Leven met de middeleeuwen 4

De aanleiding voor het gesprek met de archivaris;
het wapen van Dordrecht dat ik 1977 had hertekend.

In 1981 stopte ik met het striptekenen dat ik sinds 1969 had gedaan. Ik wilde met de heraldiek verder. Maar ik was inmiddels getrouwd met Pauline en ons eerste kind was onderweg. Ik zocht naar wat meer zekerheid dan het zzp-leven van de heraldische tekenaar voor het CBG en de HRvA. Gelukkig had in 1977 de Dordtse archivaris me al gevraagd iets te schrijven over het stadswapen. Ook zat hij ermee dat de rijke zegelcollectie van het archief niet beschreven was. Met name de beschrijving van de wapens van de schepenen in de middeleeuwen had nooit plaatsgevonden. Hij vroeg me of ik dat kon. Ik voelde me capabel genoeg en zei ja. In 1978 begon ik een dag in de week al die middeleeuwse zegels te fotograferen en heraldisch te beschrijven. En ik kwam letterlijk in aanraking met de middeleeuwen via de perkamenten chartertjes waar die zegels aan hingen. Ik heb er al eens over geblogd.

Het oude archiefgebouw aan het Stek in 1979.

Toevallig ging de educatief ambtenaar van het archief in 1981 weg en de archivaris vroeg mij en een bekende Dordtse fotograaf, Ad Molendijk, of we elk in deeltijd zijn baan in konden vullen. Dat wilden wij wel. In de jaren die volgden kwam ik pas echt in aanraking met de geschiedenis van Dordrecht en mijn belangstelling voor het middeleeuwse gedeelte daarvan werd alleen maar meer. Ik maakte tentoonstellingen, gaf vorm aan het archieftijdschrift en posters, deed stadsrondleidingen en studiezaaldiensten, gaf cursussen heraldiek en oud schrift, maar ook archief- en huizenonderzoek en schreef. Enkele collega’s gaven me les in Nederlands en historisch onderzoek en ik kon op den duur een aardig historisch artikel schrijven. Het was een unieke ervaring waar ik Pieter en Peter nog steeds dankbaar voor ben.

Ad Molendijk en ik in onze werkkamer op de eerste etage van het archief, met aan de wanden alle posters voor de tentoonstellingen die we in het archief hadden georganiseerd. De meeste zijn ook door mij ontworpen en als er foto’s op stonden waren die van Ad. Deze foto is ook van hem (1990).

Bovendien werden er computers aangeschaft en dat wekte mijn belangstelling zeker zo hevig als die voor geschiedenis. Binnen de kortste keren was ik bezig met desktop publishing, word-processing, pc-beheer en de opstart van de automatisering van de gemeentelijke dienst Kunsten waar het archief onder viel. Ik ben er nog steeds trots op dat ik voor die dienst in 1991 een automatiseringsrapport heb geschreven dat zelfs voor de grootste digibeten onder de diverse directeuren begrijpelijk was. Maar er lokten andere verten.

Het door mij ontworpen wapen van Die Landen van Herwaerts Over (LHO).

In 1989 was ik weer in contact gekomen met de SCA en hoorde dat er een Nederlandse afdeling zou worden opgericht. Daar wilde ik meer van weten. Ik werd lid en woonde een paar bijeenkomsten bij. Allemaal heel aardige mensen, maar ik wist inmiddels (ook door het archief en wat ik allemaal las) genoeg van de middeleeuwen om te zien dat ze niet erg historisch verantwoord bezig waren. Met name die adellijke rang die je door vechten met rotan zwaarden kon opwaarderen stond me tegen. Ik vroeg me af of dat niet anders kon. Ik brainstormde erover met een paar jongemannen die regelmatig op bijeenkomsten van de Nederlandse Tolkienvereniging Unquendor, herbergen werden die genoemd, aanwezig waren. Die bleken al met zwaardvechten en gruitbier brouwen bezig te zijn en het duurde niet lang voor we zelf een ‘levende geschiedenisvereniging’ op gingen richten. Begin 1991 was het zover. Middeleeuws genootschap Die Landen van Herwaerts Over (LHO) was een feit.

Het eerste bestuur van de LHO, plus mijn zus en vrouw, tijdens ons eerste zomerfeest in 1991. Alle kleding is van de verkeerde stoffen, dikwijls van de verkeerde kleur, soms niet van de goede snit en let op de nep-buideltasjes. VLNR: Ger, Ton, ik, Pauline, Ed, Gil.

We gingen van start met 40 leden. We maakten bio’s en naaiden kleding en zochten uitrusting. Dat was nog niet zo makkelijk, want waar haalde je patronen en voorbeelden vandaan. Ik was al in 1989 aan het experimenteren gegaan met een 19e eeuws kostuumboek waar o.a. patronen in stonden, maar die bleken na uitproberen niet te kloppen. En waar haalde je middeleeuwse schoenen vandaan, of zwaarden? We kwamen er al snel achter dat kleding in die tijd van wol en linnen was en dat je als je rijk was zijde kon betalen, maar waar haalde je die in 1992? Wol bleek meestal vermengd met kunststof en linnen met katoen. Dus onze eerste kleren waren van die halffabrikaten. Dikwijls in de verkeerde kleuren. We droegen zogenaamde Spaanse sloffen en bankstel-leren tassen en beurzen. Het was allemaal nogal geïmproviseerd. En toen kregen we, al in 1991, een vererend aanbod.

In Alphen aan den Rijn waren plannen om een archeologisch themapark te bouwen met o.a. een middeleeuws gedeelte waarin huizen op ware grootte zouden komen uit de periode 1100-1400. De directeuren hadden in 1990 al over ons gelezen in de kranten die aandacht aan de oprichting van de LHO hadden geschonken. Dus een maand na onze oprichting zaten we met een paar bestuursleden in Alphen. Of we zin hadden om als het park er stond af en toe de middeleeuwen te bevolken. Onze mond viel open! Een droom leek uit de komen. Dus we zeiden graag ja. En we werden vast uitgenodigd om in november 1991 bij het eerste paal slaan voor de Romeinse gebouwen te verschijnen.

Onze opstelling tijdens de feestelijke eerste paal van Archeon in november 1991. Een gedekte tafel (met HEMA bakjes en Portugees aardewerk) en onze heraldische wandkleden die later spoorloos verdwenen.
De originele Dordrecht tas uit midden 14e eeuw. We kregen de werktekening van Olaf en ik heb hem voor mezelf nagemaakt.

Het werd nu echt serieus en diverse van onze mensen deden naarstig onderzoek naar kleding en verdere uitrusting. Ook kregen we hulp. Olaf Goubitz, de historisch leer-kenner, gaf ons patronen voor schoenen, tassen en schedes van archeologische vondsten. We ontdekten dat je op stoffenmarkten best goede wol konden kopen en bij IKEA bleken ze echt linnen te hebben. Met mijn zus Ger, die een vakkundig naaister is, ontdekten we door experimenteren de meest waarschijnlijke methoden waarmee de middeleeuwers hun kleren maakten. Onze ‘rocken’ (de middelnederlandse term voor lijfkleding bij mannen en vrouwen) gingen er steeds echter uitzien. De eerste turnshoes verschenen. Iemand wist middeleeuws-achtige gespen te scoren en die gingen op de net echte tassen en aan riemen.

Onze groep tijdens het riddertoernooi in Satzvey (1992). Let op al het onbedekte haar van de dames.

In 1992 gingen we met een grote groep van onze mensen naar een middeleeuws evenement in Satzvey (Duitsland). Daar bleek iedereen als edelman en –vrouw rond te lopen in fluweel, zijde en nepbont en in felle chemische kleuren. En ze zetten hun brilen niet af en deden over hun permanentjes geen hoofdkleden. Het stikte er ook van de niet al te beste heraldiek. We liepen mee in de optocht en na afloop kregen we het commentaar dat we er wel een beetje gewoontjes bij hadden gelopen. Ik kon het niet laten te reageren met: jawel, maar zo zagen de meeste middeleeuwers eruit, niet zoals jullie. Ik zag dat we op de goede weg waren, maar ook dat we er nog lang niet waren. We gaven onszelf tot 1996 om echt beslagen ten ijs te komen.

De maquette van Archeon zoals hij in 1991 nog was.

De eerste paal van Archeon, want dat was het park, leverde nog iets op, met name voor mij. Daar stond namelijk een tafel met een grote maquette van het toekomstige park (gemaakt door het genie Peter de Haas) waar ik met name in het middeleeuwse deel de nodige fouten dacht te herkennen. De volgorde van de huizen aan de beide straten klopte niet en er stonden nogal wat tijden door elkaar. Na thuiskomst schreef ik daar een brief over aan de directeuren. Ik hoorde een tijd niks tot begin 1992. Of ik zin had bij een bouwvergadering over het middeleeuwse ‘stadje’ te komen zitten? Dus ik schoof in maart aan bij de directeuren en een paar archeologen. Ik had me goed voorbereid want op het archief had ik geleerd literatuuronderzoek te doen. Er was er recent in Nederland niet veel over stadsgeschiedenis gepubliceerd, maar ik had toch het nodige gevonden. Daarom had ik genoeg argumenten klaar om de bouw van de huizen aan te passen. Bovendien kon ik ter plekke tekeningetjes maken van hoe het er dan uit zou gaan zien. Al met al kon ik met name de archeologen, die de indelingen hadden gemaakt, ervan overtuigen dat het anders moest.

De plannen werden omgegooid en Gravendam zoals het er nu ligt was het resultaat. Maar daar bleef het niet bij.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 3

The Main Stage, een Shakespeariaans openluchttheater speciaal voor de Faire in Californië gebouwd. Hier met een Commedia dell’ Arte show in volle actie.

