Leven met de middeleeuwen 7

charter 196 1345
Een oorkonde uit 1345.

Ik had in 15 jaar veel geleerd. Op het archief had ik oud schrift leren lezen en las nu middeleeuwse oorkonden in het middelnederlands (of latijn, als het moest), ik had originele documenten in handen gehad en wist hoe perkament voelde, eruit zag en hoe men schreef. Vriendelijke collega’s hadden me geleerd historisch onderzoek te doen en hoe je dat opschrijft. Ik begeleidde PABO studenten, informeerde journalisten en hielp archeologen met archiefonderzoek. En deed studiezaaldiensten. Ik had uit middeleeuwse bronnen glimpen opgevangen van het leven in een middeleeuwse stad als Dordrecht rond 1300-1400. Doordat ik ingeschakeld werd bij het geven van cursussen, zowel op het archief als voor de Volksuniversiteit, leerde ik volkomen leken hoe heraldiek in elkaar zit, hoe ze 17e eeuwse notarisprotocollen moesten lezen en hoe ze hun eigen huis en buurt historisch konden onderzoeken. En zelf leerde ik in de praktijk hoe je die kennis over moet brengen zonder te schoolmeesterig te zijn (wat ik nogal ben…).

Ik als 14e eeuws heraut in 1996, nu geheel in wollen en linnen kleding. De tas (de Dordrecht tas) , riem en messchede zijn allemaal zelf gemaakt.

Bij de LHO leerde ik met de hand middeleeuwse kleding naaien, en die ook dragen. Ik wist hoe dat voelde en wat je er mee kon (en wat niet…). Ik kon op den duur ook leren schoenen, riemen en schedes maken. Op evenementen legde ik uit hoe die kleding in elkaar zat en waaraan je kon zien wat voor stand je voor je had als je een middeleeuwer voor je zag. En hoe ze zich schoon en gezond hielden, want daar waren nogal wat misverstanden over. Ik leerde ook hoe je nieuwe leden van hun vooroordelen afhelpt als ze weer kruidenvrouwtje of bastaard van adel wilden voorstellen. Ik zocht recepten voor middeleeuws eten op en vooral mijn vrouw experimenteerde daarmee om te laten zien dat het voedsel van toen zeker niet onderdeed voor onze moderne kost. Ook proefden we middeleeuws bier en gekruide warme wijn. Steeds meer leden schaften bijzondere uitrustingstukken aan omdat er connecties ontstonden met, meestal buitenlandse, leveranciers en ambachtslieden.

Anja als bakkersvrouw aan het koken op open vuur in
hun bakstenen open haardje middenop de vloer.

In Archeon experimenteerden we met het leven in diverse typen middeleeuwse huizen onder veel verschillende weersomstandigheden. We konden vuur maken, koken op dat vuur, gereedschap onderhouden, tuinwerk doen, dieren verzorgen, er waren smeden, schrijnwerkers, beenbewerkers, vissers die hun eigen vis rookten, kuipers, pottenbakkers en gewone bakkers, mandenvlechters, wevers en schoenmakers. Iedereen nam daar kennis van mee. Bezoekers brachten soms nieuwe informatie mee, archeotolken lazen van alles en nog wat over hun vak en begonnen soms thuis ook al hun ambacht uit te oefenen. Maar vooral de interactie met het publiek was zeer leerzaam. Want iedereen wilde het naadje van de kous weten (soms ook letterlijk…) en was maar wat blij met een logische uitleg. “Oooooh, zat dat zo? Nooit geweten! Leuk!” Mensen, zo merkte ik, waren wel degelijk geïnteresseerd in geschiedenis.

Bezoekers tijdens de warme zomer van 1994.

Ik leerde echter vooral hoe erg het gesteld was met de kennis over die geschiedenis in het algemeen en de middeleeuwen in het bijzonder (let wel: dit is vóór 1996…). Hoe kwam dat? Natuurlijk had ik al in die al genoemde geschiedenismethoden opgemerkt dat daar zoveel fouten in stonden. Dan leer je als scholier natuurlijk niet hoe het werkelijk geweest was. En dat werkt door als je volwassen wordt en je hoort niet meer hoe het echt zat. Chronologie bleek bijvoorbeeld een vaag begrip: wat was eerder Karel de Grote of Karel V, in welke eeuw brak de pest uit, wat gebeurde er in 1296? Ouderen wisten dat nog wel eens (“wij moesten al die jaartallen uit onze kop leren, waarom? Geen idee”) maar konden dikwijls geen verbanden leggen. Voor jongeren waren ook toen al diverse historische namen onbekende geluiden waar ze niks mee konden (“al die Florissen, Dirken en Willems… je wordt er gek van.” Maar ze kenden wel de samenstelling van hele voetbalelftallen of tientallen popgroepen uit hun hoofd). En jaartallen? Daar zagen ze het nut helemaal niet van in: als je maar ongeveer weet wanneer iets gebeurde. Wat boeit het om te weten dat Napoleon vóór Hitler kwam?

Illustratie uit een lesmethode die een middeleeuwse stad moet voorstellen en die zo’n beetje alles fout heeft.

