Dordrecht en zijn geschiedenis 2

We hebben er dus een standbeeld bij. En dat hebben we geweten. Sinds 10 oktober jl staat een drie meter hoog beeld van prins Willem I van Oranje voor de achtermuur van het huis Berckepoort uit de 16eeeuw (met oudere onderdelen en fundamenten). Het is, volgens kenners, het 67steof 68ste al of niet in opdracht voor de openbare ruimte gemaakte driedimensionale  kunstwerk. Dat gebeurt al sinds de 19e eeuw, maar regelmatig sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw. Aanvankelijk werd ongeveer om de paar jaar ergens een nieuw beeld opgericht, vooral nog herdenkingsmonumenten in verband met de laatste oorlog, later kwamen ze frequenter. Soms elk jaar één en er waren jaren met onthullingen van twee (1988, 1991, 2004), drie (1990, 1998, 2008, 2009) en zelfs vijf beelden (1983, 1985, 1999). Cor van Gulik, Dordts beeldhouwer en graficus, is met zes beelden de topper als het om geplaatste kunstwerken gaat.

De meeste staan vrij in de ruimte, een zestal zit tegen een muur of muurtje. De meeste zijn ook tamelijk neutrale, nogal brave kunstwerken die soms toch echt een verschil in hun omgeving maken en waaraan de buurt, na wat gemor in het begin, toch op den duur aan gehecht raakte. Van al die< standbeelden zijn er echter maar vijf die een historisch persoon herdenken. En dan zou het gaan om mensen, allen mannen, die iets voor Dordrecht betekend hebben of die iets met Dordrecht hadden.

Het oudste beeld (1862) is dat van Ary Scheffer, een schilder die in zijn tijd nogal een fenomeen was in Parijs, maar die hier werd geboren (1795-1858). Hij vertrok echter al op twee-jarige leeftijd uit Dordrecht en is bij mijn weten nooit terug geweest. Hij was wel erg beroemd en na zijn dood kreeg hij daarom in zijn geboortestad dat beeld. Het staat nog steeds op de oorspronkelijke plaats, de Beurs (men noemde hem vroeger Aoi van de Beurs), die bij die gelegenheid tot  Scheffersplein werd omgedoopt. In mijn ogen staat hij er een ontspannen, maar een beetje pedant bij: kijk mij eens…

Het in tijd daarop volgende historische beeld is dat van de gebroeders De Witt, of Jan en Kees de Witt op de Visbrug, zoals ze hier worden genoemd. Ook zij waren zonen van Dordrecht en hebben een flinke rol gespeeld in de politiek van de 17e eeuwse republiek, tot ze beide in 1672 in Den Haag werden gelyncht door een Oranjegezinde groep dronken en opgejutte Haagse schutters. Bovenop de sokkel zit Johan in zijn zetel te somberen en Cornelis leunt er een beetje verveeld tegenaan. Het kunstwerk is door Toon Dupuis ontworpen en in brons uitgevoerd en werd in 1918 onthuld. Oorspronkelijk had er een beeld van prins Wilem III moeten komen, dus van de man onder wiens bewind (en wiens medeweten?) de gebroeders werden vermoord, maar protesten uit de stad voorkwamen dat. Toen wel. Tegelijk werd in Den Haag op de Plaats, het pleintje waar hij en zijn broer waren afgemaakt, ook een standbeeld van Jan de Witt alleen onthuld.

Daarna was het wat historische standbeelden betreft een hele tijd stil. In 1979 volgt dan de plaatsing en herplaatsing van het beeld van graaf Dirk IV die hier in 1049 sneuvelde. Ik heb daar in eerdere blogs aandacht aan besteed. Hij wordt hier liefkozend Dirrekie genoemd, al is hij niet zo klein als men denkt.

Tot aan de top van zijn helm is het toch 1.85 m, dus hij is ongeveer 1.80 m lang, wat een nogal flinke, onmiddeleeuwse lengte is.  Ook dit standbeeld is net als het recent geplaatste een geschenk, in dit geval van de bank Mees & Hope. De toenmalige archivaris en een historicus hadden tegen de bank gezegd dat de graaf “een belangrijke aanzet [zou] hebben gegeven tot het ontstaan van de stad Dordrecht”.  Hoe dat mogelijk is als hij hier alleen maar is gesneuveld is de vraag. Van hem zijn geen stadsbevorderende maatregelen bekend en dat was in 1049 ook nog helemaal niet aan de orde. Het is trouwens wel bijzonder dat enkele wetenschappers dat in 1978 nog dachten.

Vervolgens moeten we een hele tijd wachten voor er weer een bekende Dordtenaar in een beeld wordt herdacht. Deze keer tot 2006 toen de schilder Aelbert Cuyp zo werd vereerd. Ik zeg daar verder niks over, want als u het ziet en weet dat het beeld hier het nikkelen fruitbaasje van Dordt wordt genoemd, weet u waarom. Wie het echt graag van dichtbij wil zien moet naar het brede gedeelte van de Vriesestraat aan de rand van het centrum.

En dan komen we bij de laatste aanwinst. Ook over dit beeld heb ik uitgebreid geschreven.

Het beeld is geschonken door de Prins Willem de Eerste Herinnerings-Stichting en eigenlijk was in 2016 alles al in kannen en kruiken voor de Dordtse bevolking ermee werd geconfronteerd. Of mijn blog ertoe aangezet heeft weet ik niet, maar langzaam kwamen er protesten op gang over dit voornemen. Het belangrijkste was dat in de stad van Jan en Kees de Witt geen standbeeld van een Oranje paste. Al heeft Willem III (achterkleinzoon van Willem de Zwijger) niet fysiek meegedaan aan het lynchen van de gebroeders, “vastgesteld is dat de prins ervoor zorg droeg dat de moordenaars niet werden vervolgd en beloond werden met jaargelden en ambten”. Ook zou hij van tevoren overleg gehad hebben met mensen die samenspanden om de De Witten te vermoorden en zou hij geweigerd hebben pamfletten die daartoe opriepen te verbieden.

Het was natuurlijk al veel te laat om de plaatsing van het beeld te voorkomen. Men kreeg nog even ‘inspraak’ in welk van de vier ontwerpen het zou worden en koos natuurlijk het meest traditionele ervan.

Arie Schippers mocht aan de gang en kon op  9 oktober jl  prinses Beatrix zijn beeld zien onthullen. Helaas werd de ceremonie wat verstoord toen de aanwezige burgemeester van Oudewater, een oud-Dordtenaar en burger-raadslid alhier, concludeerde dat zijn stad niet in het rijtje van steden die de statenvergadering van juli 1572 hadden< bijgewoond op de sokkel van het beeld voorkwam. De burgemeester van Dordrecht putte zich uit in verontschuldigingen en beloofde dat de naam er alsnog op zou komen. Maar dan wel om een hoekje, want op de voorkant was geen plaats meer. Blamage.

