Sporen van Sura II

Tot zover de Dikke Van der Linden, het Meertensinstituut en de Dordtse literatuur. Maar dan wordt het water in de Suraput troebel. In Wikipedia staan ineens een paar andere data voor Sura. Waarschijnlijk zijn die overgenomen van de Heiligen website van pater Dries van den Akker s.j. (nb. een medewerker van Stijn van der Linden) die haar geboorte situeert omstreeks 1270 en haar (tweede) dood in 1320. Ze zou van rijke Dordtse afkomst zijn geweest, deed aan Maria-verering en gaf haar bezit weg aan de armen. Ze zou van de moeder gods persoonlijk opdracht hebben gekregen die kerk te laten bouwen. Een engel zou haar een kerkmodel en de nodige bouwtekeningen hebben bezorgd.

Ook kwam er wat meer over de bouwvakkers naar voren: zo zouden ze een vildersmes hebben gebruikt om haar de keel af te snijden (ze wordt afgebeeld met een wond in haar nek). Elders wordt dit mes een vismes genoemd. Waarom die werklui een vildersmes bij zich hadden is onduidelijk. Hadden ze bijbaantjes als vilder of visser? Ik kan me trouwens nauwelijks voorstellen dat men in de middeleeuwen dergelijke nu speciale messen – met een krom en puntig lemmet – gebruikte voor die karweitjes van het ontdoen van huid, vacht of schubben. Een goed scherp mes met een niet te lang lemmet is daar prima voor te gebruiken. Dergelijke messen zijn ook bij tientallen, zo niet honderdtallen, door archeologen opgegraven.

Twee messen met handvaten van gewei en been, gevonden i Dordrecht.

De drie ter dood veroordeelde mannen zijn na te zijn vrijgepleit ook nog naar Rome gereisd, hebben absolutie gekregen van de paus en toestemming om aflaten te verkopen waardoor men geld kon verzamelen om de kerk af te bouwen. Met die drie penningen, kopkens of kopjes genoemd, per dag was dat zeker een te langdurige opgave geworden. Kopjes werden de penningen ten tijde van graaf Floris V (1254-1296) genoemd omdat hij, in navolging van wat buitenlandse vorsten, zijn hoofd erop af liet beelden. In de twaalfde eeuw waren die er nog niet, dus wat was er eerst: de naam kopkens voor de muntjes of de data 1270-1320? Er wordt ook nog wel beweerd dat het gouden penningen waren, maar die hebben nooit bestaan; alle penningen die er ooit geweest zijn waren gewoon van zilver, al of niet gemengd met andere metalen die ze alleen maar onzuiverder maakten.

Kopken van Floris V

We hebben nu dus ook twee bouwprocessen: één in de twaalfde en één in de late dertiende eeuw. Er is inderdaad in het laatste kwart van de twaalfde eeuw een romaanse kerk gebouwd waar nu de Grote Kerk staat. Bij opgravingen in de kerk in 1986 zijn daar resten van teruggevonden (zie ook mijn boek De oudste stad van Holland (2020) 117-119). Het was echter geen simpel schuurkerkje, maar een tufstenen bakbeest van 50 meter lang en met een dwarsschip van 40 meter. En een fikse toren aan de westkant. Zo’n kerk bouwen ging niet snel want alles moest met man- en paardenkracht gebeuren, maar dat drie mannen dat in hun uppie konden klaren is natuurlijk onzin. Aan zo’n kerk bouwden wel een paar honderd man jarenlang. En zeker niet voor een penning per dag. Een knechtje kon je voor een klusje wel met een penning afschepen, maar om een kerk te bouwen had je meestertimmerlui en –metselaars nodig. En beeldhouwers, glazenmakers en smeden. En die verdienden ook in de twaalfde eeuw al flink wat meer penningen per dag. Voor de late dertiende eeuw (toen volgens anderen Sura leefde) verdiende een gewone timmerman al 18 penningen per dag en een meestertimmerman 40 tot 50 penningen idem.

Reconstructie van de 12e eeuwse fase van de Grote Kerk afgezet in de plattegrond van de huidige kerk.
De rode stukken zijn opgegraven.

Er werd in de late dertiende eeuw inderdaad, tegen de toen al ruim een eeuw oude tufstenen kerk aan, de Mariakapel gebouwd. De Dordtse stadsrekeningen laten daar de kosten van zien. Daar komen bovenstaande bedragen van timmermansloon uit. Bovendien waren lonen niet het enige dat betaald moest worden. Ook steen, dakleien, hout, ijzer en glas moesten gekocht worden, evenals mortel en nagels. Dat was geen penningenwerk. Het is dus nogal vergezocht dat we moeten denken dat een kerk in romaanse stijl, of een latere gotische versie, met drie man tegen drie penningen per dag kon worden gebouwd. Geen enkele middeleeuwer zou ooit in zo’n sprookje getrapt zijn.

De oudste berichten over Sint Sura dateren uit de late vijftiende eeuw. Misschien dat ze toen geloofden dat je drie eeuwen eerder met drie man voor een penning per dag nog een kerk(je) kon bouwen. Juist in die tijd werd de echte, veertiende-eeuwse Grote Kerk, zwaar beschadigd na de brand van 1457, weer voor veel geld en met veel mensen herbouwd en uitgebreid. Ze konden toen in levende lijve zien dat de goedkope versie in hun tijd een onmogelijkheid was. Maar elke mediëvist kan u vertellen dat zoiets daarvoor ook nooit mogelijk is geweest.

Een kerk is dus niet te bouwen door drie bouwvakkers tegen een penning per dag, en dat moet al heel vroeg duidelijk geweest zijn. Waarom dan in 2022 zo’n onwaarschijnlijk heiligenverhaal herdenken, dat vooral in de protestantse tijd door de stedelijke geschiedschrijvers is verspreid? En waarom nu, in de tijd van ontkerkelijking, een ‘paapse superstitie’ onderdeel maken van een historisch evenement dat via kunst, architectuur en muziek de vroege geschiedenis van Dordrecht moet vieren? Ik realiseer me dat in Dordtse katholieke kringen de naam nog steeds de ronde doet. Er is een school naar  haar genoemd, een toneelvereniging en er is hier zelfs een pleintje met haar naam. Al zou ik als heilige die parkeerplaats aan de Houttuinen niet erg passend bij mijn status gevonden hebben. En nu ook nog een cantate.

Het Sint Suraplein aan de Houttuinen

Het beeld op het voormalige kerkhof aan het Grotekerksplein, dat door veel Dordtenaren voor Sint Sura wordt gehouden, is door de beeldhouwer nooit zo bedoeld. Charles Vergouwen (1946-2019)  noemde het de Omwikkeling en het zou een non moeten voorstellen.

Charles Vergouwen (Roosendaal 1946 – Tilburg 2019). OMWIKKELING, brons, voetstuk van Impala graniet, afmeting 195 x 60 x 40 cm. Tijdens een tentoonstelling van zijn werken in het Dordrechts Museum in 1985 is het beeld aangekocht door de gemeente Dordrecht en kreeg het een plaats op het grasveld bij de Grote Kerk.

Sporen genoeg zou je zeggen, maar waar zijn ze op gebaseerd? Niet op een stuk geschiedenis. Je vindt in de binnenstad trouwens ook geen sporen meer uit haar tijd. Zelfs niet uit beide tijden. De Grote Kerk staat natuurlijk nog wel op de plaats van de oudste kerk. De in 1284 gebouwde Mariakapel is er ook nog wel, maar dat is in zijn uiterlijk een latere versie van dat dertiende-eeuwse aanbouwsel. Behalve de loop van de Thuredrecht en de daardoor gevormde beide hoofdstraten van de stad herinnert ook niets meer aan de oorsprong en oudste vorm van de stadsplattegrond. Geen spoor meer van te vinden dus, behalve wat late beelden en houtsnijwerk in kerken hier en in Den Bosch.