Hoe meer ik tegen die bijna volkomen afwezigheid van historische kennis en daardoor begrip voor geschiedenis opliep, hoe meer het me verbaasde. Ik kreeg bijvoorbeeld te maken met journalisten die in Gravendam rondliepen en niet wisten wat ze zagen. Ze konden de huizen niet plaatsen, de kleding en de mensen die er vergeten beroepen uitoefenden en die vergeten groenten aten waren hen volkomen vreemd. Ze konden dikwijls ook geen vragen stellen, want het beeld dat ze kregen kwam niet overeen met wat zij van de middeleeuwen wisten. En dat was dikwijls gebaseerd op Hollywoodfilms, strips, fantasyboeken, de Brief voor de Koning of tv-series als Floris (speelt in 1515). En daar leken die archeotolken in hun houten of bakstenen huizen niet op. Of zo zagen de LHO-ers op het historische evenement in de binnenstad er niet uit. Verwarring alom. En bij film- of tv-ploegen was het nog een graadje erger. Die vroegen waar de modder was en de varkens en bedelaars op straat. Of er nog een heks verbrand zou worden en of de stadswachten echte ridders waren omdat ze een helm op hadden en een stuk scherp ijzer aan een paal droegen.

Ongeveer 1/5 van mijn boekenbezit.

Dikwijls was het ook bijna ondoenlijk om mensen van de authenticiteit van wat ze zagen te overtuigen. “Ja maar, hoe weet je dat dan?” was dikwijls de vraag. En dan noemde ik maar weer de boeken, de bronnen, de afbeeldingen, de opgravingen, de museale voorwerpen. Soms kon ik die ook laten zien, als ze me thuis kwamen interviewen. Dan pas gingen ze het een beetje geloven, maar vooral bij journalisten bleef er dikwijls scepsis hangen, wantrouwig en kritisch als ze zijn.

Bij het van start gaan van tScapreel nam ik me dan ook voor om elke opdracht die ik kreeg en die over het uitbeelden van middeleeuwse situaties ging mijn klanten van uitgebreide informatie te voorzien. Maar ik had buiten het type mensen gerekend dat ons die opdrachten gingen geven. Dat waren:

– Gemeenten die een jubileum te vieren hadden.

– VVV’s, aangevuld met middenstanders, die een historisch festival probeerden op te zetten bedoeld om toeristen te trekken.

– Erfgoedinstellingen als musea en kastelen die hun gebouwen wilden verlevendigen.

– Organisatiebureaus.

Mijn bakje met enkele honderden visitekaartjes van ambachtslieden, erfgoedinstellingen en organistaiebureaus. De laatste nemen ongeveer 25 % van het geheel in beslag.

De laatsten waren collega-zakenlui die zo snel mogelijk rijk wilden worden met spetterende feesten, als het moest historisch, maar authenticiteit hoefde geen optie te zijn. Als maar alle clichés van de middeleeuwen aan bod kwamen, inclusief heksen, ridders, jonkvrouwen en bedelaars in schandpalen. Het was het type (jong)mens dat zo’n bureau begon met het aanschaffen van een Mercedes en een Armani kostuum en dat full-colour visitekaartjes liet drukken en een kantoor in óf een grachtenpand óf een historisch buitenhuis huurde. Ik heb stapels van die kaartjes en al die zaakjes zijn inmiddels al weer jaren failliet.

Musea bestelden bij ons replica’s en we hebben voor kastelen diverse middeleeuwse vaste opstellingen gemaakt. Meestal voor ambitieuze directeuren en conservatoren die dan wel drs. voor hun naam hadden staan, maar geen idee van geschiedenis hadden. We hebben voor enkele van die kastelen hun eerste re-enactments gestart en die haalden daar record bezoekersaantallen mee. Helaas werden onze mensen steeds na een paar jaar door goedkopere groepen vervangen, waardoor tegelijk ook de authenticiteit met sprongen achteruit ging. Evenals de publieksvriendelijkheid.

De heer en vrouwe van Rhoon wordt ontvangen bij het kasteel.

De historische evenementen, zowel bij een jubileum als gewoon als toeristentrekker, werden gerund door amateurs. Soms gemeenteambtenaren, meestal VVV’s en/of organisatiecomittee’s uit de horeca en middenstand. Als men open stond voor onze informatie kon het erg leuk zijn, maar er waren ook eigenwijze doordouwers wie het niet uitmaakte wat er te zien viel, als er maar volk op afkwam. Onze middeleeuwse markten vielen echter bij iedereen in de smaak en velen lieten weten dat ze verrast waren dat ‘echte’ middeleeuwers toch wel erg leuk waren. Ons viel ook op dat in het oosten en zuiden van het land dergelijke evenementen door ons zowel als de bezoekers erg geslaagd gevonden werden, terwijl ze in het westen en noorden soms moeizaam verliepen. Op enkele uitzonderingen na, overigens.

Maar wat leverde het op?

Wordt vervolgd

De oudste stad van Holland (6)

Dr. Joost Cox heeft in zijn proefschrift uit 2011 alle nog bestaande stadsrechten van Holland en Zeeland tussen 1213 en 1484 – en dat zijn er 60 – behandeld. Hij heeft ze netjes op alfabet van de stadsnaam gezet en de originele Latijnse of Middelnederlandse tekst met nieuwe vertalingen in modern Nederlands gepubliceerd. Dat alles voorafgegaan door een gedegen inleiding en vraagstelling, gevolgd door een stevige analyse en conclusie. Voor de geïnteresseerde is het hier te vinden.

omslag hebbende
Omslag van het proefschrift ‘Hebbende privilege van stede’.