Dat werd nog erger toen de kunstenaar, Arie Schippers, beweerde dat Oudewater er niet op hoorde, want die stad had in 1572 geen stemrecht gehad op de statenvergadering. Ik kon niet anders dan hierop< inspringen, want dat was grote onzin. Oudewater, dat al diverse keren bij statenvergaderingen aanwezig was geweest had het volste recht daartoe. Hij behoorde tot de zogenaamde kleine steden van het zuider kwartier (je had ze ook in het noorder kwartier oftewel Noord-Holland) en deed mee met de besluitvorming als het hun aanging. En zo ging dat ook in de bewuste statenvergadering: alle gedeputeerden bevestigden Willem van Oranje als stadhouder, keurden het geven van veel geld voor zijn leger goed en stelden Lumey aan als generaal van de staten in de opstand tegen de Spanjaarden. Zo staat het in de notulen: alle gedeputeerden stemden voor, inclusief de burgemeester en de pensionaris van Oudewater.

Bovendien hadden buiten de grote steden Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda (Delft en Amsterdam waren er in 1572 trouwens< niet bij) geen van de andere steden stemrecht. Dat kwam pas een jaar of wat later, toen in het geheel 18 steden mochten stemmen. Statenvergaderingen waren er vanwege de oorlog een aantal jaren niet meer en eer ze weer begonnen was Oudewater in 1575 volkomen afgebrand en de bevolking uitgemoord door Spaanse huurlingen. Vanaf die tijd is het stadje nog wel beroepen in de vergaderingen maar kreeg het geen stemrecht meer.

Dat het in 1572 geen stemrecht had was dus een smoes van Arie Schippers (van wie zou hij dat gehoord hebben?), want zelfs als dat zo geweest was hadden ook Alkmaar, Edam, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik en Monnikendam (noorder kwartier) en Gorinchem (zuider kwartier) niet op de sokkel moeten staan. Dat je zo je blunder recht moet praten is dus het gevolg van slordigheid van de organisatie die zo’n beeld hier naartoe wil halen. En van de onkunde bij de verantwoordelijken over de politeke situtie in het begin van de Opstand. Daarvoor had Dordrecht dus een historicus in moeten schakelen. Dat het dan nog verkeerd kan gaan zie je aan Dirrekie, maar nu was dat echt niet nodig geweest. Dordrecht heeft weer eens een flater< geslagen door geen historicus voor zoiets te raadplegen.

Toen ik in een interview hierover gevraagd werd voor wie ik dan wel een standbeeld zou willen oprichten heb ik graaf Dirk VII (graaf 1190-1203) genoemd, al ga ik daar echt geen campagne voor voeren. Hij heeft werkelijk wat voor Dordrecht gedaan door stadsrechten te schenken, omdat hij zag wat voor potentie de stad als handelscentrum had. Zijn broer Willem I (graaf 1208-1222) heeft daar in 1220 nog eens het keurrecht – het recht om eigen wetten te maken zonder de graaf daarom te hoeven vragen – aan toegevoegd. Toen was het hek van de dam en kon Dordrecht onbeperkt groeien tot de belangrijkste stad van Holland. Ik kom daar later nog op terug. Maar hieruit blijkt toch weer dat niet alleen bij monumenten, maar ook bij kunst in de openbare ruimte, de kennis van geschiedenis in Dordrecht beperkt is. Men komt ook niet op het idee een historicus te vragen hoe het dan wel zit. Of men vraagt de verkeerde…

Dordrecht en zijn geschiedenis 1

Naar aanleiding van diverse herdenkingen van historische gebeurtenissen en het plaatsen van een standbeeld dat niemand wilde in de stad Dordrecht ben ik gaan nadenken over de houding van de Dordtenaar (en hierbij betrek ik ook vrouwen) en zijn gemeentebestuur en culturele elite ten opzichte van zijn geschiedenis. En wat dat voor gevolgen heeft gehad voor de stad en nog heeft en op de beleving daarvan door bewoners en bezoekers. Hoe lang deze serie blogs gaat worden weet ik nog niet, dus dat zien we vanzelf. Misschien dat het onderzoek en het resultaat mij en de lezers wat duidelijkheid zal verschaffen. Reacties en aanvullen zijn welkom.

De Dordtenaren die ik ken – en dat zijn er nogal wat – hebben een nogal dubbele verhouding met de geschiedenis van hun stad. Aan de ene kant zijn ze best trots op hun aantrekkelijke historische centrum, maar aan de andere kant kan het de meesten geen lor schelen hoe er hier met de geschiedenis wordt omgegaan. En dan bedoel ik van gemeentewege, vanuit de politiek en de ambtenaren, stadsmarketing, erfgoedorganisaties of cultuurbobo’s. En die houding gaat ver terug. Daarom was er zo goed als niemand die protesteerde toen halverwege de 19e eeuw de vestingmuren en poorten en diverse historische gebouwen werden gesloopt om ruimte te maken voor het verkeer. Dat kan natuurlijk hebben gelegen aan de onkunde en algemene ongeïnteresseerdheid voor het verleden uit die tijd.

Stadsarchitect Itz (1799-1869) had er echter wel belangstelling voor (ondanks dat hij die lelijke neo-klassieke gevel voor ons echt-gotische stadhuis had gezet) en heeft er ook voor gezorgd dat veel ouds voor het verdween door Jan Rutten (1809-1884) in potlood, pen en aquarel voor het nageslacht werd vastgelegd. Zo kunnen we nog steeds zien wat er toen voor eeuwig verdween. Na de dood van Itz nam Simon van Gijn (1836-1922) de opdrachten over en startte de verzameling Atlas Dordracum Illustratum, die nu nog een geweldige schat aan door Rutten prachtig getekende en geschilderde monumenten bevat. De kunstenaar schonk zijn hele werk, toen zijn ogen achteruit gingen, aan Van Gijn. Het heeft de afbraak helaas niet voorkomen.

Een bredere, landelijke waardering voor monumenten ontstond pas nadat Victor de Stuers in 1873 het artikel ‘Holland op zijn smalst’ in De Gids had gepubliceerd. Daarin kaartte hij het gebrek aan belangstelling voor ‘kunstmonumenten’ in Nederland aan.

Hoe het met de kunstmonumenten hier te lande gesteld is, is aan de meesten en inzonderheid aan hen die officieel geroepen zijn daarvoor te waken, geheel onbekend; evenmin vormt men zich een denkbeeld van het moreel en materieel belang der kunst, en een zware nevel bedekt de vraag wat er behoort en wat er kan gedaan worden.

Het werd de aanzet tot het oprichten in 1875 van wat nu Monumentenzorg heet. Het belang van monumenten (en daar verstond men niet alleen gebouwen onder, maar ook diverse andere nationaal belangrijke kunstwerken) voor ons geschiedenisbesef drong maar langzaam door. Schoorvoetend werden in diverse steden historische verenigingen opgericht die al snel begonnen met het inventariseren van hun monumentenarsenaal. Dordrecht was in 1892 aan de beurt. In dat jaar werd de vereniging Oud-Dordrecht opgericht door o.a. zulke coryfeeën als mr. Simon van Gijn, kunstschilder Bas Veth en stadsarchivaris mr. dr. Jacob Cornelis Overvoorde.