Ten tijde van de bouw van de achtereenvolgende fases van de Grote Kerk had waarschijnlijk nooit iemand van de zogenaamde stichteres gehoord. En anders niet geloofd dat het zo gegaan was, want het was gewoon een te ongeloofwaardig verhaal. Maar waarom zou je dan nu een hoop gedoe overhoop halen om een onbestaanbare, vrome martelares met een onmogelijk wonderverhaal tot boegbeeld van een cultureel evenement te maken? Ik snap dat niet. Maar misschien ben ik wel te weinig katholiek en te veel historicus.

Henk ’t Jong, juni 2022



Sporen van Sura I

Een al in 2020 gepland evenement ging vanwege de bekende oorzaak niet door: Sporen van Sura. Het evenement, onderdeel van Dordrecht 800, had één doel: “de vroegste periode van Dordrecht tot leven brengen door een combinatie van geschiedenis, kunst, architectuur en muziek”.

Zo werd het mini-symposium aangekondigd op de Dordt800 website.

Ik weet niet of mijn lezers op de hoogte zijn van het ‘verhaal’ van Sint Sura, maar Oud Dordrecht kwam een paar dagen geleden met een korte samenvatting: “Ze bouwde met Gods hulp de kerk, werd vermoord en stond op uit de dood om haar daders te vergeven. Het verhaal van de heilige Sura geeft een inkijkje in de belevingswereld van de vroege Dordtenaren.” Die kerk was onze Grote of Onze Lieve Vrouwekerk. De daders waren drie werklui die er aan bouwden en elke dag als loon een penning kregen uit haar nimmer leeg rakende beursje. Ze brachten haar om in de hoop de schat uit haar portemonnee te innen maar daar bleken alleen maar die drie muntjes in te zitten. Ze werden opgepakt, maar, oh wonder, Sura stond op uit de dood, vergaf de moordenaars, pleitte ze vrij en nam hen mee op een bedevaart naar Rome.

De nieuwe kerk had blijkbaar een wonder nodig om in trek te raken bij pelgrims. Van wie uiteraard gehoopt werd dat ze dan geld in het offerblok achter zouden laten. Een aanvullend  wonder was het  op de plaats waar ze stierf ontstaan van een bron; ergens op het kerkhof van die kakelverse kerk. Niet echt vol fris water, lijkt me. Maar de vereerders van de heilige kwamen er toch op af en vonden blijkbaar genezing voor, bijvoorbeeld, koorts. In een artikel over de heilige van collega Herman van Duinen  in navolging van het lemma over de heilige in Bedevaarten en bedevaartsplaatsen in Nederland van het Meertensinstituut staat trouwens dat die bron of vijver in het Latijn piscaria werd genoemd. De schrijver van dat lemma, oud archivaris van Delft en kenner van het middeleeuwse katholicisme, Gerrit Verhoeven, merkte terecht op dat een piscaria geen vijver is, maar een visserij. Oftewel een stuk rivier waarin tegen betaling aan de eigenaar of pachter gevist mocht worden. Dat die visserij iets met de stichtster van de kerk te maken had lijkt me dubieus, maar het verhaal van de bron is braaf door alle historieschrijvers over Dordrecht overgenomen.

Er is wel een vermelding van het rond 1607 dichtgooien van een put op het kerkhof, waarbij inderdaad pelgrims neerknielden om Sura om voorspraak te bidden. Of dat een droge of een natte put was staat er nooit bij, maar in het laatste geval lijkt me dat midden op een kerkhof geen erg hygiënisch gebeuren te zijn geweest.

Verdwenen gevelsteen uit de Vleeshouwersstraat

Het was niet het eerste noch het enige wonderverhaal in de middeleeuwse wereld dat door kerkelijke autoriteiten als lokker voor pelgrims werd verzonnen. Die waren bewijsbaar goedgelovig, maar of iedereen echt in de verhalen geloofde die erbij werden verteld is de vraag. Nu is dat geloof eigenlijk helemaal niet meer aan de orde. Of wel? Herman houdt in zijn verhaal over zowel de heilige als haar verering in ieder geval veel slagen om de arm: “Vermeende stichteres van de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk van Dordrecht”, “Waarschijnlijk werd Suwaert (Sura) vereenzelvigd met Sint Sotheris”, “Uiteindelijk is Sura zalig gestorven, maar wanneer dit is geschied, is niet bekend” (zalig is nog niet heilig; nergens is te lezen wanneer ze dan heilig is verklaard),“volgens de legende”, “volgens overlevering”, etc… 

Het boek, De Heiligen van Stijn van der Linden: bijna 7 cm dik.

Intussen zitten diezelfde kerkelijke autoriteiten wel een beetje met Sura in hun maag. In het vuistdikke boek De Heiligen van Stijn van der Linden (2002) 1176 pagina’s (zie foto) heeft ze wel een lemma; op p. 829. Ze wordt er Sura of Zuwarda genoemd en zelfs Sura Zuwarda, een dubbele voornaam dus. Ook komt ze, volgens de redacteur voor als Soetje, Soutje en Suurtje. Op bitter na was ze dus in alle smaken verkrijgbaar. Ze zou ergens in de twaalfde eeuw geleefd hebben.

Nadat de martelares dus weer in levende lijve aan de bouwvakkers was verschenen, bepleitte ze clementie voor hen. Bij wie staat er niet bij. Wel nog dat de opgestane heilige een beeltenis van Maria, die in een boom hing, ging vereren. Een beetje ongelukkig gesteld want niet duidelijk is of er een beeltenis (een plaatje, schilderij, beeldje?) van Maria in een boom hing of dat ze een plaatje vereerde waarop OLV in een boom hangend werd afgebeeld. De wandschildering hieronder toont een heiligenbeeldje.

St. Sura Zuwarda van Dordrecht, schildering van Jan Dunselman in de St. Nicolaaskerk in Zoetermeer

“Mogelijk leidde deze devotie tot de verering van OLV van Dordrecht”, eindigt het lemma. De samensteller noemt dan ook een ‘kapel van de dorre boom’ en een ‘plaagkapel’, waar dat zou hebben plaatsgevonden. Hij duidt hier waarschijnlijk  enkele kapellen van die naam in en in de omgeving van Dordrecht. Curieus is dat hij niet de door haar na aandringen van Maria gebouwde Grote Kerk zelf noemt, die toch zelf aan de heilige maagd was gewijd.

Detail van een onbekende wandschildering dat St Sotera moet voorstellen

Sura’s feestdag was 10 februari. Die dag deelde ze met de heilige Soteris van Rome. Die “wordt soms als identiek met haar beschouwd”, maar waarom is niet duidelijk, want haar geschiedenis wijkt nogal af van die van onze Suur. Soteris (in hetzelfde boek op p. 820) was een oudtante van Sint Ambrosius van Milaan (339-397) en stierf in 304 als maagd en martelares. In of bij Rome, dus niet in Dordrecht. Daar, in de San Callisto catacomben aan de Via Appia, zou ze ook begraven zijn bij een groep andere heiligen, pausen en bisschoppen. Gek genoeg vond ik alleen op Spaanse heiligensites wat plaatjes. Ze schijnt daar, in Barcelona en omstreken, nog wel vereerd te worden als Santa Sotera. Daar is haar dag trouwens 11 februari.

Overigens komen beide heiligen in de Dikke Van der Linden in de Heiligenkalender niet onder 10 of 11 februari voor. Betekent dat dat ze door de RK kerk niet meer echt als heilige beschouwd wordt? Zoals Sint Nicolaas?  Maar diens heiligendag staat er nog wel degelijk in.