U zult inmiddels wel begrepen hebben dat ik, wat Dordrecht betreft, niet heel gelukkig ben met enkele van die conclusies en soms ook niet met de analyses van deze stadsrechten. Maar ook de verschillen tussen die korte stadsrechtjes van Dordrecht en Geertruidenberg (en andere) en de lange van de meeste andere steden komen nauwelijks aan bod. Het gaat een beetje te ver om dat in dit blog wel te doen, maar ik wil tenminste een indruk geven van wat er nu eigenlijk in het stadsrecht van 1220 staat en hoe dat te vergelijken is met al die andere stadsrechten.

Ik heb al eerder geschreven dat de tekst (zie boven) is onder te verdelen in 15 artikelen. Zes daarvan hebben betrekking op strafrecht. Het zijn boetes (en dat zijn hoge bedragen) voor mensen die iemand een kaakslag geven (5), neerslaan (4), tot bloedens toe verwonden (3) of zwaar verwonden (2) en voor iemand die aan andermans huis aanvalt (6). Tegelijk wordt voor sommige daarvan de compensaties voor de slachtoffers geregeld. Verder bepaalt de graaf dat een derde van de opbrengst van alle boetens aan de burgers (de stad dus) ten goede zal komen en tweederde aan hem moet worden afgestaan (7); dat is dus een grafelijk recht.

Dan zijn er drie artikelen die over de rechten van vreemdelingen gaan: afspraken over het betalen van aan burgers door vreemdelingen toevertrouwde goederen (en andersom) die op tijd betaald moeten worden, want anders wordt de wanbetaler gegijzeld (9), vreemdelingen die in Dordrecht recht zoekt worden volgens hun eigen recht behandeld, zoals al langer gebruikelijk was (!) (13) en dat vreemdelingen onder elkaar geen duels mogen aangaan (maar gewone burgers ook niet!) en zo vetes veroorzaken. Dat wil zeggen: behalve als het om schepenen, raden (meestal ex-schepenen) of eigenerfden (de oorspronkelijke grondbezitters in Dordrecht) gaat (11). Staaltje van klassenjustitie dus. Maar intussen gaat het hier om vreemdelingen van verder weg dan de buren op het platteland van bijvoorbeeld Zeeland, zoals die in het stadsrecht van Middelburg voorkomen. Het zijn typisch bepalingen die wijzen op een (drukke) handelsstad.

fecamp horigen
Boeren op het land ca 1180 (Fécamp Psalter (Normandië), KB Den Haag 76, f. 13).

Verder is er het bijzondere artikel (10) dat bepaalt dat een horige of onvrij persoon die een jaar en een dag in de stad woont en in die tijd niet door zijn heer wordt opgeëist daarna een vrij man is. Het is het vroegst bewaard gebleven bewijs dat zulke vrijmakingen in Nederland ook voorkwamen.

De graaf stelt ook eisen aan de burgers: als hij en zijn vrouw Dordrecht bezoeken, moeten ze veertien dagen op krediet door de stad onderhouden worden, maar de kredietgevers zullen op den duur wel door de graaf terugbetaald worden (14). Hij sluit af met de bepaling dat deze voorrechten gegeven zijn op voorwaarde dat de stad hem elk jaar 60 pond Hollands zal betalen (15). Ook dit zijn dus grafelijke en geen stedelijke rechten, in het kader: voor wat, hoort wat.

In het eerste artikel al geeft de graaf dat hij het keurrecht aan de stad heeft verleend en dat iedereen, hijzelf incluis, zich moet houden aan wat schout, schepenen en raadslieden van Dordrecht als recht bepaald hebben (1). Tenzij die natuurlijk tegen de grafelijke rechten ingaan, maar daar zag de schout als het goed was op toe. Realiseert u zich wat daar staat? De schepenraad, onder toezicht van de grafelijke vertegenwoordiger, de schout, en de daaraan toegevoegde raadslieden (meestal oud-schepenen)  krijgen het recht om zelf regels (op den duur keuren genoemd) op te stellen en hoeven niet langer te wachten tot de graaf die vaststelt.

Bovendien maakt de graaf duidelijk dat hij geen afwijking van die regels duldt, ook niet van zijn vertegenwoordiger. Hij stelt namelijk dat de schout geen beslag op goederen mag leggen als hij daar geen toestemming van de schepenen voor heeft (12). Dat kan je natuurlijk niet hebben in een handelsstad; daar krijg je een slechte naam door en bij internationale handel is reputatie alles. En als het toch gebeurt belooft de graaf dat hij een schout die door burgers en vreemdelingen ‘nutteloos’ (inutilis) wordt gevonden zal vervangen door “een goede en nuttige” persoon (8). Zoiets kom je niet veel tegen in deze periode van de middeleeuwen: een hoge edelman, een graaf, die toegeeft dat hij niet altijd de juiste keuze maakt bij het aanwijzen van schouten.

Dit alles duidt erop dat de schepenen en raden in eigen huis een behoorlijke macht hebben. Ze mogen dan wel niet het jaarlijkse bedrag dat ze aan de graaf moeten betalen halveren, of hem een derde in plaats van twee derde van de boeten sturen, of hem maar een week onderhouden in plaats van veertien dagen, maar verder zijn zij verantwoordelijk voor de juridische gang van zaken in de stad.