Al die verenigingen waren trouwens clubjes bestaande uit leden van de stedelijke elites; het is wel zeker dat de middenstand en de werkende klasse geen enkele belangstelling voor het beschermen van ouwe meuk had. Niettemin hebben deze verenigingen vanaf ongeveer 1900 een flinke invloed gehad op het bewaren van het landelijke materiële erfgoed.

Oud Dordrecht heeft echter in de jaren ’60 van de vorige eeuw niet kunnen voorkomen dat nog eens een tweede afbraak van onze binnenstad plaatsvond. Hoogstens hebben  ze het bewaren van mooie Dordtse gevels bevorderd, die vervolgens voor nieuwe rijtjes in de Hofstraat en de Nieuwstraat werden herplaatst. En we kregen een Grote Markt, een Statenplein en een Spuiboulevard en diverse verbrede (en dus half of heel afgebroken en herbouwde) straten. En het zo geliefde postkantoor ging plat. Eindelijk kwam, onder andere daardoor, nu ook de gewone Dordtenaar in opstand, maar inspraak was in de jaren ’60 nog echt niet zo in het maatschappelijk debat doorgedrongen als nu (is dat zo?). Er werd dus niet naar hen geluisterd en er werd gesloopt. De binnenstad moest bereikbaar blijven en dus kreeg de auto voorrang.

Afbraak bij de Tolbrugstraat Waterzijde, Foto begin jaren ’70, Regionaal Archief Dordrecht 131-552-720052.

Tot burgemeester Van der Lee de verdere plannen begin jaren ’70 afblies. Daarna werden er  parkeergarages gebouwd, pleinen autovrij gemaakt en kwamen er zelfs pollers om de auto nog verder terug te dringen. De binnenstad werd weer bewoonbaar en flats en Van Dam-eenheden vulden de gaten op. De rijks- en stedelijke monumenten (ongeveer 2000 stuks inclusief beeldbepalende panden) werden beter onderhouden en gerestaureerd en geliefd bij de beter gesitueerde stedeling. Er gingen zelfs stemmen op om een meer elitair winkelbestand te gaan bevorderen om het grote geld naar Dordrecht te lokken. Tot de crisis kwam, met als nasleep het veranderende  winkelgedrag. Lege etalages, failliete winkelketens, telefoonwinkels die de grond uit schoten en pop-up stores met ultra-goedkope tinnef, die na een paar jaar weer verdwenen.

En dan hebben we het nog maar over het uiterlijk van onze monumentale stad.

“Dordrecht had de eerste vrouwelijke burgemeester”

stadsrecht 1220

In 2016 heb ik al aandacht besteed aan wat ons in 2020 te wachten staat: Ik was toen al vijf jaar bezig de gemeente, burgemeesters en wethouders en de raad ervan te overtuigen dat het dan toch wel de moeite waard is om aandacht te besteden aan onder andere de reden waarom Dordrecht de oudste stad van Holland is. Daar heeft men hier nogal de mond van vol, maar bij doorvragen blijkt toch meestal wel dat het niet duidelijk is wat men daar onder verstaat en hoe dat zo is gekomen. Het is onder andere de aanleiding geweest om die serie blogs over dat onderwerp op Apud Thuredrech te zetten. Ik ben alleen bang dat de verantwoordelijken – een projectteam, zoals gebruikelijk in de moderne gemeentepolitiek  –  (en natuurlijk Dordrecht Marketing) het weer niet begrepen hebben. Ze hebben vast niet de moeite genomen mijn blog te lezen en de historische achtergrond van de stadsrecht van 1220, die ik in een voor elke leek begrijpelijk stuk aan de wethouder en de ‘stadsintendant’ had gezonden, hebben ze klaarblijkelijk ook niet gesnapt.

Op een open avond in schouwburg Kunstmin op 10 juli 2019 schijnen de nodige bloopers de zaal in te zijn geslingerd. Een verslag erover in Indebuurt kopt namelijk met:

Wist je dat de eerste burgemeester van onze mooie stad een vrouw én een keizerin was?

Gek genoeg weten we wel degelijk wie de eerste burgemeesters van Dordrecht waren, maar dat waren geen vrouwen. Het waren heer Thieleman ver Mathildenzoon en heer Willem Dukinc, die ook in de schepenraad hadden gezeten of er later nog in terechtkwamen, en ze werden in het belastingjaar 1284-85 aangesteld. Ze waren verantwoordelijk voor de openbare werken in de stad en beheerden ook de daarvoor benodigde gelden. Het waren dus nog niet de burgervaders van tegenwoordig die met een ceremoniële zilveren keten om de raadsvergaderingen voorzit en met de wethouders samen B&W vormt. Dat soort bestuurders had je in de middeleeuwen niet en er is ook niemand van nu mee te vergelijken. Schepenen van toen waren niet hetzelfde als wethouders nu, de schout was niet hetzelfde als de commissaris van politie en er was nog geen gemeenteraad, laat staan politieke partijen. De graaf van Holland was de baas over de stad. Hij stelde zelf een vertegenwoordiger aan, de schout, om de boel in de gaten te houden, en hij koos de schepenen uit een door hun collega’s voorgesteld dubbeltal van geschikte, vrije mannen met voldoende middelen om zonder betaling een jaar lang de stad te helpen besturen.

Zegel van keizerin Maria van Leuven, ca 1215.

De bedoelde vrouw, Maria van Leuven (ook van Brabant genoemd, maar dat is in die tijd eigenlijk nog niet correct) trouwde in juli 1220 met de Hollandse graaf Willem I. Zij was inderdaad tussen 1214 en 1218 met keizer Otto IV van het Duitse Rijk getrouwd geweest en kon zich keizerin noemen al was ze nooit gekroond. Ze werd vanaf haar huwelijk samen met hem opgejaagd door zijn vijanden en ze is in dat laatste jaar weduwe geworden. Graaf Willem en zij kenden elkaar al een tijdje en er kan toen een vonk zijn overgesprongen, maar bewijs is daar niet voor. In die tijd was een huwelijk onder vorsten vooral een politieke verbintenis. Het leeftijdsverschil tussen beide was meer dan 20 jaar en het zat erin dat de graaf, die 51-52 was in 1220, zijn 29-30-jarige vrouw verzorgd achter wilde laten in geval van een spoedige dood. Vandaar dat hij haar naast wat heerlijkheden, een hof en de nodige rechten ook de stad Dordrecht als bruidsschat gaf, met de grafelijke inkomsten. Ze kreeg dus de rechten die haar man eerder over Dordrecht uitgeoefend had en trok daar haar inkomsten uit. Met andere woorden: ze werd stadsvrouwe. Burgemeesters waren er dus nog niet en toen die er in 1284 kwamen deden ze heel andere dingen dan moderne burgemeesters. De populaire verwoorde vergelijking is dus fout en eigenlijk te belachelijk voor woorden voor iedereen die een beetje verstand van geschiedenis heeft. Of die mijn blogs heeft gelezen.