Met het geld dat ik met het publiceren van mijn eerste strip – ik was na de academie voor PEP gaan tekenen – had verdiend gingen mijn vriendin en ik naar de USA. Tussen begin mei en eind september 1970 verbleven we bij vrienden in Los Angeles en San Francisco en liftten vanuit Californië helemaal naar de Canadese grens en terug. In mei zowel als in september bezochten we de toen tamelijk nieuwe Renaissance Pleasure Faires bij de genoemde steden. Hier werden historische ambachtsmarkten gemengd met allerlei artistiek en cultuur-historisch vermaak door wat wel hippies werden genoemd. Dat waren wij ook en we werden het daar steeds meer. We keken onze ogen uit. Iedereen was verkleed, inclusief heel veel bezoekers. Het thema was Renaissance zoals de naam al zei, de tijd van koningin Elisabeth I van Engeland (1533 -1603), maar de Amerikanen namen dat ruim. Er liep en speelde ook veel ‘middeleeuws’ volk. We hebben er bij elkaar 4 weekends doorgebracht en liepen op den duur ook in geïmproviseerde historische kostuums. De ervaring was onvergetelijk. Zeker toen we de mensen van de Society for Creative Anachronism (SCA, opgericht in 1966) ontmoetten.

Ik als ‘middeleeuwer’. Man in tights!

Zij her-creëerden de middeleeuwen zoals ze graag hadden gezien dat ze geweest waren. Maar erachter ging serieus onderzoek schuil en de leden ontwikkelden een hele serie technieken om die periode vorm te geven. Dat ging wel op z’n Amerikaans en die invloed bleef bij de meeste leden toch behoorlijk groot. Ook hadden ze in de US niet echt de middelen, stoffen, materialen om onze Europese middeleeuwen te laten zien. Maar ze probeerden het in ieder geval wel. Ze maakten verzonnen biografieën voor zichzelf, maakten de kleding waarvan ze dachten dat die daarbij hoorde, verzonnen familiewapens, vochten als ridders (maar dan met rotan zwaarden om juridische problemen te voorkomen als je door een metalen wapen werd verwond), probeerden middeleeuwse  recepten uit, zongen en speelden middeleeuwse liederen en kluchten, etc. etc. En deden aan ancient crafts. En gaven voorlichting aan het publiek. Wat wel opviel in het republikeinse Amerika was dat iedereen van adel wilde zijn en dat je door ‘toernooien’ te winnen een hogere adelstand kon bereiken. En dat je vrouw of vriendin tegelijk met je opging. Zonder een toernooi te hoeven winnen…

Wapen van de SCA.

Toen we terug waren heb ik geprobeerd om via oproepen in Hitweek Nederlandse hippies zover te krijgen om iets dergelijks te starten. Er kwam geen enkele reactie op. Waarschijnlijk waren ze hier niet in geschiedenis geïnteresseerd of hadden ze geen middeleeuwse ambachten onder de knie. Dus dat ging niet door. Kort daarna gebeurde er echter nog wat dat direct grote gevolgen zou hebben.

Titelblad van mijn Boutell’s heraldry.

Tijdens een vakantie in Engeland rond kerst- en nieuwjaar 1970-71 liep ik in een tweedehands boekwinkel in Salisbury tegen Boutell’s Heraldry (1863) aan. Dat is in de UK een klassiek heraldisch handboek, waar echt alles over de Engelse heraldiek staat en dat tot nu toe wordt herdrukt. Mijn exemplaar dateerde uit 1864 en was de derde druk. Ik was die dagen niet echt een gezellige gast van onze gastheer, want ik kon me bijna niet uit het boek losrukken. Eenmaal thuis heb ik het in een paar dagen uitgelezen. Het telt 584 dichtbedrukte pagina’s tekst en 975 litho’s van wapens en hun inhoud en omgeving. Plus de hele geschiedenis van de internationale en Britse heraldiek. Ik was verkocht.

Al snel had ik in de gaten dat er ook in Nederland aan heraldiek gedaan werd en dat er ook hier al sinds de 19e eeuw boeken over verschijnen. Het handboek hier werd de Rietstap genoemd, naar zijn  auteur, die al eerder dan Boutell in 1857 zijn versie van een handleiding had geschreven en uitgebracht. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik begon overal wapens te zien en ging ze ook tekenen. Als ik in Engeland was, en dat gebeurde in de jaren ’70 regelmatig, kocht ik nog meer boeken op dit gebied.

Het gebouw waar het CBG tussen 1948 en 1979 gevestigd was: Nassaulaan 18, Den Haag.

Inmiddels was ik ook al bezig met stamboomonderzoek en hoewel dat ook een heraldische kant heeft had je hier geen clubs van mensen die met heraldiek bezig waren. Maar ik werd wel op het spoor van de Nederlandse wapenliefhebbers gezet toen ik voor onderzoek bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) terechtkwam. Daar hadden ze zelfs een  wapenregister waar nieuwe Nederlandse familiewapens konden worden ingeschreven. En er waren mensen die ze ontwierpen. Ik maakte kennis met Karel van den Sigtenhorst, dé Nederlandse wapentekenaar. Een ontzettend aardige man die me nog enthousiaster maakte voor het vak. Hij vond ook dat ik leuke wapentjes tekende en leerde me er het nodige over bij. Hij moedigde me ook aan mijn eigen stijl te ontwikkelen. Ik hield van de nogal strakke Zwitserse en Engelse heraldiek, maar hier hielden ze meer van barokke 19e eeuwse wapens, en daar week ik nogal vanaf.

Karel van den Sigtenhorst (1925-2014).

In 1976 werd ik lid van de Engelse Heraldry Society. Karel introduceerde me even later, in 1977, bij het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde (KNGGW) want daar kwam je niet zomaar bij; er was een balottage. Maar als er ergens een heraldisch genootschap in Nederland was was het dit wel. Al gauw mengde ik me in mijn spijkerpak en haar tot halverwege mijn rug tussen de militaire snorren en blazers. Daar werd wel vreemd tegenaan gekeken, maar omdat ze merkten dat ik vakkundig met ze mee kon praten werd ik op den duur wel geaccepteerd. Vooral toen ik, ook weer via Karel, door de Hoge Raad van Adel (HRvA) in Den Haag gevraagd werd of ik niet wat werk van hun tekenaar, de al gepensioneerde en ziekelijke meneer Van der Drift, kon overnemen. Dat wilde ik wel. Na een proeftijd, waarin ik alle toen bekende gemeentevlaggen van ons land tekende en schilderde in plakkaatverf, kreeg ik langzamerhand de opdrachten om wapendiploma’s voor Nederlandse gemeenten te schilderen en calligraferen.

Ook daar moesten ze aan mijn stijl wennen en ik heb lange gesprekken gehad met de secretaris, mr. Otto Schutte, om mijn invalshoek te verdedigen. Op den duur raakten ze ook daaraan gewend en de diploma’s van de vele in de jaren ’80 gefuseerde gemeenten laten nog steeds de stijlverandering in het wapentekenen in Nederland uit die tijd  zien. Ook de gemeenten zelf hadden wel oog voor de nieuwe vormgeving.

Omslag van Vexilla Nostra, ontworpen door Theun Okkerse.

Doordat ik in het wereldje steeds bekender werd, vroeg men me bij de Nederlandse Genealogische Vereniging als redacteur heraldiek voor hun tijdschrift en werd ik op den duur ook eindredacteur van het vlaggenkundig tijdschrift Vexilla Nostra. De vlaggenkunde is een broertje van de heraldiek en ook daar had ik mijn ideeën over.

Inmiddels had ik in 1975 al mijn eerste familiewapen ontworpen en dat werd bij het CBG geregistreerd. Juist in die tijd nam het werk van het tekenen van de wapendiploma’s voor het register hard toe en kon Karel, die het tot dan toe in zijn eentje had gedaan, het werk niet meer aan. Ik werd ook ingeschakeld en samen hebben we vele tientallen wapens voor het bureau getekend. Op den duur werd ik ook steeds meer voor ontwerpen gevraagd. Kortom: ik zat midden in de heraldiek en maakte naam in Nederland en via Engeland ook erbuiten. Toen ik ook nog gemeentewapens ging ontwerpen, kwamen die in de Nederlandsche Leeuw, het tijdschrift van het KNGGW, terecht. Ik begon daarvoor de artikelen over de geschiedenis en ontwikkeling van de wapens te schrijven. En schreef ook over heraldiek in genealogische tijdschriften en over vlaggen in mijn VN.

Maar intussen hadden zich op geschiedenisgebied ook de nodige ontwikkelingen voorgedaan.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 2

Zo merkte ik op dat Ivanhoe een helm op had met een vizier, maar dat dat ding als hij vocht nooit neer ging. Of dat er in donkere kasteelgangen om de zoveel meter een schuin aan de wand bevestigde brandende fakkel in een houder de boel een beetje verlichtte. En dat die fakkels nooit kleiner werden en maar bleven branden. Die kastelen zagen er van binnen ook erg ongezellig uit met muren van grote blokken steen die glommen van het vocht. Ik vond dat nogal vreemd allemaal en vroeg me bijvoorbeeld af hoe men wist dat kastelen zo verlicht werden. Of dat die vizieren toch niet voor niks aan een helm zaten? Toen wist ik nog niet dat dit en nog meer van dat soort clichés standaard in films gebruikt werden, zeker als ze uit Hollywood afkomstig waren. Maar Engelse tv-series namen dat dus zonder problemen over. Zover was ik  echter nog lang niet.

Fakkels in de kerkers, gebouwd van enorme bijgehakte rotsblokken, in de film The Flame and the Arrow met Burt Lancaster (1950).

