanneer in Holland de uitgave van stadsrechten lijken te beginnen), degene die het stadsrecht aan de stad gaf. In de documenten staat nergens en nooit dat dit de stedelijke rechten (of plichten) zijn. De oude historieschrijvers herkenden er echter juridische  elementen in en daarom werden die bewaard gebleven geschriften de ‘stadsrechten’ of het ‘stadsrecht’ genoemd. En ze concludeerden dan meteen maar dat de datum van dit stadsrecht ook tegelijk de geboortedatum van de stad was.  Vandaar dat ze in Geertruidenberg nog steeds denken dat ze ouder zijn dan Dordrecht.

U weet inmiddels, als u mijn Apud Thuredrech blog hebt gevolgd tenminste, dat oorkonden, bronnen, niet altijd zijn wat ze lijken te zijn. U weet ook dat je erop verdacht moet zijn dat hoe verder je teruggaat, hoe meer er aan bronmateriaal verdwenen kan zijn. En zelfs dat er bijvoorbeeld in de elfde en twaalfde eeuw veel minder geschreven werd dan later. Wie zegt daarom dat die bewaard gebleven stadsrechtoorkonden echt de oudste zijn? Er zijn zelfs stadsrechten die verwijzen naar een eerder exemplaar, dat dus duidelijk niet bewaard is gebleven (Middelburg, Zierikzee, Leiden). Ook kun je je voorstellen dat in de twaalfde eeuw bepaalde rechten of plichten mondeling waren gegeven, onder het toeziend oog van getuigen en/of eedhelpers (zoals in die tijd gebruikelijk was en waar ook bewijs voor is), en gewoon nooit opgeschreven waren.

prof van maanen
Professor Rudi van Maanen.

Een stadsrecht bezitten hoeft dus nog niets te zeggen over of je al of niet een stad bent op het moment dat het uitgevaardigd werd. Sterker nog: dat idee is allang door historici losgelaten.  Professor  Van Maanen heeft in zijn oratie (toespraak) bij zijn aantreden als bijzonder hoogleraar stadsgeschiedenis aan de universiteit van Leiden in 2004 nog eens netjes samengevat:

Een juridische definitie [van de stad], waarbij stadsrechtverlening het doorslaggevende criterium was, wordt door niemand meer aangehangen.

Oftewel, in gewonemensentaal:

       Het krijgen van een stadsrecht maakt je niet tot stad.

De vraag blijft dan wat een nederzetting wel tot stad maakt. De geleerden zijn het onderling eens geworden over een lijstje van zes punten en waaraan je een stad kunt herkennen in bijvoorbeeld de voor Holland belangrijke dertiende eeuw:

  • Uiterlijk: bijvoorbeeld stadswallen en/of muren met poorten en grachten.
  • Bevolking: groter dan een dorp, vanaf ca 1000 personen.
  • Economie: men handelt en maakt spullen, in plaats van de landbouw te beoefenen.
  • Bestuurlijk: de nederzetting fungeert als een markt- of rechtscentrum voor de omgeving en bezit een zegel.
  • Fysiek: er is een relatief dichte bebouwing.
  • Juridisch: men kan zelf zijn wetten maken en die aan een stadsrecht toevoegen.

    dordrecht 1537
    Gezicht op Dordrecht uit de kaart van Schilder, 1537. Muren en poorten en de enorme gracht van na de Elisabethsvloed zijn aanwezig.

In de vroege, geschreven, bronnen moet je dergelijke eigenschappen kunnen herkennen, want veel andere mogelijkheden zijn er niet. Je kunt  weliswaar via archeologische opgravingen grachten, muren en wallen terugvinden en de eventueel dichte bebouwing reconstrueren, maar die hoeven allemaal niet uit de dertiende eeuw te dateren. Hoeveel mensen er woonden en wat men verhandelde en in de nijverheid fabriceerde is moeilijker te achterhalen. De oudste stadszegels zijn ook meestal niet bewaard gebleven. En of een stad een centrumfunctie had kom je ook uiterst zelden te weten. Blijft over die stadsrechten, en eventuele andere privileges (voorrechten),  en de bewoording ervan.

(Wordt vervolgd)