Zegel van graaf Dirk VII, ca 1198-1200

Het nog steeds bewaarde, maar zwaar gehavende, stadsrecht van 1220 is waarschijnlijk inderdaad gegeven ter gelegenheid van dat vorstelijke huwelijk. U weet inmiddels echter dat er al minstens twee eerdere setjes keuren aan de stad gegeven waren, waarschijnlijk door de oudere broer van graaf Willem I, graaf Dirk VII die in 1203 overleed. Al voor 1200 stond Dordrecht in wijde omgeving al bekend als stad en had men een eigen schepenraad. Ze hadden een eigen rechtgebied dat los stond van de rest van het landrecht van Holland. Bovendien en boven alles kreeg de stad in 1220 in die nieuwe stadskeur het recht zijn eigen regels of keuren te maken. Dat was in Holland nog nooit vertoond en het zou nog 25 jaar of meer duren voor andere Hollandse steden iets dergelijks kregen. En dan nog: die moesten hun nieuwe keuren toch nog aan de graaf voorleggen en soms waren ze maar een jaar geldig en moesten steeds vernieuwd worden met grafelijke toestemming. Het Dordtse keurrecht moest zelfs door de graaf en zijn schout gerespecteerd worden, tenzij het natuurlijk tegen de grafelijke eigen rechten inging. Bovendien kon een schout die zich niets aan de rechten gelegen liet liggen ontslagen worden.

Het is dus niet het feit dat we in 1220 een setje van 15 artikelen kregen dat we kunnen gaan vieren, maar dat door het krijgen van het keurrecht Dordrecht zijn eerste plaats onder de Hollandse steden innam. En dat dit de groei en bloei van de stad als een handelsemporium, een spil in de commercie tussen Holland en het buitenland, veroorzaakte. Dordrecht werd er het Rotterdam van de 13e en 14e eeuw door. Aan die positie hebben we onze unieke plaats in de geschiedenis van Nederland te danken, ondanks dat we vanaf 1421 overvleugeld werden door Amsterdam. En later door Rotterdam. Ik wilde dat Dordtenaren zich dat eens realiseerden in plaats van dat ze denken dat ze verjaardag van Dordrecht vieren. Of 800 jaar stadsrechten. Of dat het gewoon een leuke aanleiding voor een feestje is. Maar ik zal wel weer tegen windmolens aan het vechten zijn.

Nawoord:

Ik begin een zwaar vermoeden te krijgen dat het vieren van 800 jaar keurrecht in 2020 weinig te maken zal gaan hebben met wat er werkelijk in 1220 gebeurde. Ik heb diverse signalen vanuit de gemeente en organiserende personen en groepen ontvangen die me doen huiveren voor wat er komen gaat. Ik zal hier daarom de komende maanden regelmatig verslag doen van de voorbereidingen voor het feest dat een jaar zal duren en € 1.300.000 mag gaan kosten. Volgens nooit officieel bevestigde berichten heeft de gemeente er echter geen € 10.000 voor over om nu eens een echt, nooit eerder gehouden, onderzoek naar het stadsrecht te laten doen. Dat zegt mij eigenlijk al genoeg. Maar we zullen zien…

Gaan we weer…

Ik word er soms behoorlijk moedeloos van. In oktober en november 2016 heb ik in dit blog aangetoond dat hier volkomen verkeerd tegen de vergadering van de Staten van Holland die van 19 tot 23 juli 1572 in Dordrecht werd gehouden op verzoek van prins Willem van Oranje wordt aangekeken. Hij wordt hier de Eerste Vrije Staten Vergadering genoemd waar zo’n beetje ons vrije, tolerante Nederland ontstond zoals men maar blijft beweren. Niks eenheid, niks vrijheid, niks tolerantie: hij had gewoon dringend geld nodig om een inval in de zuidelijke Nederlanden te doen en wilde hier bepaalde zaken geregeld hebben als de hertog van Alva, die al in het zuiden huis hield, naar Holland zou komen. Hier, maar ook elders, hadden namelijk de meeste steden zich aangesloten bij een opstand tegen de koning, of eigenlijk: tegen zijn plaatsvervanger Alva. Hij zou dat gedrag flink komen afstraffen, daar kon je donder op zeggen. Dat gebeurde dan ook (Mechelen, Zutphen, Naarden, Haarlem), tot de steden zich één voor één vrij gingen vechten (Alkmaar, Leiden). Er was dus geen sprake van dat Nederland (welk begrip nog lang niet bestond) zich in 1572 als zelfstandig land ging profileren. Dat duurde nog minstens 350 jaar.

Één van de laatste punten uit de notulen van die vergadering was dat men het katholiek gebleven deel van de bevolking (en dat was een heel groot deel…) niet lastig mocht vallen en hen niet mocht storen in het uitoefenen van hun religie. Ze moesten getolereerd worden, tenzij ze natuurlijk met de Spanjaarden zouden gaan heulen tegen de protestanten. Een echte beslissing hierover kon nog niet genomen worden; dat kon alleen de Staten Generaal, het vertegenwoordigingsorgaan van alle provincies. Het was dus niet meer dan een punt van aandacht; er werd niks geregeld. Hoewel dat later wel is geprobeerd (in Utrecht, Atrecht en Gent) is er nooit wat van terecht gekomen, want de Calvinistische dominees die het in de Republiek (die na 1581 zou ontstaan), maar met name in Holland en Zeeland voor het zeggen hadden, wilden de katholieken gewoon verbieden. Hoezo godsdienstvrijheid? Een samenvatting van de 7 blogs over dit ontwerp vindt u hier.

Toch wordt in het museum in het Hof dit allemaal onder de noemer van het ontstaan van ons land en van onze spreekwoordelijke vrijheid van meningsuiting beweerd. Sinds Koningsdag 2015 wordt er dan ook jaarlijks aandacht aan besteed, zoöok in 2019.

Zo kondigde ook bioscoop The Movies het aan:

Dordrecht viert en herdenkt 19 juli 1572 (moet waarschijnlijk 2019 zijn), de eerste Vrije Statenvergadering. Dit cruciale moment in onze geschiedenis vond plaats in onze stad. Willem van Oranje smeedde eenheid in de vrijheidsstrijd tegen de Spaanse bezetter en hij liet godsdienstvrijheid vast leggen.

Ik heb in mijn blog ook aangetoond dat dit niet de eerste ‘vrije’ statenvergadering was; de Staten van Holland waren al eerder in de eeuw samengekomen zonder dat de vorst of zijn stadhouder hen daarvoor op had geroepen. Op eigen houtje dus; omdat ze dat nodig vonden. Zoöok nu. Bovendien had Willem van Oranje, als stadhouder, het recht om hen op te roepen tot een vergadering. De koning had hem wel afgezet en iemand anders aangesteld, maar dat had hij niet zonder overleg met de Staten mogen doen. De afzetting was dus niet geldig en de vergadering bevestigde dan ook dat hij nog steeds  stadhouder was.