Wel zag ik vanaf dat ik een jaar of 13-14 was meer van die films in onze dorpsbioscoop en af en toe in een bioscoop in Dordrecht waar ik op de HBS zat. Ik herinner me dat El Cid (1961) bijvoorbeeld een diepe indruk op me maakte. Ook de oude Robin Hood film met Erroll Flynn (1938) of latere versies (1952, 1954, 1960), Ivanhoe met Robert en Elisabeth Taylor (1954) en de Tony Curtis film The Black Shield of Falworth (1954) of Burt Lancaster in The Flame and the Arrow (1950) waren niet te versmaden. Één van de zaken die me daarin ook opvielen was dat schilden in dat soort films van blik leken te zijn gemaakt en dat die na afloop van een gevecht krom en met diepe butsen terzijde werden gegooid. Ik kon me dat nauwelijks voorstellen. Toch werden in de Nederlandse tv-serie Floris uit 1969 nog steeds blikken schilden gebruikt.

Het blikken schild van Floris, dat hij ook nog eens ondersteboven vasthoudt. Het wapen op het schild is ook nog eens zwart op rood; dat is tegen de regels van de heraldiek: kleur mag niet op kleur.

Wat me wel opviel was de inhoud van die schilden en van de vlaggen die overal wapperden. Of de borst van de wapenrokken van die ridders of de lappen die over paarden werden gedrapeerd. Zwarte adelaars, rode leeuwen of paarden, kruisen in allerlei kleuren, gouden wolven- en andere beestenkoppen en ook kleurrijke abstracte patronen die de scenes tussen al dat vechten en flirten opvallend opluisterden. Ik wist niet wat die tekens allemaal betekenden en kon er niet echt een systeem in ontdekken, maar hun opvallende kleurigheid intrigeerde me wel.

De bewuste pagina; toevallig gevonden. Geen idee meer van de boektitel waar hij in stond.

Pas toen ik na drie jaar HBS naar de Rotterdamse kunstacademie kon kwam ik er in hun rijk bedeelde bibliotheek achter dat het familiewapens waren. En dat het hier om heraldiek ging, wel degelijk een systeem met eigen regels en symboliek. Het interesseerde me mateloos. Ik zat daar dikwijls tussen de middag en keek boeken met middeleeuwse kunst door, miniaturen, beeldhouwwerk, wandschilderingen, etc. waar die wapentjes steeds pittig uit naar voren sprongen. Het trok me aan en ik probeerde ervan te leren. Ook was er een boek dat over middeleeuwse wapens en wapenrustingen ging en dat de ontwikkeling door de tijd heen liet zien in overzichtelijke reeksen en schema’s. Daar kon je dus uit opmaken welke wapens en helmen en harnassen in een bepaalde periode werden gebruikt. Toen bleek ook dat die helm van Ivanhoe helemaal niet voor kwam; hij had nooit bestaan en diende  alleen maar om Roger Moores voor meisjes zo aantrekkelijke hoofd vrij te houden. Hij had die helm trouwens meer niet dan wel op, zodat je zijn vetkuif beter kon zien.

De kuif. Let ook op de vage adelaar op zijn gipoen.

Uit de heraldiek had ik inmiddels begrepen dat de gouden adelaar die hij op zijn witte wapenrok droeg volkomen fout was: wit of zilver was een ‘metaal’ in de heraldische terminologie en goud (of geel) het andere metaal. Metaal mag niet op metaal, want dat valt niet genoeg op. Dat is in de oorlog of op het toernooi ook niet handig. Van een afstand zie je het verschil niet eens en dat kan je in een gevecht fataal worden. Vandaar dat je op goud en zilver altijd zwarte of rode adelaars hebt. Of desnoods blauwe of groene, want dat zijn de enige vier kleuren in de wapenkunde.

Poster voor El Cid (1961). Let op het lege, gevierendeelde klaverkruis op de wapenrock: metaal op metaal.

Enkele jaren geleden heb ik nog eens El Cid op dvd gekocht. Het was niet eens een echt slechte film. Hij was te lang en er werd te veel gepraat en door landschappen gereden, maar ik heb me er best mee vermaakt. De aankleding liet echter te wensen over. El Cid leefde in de tweede helft van de 11e eeuw en ik weet inmiddels al heel lang dat er toen nog geen heraldiek was. Die kwam pas in de loop van de volgende eeuw opzetten en in Spanje, waar het verhaal speelt, kregen de koningshuizen en adel in de 13e  eeuw pas hun echte wapens en banieren (wapenvlaggen). Toch wemelt het in de film van de heraldiek. Dat geeft dan dus wel een heel anachronistisch beeld van de periode. Sophia Loren loopt daarbij ook voornamelijk in strakke haute couture rond in plaats van de ruime vrouwenrocken van de periode. Het moet echter gezegd dat de mannen dikwijls wel de goede lengte van kleding aan hadden en dat die naar 11e eeuwse snit brede versierde banden langs hals en mouwen lieten zien.

Janet Leigh in The Black Shield of Falworth (1954).

Kortom: ik begon door te krijgen dat niet alles historisch klopte wat ons op tv en in de film werd voorgezet. En wapenrusting en heraldiek waren niet de enige zaken die niet correct werden weergegeven. Ook kleding, die ik uit al die kunstboeken leerde kennen en die ik per periode zag verschillen, was een rommeltje. En zeker de vrouwenkleding, waar actrices meestal zo voordelig mogelijk in uit moesten komen. Die was meer geïnspireerd door de mode van de jaren ’30 tot ’60 dan dat ze middeleeuws was. De mannen liepen ook altijd rond in korte jakken met korte mouwen over een wit hemd met kraag en met daaronder een maillot om zich makkelijker in te kunnen bewegen.

Errol Flynn in The Adventures of Robin
Hood (1938).

Terwijl ik toch duidelijk had gezien dat ze een groot deel van de middeleeuwen lange tunieken met lange mouwen droegen en dat hun broeken zeker niet altijd zo strak zaten. Mel Brooks heeft er nog eens een satire op gemaakt: Robin Hood, Men in Tights (1993).

Woorden zijn overbodig…

Bovendien bleek dat de schrijvers van historische romans of de makers van historische strips, waarop ik ook verzot was, zeker als ze in de middeleeuwen speelden, het ook niet beter wisten. Ze beschreven of  tekenden dikwijls hun helden en heldinnen alsof ze rechtstreeks aan Hollywood waren ontleend. Inclusief de kleding en de uitrusting. Ik vertrouwde het allemaal niet zo erg meer. Ik begon me trouwens af te vragen of dat niet anders kon en waarom ze elkaar alleen maar nadeden. Was het een blinde vlek van de kostuum- en decorontwerpers en de decorateurs? Waren het de regisseurs die gewoon een door hen leuk gevonden voorbeeld nadeden? Waren het de studio’s die niet in de vorm af wilden wijken van een type film dat goed verkocht en die dus tegen meer historische betrouwbaarheid waren: zo willen de mensen het nou eenmaal? Ik kreeg er niet echt hoogte van, want ik was een roepende in de woestijn. Niemand stoorde zich eraan. Maar kort nadat ik was  afgestudeerd aan de academie vonden er een paar ingrijpende gebeurtenissen in mijn leven plaats.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 1

Voorafgaande aan de publicatie van mijn nieuwe boek, De oudste stad van Holland. Opkomst en verval van Dordrecht 1000-1421, (zie hiernaast) wil ik de lezers van dit blog vertellen waarom ik zo met die middeleeuwen bezig ben en waarom ik er op deze manier over schrijf. Ik ben van plan tot eind mei een klein serietje te maken over de bedoelingen die ik met mijn manier van doen heb en hoe ik daartoe gekomen ben. Hopelijk beantwoordt dat tegelijkertijd een aantal van de vragen die ik de afgelopen jaren van u kreeg.

Dit is een versie van Karel
de Grote zoals ik die in
1962 nog tekende.

Al sinds de derde klas van de lagere school (groep 5) heb ik wat met de middeleeuwen. Ik was toen 8 à 9 jaar en het was 1957. Meester Saaltink kon boeiend vertellen en tekende het schoolbord vol met figuren uit het verleden: een bataaf, een romein, Karel de Grote, een ridder, etc. Thuis tekende ik die uit mijn hoofd na en voor vriendjes moest ik dat nogal eens herhalen. Het was een soort party-trick die me van pas kwam om een zekere onschendbaarheid ten opzichte van pestkoppen te krijgen.

De verhalen die de meester (en later diverse andere onderwijzers en leraren) me vertelde maakten diepe indruk op me. Zeker als ze over ridders en kastelen gingen. Ik heb nog lijstjes van mijn boekenbezit van toen ik een jaar of 10 was en daar figureert al een boek over Koning Arthur en zijn ridders in. Dat was goed gezien van mijn ouders, die dat als gewone arbeiders toch maar deden. Er was ook een stripboek van Johan bij (later met Pirrewiet) dat De nederlaag van Basenau heet en dat, zoals de kenner weet, ook in een soort middeleeuwen speelde.

Met mijn vriendjes was ik dan ook al gauw in de weer met ‘riddertje spelen’. De jongens met wie ik speelde hadden wel hun ideeën over cowboys en indianen, maar niet  zozeer van ridders, dus ik had nogal wat uit te leggen. Toen al. De commercie was in die laten jaren ’50 al op deze trend gedoken en leverde pakketjes van plastic ridderhelm, schild en zwaard in schede. Die helm paste me niet, want ik had en heb een bijzonder groot hoofd, het schildje stelde niks voor en het zwaard sloeg bij de pareerstang al snel dubbel, omdat het daar te dun was. Sommige jongen staken er daarom een tak of een latje in. Ik maakte echter van resthout uit mijn vaders knutselhoek een houten zwaard, dat met gemak die plastic dingen dubbel sloeg, ook als er een tak in zat. Dat vonden mijn vriendjes niet leuk. Ik had ook al snel in de gaten dat je een ‘zwaard’ niet alleen hoefde te gebruiken als wild rondgezwaaid hakwapen, maar dat er ook mee kon prikken. Als mijn tegenstanders al een schild gebruikten lieten ze hun verdediging ook altijd helemaal open en kon je goed door het gezwaai heen steken. Praktisch, maar geheel zonder voorbeeld, want ik had dat nog nergens kunnen zien.