In artikel 13 staat trouwens dat de schepenen in 1220 hetzelfde recht hanteren als hun voorgangers gewend waren te doen. Ook dat duidt erop dat de stad al een tijd zijn eigen rechtspraak doet. En dat is logisch, want als je geen schepenen hebt kun je niet rechtspreken en als er geen rechten zijn die je moet handhaven heb je geen schepenen nodig. Een stad is een rechtsgebied. In 1200 wordt dat inderdaad door de graaf van destijds genoemd en dan zijn die schepenen er al.

De enige conclusie die hieruit te trekken valt is dat in 1200 Dordrecht al enige tijd een echte juridisch functionerende stad is en voor die tijd al zekere rechten met betrekking tot de handel en de rechten van vreemdelingen en de strafmaatregelen voor hen die de openbare orde verstoorden ontvangen moet hebben. Anders zouden er in die tijd geen broederschap van burgers geweest kunnen zijn, want voor zoiets heb je ook grafelijke toestemming nodig. En ook geen hanze van kooplui. Helaas zijn die eerdere rechten niet bewaard gebleven, of misschien zelfs niet in een oorkonde vastgelegd. Het privilege van februari 1200 is een toevoeging op die rechten, want zoiets regelen als wie laken mocht verkopen bleek toen pas in de praktijk nodig; dat was daarvoor niet bedacht of nodig geweest. Waaruit je weer zou kunnen opmaken dat tot voor kort de Vlamingen zelf hun lakens sneden en verkochten, maar dat er inmiddels ook Dordtse kooplieden waren die dat konden en wilden.

De overdracht van de heerschappij over de stad aan zijn vrouw kan Willem I ertoe gebracht hebben (op verzoek van de burgers?) nog wat zaken te bevestigen en een belangrijke zaak  toe te voegen: het keurrecht. Het vermelden van het grafelijk aandeel in de boeten, de prijs voor het verlenen van rechten en het onderhoud van de graaf en zijn gevolg als ze in Dordrecht zijn, zouden bijvoorbeeld verhogingen van eerdere bedragen en percentages kunnen zijn. Die in vrijheidsstelling van horigen na een jaar en een dag lijkt iets dat misschien van elders komt en dat de graaf op zijn vele reizen was tegengekomen, maar dat is niet te bewijzen. Het blijft echter een korte stadskeur, als je het vergelijkt met de stadsrechten die 25 jaar later begonnen te verschijnen.

(Wordt vervolgd)

Hertogdom kwijt…

Bij het uitkomen van het stripalbum Ons verloren hertogdom van de Ridders van Gelre (zie ook mijn andere blog) moest ik denken aan een eerder blog dat ik begin 2018 in deze reeks schreef. Dat ging over een noodkreet over de verdwenen Joodse geschiedenis van Dordrecht. U kunt het hier teruglezen.

Ik heb toen uitgelegd dat dat helemaal niet kan. Ene Eduard
Huisman had het toen over:

‘De Joodse geschiedenis in Dordrecht, die driehonderd jaar omvat, willen we (?) weer teruggeven aan de stad. De verloren leegte – vooral door de tweede wereldoorlog – verdient het om aangepakt en weer ingevuld te worden.’

Geschiedenis kan je namelijk niet kwijt raken. Hij kan in het vergeethoekje terecht komen omdat niemand er zich (meer) mee bezig houdt, er kan een tijd niet over geschreven worden en boeken die erover bestaan kunnen ongelezen blijven. Hij kan ook bewust verzwegen worden en uit het onderwijs of de media weggehouden worden. Maar verdwijnen doet geschiedenis nooit. Bronnen en oude boeken kunnen weer teruggevonden en herlezen worden, nieuw inzichten van onderzoekers kunnen stukken geschiedenis weer in het licht brengen. Bij voorbeeld omdat gegevens op een nieuwe manier gecombineerd worden of omdat er nieuw bronnenmateriaal boven  water komt.

Maar kan je een hertogdom kwijt raken zodat niemand meer weet waar het gebleven is? Nee, dus. Het lijkt er dus eerder op dat de Ridders van Gelre een publiciteits-truc uitgehaald hebben en net hebben gedaan of het hertogdom Gelre buiten iedereens schuld in het ongerede is geraakt en dat het nu tijd wordt dat er weer naar gezocht wordt. En als het dan gevonden is dat het weer opnieuw wordt ingesteld. Want dat is de bedoeling van de heren Steman en Arendsen. Zeggen ze… Ze willen er  zelfs een nieuwe politieke partij voor oprichten. En als het dan zover komt dat de hertog weer terug is, willen ze ook nog op eigen benen staan. Los van Nederland dus. Zoals de Friezen, of nog erger.

Ik denk dat het een publiciteitsstunt is in het kader van een goed doel: de Gelderlanders weer bewust maken van hun geschiedenis.
Iedereen weet dat je als je een historische documentaire lanceert met de woorden ‘verborgen’, ‘verloren’, ‘vergeten’, ‘mysterie’ of ‘geheim’ in de titel dat geheid kijkers trekt. En dat geldt ook voor journalistieke artikelen, ja zelfs voor boeken. En als je dat dan nog met archeologische vondsten of complot-theorieën combineert ben je verzekerd van publiek. Het is dus een lokkertje, maar het zet mensen wel op het verkeerde been. Aan de ene kant suggereer je namelijk dat het hertogdom, oftewel een door een middeleeuwse vorst geregeerde lappendeken van landen in de huidige provincie Gelderland, maar ook in Limburg en Duitsland, terug te halen is, want als iets kwijt is kan
je met goed zoeken het wel weer terugvinden. Aan de andere kant doe je ook net of zo’n concept in onze tijd nog bestaansrecht heeft en laat je ze denken dat het provinciale bestuur, onze regering en de EU zoiets zal tolereren. Dat kan je dus vergeten.