Willem ‘smeedde’ dus geen eenheid. Hij probeerde alleen via zijn vertegenwoordiger Philips van Marnix geld voor zijn veldtocht te regelen, en snel, want hij stond al klaar aan de grens bij Roermond met een leger huurlingen dat betaald moest worden. Bovendien moest ook de landsverdediging geregeld en betaald worden en daar deed hij voorstellen voor. O.a. werd de wrede geus Lumey aangesteld als militair aanvoerder of generaal. Maar dat alles betekende niet dat er nu eenheid ontstond in Holland en aangrenzende gebieden; daarvoor waren al die steden te zelfstandig. Het was al heel wat dat de steden die geen Spaanse bezetting hadden vertegenwoordigers naar Dordrecht stuurden. Ze realiseerden zich blijkbaar wel dat er een gezamenlijk optreden en financieren nodig was (want dat geld kwam er en de rest werd beloofd), maar het was bepaald niet zo dat ze nu zichzelf gingen besturen. De koning van Spanje was altijd nog de hoogste baas,  maar zijn wrede vertegenwoordiger werd niet langer getolereerd. Om zich dat te realiseren hadden ze de prins van Oranje niet nodig.

Uit het blog en mijn samenvatting blijkt dus ook dat die godsdienstvrijheid niet werd ‘vastgelegd’. Willem van Oranje probeerde alleen maar te voorkomen dat katholieken en protestanten elkaar zouden bestrijden en hoopte, als de problemen achter de  rug zouden zijn, dat de Staten Generaal een wettelijk onderbouwde tolerantie voor elkaars godsdienst zou kunnen regelen.  Het is er niet van gekomen. Pas de grondwet van de Bataafse Republiek, de Staatsregeling van 1798, zou er een begin mee maken en natuurlijk is het in de Grondwet van 1848 definitief geregeld.

Aankondiging van het feestje in 2019

Dordrecht staat zich echter nog steeds voor als de stad waar het allemaal gebeurde en dat wordt breed uitgemeten in het museum in het Hof. Dat is dus onterecht: in Dordrecht ontstond geen nieuwe staat, werden de steden en provincies niet vereend in hun strijd tegen de ‘Spanjaarden’ en ging niet de vrijheid van godsdienst, laat staan die van meningsuiting, van start. Er is dus niks te vieren. Doe je dat wel dan ben je met geschiedvervalsing bezig. Of je gebruikt tenminste de verkeerde argumenten om een feestje te bouwen.

De oudste stad van Holland (6)

Dr. Joost Cox heeft in zijn proefschrift uit 2011 alle nog bestaande stadsrechten van Holland en Zeeland tussen 1213 en 1484 – en dat zijn er 60 – behandeld. Hij heeft ze netjes op alfabet van de stadsnaam gezet en de originele Latijnse of Middelnederlandse tekst met nieuwe vertalingen in modern Nederlands gepubliceerd. Dat alles voorafgegaan door een gedegen inleiding en vraagstelling, gevolgd door een stevige analyse en conclusie. Voor de geïnteresseerde is het hier te vinden.

omslag hebbende
Omslag van het proefschrift ‘Hebbende privilege van stede’.

U zult inmiddels wel begrepen hebben dat ik, wat Dordrecht betreft, niet heel gelukkig ben met enkele van die conclusies en soms ook niet met de analyses van deze stadsrechten. Maar ook de verschillen tussen die korte stadsrechtjes van Dordrecht en Geertruidenberg (en andere) en de lange van de meeste andere steden komen nauwelijks aan bod. Het gaat een beetje te ver om dat in dit blog wel te doen, maar ik wil tenminste een indruk geven van wat er nu eigenlijk in het stadsrecht van 1220 staat en hoe dat te vergelijken is met al die andere stadsrechten.

Ik heb al eerder geschreven dat de tekst (zie boven) is onder te verdelen in 15 artikelen. Zes daarvan hebben betrekking op strafrecht. Het zijn boetes (en dat zijn hoge bedragen) voor mensen die iemand een kaakslag geven (5), neerslaan (4), tot bloedens toe verwonden (3) of zwaar verwonden (2) en voor iemand die aan andermans huis aanvalt (6). Tegelijk wordt voor sommige daarvan de compensaties voor de slachtoffers geregeld. Verder bepaalt de graaf dat een derde van de opbrengst van alle boetens aan de burgers (de stad dus) ten goede zal komen en tweederde aan hem moet worden afgestaan (7); dat is dus een grafelijk recht.

Dan zijn er drie artikelen die over de rechten van vreemdelingen gaan: afspraken over het betalen van aan burgers door vreemdelingen toevertrouwde goederen (en andersom) die op tijd betaald moeten worden, want anders wordt de wanbetaler gegijzeld (9), vreemdelingen die in Dordrecht recht zoekt worden volgens hun eigen recht behandeld, zoals al langer gebruikelijk was (!) (13) en dat vreemdelingen onder elkaar geen duels mogen aangaan (maar gewone burgers ook niet!) en zo vetes veroorzaken. Dat wil zeggen: behalve als het om schepenen, raden (meestal ex-schepenen) of eigenerfden (de oorspronkelijke grondbezitters in Dordrecht) gaat (11). Staaltje van klassenjustitie dus. Maar intussen gaat het hier om vreemdelingen van verder weg dan de buren op het platteland van bijvoorbeeld Zeeland, zoals die in het stadsrecht van Middelburg voorkomen. Het zijn typisch bepalingen die wijzen op een (drukke) handelsstad.

fecamp horigen
Boeren op het land ca 1180 (Fécamp Psalter (Normandië), KB Den Haag 76, f. 13).

Verder is er het bijzondere artikel (10) dat bepaalt dat een horige of onvrij persoon die een jaar en een dag in de stad woont en in die tijd niet door zijn heer wordt opgeëist daarna een vrij man is. Het is het vroegst bewaard gebleven bewijs dat zulke vrijmakingen in Nederland ook voorkwamen.

De graaf stelt ook eisen aan de burgers: als hij en zijn vrouw Dordrecht bezoeken, moeten ze veertien dagen op krediet door de stad onderhouden worden, maar de kredietgevers zullen op den duur wel door de graaf terugbetaald worden (14). Hij sluit af met de bepaling dat deze voorrechten gegeven zijn op voorwaarde dat de stad hem elk jaar 60 pond Hollands zal betalen (15). Ook dit zijn dus grafelijke en geen stedelijke rechten, in het kader: voor wat, hoort wat.

In het eerste artikel al geeft de graaf dat hij het keurrecht aan de stad heeft verleend en dat iedereen, hijzelf incluis, zich moet houden aan wat schout, schepenen en raadslieden van Dordrecht als recht bepaald hebben (1). Tenzij die natuurlijk tegen de grafelijke rechten ingaan, maar daar zag de schout als het goed was op toe. Realiseert u zich wat daar staat? De schepenraad, onder toezicht van de grafelijke vertegenwoordiger, de schout, en de daaraan toegevoegde raadslieden (meestal oud-schepenen)  krijgen het recht om zelf regels (op den duur keuren genoemd) op te stellen en hoeven niet langer te wachten tot de graaf die vaststelt.