Ook kreeg ik van mijn tante, die in Duitsland woonde, een bamboe boog met houten pijlen, waaraan rubber doppen zaten. Die kon je hier niet krijgen. Zelfgemaakt pijl-en-bogen braken altijd, maar die van mij was onbreekbaar en schoot verder dan alle andere. Je reinste Robin Hood, al had ik daar toen nog niet van gehoord. Pijlen werden destijds bij ons in  Sliedrecht trouwens van zo recht mogelijke takken gemaakt, met een uitgehold stukje vliertak als punt erover geschoven, maar die dingen vlogen alle kanten op. Mijn boog schoot recht,  tot de pijlen op den duur kwijt raakten in hoog gras of struikgewas.

Een grote inspiratiebron toen ik inmiddels in de zesde klas zat was de Engelse tv-serie Ivanhoe die vanaf 1961 in Nederland werd uitgezonden. Wij hadden nog geen tv, maar ik zag hem, min of meer regelmatig, bij mijn oma. Ik was er weg van. Zoiets hadden we hier nog nooit gezien: echte ridders op paarden en met helmen met deinende pluimen erop en zwaaiende zwaarden die schurend uit schedes werden getrokken: dzzzzjingggg! We gingen dat natuurlijk direct naspelen, maar eigenlijk was ik daar al een beetje te oud voor: ik werd in juni 13. Ik werd er ook door leeftijdgenoten op aangekeken dat ik met buurjongens van 10-11 speelde; kinderachtig. Dus het plezier van riddertje spelen ging eraf. Zeker toen ik in september naar de HBS ging was het helemaal afgelopen.

Op de middelbare school kwam ik eigenlijk pas echt met onze geschiedenis in aanraking via meneer Buurman, een verlegen geschiedenisleraar, die heel goed kon vertellen. Ik heb hem alleen maar gehad in het tweede jaar HBS, maar dat was wel het jaar waarin de middeleeuwen werden behandeld. Helaas zat ik in een rumoerige klas met nogal wat lastige zittenblijvers die de verteluurtjes zo verstoorden dat Buurman het regelmatig opgaf en strafwerk uit ging delen. Inmiddels had ik me van mijn ouders mogen abonneren op de sinds 1960 verschenen encyclopedie Sesam Wereldgeschiedenis in 18 pockets, want ze merkten wel dat geschiedenis mijn grote belangstelling had. Ik heb ze allemaal gelezen (en er veel uit geleerd), maar de deeltjes 6 en 7 die over de middeleeuwen gingen waren voor ik ze uiteindelijk, nog niet eens zo lang geleden, weggooide bijna stukgelezen. Elke paar maanden werd een deeltje toegestuurd en toevallig kwamen die twee net voor ik bij meneer Buurman belandde uit. Ik kwam dus al een beetje beslagen ten ijs.

Links de heer Laureyssen en rechts meneer Buurman

Dat had ook effect bij andere vakken. Zo moesten we bij meneer Laureyssen van Nederlands regelmatig een opstel schrijven. We mochten dan kiezen uit enkele titels en daar dan 2 of 3 velletjes van een schrift over vol schrijven. Zo koos ik “Een postduif vloog naar Bordeaux”. In plaats van een verslag van wat duivenmelkers doorstaan als hun doffer maar niet het hok in wil (wat ik elke zondag bij ons achter aanhoorde), schreef ik een roman over een beleg van een Franse stad door Engelsen tijdens de honderjarige oorlog. Daar had ik namelijk net over gelezen in de Encyclopedie. Die Engelsen schoten met een pijl een duif met een boodschap voor de belegerden uit de lucht, waardoor er iets dramatisch moest gaan gebeuren. Ik heb dat verhaal die avond echter niet afgeschreven, want ik moest naar bed. De volgende dag leverde ik 13 pagina’s in. Meneer Laureyssen, een gemoedelijke Brabander, bekende dat hij het opstel niet helemaal uit had gelezen (hij was tot pagina 9 gekomen), maar hij vond het zo’n leuk verhaal dat hij me een 9 gaf. Dat heeft mijn cijfer voor Nederlands, dat altijd zo rond de 6 hing, dat jaar nog flink opgewaardeerd.

Zulke dingen dus. Inmiddels heb ik de vier dikke delen over de Hundred Years War van Jonathan Sumption hier in de kast staan en gelezen. Ik heb daarbij wel gezien dat mijn verhaal niet echt realistisch was en dat ik de Franse koning toch wat te negatief had neergezet, maar het had op de een of andere manier wel kunnen gebeuren. Alleen werden zulke gebeurtenissen meestal niet door de chroniqueurs opgeschreven, laat staan dat ze in de echte bronnen voorkomen. Intussen was ik  door dat schrijven en enkele andere dingen die me opvielen wel op een paar praktische vragen gestuit. Daar gaat het volgende blog over.

Wordt vervolgd.

Corona en het boek

We zijn het er allemaal wel over eens dat het corona-virus de maatschappij flink ontwricht, maar dat dat wel noodzakelijk is. Het jammere is dan natuurlijk wel dat veel dingen niet meer kunnen waar je van tevoren op gerekend had. Zo zou mijn nieuwe boek, De oudste stad van Holland, over het ontstaan, de opkomst en bloei, maar ook het verval van Dordrecht tussen 1000 en 1421, op 28 mei gepresenteerd worden aan de burgemeester van Dordrecht, Wouter Kolff. Dat gaat niet door. Evenmin als de presentatie in de Dordtse boekhandels. Wie weet kunnen we dat na de gehoopte afloop van de crisis nog eens inhalen. In de herfst bijvoorbeeld, maar niets is natuurlijk zeker.

Het boek zou het jubileum van 800 jaar stadsrecht in Dordrecht natuurlijk hebben moeten begeleiden. Ook daarvan gaan veel evenementen niet door. Het is de vraag of men die, indien mogelijk, nog in de herfst van 2020 kan proppen. De connectie is dus een beetje verwaterd, al kan iedereen die het boek koopt natuurlijk wel over de achterliggende redenen van dit jubileum lezen, want die komen uitgebreid aan de orde. Ik hoopte al vanaf het begin van het schrijven dat het een heleboel vragen en misverstanden zou kunnen oplossen. Dat kan altijd nog, maar het was leuk geweest als dat tegelijkertijd met de feestelijkheden had kunnen gebeuren.

De sfeervolle markt en kerk van Geertruidenberg

Het zou ook een einde gemaakt hebben (en doet dat natuurlijk alsnog) aan de ruzie tussen Dordrecht en Geertruidenberg, want iedereen kan nu lezen dat Dordrecht al vóór 1200 een handelsstad was en ook als zodanig bekend stond, terwijl Geertruidenberg niet meer dan een marktplaatsje voor de omgeving op een kruispunt van water- en landwegen was. Het had weliswaar al even voor 1213 schepenen, maar bezat niet bepaald een stedelijke uitstraling. Ik verwacht dat de niet al te chauvinistische Bergers dat nu ook eindelijk eens toe moeten gaan geven.

Wat ik eigenlijk nog veel belangrijjker vind is dat Dordtenaren die dit boek gaan kopen nu eindelijk eens in druk, met inkt op papier, kunnen lezen waarom Dordrecht echt de oudste stad van Holland is. Ondanks de 60.000 mensen die mijn blog hebben gelezen (waaronder natuurlijk de 500 abonnees die elke keer weer mijn nieuwe stukkies lazen) is dat gezien de informatie die over Dordrecht op het internet is te vinden nog steeds niet voldoende doorgedrongen in hun hoofden. De ongeveer 200 mensen die inmiddels via de cursus Dordtologie mijn les over het ontstaan, bloei en verval hebben gehoord en gezien, zijn natuurlijk goed voorgelicht. Maar ook zij zouden nog veel aan het boek hebben, want daarin kon ik veel dieper op de materie ingaan dan die 2 uur op zaterdagmorgen in de winter en aan het eind van de zomer.

Dat is temeer belangrijk omdat ons historische museum in het Hof een make-over zal ondergaan die onder andere de ‘vrijheden of privileges in de middeleeuwen’ zal tentoonstellen in de dormter, de bovenzaal van de zogenaamde ‘Statenzaal’. Ik houd daar al mijn hart voor vast, zeker na het stukje dat het bewuste museum op 1 april jl op zijn Facebook-pagina heeft gezet over het stadsrecht van 1220.  Ik heb nog geaarzeld om er een blog aan te wijden, maar heb het maar zo gelaten, want na 28 mei is toch alles wat daarin staat genuanceerd in mijn boek. Jammer dat dat niet geldt voor wat er nog steeds over de statenvergadering van 1572 wordt beweerd. Gelukkig heeft Herman van Duinen daar, in eigen beheer, sinds kort een definitief boekje over uitgegeven waarin alle argumenten, aan de hand van de originele bronnen, weer eens op een rijtje staan zodat die geschiedvervalsing straks ook officieel niet meer geloofd hoeft te worden. En dat met de synode van 1618-19 de vrijheid van godsdienst in de Nederlanden was gegarandeerd kan honend worden weggelachen. De Remonstranten kunnen u trouwens al eeuwen wel anders vertellen.

Ik zal in de blogs hierna, tot aan eind mei, steeds een onderdeel van het boek bij de kop pakken en er wat meer over vertellen, dus houd dit adres in de gaten. Hiernaast, in de rechterkolom, kunt u al linken naar de uitgever en daar mijn boek vast voor uw boekenkast reserveren.