Wordt vervolgd

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 5

… en zo zou ik nog blogs lang door kunnen gaan, maar dat was m’n bedoeling niet. Ik heb ook niet de tijd om van alle aangetaste huizen een ‘zo-was-ie-oorspronkelijk’ tekening te maken. De drie voorbeelden waren bedoeld als ogenopener voor wat er hier in de bocht van de spoorlijn met een mooi samenhangend wijkje door de loop van een eeuw is gebeurd met het woningarsenaal. Hoe door gebrek aan geld bij eigenaars, onwil en hebzucht bij verhuurders en afwezig gevoel voor de architectuur bij de bewoners honderden juweeltjes van burgerlijke bouwkunst in de wijk zijn aangetast. Ik wil ook niet met de vinger wijzen naar vroegere bewoners en ze beschuldigen van slechte smaak. Je zal maar geen geld hebben om een restauratiearchitect of een reconstructietimmerman te kunnen betalen die je huis weer in originele staat zou kunnen terugbrengen. Als je dat al zou willen. Dan ben je blij met de Praxis of de Gamma die je tegen betaalbare prijzen een deur kan leveren als de oude van ellende uit elkaar valt.

De Homepage van de Monumentenzorg website.
Het is leerzaam om daarop te zien hoeveel en wat voor monumenten we in Dordrecht hebben.

Ik ga ook niet naar de gemeente wijzen. Ik ken de dames die bij Monumentenzorg werken en ik weet dat ze bekend zijn met de ‘aanpassingen’ die door bewoners en eigenaars aan de huizen gedaan zijn.

Zij zouden ook wel anders willen, maar er “staan wetten in de weg en praktische bezwaren”. Het aantal monumenten dat per jaar zo’n status krijgt is beperkt, staat meestal in de binnenstad of 19e eeuwse schil en de vraag is of je moet willen dat je huis een monument wordt. Ik zie meer in een min of meer beschermd stadsgezicht en de mogelijkheid subsidie te krijgen voor beperkte aanpassingen aan gevels en andere karakteristieke elementen in de buurt, zodat het beeld van toen weer wat terugkomt. Ik wil pertinent niet dat er achter de gevel wordt ingegrepen, want de moderne mens wil andere dingen van zijn woonomgeving dan zijn voorouder die tussen de wereldoorlogen leefde. Ik wil ook niemand zijn dakkapel afnemen, maar het lijkt me dat het niet echt kostbaar hoeft te zijn om die wat aan de architectuur eromheen aan te passen. En er zijn tegenwoordig weer zoveel bedrijfjes met glas-in-lood bezig dat het me niet moeilijk lijkt om aan de hand van nog bestaande originele voorbeelden (en die zijn er) reconstructies te laten maken.

Voorbeeld van een origineel glas-in-lood bovenlicht.

Daar is nogal wat initiatief voor nodig. Je moet natuurlijk inventariseren wat er in zo’n wijk staat. Wat er aan het originele concept veranderd  is en of je terug wilt, of moet, naar de oorspronkelijke situatie. Zoja, hoever ga je dan? Er is al eens iemand aan zo’n inventarisatie van bestaande monumenten in Nieuw Krispijn begonnen, maar er was eigenlijk te weinig bekend over de bouw van de wijk en te weinig tijd en geld om de lijst compleet te maken. Nu de bouwtekeningen op de website van het Regionaal Archief staan is dat wat makkelijker te doen: fotootje van de gevel nu, vergelijken met de bouwtekening, beslissen wat je zou willen aanpassen, plan maken, kosten berekenen, overleg en toestemming Monumentenzorg, opdracht naar vakman… Zo’n traject, denk ik dan.

Blauwdruk van een volledige rij woningen (10-36) aan de Frederikstraat.
Zie ook de foto in blog 1 in deze serie.

Ik  hoorde van Monumentenzorg dat ze al zeer lang niet meer persoonlijk kijken of er ergens iets verkeerd gaat. Letterlijk: “De Welstands- en Monumentencommissie loopt inderdaad niet door de stad om te kijken wat er niet goed gaat. Dat is de taak van de gemeente (i.c. de Omgevingsdienst) en ook die hebben geen mensen meer die zomaar door de wijken fietsen. Dit gebeurt alleen als er een bouwaanvraag in uitvoering is of als er een officiële klacht is via bouwklachten.” Het leuke was dat ik afgelopen zomer vanuit mijn werkkamer Conny, een van de medewerkers van Monumentenzorg, een keer oplettend om zich heen kijkend voorbij zag fietsen over de Dubbeldamseweg. Overigens is deze weg de enige in Dordrecht met een eigen website. Hij is oorspronkelijk gebouwd door mijn buurvrouw, die senior archeoloog is bij de gemeente en die gebruik heeft gemaakt van het onderzoek dat ik destijds naar de Dubbeldamseweg heb gedaan. Hij wordt sinds 2017 niet meer bijgehouden, maar belangstellenden kunnen er nog een hoop leren over de weg en zijn omgeving.

Het hek van het Dordrechts Museum waar een hap uitgenomen zou worden voor een kunstproject.

We hadden hier een paar maanden geleden weer eens een rel waarbij het erop leek dat een deel van het hek voor het beroemde Dordrechts Museum in het kader van een kunstproject verwijderd zou worden  en dat dan een replica ertussen zou worden  stuk ‘gevaren’ door  een binnenvaartscheepje. Net als het museum is dat hek een rijksmonument en ging dat plan niet door. Het hek is in 1906 gebouwd, precies in de tijd dat Nieuw Krispijn vorm begon te krijgen. Het hek is dus een monument. Het is een mooi hek, met vakkundig gemetselde baksteen- en natuursteenmuren en pilaren en een zwaar gesmeed hekwerk. Nieuw Krispijn is net zo vakkundig gemetseld (kruisverband) en vormgegeven, met allerlei verfijnd timmerwerk, smeedwerk  en glas-in-lood dat net zo beschermd zou moeten worden als het museumhek. Laten we daar eens over nadenken. Dat zou ik graag zien.

Ik wil  dit blog verspreiden naar  allerlei Dordtse instanties en Dordtenaren om te kijken of er  ‘draagvlak’ is (ik lijk wel een ambtenaar…) voor een betere bescherming van een  stuk Dordts erfgoed, waar men  tot nu toe nauwelijks naar heeft omgekeken.

Ik ben benieuwd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 4

Omdat in 1872 de eerste trein van Rotterdam naar Dordrecht begon te rijden was het logisch om vlakbij het station ‘uitspanningen’ te beginnen. Ten zuiden van de spoorlijn moet dat zijn gebeurd in het eerste huis aan de Dubbeldamseweg; een soort boerderij waar in 1873 C. de Korver, melkboer  en stalhouder woonde. Het pand werd hernoemd tot  uitspanning Nieuw Dordrecht en De Korver ging zich ook tapper  en logementhouder noemen. Treinreizigers konden zich in hier laven en eventueel overstappen op paard en wagen naar andere bestemmingen op het Eiland. Rond 1900 werd het uitgebaat door zijn zoon A.M. de Korver. Inmiddels was het genummerd als Dubbeldamseweg 48. Bovenaan dit blog ziet u de situatie van voor 1905.

Nr 48 in 1912.
Nr 48 in ca 1935.

Arnoldus Marinus liet, omstreeks de dood van zijn vader in 1905 een heel nieuw pand bouwen. Helaas zijn er geen blauwdrukken van het pand en de gevel, maar gelukkig zijn er enkele foto’s van de weg waarop het toen Hotel-Café-Restaurant genoemde pand in zijn vroegere glorie te zien is. De vroegste dateert van ca 1912 en de volgende van rond 1935. Vanaf de jaren ’20 stond het pand bekend als Café Versteeg (van vader J. en zoon H. Versteeg). In de jaren ’70 was het beroemd als Café Smits en was het het centrale punt waar schriftelijke rijexamens werden afgenomen in de serre (links) en van waaruit je afreed voor de praktijk. De foto met de triomfantelijke geslaagde jongeman dateert van 1974. Ik ben er zelf in begin 1973 afgereden.