Gelre is in 1543 in de Zeventien Provinciën opgegaan na het verslaan van de laatste hertog, Willem II van Kleef door het leger van keizer Karel V. Willem gaf zich over en mocht als dank zijn landen Kleef en Gulik houden (wat hem in Gelre nog behoorlijk kwalijk werd genomen), maar het was dus afgelopen met het zelfstandige hertogdom. Net zo goed als de graafschappen Vlaanderen, Holland en Zeeland, het hertogdom Brabant, de Friese landen, ja zelfs het bisdom Utrecht met zijn Over- en Nedersticht sinds 1384 in handen van de Bourgondisch-Habsburgse vorsten waren gevallen. Geen van hen is ooit teruggevallen in zijn oorspronkelijke regeringsvorm. Sterker nog: ze zijn steeds nauwer met elkaar verbonden geraakt tot het noordelijke deel van die 17 provincies in 1839 definitief één souverein land werd: Nederland. En wij zijn dus daarna een onderdeel van Europa geworden, maar onze regeringsvorm is daar niet door aangetast, wat diverse populisten ook mogen beweren.

Ik ben me ervan bewust dat er mensen zijn die graag naar vroeger terug zouden gaan toen je je fiets nog niet op slot hoefde te zetten, het touwtje uit de brievenbus hing en de enige bruine mensen die je om je heen zag spijtoptanten uit Ons Indië waren. Maar dat is behoorlijk onrealistisch. Zo kan je dus ook niet terug naar het Koninkrijk Holland, de Bataafse Republiek of die van de Zeven Verenigde Nederlanden, want dat waren uit historische noodzaak en na diverse eraan voorafgaande politieke en godsdienstige oorzaken ontstane fenomenen, die om die reden alleen al tegenwoordig nooit meer zouden gebeuren. Laat staan dat je de tot het middeleeuwse Duitse Rijk behorende feodale vorstendommen of door de paus gelegitimeerde bisdommen weer tot leven kunt wekken. Dat is definitief voorbij. Niet verloren of vergeten, maar niet meer van deze tijd. Dat hebben we gehad. Je kunt er alleen nog kennis van nemen en de ‘verhalen’ uit die tijd nog eens nalezen. Met de hoop dat je begrip krijgt voor het leven dat onze verre voorouders  hebben geleid. En hoe dat alles op den duur leidde tot wat we nu om ons heen zien.

En daar ligt meteen het grootse gebrek dat het al genoemd stripalbum heeft. Het begint notabene met de in de middeleeuwen  al ontstane, maar vooral in de 16e en 17e eeuw verspreide ontstaanslegenden/ fabels/sagen van Gelre, die ze toen verzonnen om een mooi en indrukwekkend stuk geschiedenis te kunnen vertellen. En omdat ze zeker niet wisten hoe het echt gegaan was. Zoiets doe je tegenwoordig dus niet meer, nu we juist wel meer kennis van die vroege geschiedenis hebben. Ik heb daar voor Dordrecht ook al eerder over geschreven. Historici moeten zich niet inlaten met fabeltjes en ze zeker
niet doorvertellen. Draken bestaan niet en hebben ook nooit bestaan, hou die dan ook buiten je geschiedenis.

Maak ook je voorouders niet belachelijk door ze neer te zetten als domme, drankzuchtige opportunisten, zoals herhaaldelijk in die strip gebeurt. En houd je verre van tijdreizen: dat kan niet. Geschiedenis is geen fantasy. Als je denkt dat je zo de moderne lezer een beeld geeft van zijn verleden heb je het mis, zeker als uit alles wat getekend en geschreven wordt blijkt dat de verantwoordelijken helemaal niet weten hoe het vroeger toeging. Laat je geschiedenis door een deskundige schrijven en laat dat zeker niet met een knipoog gebeuren. Mensen die er verder geen verstand van hebben gaan zo denken dat het echt zo was en eruit zag als in een karikaturale strip.

De strip kost een tientje (slappe kaft) of 15 euro voor de hardcover, wat niet goedkoop is voor zoiets. In 2012 nog kwam er een modern, door Gerben Graddesz Hellinga geschreven en rijk geïllustreerd en van kaarten voorzien boek over de Gelderse geschiedenis uit (Hertogen van Gelre. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld, 1021-1581, uitgeverij Walburg Pers, Zwolle) dat ongeveer € 30,00 kostte. Niet weinig, maar wel aantrekkelijk en wat informatie betreft best goed. Het lag echter binnen de kortste keren in de ramsj. Of dit de reden is geweest om te zoeken naar een nog populairdere versie weet ik niet. Ik hoor dat de aanpak van de Ridders van Gelre succes heeft en dat geeft me toch wat moed. Maar ik blijf het zonde vinden dat deze uiting zo van de, in mijn ogen (en ik neem aan van die van de meeste historici die ik ken) verkeerde aannames uitgaat. Ik denk namelijk dat de lezers er een verkeerd beeld van hun verleden door krijgen en dat dat ook zal blijven hangen. Zodat mensen nog steeds zullen denken dat hun hertogdom (eerder was het ook een graafschap) op sprookjesachtige wijze is ontstaan doordat de oudste graven hun positie te danken hadden aan het verslaan van een draak. 