Dordrecht 800 (3)

Hebt u me gemist? Bijna drie maanden heb ik geen nieuw blog geschreven, maar u weet me in ieder geval nog steeds te vinden. Ik mag namelijk niet klagen over het aantal lezers en bezoekers dat ondanks dat er op apud thuredrech komt. Niet dat er intussen niks gebeurd is. Ook het feest Dordrecht 800, waarvan ik u op de hoogte zou houden, gaat gewoon door. Al zijn er de laatste dagen wel wat evenementen afgelast vanwege de u allen bekende oorzaak. Er zijn tussen de ontwikkelingen door zelfs wat lichtpuntjes te bespeuren, waarover ik u hieronder zal proberen bij te praten.

Maar eerst: wat was de oorzaak van mijn afwezigheid? Simpel, ik heb weer een boek geschreven. Terwijl ik dit schrijf liggen het na drie correctierondes goedgekeurde manuscript en vele mb’s aan beeldmateriaal sinds enkele dagen bij de uitgever en zal de vormgever er binnenkort mee aan de slag gaan. Dat is dezelfde persoon die mijn vorige boek, De dageraad van Holland, heeft ge-layout en daar ben ik zeer blij mee, want dat heeft hij zeer goed gedaan. Ik verklap de titel nog niet, maar wel dat het boek is ontstaan omdat de uitgever me begin augustus vorig jaar mailde dat er in dit eigenste blog misschien wel een boek(je) zat. Toen hij hoorde dat het in 2020 groot feest in Dordrecht zou zijn vanwege 800 jaar stadsrecht, werd hij echt enthousiast. En toen hij ook nog hoorde dat ik bij de cursus Dordtologie al sinds 2015 in de eerste les het ontstaan van Dordrecht sinds ca 1000 tot  de Elisabethsvloed van 1421 behandel wist hij genoeg. U zult begrijpen dat het over Dordrecht gaat. En over de middeleeuwen. Houd deze plaats dus in de gaten als u meer wilt weten over mijn volgende boek.

Hoe staat het ervoor met de Dordtse feestelijkheden? U wist al dat ik niet naar de aftrap op 5 februari ben geweest. Ik had dat al elders ook aangekondigd en zelfs de pers was al van mijn kritiek op de voorbereiding op de hoogte. En ik was niet de enige, kijk hier en hier maar. Al was Jan Janssen niet zozeer met de historie als met de politiek en het geld bezig.

Ad van den Herik voor schouwburg Kunstmin terwijl hij vertelt dat hij er niet in mag.

Ook de feestelijke ‘aftrap’ ontkwam niet aan kritiek. Weer alleen voor genodigden, dus een elite-feestje wat weer de nodige opmerkingen als ‘wat heeft dat weer gekost’ opleverde. Je kon erop wachten. Op de avond zelf was de lokale pers in de vorm van RTV Dordrecht niet welkom, maar Ad van den Herik ging gewoon toch naar binnen om mensen (tot aan de burgemeester toe) te interviewen en Fokko van der Straaten filmde het.

800 schapen besteedde aandacht aan carnaval.

Inmiddels stroomde de agenda vol, tot hij wel 35 internetpagina’s met elk 9 items telde. Meer dan 300 activiteiten over de rest van het jaar dus. Nou ja, daar viel wel wat op af te dingen. 52 ervan betroffen het wekelijkse vlog 800 schapen, een soort jaren-vijftig-achtig praatje met ‘komisch’ doende presentatoren met handpoppen, waar ze mee communiceerden en die dan terugpraatten in de nauwelijks verborgen stemmen van diezelfde dame en heer. En dat omlijst door kleurige, wat amateuristisch aandoende tekeningen. Zo had televisie er toen dus in kleur uit kunnen zien.

Gezicht op Dordrecht door Cuyp.

Nadat de expo van en over Aelbert Cuyp was aangekondigd – op 27 september zal hij worden geopend –  werden er ruim 90 dagen gevuld met het plaatje van één van zijn schilderijen. En dat op een bijzonder stroperige website waarin je minuten op het wisselen van een pagina moest wachten. Gelukkig werd ergens eind februari de agenda tot 16 pagina’s teruggebracht en kwamen de diverse evenementen alleen maar op de  dag van de (eerste) uitvoering voorbij. Behalve 800 schapen, de VVV wandelingen, de bezoeken aan de molen Kyck over den Dyck en diverse andere wekelijks terugkerende activiteiten. Bovendien is de website een stuk sneller geworden, wat de bruikbaarheid ervan flink ten goede komt. Alle subsidieaanvragen moesten op 1 maart binnen zijn en dus zijn al die pagina’s die daarover gingen geschrapt. Wat ook weer scheelde.

De prins op de (uit Limburg geleende) wagen.

Inmiddels zijn er al enkele evenementen in het kader van Dordrecht 800 gepasseerd. Zoals carnaval. Er was door de gezamenlijke prinsen (we hebben hier drie verenigingen die elk hun eigen prins en gevolg hebben, maar ook een overkoepelende, een soort carnavals PKN) groots aangekondigd dat het jubileum het thema van de jaarlijkse optocht zou vormen. “Het motto van het Dordtse carnaval is dit jaar ‘In Ooi- en Ramsgat gaan we tot 800 jaar terug in de tijd’. Dat woordje ‘tot’ is heel bewust gedaan. De deelnemers mogen zelf bepalen hoe ver ze precies terug gaan in de tijd. Achthonderd jaar, driehonderd jaar, of zelfs één jaar.’’ Het was er niet aan af te zien al waren er een wagen en een groep die wat historische gebeurtenissen en personen lieten zien, Willem en Maria heb ik er niet in kunnen ontdekken.

Helaas kwam er ook een pagina bij: de historische tijdlijn. Die liet weer eens duidelijk blijken dat de vroege geschiedenis van Dordrecht niet echt leeft of zelfs maar bekend is bij, in ieder geval, de de makers van de website. Ik had geen zin, tijd of puf weer een middag aan het verbeteren te gaan en de samenstellers op hun vingers te tikken. Dat komt nog wel als mijn boek uit is. Dan kan iedereen eindelijk, voor een zacht prijsje, te weten komen hoe het hier nou eigenlijk echt in elkaar zat tussen 1000 en 1421. Nog een paar maanden wachten…

Huwelijk keizer Otto IV en Maria van Leuven in 1214 en hoe de midden 15e eeuwer dat zag.

Hoe het zit met de historische invulling van de feest gedurende de rest van het jaar is de vraag. Ik zie bij de talentenjacht voor 60-plussers, muziekvoorstellingen, kunstuitingen, kinderparties en calisthenics in de wijken, rondleidingen en -vaarten en crossings, theaterstukken over de bevrijding (75 jaar geleden) en slavernij, sportdagen en aandacht voor de ouderen geen enkel verband met de aanleiding van Dordrecht 800. Alleen vindt er op 1 april op het Statenplein middenin de binnenstad “een drietal activiteiten plaats die passen in de tijd van Maria van Leuven”. Een actrice “in de kleding van die tijd in een prachtige middeleeuwse tent” vertelt over het ontstaan van Dordrecht, ridder Wilg laat in een “nagebouwd riddertoernooi” jongeren voor zo’n toernooi trainen en je krijgt ook nog de mogelijkheid om onder leiding van een illustrator middeleeuws te schrijven en letters te versieren. Het wordt georganiseerd door MiEB (Middeleeuwse Educatie door Beleving) een nog geheel onbekende club die (nog) geen sporen op internet heeft achtergelaten, maar die waarschijnlijk niet uit Dordrecht komt. In de agenda wordt dit project geïllustreerd met een plaat uit de Brabantsche Yeesten (gebeurtenissen) uit ca 1440-50 (zie hierboven), die het sluiten van het eerste huwelijk van Maria van Leuven met keizer Otto IV in 1214 laat zien en niet dat met Willem I in 1220. Meer dan 200 jaar later geschilderd dus: zo zag het er in de vroege 13e eeuw natuurlijk niet uit. Dat is een wel een foutje dat voorkomen had kunnen worden. De man heeft notabene zijn keizerskroon op.

Intussen heb ik het idee dat dit voor kinderen bedoelde evenement niet echt op een hoog educatief niveau ligt, al kan het eraan meedoen natuurlijk best leuk zijn en aanslaan bij de jeugd. Als het coronavirus dan tenminste is uitgewoed. Er gaat al genoeg niet door deze weken. Ik moet het dus allemaal nog zien…

Dordrecht 800 (2)

Nou, ik heb mijn uitnodiging binnen om op 5 februari 2020 mee te helpen bij het uitblazen van 800 kaarsjes in onze schouwburg Kunstmin. Want dan gaat officieel Dordrecht 800 van start. Al is er op 31 december a.s. al een vuurwerk op het Groothoofd om de boel op te starten. Maar dat is er elke jaar al…

De burgemeester en de stadssecretaris schrijven:

Het belooft een bijzondere avond te worden met Dordtenaren en niet-Dordtenaren op het podium. Een avond waarin de stad de hoofdrol vervult, een avond met muziek en dans, met terugblikken en vooruitkijken en vol verrassingen. Een avond waar u nog lang van zult nagenieten.

Deze feestelijke bijeenkomst is het officiële startmoment voor een heel jaar feest voor en door Dordtenaren met activiteiten gericht op het verleden, heden en toekomst. Zo krijgen we een speciale editie van Big Rivers en zien we een unieke tentoonstelling over Albert Cuyp in het Dordrechts Museum. Ook zijn er veel bijzondere initiatieven die in de stad op stapel staan en vieren we feest in de wijken. Meer weten?

En dan volgt een verwijzing naar de website die inmiddels is voorzien van een agenda voor het jaar 2020. Kijk maar, en u zult het met waterverf overgetrokken wapen van Dordrecht, dat ik nog eens voor de gemeente heb getekend, als blikvanger zien (zie hierboven).