Nog niet lang geleden is het pand is nu aan de buitenzijde helemaal wit gestuct met groene accenten. De gevelbekroning is deels verdwenen en de roedeverdeling van de vensters is gemoderniseerd. Van de vroege art-decostijl van de gevel is niet veel meer over. De serre aan de tuinzijde is nog steeds aanwezig, maar valt nu veel minder op omdat ze dichtgezet is. Duidelijk is op de foto uit 1912 te zien dat de bijbehorende tuin oorspronkelijk groter was dan tegenwoordig. Er is alleen nog een prachtige paardenkastanje van over. Nu ligt hier voor een groot deel een voetgangers-en wielrijderstunnel (Transvaaltunnel). Het is nog steeds een horecapand, maar  corona heeft het café de das omgedaan. Volgens de eigenaar hebben echte café’s geen bestaansmogelijkheden meer. Het wordt volgend jaar een sushibar- en grill.

De groen-witte versie van tot voor kort.

Intussen is het niet waarschijnlijk dat de oude baksteengevel, het vroegere houtwerk en de originele natuursteenelementen nog terugkomen. Zo te zien wordt het groen in de gevel vervangen  door donkergrijs. Jammer, want het is zo’n beeldbepalend gebouw op de hoek van twee wegen. Vanaf de Mauritsweg rijd je er recht op aan. En dan zag je, zoals op de tekening hieronder, een mooi harmonisch pand dat perfect in zijn omgeving paste. Maar als die ook onherkenbaar verandert….

Reconstructie van de originele situatie vlak na 1905

Wordt vervolgd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 3

Bij ons op de hoek, Mauritsweg-Dubbeldamseweg, staat al vele jaren een nogal verwaarloosd  pand: nr. 49. De ingang is links en die is flink scheefgezakt. Of dat door de funderingsproblematiek in de wijk komt weet ik niet, maar in 2001-2002 hebben we in ons rijtje nieuwe paalkoppen gekregen. Dat heeft het verzakken gestopt. Of het voor het hoekpand te laat was weet ik ook niet, maar het ziet er niet jofel uit.

Dubbeldamseweg zuid 49, februari 2021

De rechterkant is al tientallen jaren winkel. In de jaren 59-ca 73 zat er een boekwinkel in, later een videotheek, een visartikelenwinkel, een knutselmaterialenshop en nu komt er een activiteitencentrum in. Die verbouwing tot winkel heeft nogal rigoureus plaatsgevonden en is niet bepaald van hoge kwaliteit. Bovendien is er aan de achterkant nog een loods met een plat dak aangebouwd ten behoeve van de visartikelen. Beide ingrepen, de winkelpui en de aanbouw, zijn geen voorbeelden van respectvol omgaan  met een historisch pand.

Boekwinkel Vos en van der Leer, ca 1965 (met dank aan Arnaud Makkenze).

Het is namelijk in 1908 gebouwd als particuliere woning, echt een ruim herenhuis, maar het is sinds de vroege jaren 20 jarenlang een boven- en benedenwoning geweest. Tot mijn grote verrassing bleek er een mooie erker, met balkon erboven, aangezeten te hebben. Als je goed kijkt boven de louter functionele etalage zie je daar nog sporen van in de gevel. In de bouwvergunningen bleek een complete blauwdruk van het huis te zitten, met de oorspronkelijke indeling en de uitgewerkte gevel.

Blauwdruk detail, 1908.

Gek genoeg zijn er nauwelijks vooroorlogse foto’s van de hoek beschikbaar. Je bent afhankelijk van gezichten op de weg waar dan een hoekje van nr. 49 (toen nr. 39) op staat. Zie de grote foto bovenaan het blog. De blauwdruk en de huidige foto waren echter goed genoeg om een reconstructie van te maken. De gevel is om je vingers bij af te likken, maar of hij ooit nog eens zo zal worden…

Foto waarschijnlijk uit de jaren 30, het mannetje uiterst links loopt onder de erker van mijn werkkamer.
Reconstructie naar de foto’s en de blauwdruk. De kleuren van de verf zijn helaas niet bekend.

Wordt vervolgd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 2

MAW1-23

Als ik door de jaren heen van het station naar huis fietste kwam ik op de Mauritsweg altijd langs een blok tweehoog woningen. De bakstenen gevel was wat smoezelig geworden en ik werd altijd wat kriegelig als ik de ‘moderne’ aanpassingen van veel van de ramen en deuren zag. Ik stond er verder niet bij stil, maar ik had er geen positief gevoel bij. Het was pas in 2019 dat ik in de straten in mijn wijk (en ook in andere buurten in Dordrecht) in rijen in één keer gebouwde woningen begon te zoeken naar de huizen die nog hun originele kozijnen en verder houtwerk hadden. Gek genoeg was er dikwijls nog altijd wel één die min of meer onaangetast was. In het genoemde blok was het zelfs nog beter: de rechterhelft leek, hoewel wat verwaarloosd, tamelijk onaangetast.

Mauritsweg 1-23 op 12 januari 2021

In 2020, tijdens de lockdowns, ontdekte ik de bouwdossiers op de site van het Regionaal Archief van Dordrecht. Een echte vondst. Alle bewaard gebleven Dordtse bouwdossiers, inclusief aanvragen, bestekken en blauwdrukken van voor de Tweede Wereldoorlog waren gewoon beschikbaar. Ook die van Mauritsstraat (de oudere naam van de Mauritsweg) 1-23. De bouwaanvraag dateerde van december 1923 en uit een Aanvraag tot afgifte van eene verklaring van voltooiing van 24 november 1924 bleek het rijtje afgebouwd te zijn. De initiatiefnemer was ene A. Hooijkaas en de bouwmeester/uitvoerder zou G. van Hoek worden. Dat was dus baas Hoek, die schuin tegenover de te bouwen panden op nummer 2 zijn eveneens zelf gebouwde huis had. Het staat er nog steeds en herbergt nu een kamerverhuurbedrijf voor buitenlandse werknemers, voornamelijk Polen.

De bouwaanvraag van 21 december 1923

Het was het eerste rijtje huizen dat ik vroeg in 2021 fotografeerde toen ik begon mijn plan voor een totale documentatie van Nieuw Krispijn Oost te verwezenlijken. Eigenlijk viel me toen pas echt op wat er allemaal mankeerde aan die huizen en hoe leuk de detaillering van de muren en daklijsten eigenlijk was. Nu kon ik het geheel ook vergelijken met de blauwdruk van de gevel. Je kon daarop ook zien dat tijdens de bouw al aanpassingen aan die gevel waren gedaan.

De blauwdruk van de gevel

Ik besloot, toen ik die vergelijking maakte, die blauwdruk te gebruiken om een reconstructie te maken van de oorspronkelijk plannen (inclusief de deuren, die een eigen blauwdruk hadden). Het resultaat ziet u hieronder.

Mijn reconstructie in rode baksteen met donkerder details.

Zo begon het…

Wordt vervolgd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 1

Dubbeldamseweg bij de Mauritsstraat ca 1925

Na vijf jaar wonen in de binnenstad Dordrecht verhuisde ik, pas getrouwd, in 1979 naar Oud Krispijn. Dat was de eerste wijk die in het begin van de 20ste eeuw over de spoorlijn op voormalig Dubbeldams grondgebied werd gebouwd. Het was een echte arbeiderswijk tussen de Brouwersdijk en een voormalige landweg, de Krispijnseweg. In 1988 verhuisde ons gezin, omdat we meer ruimte nodig hadden, naar de wijk Nieuw Krispijn aan de andere kant van de Krispijnseweg. Die had als ruggegraat de Dubbeldamseweg, de oeroude uitvalsweg naar het dorp van die naam. Daar stonden, naast arbeiderswoningen, ook middenstandershuizen. De meeste waren boven- en benedenwoningen, maar ze waren net wat hoger en ruimer dan de andere. Zoöok ons huis aan die Dubbeldamseweg. We braken trouwens het muurtje tussen de twee halletjes door en zo hadden we een dubbelhuis.