“Your Majesty”…

Zo sprak de Schotse archeoloog Adrian Cox op 24 januari onze minister-lachebek Gerrit Zalm aan toen hij in de ruïne van de abdij van Melrose te horen kreeg dat hij van koning Robert de Brus (ook wel Robert the Bruce, 1274-1329, koning van Schotland sinds 1306) afstamde. Het is niet de eerste keer dat een bekende Nederlander in het programma Verborgen Verleden wordt verteld dat hij of zij middeleeuwse koninklijke, of tenminste hoog-adellijke, voorouders heeft. Ik vind dat een kwalijke ontwikkeling. De redactie van het programma zit daar, desgevraagd, niet mee; het aantal kijkers neemt nog steeds toe en steeds meer mensen gaan hun familie nazoeken. Ik zou daar wel eens echte cijfers van willen zien, maar die lijken niet voorhanden.

Reconstructie naar de schedel van Robert de Brus door Christian Corbet.

Een eenvoudige  rekensom leert dat koning Robert ruwweg 28 generaties geleden geboren is. Dat betekent dat hij één van de 134.217.728 voorouders van Gerrit Zalm is. Trek daar een hele hoop verdubbelingen af doordat er zogenaamd kwartierverlies optreedt (men kan verschillende keren van hetzelfde echtpaar afstammen, zeker als de familie nogal honkvast was) en dan blijven er nog zo’n 100 miljoen theoretische voorouders over. En dat terwijl volgens de laatste demografische berekeningen de bevolking van Europa rond 1300 zo’n kleine 80 miljoen mensen telde en op het grondgebied van het huidige Nederland leefden toen niet meer dan 700.000 personen. Oftewel: alle Nederlanders waren, als je maar ver genoeg teruggaat, op meerdere manieren familie van elkaar en ook van een heleboel Europeanen, want er werd flink geëmigreerd.

Daar zitten dan natuurlijk ook de nodige adellijke connecties in, want via bastaardij vermengde die klasse zich met de ‘gewone’ mens en vormden zo lijnen die zelfs nog uit konden komen bij Karel de Grote. Er bestaan zelfs clubs van mensen die hebben uitgezocht hoe ze ergens van die beroemde keizer afstammen. Het genealogisch tijdschrift Gens Nostra van de Nederlandse Genealogische Vereniging heeft daar in het verleden veel aandacht aan besteed en de zogenaamde begin-, midden- en eindreeksen uitgezocht. Als je daar met je familie in terecht komt, kan je verwijzen naar een uiterst dun bloedlijntje Karolingisch bloed dat je 50 generaties terugbrengt. Maar u begrijpt dat je dan zo ongeveer ergens in de biljoen voorouders zit en zoveel hebben er nooit op de aarde gewoond.

Als je dus naarstig op zoek bent naar een beetje interessante voorouder en je moet tenminste 20 generaties terug om onder de middeleeuwse adel terecht te komen zit je inmiddels in zo’n verdunde mix van voorouders dat die echt niks meer zegt over enige invloed van het verleden op de hedendaagse hoofdpersoon van Verborgen Verleden. Je hebt, met andere woorden, dan zulke verre wortels dat dat niet meer dan ultra dunne haarvaatjes zijn waaruit dan nog een miniem druppeltje verwantschap te persen is. Zodat bijvoorbeeld half Friesland wel ergens een connectie met de nakomelingen van de zus van Grote Pier heeft en dus zogenaamd van die ‘grote vrijheidsstrijder’ afstamt. Inclusief Gerrit Zalm.

Hans Boskamp als Grote Pier in de Floris-serie uit 1969.

Het is niet interessant om van oeradel af te stammen. Het is veel interessanter om je voorouders rond 1800 wat verder uit te werken en uit te vinden hoe zij leefden. Met rond de 250 personen in je kwartierstaat rondom die eeuwwisseling heb je dan ook nog een beetje behapbaar overzicht op de maatschappij, het dorp of de stadswijk uit die tijd. En op hoe de politieke situatie inwerkte op de familie of hoe overstromingen, invasies, epidemieën en de seizoenen de positie van familieleden beïnvloedden. Wat dat betreft was de uitzending van Verborgen Verleden op 31 januari over schrijfster Carry Slee een stuk interessanter. Al zijn we de maatschappij van weldadigheid, waar enkele van haar voorouders verbleven, en de gevolgen daarvan wel meer tegengekomen.  Het uitwerken van het onderwerp – de armoede tijdens en na de Franse tijd –  verzandde echter al snel in de hangmatten boven de eettafel. Afijn: dan het Pauperparadijs maar weer eens lezen …

Het is dus de makke van Verborgen Verleden dat te veel gezocht wordt naar het bijzondere en afwijkende en niet naar het relevante voor de familie van hun slachtoffers van nu. Wat heeft de huidige Nederlander aan informatie over een zich misdragende voorouder als die uitglijer niet in zijn historische context geplaatst wordt? Waarom zou je trots zijn op je voorouder die veel ellende overleefde en een beter bestaan trachtte op te bouwen als dat een algemeen optredend fenomeen was dat uit de toevallig dan plaatsvindende conjunctuurwijziging of -ontwikkeling voortkomt? Leg dan uit waarom men in opstand kwam tegen misstanden of waardoor er glimpen van hoop ontstonden door het toepassen van nieuw uitvindingen. Maar ook dat het dan nog goed mis kon gaan. Daar leer je wat van en zo kom je meer te weten over waar je vandaan komt. En het kan best goeie tv opleveren ook.