Natuurlijk staan nog lang niet alle evenementen op de agenda, want er wordt nog druk gekeken naar de ideeën en plannen die Dordtenaren hebben ingediend om het jaar één groot feest te maken. Wat er wel in staat is de planning van de vlogs, onder de titel 800 schapen,  die elke week van januari tot en met december verslag zullen doen van de feestelijkheden. Ook de VVV wandelingen, die van lente tot herfst  elke week op zaterdag tussen 11.30 en 13.30 uur worden gelopen, staan al ingepland. De kosten zijn € 5 per persoon en er mogen maximaal 20 mensen mee. Die gegidste wandelingen bestaan trouwens al jaren en zijn eerder nooit aan zo’n jubileum verbonden geweest; nu dus wel. Met carnaval (21.2-25.2) zal Ooi- en Ramsgat, zo heet Dordrecht dan, dan ook nog tot 800 jaar in de tijd teruggaan in de altijd spectaculaire carnavalsstoet.

800 schapen vlog

Ook zullen kunstenaars wandschilderingen maken  in de buitenwijken (dat deden ze al een aantal jaren) maar nu gaan ze over belangrijke Dordtse vrouwen. Benieuwd of er een zeker middeleeuwse ex-keizerin bij zal zijn. Een andere groep kunstenaars, o.a. met Iconoclash, zal bij het stadhuis nog een speciale wandschildering met Dordtse helden vervaardigen: onder andere de gebroeders De Witt, Aelbert Cuyp, Ary Scheffer en Ferdinand Bol. Of er nog oudere Dordtenaren of voor Dordrecht belangrijke figuren bij zullen zijn is de vraag. Vier andere kunstenaars zullen hun licht laten schijnen over hoe  Dordrecht er in de toekomst uit zal gaan zien, geïnspireerd door New Babylon.

VVV wandelingen hebben gidsen, maar hier loopt gewoon een stelletje naast de Augustijnenkerk

75 jaar bevrijding blijkt ook binnen het concept te passen, evenals de overzichtstentoonstelling van Aelbert Cuyp, maar dat waren evenementen die al jaren in de planning zaten.

Wat echter geheel nieuw is is de viering van een nostalgisch sinterklaasfeest, Sinfé, dat hier tot de jaren ’80 voor schoolkinderen werd georganiseerd. Van openbare scholen, toen. En nu? Ook nieuw is het ter plekke gieten van een luidklok voor de vieringstoren van de Grote Kerk; dat kan een leuk spektakel worden.

Ik heb geen idee welke van bovenstaande gebeurtenissen zijn ontstaan uit de ideeën van Dordtenaren. Persberichten reppen over het indienen van 34 plannetjes in de eerste termijn tot 1 oktober waarvan er 12 zijn gekozen. Dat valt me voor een bevolking van 118.000 eigenlijk wel een beetje tegen. De tweede termijn liep op 1 december  af, maar daar zag ik nog geen resultaten van. De laatste termijn eindigt op 1 maart 2020.

Is u wat opgevallen? Nergens in de agenda gaat het over stadsrecht, over graaf Willem of keizerin Maria. Terwijl dat aanvankelijk toch de uitgangspunten waren toen er voor het eerst over 1220-2020 werd gesproken. Eerlijk gezegd had ik dat ook niet meer verwacht nadat ik in mijn vorige blog over Dordrecht 800 schreef. Afijn, ik heb de zaak hier uitgelegd. Ik zal daarom ook niet op 5 februari naar Kunstmin gaan om een kaarsje uit te blazen. Dat zou ook onzin zijn, want Dordrecht is dan helemaal niet jarig. Maar dat zal te zijner tijd ook hier wel duidelijker worden.

Dordrecht en zijn geschiedenis 5

De illustraties van dit blog zijn gekozen vanwege hun nostalgische inhoud. De gemiddelde Nederlander voelt zich bij dit soort plaatjes van een idyllisch vaderland het best: gezellig, traag, gemoedelijk. Zoals wij zijn. Toch?

Laat ik dit blog eens beginnen met een wat cynisch citaat uit het blog van een goede vriend, Jona Lendering, de Mainzer Beobachter van 4 november jl: 

Het is algemeen bekend dat, als het gaat over het verleden, iedereen het beter weet dan historici. Hun opleiding dient immers nergens toe. Linkse hobby. En de overbodigste historici, dat zijn die van continentaal Europa, die vakken hebben als geschiedtheorie, waarbij ze de kentheoretische basis van hun wetenschappelijke vakgebied leren kennen. Professionalisering, dat moeten we niet willen. Als je dan toch moet praten met een historicus, spreek je liever met een Amerikaan of een Brit, want die beschouwen geschiedenis tenminste slechts als scholarship. Maar beter is het natuurlijk om helemaal niet met historici te praten. Als je een Nationaal Historisch Museum wil stichten, kun je ook wel twee kunsthistorici benoemen als directeur. En voor academisch onderwijs over de Oudheid kun je net zo goed een classicus inzetten. Want kunsthistorici en classici weten het beter dan historici. Iedereen weet het immers beter dan degenen die ervoor zijn opgeleid?

Als je de voorgaande blogs in deze serie leest kan je zien dat hier toch echt wel een vorm van waarheid in zit. Je kan als historicus (en ik was echt de eerste of de enige niet) nog zo de algemeen bekende feiten uitleggen, men luistert er niet naar en gaat gewoon zijn eigen gang. Onder het motto: een feit is ook maar een mening. Afijn, u hebt het zelf kunnen lezen. Jona denkt dat het een breed verspreid gedachtengoed is, en dat zal ook best, dus dat het blijkbaar in zo’n historische stad als Dordrecht ook opgaat moet me eigenlijk niet verbazen. 

Vraag

De vraag blijft echter wel: hoe komt het dat men hier zo raar omgaat met de eigen historie? Dat je niet naar lokale of andere historici luistert is daar maar een onderdeel van. Men schept er tegen toeristen, de collega-steden en de media immers over op dus er moet toch een zekere  trots achter schuilen. Maar waarom wil je dan niet weten wat er echt gebeurd is en verspreidt je sprookjes of achterhaalde verhaaltjes? Gewoon eigenwijsheid? Denken ze dat ze het beter weten? Verwachten ze dat de buitenstaanders het toch niet gaan controleren? Zit er angst voor het kwijtraken van (toeristische) inkomsten achter? Gezichtsverlies? Is het louter politieke retoriek die door het tegenover elkaar manouvreren van partijen ervoor zorgt dat ze uit misplaatste trots niet (meer) naar elkaar willen luisteren?  

Is het soms iets dat typisch Dordts is (al zegt Jona dat het overal gebeurt…)? Ligt het aan de psyche van de eenzelvige eilandbewoner die de Dordtenaar ondanks pontveren, bruggen en tunnels nog steeds lijkt te zijn? Ligt het dus aan hun karakter? Ik ben zelf ook best een kritisch baasje (… geen Dordtenaar van geboorte!), maar ik ben maar een kleine jongen als ik lees hoe sommige stadgenoten te keer gaan tegen hun eigen bestuur en ambtenaren. Of komt het, in mijn geval, omdat ik uit Sliedrecht kom en dus eigenlijk mijn mond moet houden als het over Dordtse geschiedenis gaat?

Het is wel zo dat het zeuren, kankeren en afkraken nu op andere manieren dan vroeger plaats vindt. De traditionele vormen (verjaardag, langs de lijn, in het café en op de leugenbank) zijn er nog steeds, maar digitaal kritiek geven op de Social Media is wel steeds belangrijker geworden. Ik doe er natuurlijk zelf ook aan mee, maar de reacties op artikelen op de sites van de lokale weekbladen liegen er niet om, evenals die op de  columns van diverse journalisten. Ik doe niet aan Twitter maar via via hoor en lees je daar ook genoeg over. En ik blog er natuurlijk over; dat is dikwijls ook een vorm van kritiek. Daaruit blijkt overigens dikwijls dat ik een trouw groepje vrienden heb (en Dordts cutureel gezien niet de minsten) dat me onvoorwaardelijk steunt en die individueel zelf ook de nodige kritiek op de gemeente hebben.

Kritisch

De inhoud van die kritiek op hoe het hier toegaat  is verschillend. Hij is dikwijls helemaal niet inhoudelijk, maar speelt niet zelden in op onlustgevoelens die blijkbaar onder de burgers leven. Aan de ene kant kan de gemeente het niet gauw goed doen en is elke culturele uiting die geld kost te veel, in het kader van “en dat van onze belastingcenten”. Aan de andere kant ziet men dikwijls niet waarom je aandacht zou schenken aan iets dat lang geleden is gebeurd: “dat is geweest, is niet belangrijk meer: je kan beter vooruit kijken”. Met andere woorden: aan het aandacht schenken van de stedelijke geschiedenis mag geen geld uitgegeven worden want daar krijg je niks voor terug. En het helpt je niet vooruit, de toekomst in.

Alle openbare evenementen die sinds ongeveer de laatste wereldoorlog in Dordrecht zijn gestart en die het verleden, van middeleeuwen tot 19e eeuwse nostalgie, tot onderwerp hadden, hebben last gehad van de geliefde uitspraak van de chagrijnige Dordtse kritikasters: “waar hep dat nou voor nodig?” Die vervolgens steen en been klaagden als zo’n evenement na een paar jaar weer verdween wegens gebrek aan levensvatbaarheid. Waarna er een tiental jaren later weer vol nostalgische gevoelens op werd teruggekeken. Maar vooral dat laatste lijkt, ook, een algemeen menselijk trekje te zijn: nostalgie. Maar nostalgie is geen geschiedenis.

Maar waarom gaat de gemeente (burgemeester, wethouders, raad en ambtenaren) zo met haar geschiedenis om?  Heeft het te maken met het geen-Dordtenaar-zijn van die mensen, import dus, zoals een lezer van mijn blog suggereerde? Ik heb het niet uitputtend gecontroleerd maar dat lijkt me niet echt een doorslaande reden om geen band te hebben met het verleden van de stad. De wethouder cultuur en binnenstad, onder wie dit allemaal valt, is in ieder geval een rasechte Dordtenees. Ik kom trouwens genoeg nieuwe Dordtenaren tegen bij de cursus Dordtologie die juist graag meer willen weten over hun woonplaats. Het een sluit het ander dus niet uit. Of zou dat niet hoeven te doen.