Bovendien maakt de graaf duidelijk dat hij geen afwijking van die regels duldt, ook niet van zijn vertegenwoordiger. Hij stelt namelijk dat de schout geen beslag op goederen mag leggen als hij daar geen toestemming van de schepenen voor heeft (12). Dat kan je natuurlijk niet hebben in een handelsstad; daar krijg je een slechte naam door en bij internationale handel is reputatie alles. En als het toch gebeurt belooft de graaf dat hij een schout die door burgers en vreemdelingen ‘nutteloos’ (inutilis) wordt gevonden zal vervangen door “een goede en nuttige” persoon (8). Zoiets kom je niet veel tegen in deze periode van de middeleeuwen: een hoge edelman, een graaf, die toegeeft dat hij niet altijd de juiste keuze maakt bij het aanwijzen van schouten.

Dit alles duidt erop dat de schepenen en raden in eigen huis een behoorlijke macht hebben. Ze mogen dan wel niet het jaarlijkse bedrag dat ze aan de graaf moeten betalen halveren, of hem een derde in plaats van twee derde van de boeten sturen, of hem maar een week onderhouden in plaats van veertien dagen, maar verder zijn zij verantwoordelijk voor de juridische gang van zaken in de stad.

In artikel 13 staat trouwens dat de schepenen in 1220 hetzelfde recht hanteren als hun voorgangers gewend waren te doen. Ook dat duidt erop dat de stad al een tijd zijn eigen rechtspraak doet. En dat is logisch, want als je geen schepenen hebt kun je niet rechtspreken en als er geen rechten zijn die je moet handhaven heb je geen schepenen nodig. Een stad is een rechtsgebied. In 1200 wordt dat inderdaad door de graaf van destijds genoemd en dan zijn die schepenen er al.

De enige conclusie die hieruit te trekken valt is dat in 1200 Dordrecht al enige tijd een echte juridisch functionerende stad is en voor die tijd al zekere rechten met betrekking tot de handel en de rechten van vreemdelingen en de strafmaatregelen voor hen die de openbare orde verstoorden ontvangen moet hebben. Anders zouden er in die tijd geen broederschap van burgers geweest kunnen zijn, want voor zoiets heb je ook grafelijke toestemming nodig. En ook geen hanze van kooplui. Helaas zijn die eerdere rechten niet bewaard gebleven, of misschien zelfs niet in een oorkonde vastgelegd. Het privilege van februari 1200 is een toevoeging op die rechten, want zoiets regelen als wie laken mocht verkopen bleek toen pas in de praktijk nodig; dat was daarvoor niet bedacht of nodig geweest. Waaruit je weer zou kunnen opmaken dat tot voor kort de Vlamingen zelf hun lakens sneden en verkochten, maar dat er inmiddels ook Dordtse kooplieden waren die dat konden en wilden.

De overdracht van de heerschappij over de stad aan zijn vrouw kan Willem I ertoe gebracht hebben (op verzoek van de burgers?) nog wat zaken te bevestigen en een belangrijke zaak  toe te voegen: het keurrecht. Het vermelden van het grafelijk aandeel in de boeten, de prijs voor het verlenen van rechten en het onderhoud van de graaf en zijn gevolg als ze in Dordrecht zijn, zouden bijvoorbeeld verhogingen van eerdere bedragen en percentages kunnen zijn. Die in vrijheidsstelling van horigen na een jaar en een dag lijkt iets dat misschien van elders komt en dat de graaf op zijn vele reizen was tegengekomen, maar dat is niet te bewijzen. Het blijft echter een korte stadskeur, als je het vergelijkt met de stadsrechten die 25 jaar later begonnen te verschijnen.

(Wordt vervolgd)

Hertogdom kwijt…

Bij het uitkomen van het stripalbum Ons verloren hertogdom van de Ridders van Gelre (zie ook mijn andere blog) moest ik denken aan een eerder blog dat ik begin 2018 in deze reeks schreef. Dat ging over een noodkreet over de verdwenen Joodse geschiedenis van Dordrecht. U kunt het hier teruglezen.

Ik heb toen uitgelegd dat dat helemaal niet kan. Ene Eduard
Huisman had het toen over:

‘De Joodse geschiedenis in Dordrecht, die driehonderd jaar omvat, willen we (?) weer teruggeven aan de stad. De verloren leegte – vooral door de tweede wereldoorlog – verdient het om aangepakt en weer ingevuld te worden.’

Geschiedenis kan je namelijk niet kwijt raken. Hij kan in het vergeethoekje terecht komen omdat niemand er zich (meer) mee bezig houdt, er kan een tijd niet over geschreven worden en boeken die erover bestaan kunnen ongelezen blijven. Hij kan ook bewust verzwegen worden en uit het onderwijs of de media weggehouden worden. Maar verdwijnen doet geschiedenis nooit. Bronnen en oude boeken kunnen weer teruggevonden en herlezen worden, nieuw inzichten van onderzoekers kunnen stukken geschiedenis weer in het licht brengen. Bij voorbeeld omdat gegevens op een nieuwe manier gecombineerd worden of omdat er nieuw bronnenmateriaal boven  water komt.

Maar kan je een hertogdom kwijt raken zodat niemand meer weet waar het gebleven is? Nee, dus. Het lijkt er dus eerder op dat de Ridders van Gelre een publiciteits-truc uitgehaald hebben en net hebben gedaan of het hertogdom Gelre buiten iedereens schuld in het ongerede is geraakt en dat het nu tijd wordt dat er weer naar gezocht wordt. En als het dan gevonden is dat het weer opnieuw wordt ingesteld. Want dat is de bedoeling van de heren Steman en Arendsen. Zeggen ze… Ze willen er  zelfs een nieuwe politieke partij voor oprichten. En als het dan zover komt dat de hertog weer terug is, willen ze ook nog op eigen benen staan. Los van Nederland dus. Zoals de Friezen, of nog erger.

Ik denk dat het een publiciteitsstunt is in het kader van een goed doel: de Gelderlanders weer bewust maken van hun geschiedenis.
Iedereen weet dat je als je een historische documentaire lanceert met de woorden ‘verborgen’, ‘verloren’, ‘vergeten’, ‘mysterie’ of ‘geheim’ in de titel dat geheid kijkers trekt. En dat geldt ook voor journalistieke artikelen, ja zelfs voor boeken. En als je dat dan nog met archeologische vondsten of complot-theorieën combineert ben je verzekerd van publiek. Het is dus een lokkertje, maar het zet mensen wel op het verkeerde been. Aan de ene kant suggereer je namelijk dat het hertogdom, oftewel een door een middeleeuwse vorst geregeerde lappendeken van landen in de huidige provincie Gelderland, maar ook in Limburg en Duitsland, terug te halen is, want als iets kwijt is kan
je met goed zoeken het wel weer terugvinden. Aan de andere kant doe je ook net of zo’n concept in onze tijd nog bestaansrecht heeft en laat je ze denken dat het provinciale bestuur, onze regering en de EU zoiets zal tolereren. Dat kan je dus vergeten.