Bovendien kan je zulke informatie nou eens prima gebruiken om het modeverschijnsel ‘identiteit van de Nederlander’ te onderbouwen. Als je niet zo ver teruggaat en het leven van, bijvoorbeeld, je bet-overgrootouders van alle kanten bestudeert en het resultaat in een behapbaar kader kan plaatsen zal dat waarschijnlijk meer begrip over waarom je bent wat je bent opleveren dan wanneer je je in misplaatste en verkeerd begrepen nostalgie blijft rondwentelen. Gezien de reactie van de Verborgen Verleden redactie op mijn protestbrief over Gerrit Zalms voorouders vrees ik echter dat daar voorlopig weinig zal veranderen. Helaas.

Voor eerdere blogs met commentaar op Verborgen Verleden zie hier en hier.

Waardeoordeel (3)

Het is dus niet gevonden… en dat terwijl het zo duidelijk is. Het is echt een niet te controleren waardeoordeel plus een dubieuze bewering over een persoon. Leest u nog maar eens terug in de zesde alinea:

“de vergiftigingsdood van Lodewijk van Loon (ca. 1180-1218), de tragische would-be graaf van Holland…”.

Hoezo ‘tragisch’ en  ‘would-be’? Hij is in naam en gesteund door een deel van de Hollandse adel en zijn schoonmoeder echt ca 3-4 jaar graaf van Holland geweest, al heeft hij na 1206 hier niet niet meer van zich laten horen. Heftiger is echter het bijvoeglijke naamwoord ‘tragisch’. Wij weten gewoon niet of hij het kwijtraken van zijn graafschap Holland zo ervaren heeft. Misschien was hij wel blij dat hij uit het vijandige kikkerland weg kon (weer waardeoordelen…). Hij had zijn vrouw terug en in Loon was van alles aan de hand wat een bedreiging vormde voor zijn ‘huismacht’. Als u mijn boek hebt gelezen (pp. 150-152) weet u wat er toen en daarna nog meer gebeurde, maar daar gaat het hier niet om.

Een graaf als tragisch neerzetten omdat hij één van zijn graafschappen verloor, is fout; dat moet je niet doen. We weten niet hoe de man omging met tegenvallers en hoe dat verlies hem aangreep of niet. Vond hij het een  ramp of was hij juist opgelucht? We weten niets van Lodewijk behalve zijn naam, herkomst, wat avonturen en gebeurtenissen en wat jaartallen. Hoe hij in elkaar stak zullen we nooit weten, dus we mogen hem geen emoties in de schoenen schuiven. Daar moet een historicus dus van afblijven.

Zo doen we dat dus. En u hebt weer wat geleerd.

Waardeoordeel (2)

Dat viel me dus wel een beetje tegen van mijn lezers. Alle bijna 300 personen hebben niet gemerkt dat ik een waardeoordeel in mijn vorige blog heb geplaatst. U gaat nu koortsachtig teruglezen om te zien of u het nog kunt vinden…

Wat was Riede en waar lag het? (6)

Als er getwijfeld kan worden aan de naamgeving van de Riederwaard, zoals in het vorige blog, is dat dan ook het geval bij de familie Van Riede? Je zou het wel zeggen. In het al meermalen genoemde artikel van Hoek in de Nederlandsche Leeuw staat een stamboompje van de Van Riedes afgedrukt (zie hierboven). Zoals bij middeleeuwse genealogiëen gebruikelijk is zijn de eerste generaties karig bedeeld met jaartallen. Ik heb eerder geschreven dat twee Van Riedes vroeg in de 13e eeuw genoemd worden, maar niemand weet hoe ze bij de latere generaties aansluiten. Ook Hoek sprak zich daar niet over uit, al zette hij Theodericus de Rithe van 1216 en Brun de Riethen/Riden van 1220-1243 onder elkaar zonder de verbindingsstreepjes die een familierelatie aanduiden, maar wel met de suggestie dat het vader en zoon waren. Hij noemde ‘Bruno’ ook  zonder meer ‘van Riede’, dus hij geloofde die connectie waarschijnlijk wel. De samenstellers van de genealogie Van Rij(e) op internet waren een stuk zekerder van hun zaak (of naïever…) en voegden zelfs tussenliggende anonieme Van Riedes toe als er te veel ruimte tussen de in de bronnen voorkomende leden van die familie zat.

Hoek reconstrueerde drie takken Van Riedes, maar zelfs bij die van de tweede helft van de 13e eeuw is niet duidelijk hoe die takken aan een enkele stamboom vastzaten. Dus de familierelatie is voor een flink deel gebaseerd op aannames. En dat roept de nodige vragen op. Zoals: zijn die eerste Van Riedes wel echte Van Riedes?

getuigen 1216
Het getuigenlijstje van de oorkonde van 5.12.1216 (OHZ I, nr. 370)

Theodericus de Rithe is in december 1216 getuige in een oorkonde van graaf Willem I, wanneer deze een schenking van gravin Aleid, weduwe van graaf Dirk VII, aan de abdij van Mariënweerd in de Betuwe bevestigt. Uit die acte is niets op te maken over Theodericus (de latijnse versie van Dirk) en wie hij was. Andere getuigen zijn (in deze volgorde) Dirk, heer van Voorne, Dirk Drossaard van Holland, Arnout van Rijswijk, Floris van Wo(e)rd(en), Jan van Putten, Dirk Bokel met als laatste Dirk van Rithe. Merkt u wat ik deed? Ik vertaalde alle, behalve de laatste achternaam, in modern Nederlands. Alle Dirken worden in het latijnse origineel als Theodericus geschreven. Arnout is dus Arnoldus, Floris is Florentius en Jan is Johannes. Voorne wordt als Voren geschreven, Rijswijk als Ryswic, Wo(e)rd(en) als Wordh, Putten als Pvtthen en Bokel als Bukel.