Of ligt het aan de geringe kennis van de geschiedenis zoals die is opgetreden tijdens het steeds verder afkalvende geschiedenisonderwijs van de laatste decennia. Zou dat gebrek aan kennis die afwezigheid van alertheid op het misbruik van je eigen verleden kunnen verklaren? Men weet gewoon niet wat er aan de hand is en klaarblijkelijk is de roep om verantwoordelijkheid niet voldoende om de belangstelling te wekken. Toch maak ik overal om me heen mee dat er wel degelijk belangstelling is voor geschiedenis. Kijk maar naar de mensen die bij de opgravingen in de binnenstad en de buitenwijken staan te kijken en beluister hun opmerkingen. Kijk naar de kijkcijfers van de Nationale Geschiedenisquiz in zijn hoogtijdagen (over 1 miljoen, de laatste keer 600.000) en Andere Tijden (afhankelijk van het onderwerp vele honderdduizenden kijkers). En leg je oor maar eens te luisteren op verjaardagen. Ik weet het: het is maar een kort moment dat het over geschiedenis gaat en dan gaat men al weer over op ‘wie er slecht ligt’ of ‘wie er gaat scheiden’,  maar toch…

Populisme

Of er nog iets anders aan de hand? Want intussen gaan de populistische partijen met onze geschiedenis aan de haal en halen eruit wat lekker bekt en bij de kiezers een schuldgevoel veroorzaakt. Ze praten ons een identiteit aan die gebaseerd is op selectieve keuzes uit wat te vinden is in de meer dubieuze krochten van ons geschiedenisonderwijs. Door dat gebrek aan kennis van hun eigen verleden en de ingebouwde eigenwijsheid van de mens plus de kennelijke minachting voor wat historici te berde brengen zal de afkalving van een positieve houding tegenover geschiedenis, vrees ik, alleen maar verder gaan. Men heeft zo straks in het geheel geen verdediging meer tegen cynische partijen die hun (potentiële) kiezers manipuleren met bewust verwrongen historische ‘feiten’. Ik zie het somber in en ik eindig met nog een citaat:

“Het populisme wil de geschiedenis gebruiken als voorraadkast voor nationale eigendunk of ethnische superioriteit, maar moet dan willens en wetens hele hoofdstukken overslaan. En een identiteit die gebaseerd is op geheugenverlies is misschien wel comfortabel, maar ook wankel. Als het erop aankomt heb je er niets aan. Alleen wie weet waar hij vandaan komt, begrijpt hoe kronkelend de weg kan zijn.”

( Stevo Akkerman, Trouw ma  4.11.2019).

Verstandige mensen hebben nuttige zaken aangekaart over hoe we met onze historie en onze historici om zouden kunnen gaan. Ik zou willen dat mijn lezers zich dat realiseren en niet als kippen zonder koppen meelopen met hen die onze geschiedenis verkwanselen als commerciële verdienmodellen. Dat ze zich niet mee laten slepen door manipulaties van onze ‘identiteit’ door louche politici, waarvan de zogenaamde ‘bezitters’ van die identiteit niet eens weten wat dat inhoudt. Identiteit: bestaat dat wel? Wie zijn wij eigenlijk, als onze geschiedenis en onze voorouders niet serieus wordt genomen door de mensen die wij gekozen hebben om over ons te regeren? Hoe moet dat verder?

Dordrecht en zijn geschiedenis 4

Neem de herdenking van 800 jaar stadsrecht die volgend jaar plaats gaat vinden. Ik wist natuurlijk al heel lang dat we in 2020 wat te vieren hadden. Ik weet ook al sinds ongeveer 1980 dat het stuk waar het over ging, de oorkonde uit juli 1220 waarin graaf Willem I van Holland een serie van 13 voorrechten en plichten voor de stad bezegelt, een zeldzaam, uniek en kostbaar stukje perkament is. En dat er regels in staan die er letterlijk voor gezorgd hebben dat Dordrecht zich gedurende de 13e en 14e eeuw zo kon ontplooien en de belangrijkste handelsstad van Holland werd. Te vergelijken met Rotterdam nu, al was het op een veel kleinere schaal.

Je kon zo’n herdenking dus al lang van tevoren aan zien komen. Ik ben wijs geworden op dit gebied door als historisch adviseur 25 jaar lang mee helpen met het organiseren van Nederlandse en Belgische  stads- en dorpsjubilea. Ik weet hoeveel tijd en inspanning dat kost. Vandaar dat ik, al in 2011 de stad liet weten dat het nog maar 9 jaar was tot 2020 en dat ze er goed aan deden vast eens te gaan nadenken over hoe ze zoiets zouden willen vieren. Om te helpen schreef ik een korte nota in begrijpelijk Nederlands met tips en ideeën. Ik werd lid van het Platform Stedelijke Herdenking, dat zich met zulke vieringen bezig houdt. In het kader daarvan organiseerde ik een presentatie voor de groep, enkele culturele organisatoren en de wethouder onder wie dit soort evenementen valt. Ik liet een kort animatiefilmpje zien van de Dordtse haven in ca 1250 om te tonen hoe een 3D weergave van de stad in die tijd zou kunnen worden (een still uit dat filmpje ziet u bovenaan  dit blog). Ik vertelde ook wat er nog meer zou kunnen. Iedereen enthousiast. Daar zouden ze wel wat mee kunnen.

Verklede Sliedrechters bij een van de spandoeken aan de grenzen van het dorp.

Vervolgens hoorde ik niets meer. Het waren de jaren waarin de voorbereidingen voor de verbouwing van het museum in het Hof plaats vonden. Ik werd, op eigen initiatief ingeschakeld bij het middeleeuwse gedeelte want men was vergeten dat je de begeleidende teksten bij middeleeuwse gebeurtenissen beter door een historicus kunt laten schrijven dan door iemand die van niks weet. Ook heb ik met Per Bos voor de 3D presentatie van de groei van Dordrecht tot 1421 in het museum gezorgd.  In 2013 heb ik de gemeente nog eens herinnerd aan de tijd die steeds korter werd, maar geen reactie. Ik ben, enigszins gefrustreerd, uit het Platform gestapt en heb me bezig gehouden met de viering van 950 jaar Sliedrecht. Die duurde van mei 2014 tot mei 2015 en was een groot succes; men praat er nog over en de toen geïntroduceerde en de door mij ontworpen nieuwe vlag van dat dorp wappert er nog regelmatig.

De nieuwe vlag werd op de weekmarkt aan de man gebracht.

In 2014 was er een initiatief van de Dordtse Academie, die zich bezig hield met de biografieën van beroemde Dordtenaren, om een biografie van Dordrecht te gaan maken. Dat wilde men aan 2020 ophangen omdat een 800 (of 1000) jaar oude stad best zo’n initiatief verdiende. De Akademie schrok echter nogal van de kosten die dat met zich mee zou brengen. Ik heb nog even in een historisch comité gezeten maar zag na een jaar vergaderen en het steeds afhouden van de gemeente mijn bijdrage niet meer zitten. Ik ben begin 2016 uit het overleg gestapt en met dit blog begonnen om de vroege en latere geschiedenis van Dordrecht beter voor het voetlicht te brengen. Ik zag het niet meer zitten om nog te wachten tot de gemeente wat zou gaan doen. Ze wilden trouwens de behandeling van de kosten voor het vieren van 1220-2020 over de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 ‘heentillen’.

In 2017 heb ik nog een nieuwe nota over 800 jaar stadsrecht gemaakt, maar er geen enkele sjoege op gehad. Pas in 2018 werd me door de stadsintendant gevraagd of ik hem bij wilde praten over mijn ideeén voor het jubileum. Dat hebben we toen gedaan en hij zat ijverig te schrijven, omdat hij aan de gemeente een voorstel moest doen voor 2020. Hij bleek nogal veel verkeerd begrepen te hebben en ik moest heel wat corrigeren. Uit eigen beweging heb ik toen een nieuw stuk geschreven over de historie van die gebeurtenissen: de oorzaken, de gebeurtenis en de gevolgen. Voorzien van plaatjes van hoe bijvoorbeeld graaf Willem en zijn vrouw Maria eruit hebben gezien. Ook schreef Dr. Eef Dijkhof een korte notitie over hoe een nieuwe studie van het stadsrecht uit zou kunnen vallen.

Boot uit het begin van de 13e eeuw.

Dat leverde een uitnodiging van wethouder en intendant op om te komen praten over mijn bijdrage aan de voorbereidingen. Het gesprek vond plaats op een koude januaridag in 2019 (!). Ik lichtte mijn verhaal over 1220 toe en we spraken af dat ik voorstellen en offertes zou doen voor bepaalde historische evenementen en acties in het kader van 800 jaar stadsrecht 1220. Er waren inmiddels ook diverse andere personen bezig met die voorbereidingen en in de gemeenteraad werd gepraat over wat het allemaal mocht gaan kosten. En toen werd de wethouder ziek en lag weken in het ziekenhuis, waarna hij maanden moest revalideren. Ik hoorde niets meer van mijn voorstellen. Die bleken later door een vervang-wethouder naar een paar gemeentelijke diensten doorgeschoven. Er moest weer veel vergaderd worden en ook hier werd er weer getild, over de zomervakantie heen, dus.