Gelre is in 1543 in de Zeventien Provinciën opgegaan na het verslaan van de laatste hertog, Willem II van Kleef door het leger van keizer Karel V. Willem gaf zich over en mocht als dank zijn landen Kleef en Gulik houden (wat hem in Gelre nog behoorlijk kwalijk werd genomen), maar het was dus afgelopen met het zelfstandige hertogdom. Net zo goed als de graafschappen Vlaanderen, Holland en Zeeland, het hertogdom Brabant, de Friese landen, ja zelfs het bisdom Utrecht met zijn Over- en Nedersticht sinds 1384 in handen van de Bourgondisch-Habsburgse vorsten waren gevallen. Geen van hen is ooit teruggevallen in zijn oorspronkelijke regeringsvorm. Sterker nog: ze zijn steeds nauwer met elkaar verbonden geraakt tot het noordelijke deel van die 17 provincies in 1839 definitief één souverein land werd: Nederland. En wij zijn dus daarna een onderdeel van Europa geworden, maar onze regeringsvorm is daar niet door aangetast, wat diverse populisten ook mogen beweren.

Ik ben me ervan bewust dat er mensen zijn die graag naar vroeger terug zouden gaan toen je je fiets nog niet op slot hoefde te zetten, het touwtje uit de brievenbus hing en de enige bruine mensen die je om je heen zag spijtoptanten uit Ons Indië waren. Maar dat is behoorlijk onrealistisch. Zo kan je dus ook niet terug naar het Koninkrijk Holland, de Bataafse Republiek of die van de Zeven Verenigde Nederlanden, want dat waren uit historische noodzaak en na diverse eraan voorafgaande politieke en godsdienstige oorzaken ontstane fenomenen, die om die reden alleen al tegenwoordig nooit meer zouden gebeuren. Laat staan dat je de tot het middeleeuwse Duitse Rijk behorende feodale vorstendommen of door de paus gelegitimeerde bisdommen weer tot leven kunt wekken. Dat is definitief voorbij. Niet verloren of vergeten, maar niet meer van deze tijd. Dat hebben we gehad. Je kunt er alleen nog kennis van nemen en de ‘verhalen’ uit die tijd nog eens nalezen. Met de hoop dat je begrip krijgt voor het leven dat onze verre voorouders  hebben geleid. En hoe dat alles op den duur leidde tot wat we nu om ons heen zien.

En daar ligt meteen het grootse gebrek dat het al genoemd stripalbum heeft. Het begint notabene met de in de middeleeuwen  al ontstane, maar vooral in de 16e en 17e eeuw verspreide ontstaanslegenden/ fabels/sagen van Gelre, die ze toen verzonnen om een mooi en indrukwekkend stuk geschiedenis te kunnen vertellen. En omdat ze zeker niet wisten hoe het echt gegaan was. Zoiets doe je tegenwoordig dus niet meer, nu we juist wel meer kennis van die vroege geschiedenis hebben. Ik heb daar voor Dordrecht ook al eerder over geschreven. Historici moeten zich niet inlaten met fabeltjes en ze zeker
niet doorvertellen. Draken bestaan niet en hebben ook nooit bestaan, hou die dan ook buiten je geschiedenis.

Maak ook je voorouders niet belachelijk door ze neer te zetten als domme, drankzuchtige opportunisten, zoals herhaaldelijk in die strip gebeurt. En houd je verre van tijdreizen: dat kan niet. Geschiedenis is geen fantasy. Als je denkt dat je zo de moderne lezer een beeld geeft van zijn verleden heb je het mis, zeker als uit alles wat getekend en geschreven wordt blijkt dat de verantwoordelijken helemaal niet weten hoe het vroeger toeging. Laat je geschiedenis door een deskundige schrijven en laat dat zeker niet met een knipoog gebeuren. Mensen die er verder geen verstand van hebben gaan zo denken dat het echt zo was en eruit zag als in een karikaturale strip.

De strip kost een tientje (slappe kaft) of 15 euro voor de hardcover, wat niet goedkoop is voor zoiets. In 2012 nog kwam er een modern, door Gerben Graddesz Hellinga geschreven en rijk geïllustreerd en van kaarten voorzien boek over de Gelderse geschiedenis uit (Hertogen van Gelre. Middeleeuwse vorsten in woord en beeld, 1021-1581, uitgeverij Walburg Pers, Zwolle) dat ongeveer € 30,00 kostte. Niet weinig, maar wel aantrekkelijk en wat informatie betreft best goed. Het lag echter binnen de kortste keren in de ramsj. Of dit de reden is geweest om te zoeken naar een nog populairdere versie weet ik niet. Ik hoor dat de aanpak van de Ridders van Gelre succes heeft en dat geeft me toch wat moed. Maar ik blijf het zonde vinden dat deze uiting zo van de, in mijn ogen (en ik neem aan van die van de meeste historici die ik ken) verkeerde aannames uitgaat. Ik denk namelijk dat de lezers er een verkeerd beeld van hun verleden door krijgen en dat dat ook zal blijven hangen. Zodat mensen nog steeds zullen denken dat hun hertogdom (eerder was het ook een graafschap) op sprookjesachtige wijze is ontstaan doordat de oudste graven hun positie te danken hadden aan het verslaan van een draak. 

“Your Majesty”…

Zo sprak de Schotse archeoloog Adrian Cox op 24 januari onze minister-lachebek Gerrit Zalm aan toen hij in de ruïne van de abdij van Melrose te horen kreeg dat hij van koning Robert de Brus (ook wel Robert the Bruce, 1274-1329, koning van Schotland sinds 1306) afstamde. Het is niet de eerste keer dat een bekende Nederlander in het programma Verborgen Verleden wordt verteld dat hij of zij middeleeuwse koninklijke, of tenminste hoog-adellijke, voorouders heeft. Ik vind dat een kwalijke ontwikkeling. De redactie van het programma zit daar, desgevraagd, niet mee; het aantal kijkers neemt nog steeds toe en steeds meer mensen gaan hun familie nazoeken. Ik zou daar wel eens echte cijfers van willen zien, maar die lijken niet voorhanden.

Reconstructie naar de schedel van Robert de Brus door Christian Corbet.

Een eenvoudige  rekensom leert dat koning Robert ruwweg 28 generaties geleden geboren is. Dat betekent dat hij één van de 134.217.728 voorouders van Gerrit Zalm is. Trek daar een hele hoop verdubbelingen af doordat er zogenaamd kwartierverlies optreedt (men kan verschillende keren van hetzelfde echtpaar afstammen, zeker als de familie nogal honkvast was) en dan blijven er nog zo’n 100 miljoen theoretische voorouders over. En dat terwijl volgens de laatste demografische berekeningen de bevolking van Europa rond 1300 zo’n kleine 80 miljoen mensen telde en op het grondgebied van het huidige Nederland leefden toen niet meer dan 700.000 personen. Oftewel: alle Nederlanders waren, als je maar ver genoeg teruggaat, op meerdere manieren familie van elkaar en ook van een heleboel Europeanen, want er werd flink geëmigreerd.