Drossaard, die eigenlijk Dirk van Teilingen heette, is natuurlijk geen achternaam, maar een niet onbelangrijke hoffunctie. Hij was een soort hofmeester oftewel hoofd van de huishouding. Daar moet u niet te gering over denken, want dat was geen erebaantje. Het was een zeer verantwoordelijke , functie; één die voornamelijk door adellijke personen werd uitgeoefend, liefst door familieleden van de vorst. Deze Dirk Drossaard wordt beschouwd als de voorvader van de heren van Brederode, die daarom lang hebben volgehouden dat ze familie van de graven van Holland waren. Net als de Van Teilingens trouwens.

Dat Voren Voorne is, Pvtthen Putten en Bukel Bokel mag veilig aangenomen worden. Welk Rijswijk hier bedoeld wordt is al wat minder duidelijk: er waren twee heerlijkheden Rijswijk. Één lag bij Den Haag en het andere in het land van Altena. De noordoostelijke Grote Waard dus. Van die heren daar horen we pas in de 14e eeuw, dus die vallen af. Er waren in de jaren ’20 van de 13e eeuw drie broers Van Rijswijk, Willem, Gelekin en Simon, die veel in de omgeving van de nog piepjonge graaf Floris IV te vinden waren. Zij hoorden bij het Rijswijk bij Den Haag. Het ziet er niet naar uit dat Arnoldus familie van hen was: hij lijkt alleen twee dochters gehad te hebben. Maar er was ook nog een Arnold van Teilingen (ook Arent of Arend genoemd) die zich Van Rijswijk noemde. Hij was waarschijnlijk een broer van Dirk Drossaard. Dat zal dan ook de vermelde Arnoldus geweest zijn.

Ook Florentius de Wordh is moeilijk te plaatsen. Is Wordh echt Woerden? Volgens de lijstjes van de heren van Woerden kan dat niet, want daar komt geen Floris in voor. Wat is het dan? Nu blijkt er een nakomeling van Dirk I, heer van Voorne, te zijn die Floris van Voorne, heer van de Hoge en Lage Woert genoemd wordt. Dat betekent dat Floris de broer is van Dirk II van Voorne die in het document als eerste van de getuigen wordt genoemd. Dirk was een belangrijk man was, vandaar dat hij op die eerste plaats stond. Hij was namelijk burggraaf van Zeeland, een soort plaatsvervanger van de graaf daar. U ziet dat het invoegen van mensen met een bepaalde achternaam in een familie in de 13e eeuw soms nogal riskant is. Ze kunnen zomaar de naam van een bezitting aangenomen hebben en dan moet je geluk hebben als je ze alsnog kunt plaatsen. En dat geldt ook voor de Van Riedes.

brun 1243
Brunone de Riden als getuige in de oorkonde van april 1243 (OHZ II, nr. 637).

Is ‘de Rithe’ echt hetzelfde als Van Riede? En geldt dat ook voor Brun de Riethen of de Riden? Is hij familie van Theodricus de Rithe, of is dat wishful thinking? De naam Brun (Bruno, Bruyn) komt niet veel voor in dit deel van de middeleeuwen. Dat wil zeggen: niet in Nederland. In Duitsland is hij veel gewoner in die tijd en ook al veel vroeger. Betekent dat dat hij een Duitser geweest kan zijn? Nou, dat zou een beetje al te radicaal zijn. Er is, ook hier, geen bewijs voor. Het is ook niet echt logisch dat hij dan als getuige bij typisch Hollandse handelingen wordt opgevoerd. Wat wel vreemd is dat die voornaam verder in de familie Van Riede nergens meer opduikt. Het was normaal bij de middeleeuwse adel (en niet alleen bij hen) dat er vernoemd werd naar opa’s en oma’s. Als Brun geen kinderen had kan zo’n naam natuurlijk verdwijnen, maar ook dat weten we niet. Het enige dat we weten is dat Brun in twee oorkonden voorkomen die over zaken in of vlakbij Dordrecht gaan. En dat Riede een aan Dordrecht grenzende bezitting was. Zoals gezegd: er is geen bewijs dat De Rithe, De Riethen en De Riden dezelfde achternaam zijn en dat ze op Riede slaan, al lijken ze op het eerste gezicht op elkaar.

Maar er zaten toch Van Riedes in de Riederwaard, hoor ik u vragen: dus die is toch naar die Van Riedes genoemd? En Ridderkerk was toch oorspronkelijk Riederkerk, ook vanwege die familie die de kerk daar had gesticht? Dat zou je inderdaad denken, vooral als je de populaire literatuur over die waard leest, zoals ik die in het vorige blog heb behandeld. Maar er zitten ook hier een paar addertjes onder het gras. Daar zal ik het in het volgende blog over hebben.

Wordt vervolgd