Pas in september  was er weer activiteit, zoals u hebt kunnen lezen in mijn blog uit die maand. Van mijn voorstellen kon, ook door de korte voorbereidingstijd, niets meer terecht komen. Het onderzoek naar het stadsrecht werd zelfs zonder me dat officieel mee te delen, gewoon getorpedeerd. Het plan om voor de scholen educatieve informatie te ontwikkelen heb ik teruggegeven aan de dienst die voor de Dordtse cultuur zorgt wegens te weinig voorbereidingstijd. Ik heb me ook teruggetrokken uit het enige dat nog over was van een ‘historisch’ evenement: een volksopera over de bruiloft van Willem en Maria, sinds daar ook motorclubs en draglines bij betrokken worden en het een Urban Community Show is gaan heten. Kortom: ik bemoei me nergens meer mee. Dan moeten ze het zelf maar weten.

Dordrecht en zijn geschiedenis 3

statenzaal

Over de meer verborgen geschiedenis van de stad moet je de meeste Dordtenaren maar niet vragen. Ja, we zijn de oudste stad van Holland, of was het nou Nederland? Maar hoe oud? En hoe dat kwam? De wat meer geïnteresseerde Dordtenaar kan nog wel een paar jaartallen en namen opnoemen:

                1421      St. Elisabethsvloed

                1457      Grote stadsbrand (als die tenminste is blijven hangen…)

                1572      ‘Eerste vrije statenvergadering’

                1619      Nationale synode en de Statenbijbel

                1672      Jan en Kees de Witt ‘vermoord’

In de 18e eeuw gebeurde hier niks en alleen een enkeling weet dat op 5 oktober 1811 Napoleon hier nog door de havens is gevaren. Dat is het zo’n beetje. De stad heeft daarom al enkele jaren geleden een soort herdenkingskalender op internet gezet: de Dordtse historische kalender.

Daarin kan je zien hoe lang een sportclub of winkel al in Dordrecht is gevestigd en dus een jubileumfeestje verdient. Of hoelang geleden een belangrijke Dordtenaar is geboren of overleden zodat we hem of haar op tijd kunnen gedenken. Daarin staan ook wat stedelijke herdenkingsmomenten opgenoemd. Zo is het dit jaar 50 jaar geleden dat mijn stamboekhandel De Bengel werd geopend; ik kan het me nog goed herinneren. Ook staat ons Stadskantoor aan de Spuiboulevard er inmiddels 50 jaar; ook daar kwam ik al vanaf die tijd. Op 24 oktober aanstaande is het 75 jaar geleden dat er een geallieerd bombardement op het Merwesteinpark plaats vond (1944) en 100 jaar geleden reed hier de laatste paardentram. We hebben ook net de viering van 400 jaar Synode (1619) achter de rug en het is tegelijk 350 jaar geleden dat de eerste Statenbijbel bij drukkerij Keur van de pers kwam (1669).

Ook uit de middeleeuwen of de tijd er net na zijn er voor 2019 vierbare data bekend: 475 jaar geleden werd het bouwvallige stadhuis aan de Tolbrug naar het de Vlaamse Hal aan wat nu het Stadhuisplein heet verplaatst (1544), 500 jaar geleden werd de Van Slingelandtshof (1519) gesticht en het is ook  500 jaar geleden dat augustijner prior Hendrik van Zutphen door het stadsbestuur werd afgezet (1519) omdat hij Lutherse sympathieën zou hebben. En volgend jaar hebben we 800 jaar Dordrecht. Denken de Dordtenaren. Want zo staat het ook op de website, zoals ik in september nog schreef:

In 2020 vieren we met de hele stad dat Dordrecht achthonderd jaar geleden als eerste nederzetting in het toenmalige graafschap Holland stadsrechten kreeg. Hiermee is onze stad dan ook echt de oudste stad van (het huidige) Holland. Een gebeurtenis om niet te vergeten en om samen te vieren met activiteiten gericht op het verleden, het heden en de toekomst.

Lezers van mijn blog weten inmiddels wel beter, maar Dordrecht Marketing, al of niet gecontroleerd door b&w, weet van niks en denkt dat we toen, in 1220, stadsrechten hebben gekregen, daardoor een stad werden en daarmee tegelijk ook de oudste stad van (het huidige) Holland werden. Dat ‘huidige’ staat tussen haakjes omdat Geertruidenberg in 1213 zijn ‘stadsrechten’ kreeg,  gelukkig  nu in Noord-Brabant ligt. Toen was het echter Hollands en daar is in 2011 die hele rel  over ontstaan. Ik heb er toen niet minder dan negen blogs aan besteed en ben er later nog diverse keren op teruggekomen. Hoewel ze door duizenden mensen zijn gelezen, is de inhoud ervan nog steeds niet doorgedrongen tot de gemeentelijke diensten. Ik betwijfel zelfs of het Dordtse college van b&w of de lokale cultuurbobo’s mijn schrijfsels kennen. Als dat zo is hebben ze ze in ieder geval niet begrepen.

Ik denk dat dit typerend is voor de omgang met de eigen geschiedenis door Dordtenaren. En dat dat niet alleen geldt voor de gemiddelde burger, maar ook voor de bestuurlijke elite of de culturele bovenlaag. Er zitten diverse kanten aan die ik niet anders kan ontleden dan door me te bedenken wat hier de oorzaken van kunnen zijn.

  • Men kan niet begrijpend lezen
  • Men kan niet van eigen vooroordelen of traditionele kennis loskomen
  • Men weigert wetenschappelijk bewezen feiten te erkennen uit botte eigenwijsheid
  • Men heeft een hekel aan kritiek en weet niet hoe ermee om te gaan. Standaard is:
    • Negeren
    • Op de man terugspelen
    • Met drogredenen of onbewezen tegen-stellingen komen
    • Of, en dat vind ik eigenlijk de ergste: het allemaal niet boeiend vinden

Intussen heb ik wel dikwijls het gevoel of ik tegen de bierkaai of windmolens vecht. En als ik een sombere bui heb (dat komt gelukkig weinig voor) of ik omgeven wordt door heel onwetende mensen dan raak ik wel eens gefrustreerd.

Het hele gedoe rondom de zogenaamde ‘Eerste Vrije’ statenvergadering is een prima voorbeeld van hoe men tot in de hoogste ambtelijke en culturele gelederen zijn  poot stijf hield na gekozen te hebben voor een wel heel onhistorische interpretatie van deze vergadering. Die was louter bedoeld om Willem van Oranje financieel en moreel te helpen met het organiseren van het verzet tegen de opgedrongen Spaanse  overheersing. Ten onrechte werd daar het ontstaan van een klimaat van gewetensvrijheid en godsdienstige verdraagzaamheid aan opgehangen, terwijl duidelijk in de notulen staat dat beslissingen op dat gebied zouden moeten wachten tot de Staten Generaal bij elkaar zouden komen. Dat is er nooit van gekomen, dus dat Nederland zo’n tolerant land werd moet een andere oorzaak hebben. En op een ander tijdstip hebben plaatsgevonden. Als het dat is is tenminste…

Prof. Dr. Judith Pollmann

Toch is er een glimpje hoop aan de horizon verschenen. Ter gelegenheid van het onthullen van het controversiële standbeeld van Willem van Oranje jongstleden 9 oktober 2019 kwam er een boekje uit met de titel ‘Willem van Oranje en de Eerste Vrije Statenvergadering’. Hierin schreef prof. dr. Judith Pollmann, een zeer deskundige historica op het gebied van vroeg-moderne geschiedenis van Nederland een hoofdstuk getiteld: ‘De statenvergadering en de herinnering’, waarin ze het omgaan met deze historische gebeurtenis door de eeuwen beschrijft. Dat ging dus van kwaad tot erger; er werd van alles aan die vergadering opgehangen. Met name het volkomen belachelijke idee dat daarmee in 1572 Nederland begon ontwikkelde zich gedurende die eeuwen. Toen er ter gelegenheid van de 400-jarige herdenking van de statenvergadering in Dordrecht een congres plaats vond, hield een van de sprekers, de Leidse historicus Juliaan Woltjer, de luisteraars al voor dat dat onterecht was:

Een zekere simplificatie van het zeer complexe proces is moge­lijk, maar er is een – helaas vrij hoog – niveau waar beneden simplificatie vervalsing wordt. Wanneer de geschiedwetenschap om brede groepen aan te spreken, beneden dat niveau afdaalt, verliest zij m.i. inderdaad haar functie.

Hij was niet bang om het woord ‘vervalsing’ te gebruiken, net als ik deed in mijn blog van 22 november 2016.

Maar ook toen werd er niet naar de stem van de rede geluisterd. Sterker nog: het idee dat in Dordrecht in 1572 het tolerante Nederland ontstond werd in 2013 nog eens extra aangewakkerd in een herdenkingsrede over het gebeurde door Herman Pleij, “emeritus-hoogleraar in de letterkunde van de Middeleeuwen en zelfverklaard kenner van de Nederlandse identiteit”, zoals Pollmann hem noemt.  Ten onrechte dus, zoals Herman van Duinen (sinds 2013) en ik (sinds 2016) hebben aangetoond. Prof. Pollmann lijkt dat idee inmiddels ook omhelsd te hebben want ze schrijft:

Prof. Dr. Herman Pleij.

Aangemoedigd door Pleijs redenaarskunst en plannen voor een nieuwe museale opstelling in het Augustijnenklooster ging het stadsbestuur aanvankelijk ver mee in deze nieuwe retoriek.

Met name dat woordje retoriek is een behoorlijk ernstige kritiek tussen twee professoren onderling. Het wijst in dit verband op manipulatie van de geschiedenis; een ernstige beschuldiging. Zij vult dat aan door een mededeling die mij wat hoop geeft voor een omslag in het denken over Dordrechts eigen geschiedenis. Maar ik houd mijn adem niet in….

Ze schrijft:

Inmiddels is ook het stadsbestuur zich ervan bewust dat het daar­mee wel erg ver afdwaald van de historische gebeurtenissen: het Hof van Nederland wordt opnieuw ingericht.

Het zal mij benieuwen.

(met dank aan Herman van Duinen)