Daar zitten dan natuurlijk ook de nodige adellijke connecties in, want via bastaardij vermengde die klasse zich met de ‘gewone’ mens en vormden zo lijnen die zelfs nog uit konden komen bij Karel de Grote. Er bestaan zelfs clubs van mensen die hebben uitgezocht hoe ze ergens van die beroemde keizer afstammen. Het genealogisch tijdschrift Gens Nostra van de Nederlandse Genealogische Vereniging heeft daar in het verleden veel aandacht aan besteed en de zogenaamde begin-, midden- en eindreeksen uitgezocht. Als je daar met je familie in terecht komt, kan je verwijzen naar een uiterst dun bloedlijntje Karolingisch bloed dat je 50 generaties terugbrengt. Maar u begrijpt dat je dan zo ongeveer ergens in de biljoen voorouders zit en zoveel hebben er nooit op de aarde gewoond.

Als je dus naarstig op zoek bent naar een beetje interessante voorouder en je moet tenminste 20 generaties terug om onder de middeleeuwse adel terecht te komen zit je inmiddels in zo’n verdunde mix van voorouders dat die echt niks meer zegt over enige invloed van het verleden op de hedendaagse hoofdpersoon van Verborgen Verleden. Je hebt, met andere woorden, dan zulke verre wortels dat dat niet meer dan ultra dunne haarvaatjes zijn waaruit dan nog een miniem druppeltje verwantschap te persen is. Zodat bijvoorbeeld half Friesland wel ergens een connectie met de nakomelingen van de zus van Grote Pier heeft en dus zogenaamd van die ‘grote vrijheidsstrijder’ afstamt. Inclusief Gerrit Zalm.

Hans Boskamp als Grote Pier in de Floris-serie uit 1969.

Het is niet interessant om van oeradel af te stammen. Het is veel interessanter om je voorouders rond 1800 wat verder uit te werken en uit te vinden hoe zij leefden. Met rond de 250 personen in je kwartierstaat rondom die eeuwwisseling heb je dan ook nog een beetje behapbaar overzicht op de maatschappij, het dorp of de stadswijk uit die tijd. En op hoe de politieke situatie inwerkte op de familie of hoe overstromingen, invasies, epidemieën en de seizoenen de positie van familieleden beïnvloedden. Wat dat betreft was de uitzending van Verborgen Verleden op 31 januari over schrijfster Carry Slee een stuk interessanter. Al zijn we de maatschappij van weldadigheid, waar enkele van haar voorouders verbleven, en de gevolgen daarvan wel meer tegengekomen.  Het uitwerken van het onderwerp – de armoede tijdens en na de Franse tijd –  verzandde echter al snel in de hangmatten boven de eettafel. Afijn: dan het Pauperparadijs maar weer eens lezen …

Het is dus de makke van Verborgen Verleden dat te veel gezocht wordt naar het bijzondere en afwijkende en niet naar het relevante voor de familie van hun slachtoffers van nu. Wat heeft de huidige Nederlander aan informatie over een zich misdragende voorouder als die uitglijer niet in zijn historische context geplaatst wordt? Waarom zou je trots zijn op je voorouder die veel ellende overleefde en een beter bestaan trachtte op te bouwen als dat een algemeen optredend fenomeen was dat uit de toevallig dan plaatsvindende conjunctuurwijziging of -ontwikkeling voortkomt? Leg dan uit waarom men in opstand kwam tegen misstanden of waardoor er glimpen van hoop ontstonden door het toepassen van nieuw uitvindingen. Maar ook dat het dan nog goed mis kon gaan. Daar leer je wat van en zo kom je meer te weten over waar je vandaan komt. En het kan best goeie tv opleveren ook.

Bovendien kan je zulke informatie nou eens prima gebruiken om het modeverschijnsel ‘identiteit van de Nederlander’ te onderbouwen. Als je niet zo ver teruggaat en het leven van, bijvoorbeeld, je bet-overgrootouders van alle kanten bestudeert en het resultaat in een behapbaar kader kan plaatsen zal dat waarschijnlijk meer begrip over waarom je bent wat je bent opleveren dan wanneer je je in misplaatste en verkeerd begrepen nostalgie blijft rondwentelen. Gezien de reactie van de Verborgen Verleden redactie op mijn protestbrief over Gerrit Zalms voorouders vrees ik echter dat daar voorlopig weinig zal veranderen. Helaas.

Voor eerdere blogs met commentaar op Verborgen Verleden zie hier en hier.

Waardeoordeel (3)

Het is dus niet gevonden… en dat terwijl het zo duidelijk is. Het is echt een niet te controleren waardeoordeel plus een dubieuze bewering over een persoon. Leest u nog maar eens terug in de zesde alinea:

“de vergiftigingsdood van Lodewijk van Loon (ca. 1180-1218), de tragische would-be graaf van Holland…”.

Hoezo ‘tragisch’ en  ‘would-be’? Hij is in naam en gesteund door een deel van de Hollandse adel en zijn schoonmoeder echt ca 3-4 jaar graaf van Holland geweest, al heeft hij na 1206 hier niet niet meer van zich laten horen. Heftiger is echter het bijvoeglijke naamwoord ‘tragisch’. Wij weten gewoon niet of hij het kwijtraken van zijn graafschap Holland zo ervaren heeft. Misschien was hij wel blij dat hij uit het vijandige kikkerland weg kon (weer waardeoordelen…). Hij had zijn vrouw terug en in Loon was van alles aan de hand wat een bedreiging vormde voor zijn ‘huismacht’. Als u mijn boek hebt gelezen (pp. 150-152) weet u wat er toen en daarna nog meer gebeurde, maar daar gaat het hier niet om.

Een graaf als tragisch neerzetten omdat hij één van zijn graafschappen verloor, is fout; dat moet je niet doen. We weten niet hoe de man omging met tegenvallers en hoe dat verlies hem aangreep of niet. Vond hij het een  ramp of was hij juist opgelucht? We weten niets van Lodewijk behalve zijn naam, herkomst, wat avonturen en gebeurtenissen en wat jaartallen. Hoe hij in elkaar stak zullen we nooit weten, dus we mogen hem geen emoties in de schoenen schuiven. Daar moet een historicus dus van afblijven.

Zo doen we dat dus. En u hebt weer wat geleerd.

Waardeoordeel (2)

Dat viel me dus wel een beetje tegen van mijn lezers. Alle bijna 300 personen hebben niet gemerkt dat ik een waardeoordeel in mijn vorige blog heb geplaatst. U gaat nu koortsachtig teruglezen om te zien of u het nog kunt vinden…