Detail van de stadskaart van 1923 waarop de beide delen van de wijk Krispijn goed te zien zijn.

Omdat ik toen in deeltijd op het Gemeentearchief werkte en onderzoek leerde doen, had ik al gauw uitgevonden dat ons huis in 1913, onder één kap met twee andere, door aannemer/timmerman Van Welzenes van ’t Stek was gebouwd. Ik leerde ook dat er een hoofdonderwijzersgezin boven woonde en onder zijn  dochter en schoonzoon. Later woonden er kleinkinderen op die beide verdiepingen en van zijn kleindochter hebben wij het huis gekocht. We waren en zijn er nog steeds heel blij mee.

Nieuw Krispijn is een leuke wijk, zeker het oudste, oostelijke deel. Het is er levendig, maar niet te… Er zijn behoorlijk veel winkels,  al zijn het er nu lang niet zoveel meer als toen we er in 1988 kwamen wonen. De architectuur, ook die van de arbeiderswoningen, is een mengsel van Fin de Siècle en Art Nouveau, maar dan op z’n Hollands. De huizen dateren vooral van de periode 1904-1914. Bovendien staan er nog rijtjes nieuwe zakelijkheid in baksteen uit de vroege jaren twintig tussen. Dikwijls, net als veel van de oudere huizen gebouwd door baas Hoek die in de hoek tussen de Alexanderstraat en de Frederikstraat zijn bedrijf had op een groot terrein met loodsen. Het is er ook behoorlijk groen; de meeste straten hebben wel bomen en we liggen tussen de Algemene Begraafplaats (1829) en het Weizigtpark (1948). En de spoorlijn. Pas na de oorlog werd het open stuk tussen de Frederikstraat en de Krispijnseweg volgebouwd met de typische jaren vijftig revolutiebouw, die nu langzamerhand gerenoveerd is, soms afgebroken is en opnieuw bebouwd wordt met modernere architectuur.

Ons wijkje, Nieuw Krispijn Oost, is op het eerste gezicht ook mooi, want we hebben hier best aparte huizenrijen staat. Op het eerste gezicht, schreef ik. Als je beter kijkt, zoals ik tijdens corona op mijn wandelingen heb ervaren, is er nogal wat mis gegaan, vooral sinds de jaren 80 en de grote doe-het-zelf-explosie. De arbeidershuizen waren nogal klein en donker, met alleen een begane grond en een  zolderverdieping onder een schuin dak. Daar werden dus dakkkapellen op gezet. Ramen werden groter gemaakt en kregen op den duur ook plastic kozijnen. Het glas-in-lood in de bovenramen verdween. Voordeuren, dikwijls mooi geprofileerd en voorzien van siersmeedwerk, werden vervangen door bij de bouwmarkt gehaalde ‘staldeuren’ en profieldeuren met nep glas-in-lood. De laatste tijd, met glas-in-lood-hobbyisten die aan de weg timmerden, werd, volkomen afwijkend in stijl, in de plastic bovenramen soms weer gekleurd glas geplaatst.

Nou had ik dat best wel regelmatig opgemerkt; ik heb mijn ogen niet in mijn zak zitten en ik fietste hier ook nogal eens rond. Maar ik kon niet merken dat er iemand ooit over viel of de opmerking maakte: mag dat allemaal wel? Er staan een paar gemeentelijke monumentjes in de wijk waar de Welstandscommissie en Monumentenzorg toezicht op houdt. Geen van beide instanties heeft echter ooit iets laten horen toen de eigenaars (en ook de huisjesmelkers die in de grotere panden kamers verhuurden) hun plannen voor aanpassingen uitvoerden. Ik weet inmiddels dat er echt niemand van die gemeentelijke diensten door de wijk rijdt om te zien of er wat mis gaat. Desgevraagd vertelden de dames van Monumentenzorg me dat ze best betere bescherming van ons wijkje zouden willen, maar dat er geen geld en geen animo voor is. De binnenstad en de 19e eeuwse schil zijn beide beschermd stadsgezicht en daar staan de meeste van onze bijna 2000 monumenten (we zijn de 8ste monumentenstad van het land) en daar komen de toeristen op af. Die zie je niet op de Dubbeldamseweg, al komt er in het hoogseizoen wel eens een backpacker langs die verbaasd van zijn/haar routekaart opkijkt. Dat zie ik namelijk vanuit mijn werkkamer in de erker op de eerste etage.

Gezicht in de Frederikstraat. Op het eerste gezicht schattig, maar oh zo aangetast…

De corona-periode was wat dat betreft een extra ogenopener. Ik had de tijd en de rust om op m’n gemak door de wijk te lopen en iets te doen wat ik me al jaren had voorgenomen: foto’s maken. En toen schrok ik toch wel. Tegelijk kwam ik er achter dat het Gemeentearchief (tegenwoordig heet het Regionaal Archief) bouwtekeningen en vergunningen op het internet heeft gezet van voor 1940. Ik kon aan de hand van de blauwdrukken en mijn foto’s zien wat er allemaal met de huizen is gebeurd. Al snel besloot ik dat ik er een paar voorbeelden uit wilden halen en de veranderingen te laten zien: blauwdruk, reconstructietekening en foto van nu.

Ik koos een rijtje door baas Hoek gebouwde middenstandswoningen uit 1923-24 aan de Mauritsweg, een huis op de hoek van de  Mauritsweg en de Dubbeldamseweg (1908) dat grondig gewijzigd werd en het horecapand aan de Dubbeldamseweg (1905,) waar je vanaf diezelfde Mauritsweg als het ware tegenaan loopt of rijdt. Er waren geen blauwdrukken van het laatste pand, dus ik moest daar van oude foto’s werken. De tekeningen schokten Monumentenzorg. U vindt  ze in de volgende blogs.

Wordt vervolgd.

Het ‘verhaal’ van Rivier-Boot-Stad

Gezien de reacties die op Facebook de ronde doen over het prestigieuze project met de hektjalk die op 9 oktober 2021 van de museumtuin in Dordrecht naar het Hof gesleept zal worden is het nodig dat ik even uitleg waarom ik de verantwoording ervoor niet acceptabel vind. De lezers worden namelijk gemanipuleerd door een slimme mix van interessant klinkend jargon en klassieke retoriek om een ‘solide’ basis te geven aan het doordrukken van een duur stuk stadspromotie. Niet iedereen gelooft dat er gemanipuleerd wordt, maar als je, zoals ik, al vijftig jaar te maken hebt met lieden die dergelijke trucs gebruiken om hun wil door te drijven bij het gewone publiek, dan leer je het op den duur wel herkennen. Ik heb om die herkenning te vergemakkelijken de bewuste passages onderstreept. Bovendien heb ik het modewoord verhaal vet gemaakt om te laten zien hoeveel dat gebruikt wordt om te suggereren dat men hier met iets belangrijks bezig is; het opstuwen van Dordrecht in de vaart der volken. Alsof dat nodig is…

Er werd me al voorgehouden dat mijn bezwaar tegen de historische onderbouwing in een eerder blog natuurlijk waardevol is, maar dat ik het meer als fictie moet zien (een verhaal dus, maar dat was me vanaf het begin al wel duidelijk). Het zou toch mooi zijn, schreef de bewuste reageerder, als toekomstige stadsrondleiders “straks het verhaal van het hek met de vorm van het schip in brons kan vertellen. Het Hof ga je hier niet mee verkopen, maar de stad Dordrecht wel!” Denkt iemand dat echt? Net zoals die toeristen denken dat wij hier in Dordt de eigen schilder Aelbert Cuyp zien als glimmend Flipje van Tiel op gympies, of Willem van Oranje als een groene reus met een rotkop? En dan zou ik nog wel even door kunnen gaan ook. Ik hoor ze denken: gekke Dordtenaren. Hoe dichter bij die stad hoe raarder het wordt. Afijn…

Natuurlijk zat er een idee achter het hele project: te weinig bezoek op het Hof. Wat doen we eraan? Want daar ging en gaat het in eerste en laatste instantie om (zie hieronder). Dordt-promotie is secundair, maar niet onbelangrijk, want de toerist moet in de watten worden gelegd.

Ik citeer, om bovenstaande aan te tonen, daarom uit de websitepagina met FAQ, maar ik zet het in iets andere volgorde en laat veel weg. Ik gebruik de zaken die het meest het stempel van manipulatie dragen.

Middel en doel

“Een van de beleidswensen van de Gemeente Dordrecht is om door middel van kunst de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren en de belevingswaarde van de gebouwde omgeving te verhogen.

Het doel is om de bestaande verbindingen tussen het Dordrechts Museum, Cinema The Movies en Het Hof van Nederland een aantrekkelijk cultureel profiel te geven.”

Dus wat doe je als er te weinig bezoekers in je andere museum komen? Dan geef je een kunstenaar opdracht om met veel spektakel en daaruit voortkomende op gemanipuleerd toeval gebaseerde openbare kunst op letterlijk maar één (1) dag die route aan te geven door een niet erg schilderachtig ogend stukje Dordrecht. Waarna er langs die route tot in eeuwigheid bronzen wrakstukken blijven liggen of hangen.

En hoe maak je dat een aantrekkelijk project? Door een kunsthystericus, sorry, kunsthistoricus een in die branch veel toegepast stukje ronkende proza te laten schrijven waarmee de lezer via hun beroepsretoriek en jargon een vaag, sentimenteel en mystiek ‘verhaal’ in slaap gewiegd wordt. Goh, dat klinkt interessant; laten we daar een paar ton aan uitgeven. De overdonderde ambtenaren en gemeenteraadsleden tekenen wel. En ’t is een leuk afscheidscadeautje voor Piet.

Ik heb even de citaten achter elkaar gezet en het jargon onderstreept zodat de lezer kan zien waar de kunsthyst… sorry, kunsthistoricus is bezig geweest. Lees even mee:

“Het kunstwerk rivier, boot, stad kan enerzijds worden gezien als een vanitas, in zijn reflectie op de vergankelijkheid van het leven. Maar ook als een viering van wat mogelijk is door middel van collectieve inspanning. Het evenement waarbij het schip versleept wordt is een mythisch verhaal over een onmogelijke reis van een enorm schip door de smalle straten van het Hofkwartier. Dit verhaal wordt na het evenement naverteld door de sporen die het schip achterliet: een serie sculpturen in het Hofkwartier. Schrijvers denken lang na over de eerste zin van hun boek: het vertelt de lezer iets over de rest van het verhaal. Dat geldt ook voor de eerste sculptuur in de serie. Het is een samenvatting van de rest van het verhaal dat verderop in het Hofkwartier te zien is. Het schip dat door het hek breekt is een dramatisch gebaar: het lijkt gevaarlijk, spannend, tragisch. Maar zal in zijn praktische uitvoering niet gevaarlijk zijn. Het verhaal vertelt over de schoonheid van destructie. Het schip breekt met het oude om een nieuw verhaal te vertellen. De handeling van het oversteken van de drempel van het museum, de openbare ruimte in, is een symbolische daad van collectieve kracht.

Thomson wil geen stroom van objecten afzetten in de overvolle publieke ruimte, maar ze inbedden in een verhaal dat door de gemeenschap wordt gedragen. Bij de bouw en het verplaatsen van het schip zijn zoveel mogelijk Dordtenaren betrokken en het proces is zo openbaar mogelijk geweest. De zeggingskracht van het kunstwerk wordt rijker wanneer het langer de kans krijgt om ingebed te raken in het stedelijke leven en wanneer het verhaal ervan (de oorsprong van de stad en het memorabele moment waarvan Dordtenaren deelgenoot of zelfs deelnemer waren) de kans krijgt om aan een nieuwe generatie te worden doorverteld.

De vraag of het niet zonde is om het schip kapot te laten gaan is een logische. We willen vasthouden aan haar schoonheid. We vereenzelvigen ons met schepen: we geven ze namen, staren naar hun trage beweging over het water en we bewonderen hun kracht en constructie. Een schip dat vergaat heeft iets emotioneels en tragisch. Maar er zit ook schoonheid in destructie, omdat je daarin het moment van transformatie en het verlopen van de tijd ervaart.

Kunst biedt ons handvatten waarmee we kunnen reflecteren op het leven. Elk schip heeft zijn doel, sommige vervoeren goederen, andere zijn pleziervaartuigen, in dit geval is het schip gebouwd om iets onmogelijks te doen en vertelt daarmee een verhaal. Een verhaal dat begint met de geschiedenis van Dordrecht en de verbinding met de binnenvaart, een verhaal dat wordt uitgedragen door de teams van vrijwilligers die het schip bouwen of door de smalle straatjes slepen. Een verhaal dat zijn sporen achterlaat in de houten romp terwijl het schip uit elkaar valt in de onmogelijke smalle straatjes. Een verhaal dat keer op keer wordt verteld door middel van de in brons gegoten fragmenten van een boot die zichtbaar zullen blijven langs de route (HtJ: let ook op de drievoudige herhaling van “Een verhaal dat…”; een eeuwenoude retorische truc om de boodschap erin te hameren) .

Met het zwart blakeren van het schip komt het los van zijn oorspronkelijke functie en wordt het een autonoom object, een kunstwerk.

In elke fase van het project vieren we transformatie. De hele boomstammen die arriveerden voordat ze in planken werden gezaagd. Het uitsnijden van deze planken in een schip. De verkoling van het schip abstraheert het van zijn oorspronkelijke functie. De dramatische transformatie tijdens het evenement van het schip dat in fragmenten uiteenvalt. Het gieten van deze fragmenten tot bronzen sculpturen. In de sculpturen zullen al deze lagen van transformatie zich openbaren”.

Tot zover de ‘verantwoording’ van dit project. Drama, overdrijving, gevoel, mystiek, zelfs alchemie worden van stal gehaald om de lezer te raken. Ik hoop dat ik door het uit de webpagina lichten van deze fragmenten de lezer van dit blog heb kunnen overtuigen van hoe en met wat voor taal hij/zij gemanipuleerd wordt door de mensen die dit onzalige plan hebben  doorgedrukt. Net zoals het al met veel openbare kunst in Dordrecht al jaren gebeurt. En je hoeft hier niet eens tussen de regels door te lezen. Er staat in wezen: als je het hier niet mee eens bent ben je een cultuurbarbaar en niet geschikt om van Dordrecht als historische stad echt te genieten. Wij, de elite van stedelijke cultuurbobo’s, zullen u wel vertellen wat mooi en waardevol is. En jullie gaan lekker toch niet over waar wij het belastinggeld aan uitgeven.

Als staartje geef ik nog even de reactie door op de vraag: Wat doet de gemeente/Museum met de 2 petities? Er zijn zoveel mensen op tegen. Hoe gaan jullie hiermee om?

Het antwoord:

“Het gebeurt wel vaker dat kunst in de openbare ruimte veel reacties oproept, zie bijvoorbeeld het beeld van Willem van Oranje. Voor het project rivier, boot, stad is een zorgvuldig participatietraject doorlopen. We constateren dat pas in een heel laat stadium deze weerstandsreacties komen. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om te bezien wat het met de reacties uit de stad doet.”

Met andere woorden: wij trekken ons niks aan van protesten of petities en die boot gaat echt door het Hofkwartier gesleept worden. Met alle gevolgen vandien.

En daar kunnen we het mee doen.

Floris uit de Canon: oorzaak en gevolgen (6)

Ik heb de commissie Kennedy voorgesteld het anders te gaan doen met de vensters over de middeleeuwen (500-1500). Ik heb mijn verlangens voor een nieuw type Canon uitgesproken in vier punten:

  • Ik wil pleiten voor het nadenken over de huidige inhoud van de vensters en methoden over de middeleeuwen en of die eigenlijk wel relevant is voor wat kinderen moeten weten over de invloed van die periode op hun eigen leefomgeving. Hoe de ontginningen het hen bekende landschap vormden (en niet alleen in Holland en Zeeland), de middeleeuwse handel het uiterlijk van hun steden en dorpen bepaalde en de invloed van de buitenlandse vorsten onze kunst en cultuur vorm gaf.
  • Ik wil ook pleiten om de informatie over een stuk maatschappelijke ontwikkeling niet meer af te laten hangen van een aansprekende naam. Ik geloof namelijk niet in het belang van historische ‘helden’ voor het denken van nu en het zijn van een voorbeeld voor een moderne mens: we leven niet meer in de 19e eeuw waarin men om een wij-gevoel te kweken nationale helden meende nodig te hebben.
  • Ik wil ook graag dat wat er over de middeleeuwen verteld wordt klopt met de laatste onderzoeksresultaten en literatuur over deze periode, in plaats van het herhalen van achterhaalde informatie, die alleen maar weer meer voeding geven aan door de media gretig uitgedragen clichés en vooroordelen.
  • Ik zou ook willen dat de archeologie en diverse andere disciplines, die als hulpwetenschappen voor de geschiedenis fungeren, in dit deel van de Canon meer aan bod komen.
Detail uit een gravure van de graaf door Cornelis Visscher, ca 1650.

Ik wilde ook dat er anders gedacht gaat worden over middeleeuwse illustraties. De plaatjes die in de Canonclips werden en worden gebruikt dateren meestal uit veel later eeuwen. Dat is helaas nogal gebruikelijk bij het illustreren van middeleeuwse geschiedenis. Zo werden bij Floris in de tijd dat hij nog in de Canon stond bijvoorbeeld de zeventiende-eeuwse verzonnen gravenportretten en verouderde schoolplaten gebruikt. Natuurlijk zijn er geen echte portretten van die graaf; die maakten ze in die tijd nog niet (behalve misschien in grafbeelden, maar daar zijn er weinig van bewaard gebleven). Het is echter een kleine moeite een andere mooie afbeelding uit zijn tijd te vinden; zijn ruiterzegel bijvoorbeeld, daar staat hij tenminste zelf op afgebeeld. Men gaat er nog teveel van uit dat er weinig materiaal is van voor 1500, dus men gebruikt de al jaren overal voorkomende standaard-plaatjes zonder wat verder te zoeken. Ik heb in mijn boek over de graven van Holland tussen 1100 en 1300 aangetoond dat er illustraties uit de regeringsperiode van elk van die graven te vinden is en dat die een veel beter beeld van de tijd geven dan de meestal anachronistische platen uit later tijd.

Ik vind ook dat moderne illustratoren, als ze reconstructies gaan tekenen van middeleeuwse gebeurtenissen en plaatsen, betere voorlichting moeten krijgen over hoe het er in een bepaalde periode uitzag. Daar is tegenwoordig voldoende kennis over aanwezig, zodat de mixen van anachronismen zoals die nu in hun platen te zien zijn, voorkomen kunnen worden. Het gaat niet aan om 13e eeuwse krijgslieden op een 14e eeuwse kogge te tekenen, bij wie 16e eeuwse rapieren aan hun zijde hangen terwijl het een 15e eeuwse situatie voorstelt (zie de eerste illustratie bij het Hanze venster) als bekend is hoe het er wel uitzag.

Vensterplaat De Hanze – Illustratie Ivan & Ilia.

Ik ga het maar niet over de filmpjes hebben, want die zijn te treurig voor woorden. Alleen de met hulp van tScapreel geacteerde Teleac/Schooltv filmpjes bij Floris V zijn maar historische correct, de rest in het geheel niet. Al is er nog tijdens de opnamen, ondanks mijn tegenwerpingen, wel gesjoemeld met de gang van zaken bij de doodslag van 1296.

Mijn voorstel is om voor de vijf vensters (als het er dan vijf moeten zijn) ter zake doende onderwerpen te kiezen, die én de situatie in de tijd correct beschrijven en weergeven én waarmee je een link kunt leggen naar nu zonder gedwongen te worden allerlei modieuze zijpaden in te gaan. Ik geef hieronder die onderwerpen aan. Wat mij betreft mogen ze ook ook pakkende korte titels krijgen, als het maar geen naam is van een middeleeuwse ‘held’ want die stonden echt niet model voor de betekenis van die onderwerpen.

  • Kerstening

Verspreiding van het Christendom onder Frankisch beheer.

                              Breed: De effecten van een christelijke cultuur. Kerken en kunst.

  • Graven en gouwen

Bedreiging door zeerovers en ontstaan van vorstendommen.

                              Breed: Hoe ontstaat een land. Topografie en geografie.

  • Sloten en schepen

Ontginningen en vorstensteun bij maatschappelijke ontwikkelingen.

                              Breed: Een nieuw landschap en de geboorte van een identiteit. Mentaliteit.

  • Stad en handel

Invloedrijke steden in een internationaal handelsnetwerk.

                              Breed: Ons erfgoed en onze globale invloed. Wetenschap en toerisme.

  • Erfenis en verovering

Opvolgingsproblemen, buitenlanders en partijstrijd.

                              Breed: Het ontstaan van ons politieke systeem. Centralisatie en de gevaren ervan.

Er was, volgens het rapport over de nieuwe Canon, bij de commissie Kennedy ook “een beschouwing over de plaats van de middeleeuwen in de canon” binnengekomen. Was dat mijn voorstel? Slings liet zich er niet over uit. Als dat zo was; leuk dat het even genoemd is, maar er is niets van in de nieuwe Canon terecht gekomen. Helaas. En nu maar 9 jaar wachten en hopen dat ik dan wel aan de beurt kom. Maar ik houd mijn adem niet in. En misschien is dan de Canon al wel helemaal afgeschaft en wordt er geen geschiedensles meer gegeven. Ik heb daar wel eens nachtmerries over als ik zwaar getafeld heb…

Het nieuwe boek. Voor bestellen zie de kolom rechts in het blog.

In ieder geval heeft uitgeverij Omniboek ervoor gezorgd dat belangstellenden – en waarom zouden daar geen scholieren bij zijn? – vanaf dit jaar toch te lezen kunnen krijgen hoe het nou wel zat met graaf Floris V. Ik kreeg namelijk de opdracht een nieuwe biografie van de graaf te schrijven en tegelijk het raadsel op te lossen van het enige grafmonument dat er van Floris nog bestaat. Het boek is verschenen in de serie Tastbaar Verleden van die uitgever want dat monument kan je als het ware nog aanraken. Het staat in de Grote of Sint-Laurenskerk te Alkmaar, iets dat maar weinig mensen weten. Zelfs voor Alkmaarders is het geen bekend gegeven. Ik wil echter in het geheel geen tijdperk, zoals de zogenaamde ‘Riddertijd’, aan hem ophangen. Er waren genoeg andere personen en gebeurtenissen die daar invloed op hadden. Floris was bovendien niet zo’n vechtersbaas en gebruikte waarschijnlijk liever diplomatie om zijn functie uit te oefenen. Al kon hij natuurlijk niet helemaal aan het uitoefenen van geweld ontkomen; hij was nu eenmaal een kind van zijn tijd. Ik hoop dat mijn boek een genuanceerder beeld van graaf Floris V van Holland en Zeeland, heer van Friesland (1254-1296) zal verspreiden en dat nu eindelijk eens al die fouten uit zijn levensbeschrijvingen op internet en in druk worden gehaald. De basis daarvoor ligt op 8 juni in de boekwinkel.

Floris uit de Canon: oorzaak en gevolgen (5)

De lezer zal inmiddels wel begrepen hebben dat ik geen hoge pet op heb van de nieuwe Canon van de Nederlandse geschiedenis. Ik vind namelijk dat die, net als de oude, niks toevoegt aan de kennis van onze geschiedenis omdat hij alleen maar de feitjes oplepelt die je moet weten voor de eindtoetsen en daarna weer mag vergeten. Maakt niet uit of er een verband tussen die verhalen bestaat en of je nou eigenlijk wel begrijpt waar het over gaat. En of de feitjes wel kloppen, want de leerlingen hebben geen enkele mogelijkheid om dat te controleren, tenzij ze de boeken en artikelen van historici over het betreffende onderwerp op eigen houtje gaan nalezen. Maar wie doet dat? Of wie weet die boeken te vinden, want het is lang niet zeker dat  de bibliotheken waar moderne leerlingen toegang toe hebben, ze ook op de plank hebben staan. Laat staan dat ze ze vanwege hun pittige prijzen aan kunnen schaffen als ze dat zouden willen. Wie kan verder die recente historische artikelen achter de betaalmuren van de tijdschriften vandaan halen behalve als je geschiedenis studeert of beroepshistoricus bent?

De boekenlijstjes bij de vensters bevatten daarbij voornamelijk populaire lectuur, hoewel ze ook altijd wel een aantal titels hebben van die nogal dure, niet al te oude non-fiction boeken. En dan moet je maar hopen dat de openbare bieb die voor je te pakken kan krijgen. Nationale Canons (dus niet regionale of stedelijke) zijn er daarom alleen maar omdat er te weinig tijd op basisschool en in voortgezette opleidingen over is voor fatsoenlijk geschiedenisonderwijs. En dan mag of moet je er nog een keuze uit doen ook, want er is voor een compleet geschiedenisoverzicht geen tijd. Dus dat leerlingen ooit nog een breed, opeenvolgend stuk geschiedenis gaan leren en leren begrijpen is bijzonder onwaarschijnlijk. In de praktijk komt het er inmiddels op neer dat voornamelijk de geschiedenis sinds 1900 wordt  behandeld. Waarbij moet worden aangetekend dat ook politiek-correcte modes als de VOC  en ‘ons’ aandeel in het slavernij-probleem de nodige aandacht trekken. Zeker als zo’n onderwerp, zoals het slavernijverleden, begeleidt wordt door een nu al controversiële tentoonstelling, met dubieus lesmateriaal, in het Rijksmuseum. De deskundigen van de periode zijn er al voor in de pen geklommen, bevolken de krantencolumns en ‘schuiven aan’ bij de TV-spreekstonden.

Cartoon in Trouw door Pieter Geenen, 5.10.2019

Natuurlijk hield ik het bij mijn contacten met de canoncommissie via Hubert Slings niet alleen bij kritiek. Ik hield een pleidooi om met name nog eens goed naar de middeleeuwen te kijken. Ik wilde me namelijk expres niet buiten mijn vakgebied begeven, want mijn collega’s zijn best zelf in staat hun kennisperiode te verdedigen. Ik wilde een aanzet geven tot een nieuwe denkwijze over de plaats van de middeleeuwen in de Canon. De eerste versie zat vol fouten, was naïef en politiek correct uitgewerkt in de website entoen.nu en liet enkele van de belangrijkste ontwikkelingen die Nederland in die 1000 jaar onderging ongenoemd.

De middeleeuwen worden slechts vertegenwoorigd door vijf van de vijftig vensters. Dat is natuurlijk nogal mager voor zo’n lange periode, te meer omdat de volgende 520 jaar niet minder dan 43 vensters kreeg, maar ik zeur daar verder niet over. Het gaat mij er meer om hoe die vensters vervolgens vorm hebben gekregen en wat voor vragen je eraan had kunnen stellen. Omdat het in dit blog over Floris gaat, zal ik die maar bij de kop te pakken, maar het had net zo goed één van die andere ‘helden’ kunnen zijn.

De vraag luidt: zijn leven en dood van Floris V nou echt zo belangrijk geweest voor het reilen en zeilen van de Nederlandse gewesten? Was hij echt zo invloedrijk dat hij model moest staan voor de ‘Riddertijd’? Enkele van zijn bij het grote publiek volkomen onbekende voorgangers of nakomers hebben veel meer invloed op de bloei van bijvoorbeeld het graafschap Holland en Zeeland gehad dan hij. Hij was niet de enige vorst in de middeleeuwse wereld wiens vader werd gedood en die dus wraak moest nemen. Hij was ook niet de enige of eerste die kastelen bouwde om onrustige onderdanen er onder te houden of die slim genoeg was om wat minder onrustige onderdanen voorrechten te geven. En hij was ook niet de eerste of enige die op onnatuurlijke wijze om het leven werd gebracht. Dat het nog bestaande, maar onherkenbaar gerestaureerde, Muiderslot, met zijn reputatie als Floris’ laatste verblijfplaats, en zijn even rigoureus gerestaureerde  Ridderzaal er nu nog staan is ook niet uniek in Nederland.

Cartoon in Trouw door Pieter Geenen, 8.6.2019

Dat geldt namelijk ook voor de graven van Vlaanderen, Kleef en Loon, en de hertogen van Brabant en Gelre. Vlak daarbij ook de invloed en het belang van de bisschop van Utrecht in het Sticht, Overijssel, Friesland, Drenthe en Groningen niet uit en, via hem, die van de paus op de politiek en de bezitsvorming op ons grondgebied. Floris V, hoewel op den duur uitgroeiend tot een gewiekst politicus, was niet meer of beter dan zijn vorstelijke tijdgenoten elders op ons grondgebied. Hertogen Hendrik I en Jan I van Brabant en Gelderse graven (later ook hertogen) als de Otto’s en de Reinouds, hebben voor de bloei van hun rijkjes gestreden en gemanipuleerd. Diverse bisschoppen van Utrecht hebben daarbij grote invloed op de noordelijke en oostelijke gewesten gehad, maar niemand die daarover in de klas iets zou kunnen navertellen. Zelfs niet zij die in die gewesten opgroeiden, al proberen groepjes  zoals De Ridders van Gelre , daar op een ludieke manier bij hen in de regio wat aan te doen.  En overal in ons land zijn nog middeleeuwse gebouwen en landschappen te zien.

Moeten we niet kijken naar wat werkelijk de invloed van de middeleeuwen op onze geschiedenis was? Hoe die het uiterlijk van Nederland hebben veranderd, zoals, bijvoorbeeld, door de ontginningen en ontbossingen? Daar kunnen dan vanzelf de aanvankelijk feodale invloeden, maar ook de latere, veel practischer georganiseerde waterschappen of marken aangehangen worden. En om aan te sluiten bij de moderne realiteit: het ontstaan van het beroemde ‘polderen’.  Hoe dat alles onze maatschappij heeft beïnvloed en gevormd, zodat nu de toeristen (en wijzelf) nog genieten van ons uit de middeleeuwen daterende erfgoed.

En moeten we het niet eens hebben over de culturele invloed van de uit het Franse taalgebied afkomstige dynastiën der Henegouwers en de Bourgondiërs en die van de oorspronkelijk Duitstalige Beierse en Gulikse hertogen en hoe die hier terecht gekomen zijn? En hoe de daarna komende Habsburgers tot hun breuk met de Nederlanden in 1581 ons hebben gevormd. En hoe moderne devotiebewegingen hier al in de veertiende eeuw de basis hebben gelegd voor de Hervorming en de daaruit voortkomende Opstand?

Wordt vervolgd.