Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (1)

Ik ga weer verder met de geschiedenis van Dordrecht. Dit is het eerste van vier blogs over de redenen waarom de Westfriese graaf werd gedood. Ik ben zeer erkentelijk voor de toestemming van mijn goede vrienden Kees Nieuwenhuijsen en Tim de Ridder voor het citeren van de vertalingen uit buitenlandse kronieken die te vinden zijn in hun boek Ad Flaridingun. Vlaardingen in de elfde eeuw (Hilversum 2012).

Al enkele keren is de gebeurtenis uit 1049 in dit blog voorbij gekomen. Over de reden waarom de graaf in Dordrecht gedood werd heb ik het echter nog niet gehad. Daarvoor moeten we terug naar de bron. Wat staat er precies in de Annalen van Egmond?

In de uitgave uit 2007 staan de twee zinnetjes die hierover gaan vertaald als:

Graaf Dirk IV, de zoon van Dirk en Othelhildis, was te weinig op zijn hoede voor zijn vijanden en is bij Dordrecht gedood. Zijn broer Floris I volgde hem in het graafschap op.

Omdat het origineel van de Annalen in de British Library in Londen bewaard wordt kunnen we nog zien hoe dat toen opgeschreven werd. Het zinnetje staat op een pagina (fol. 150r) die tussen ca 1110 en ca 1120 geschreven moet zijn. De schrijver was een monnik  van wie we de naam niet kennen. Professor Otto Oppermann heeft hem de saaie naam ‘hand C’ genoemd, of kortweg C.  Professor Gumbert en zijn echtgenote Dr Gumbert-Hepp, die in 2007 de meest recente uitgave van de Annalen hebben verzorgd, menen dat hij, toen hij de schrijfveer neerlegde, al een man op leeftijd geweest moet zijn. Hij kan dus zo’n 60-65 jaar daarvoor geboren zijn, dus rond 1045-50. Hij kan van oudere monniken gehoord hebben over de dood van de graaf. Dirk IV is zelfs in de abdij van Egmond begraven dus hoe, waar en wanneer hij stierf zal in de abdij goed bekend zijn geweest. Dat maakt dat deze vermelding behoorlijk betrouwbaar is.

Hieronder ziet u een scan (waarvoor mijn dank aan professor Gumbert die hem mij gratis ter beschikking stelde) van een deel van de hele pagina en van het citaat met de vermelding.

fol 150 r AvE
Scan van folium 150 recto (voorzijde) uit de Annalen van Egmond.

Natuurlijk zijn de Annalen in het latijn geschreven.  C  had een prachtig helder handschrift dat in de grafische wereld, waaruit ik afkomstig ben, een late vorm van de Karolingische minuskel wordt genoemd. Van deze letter is het font afgeleid dat in datzelfde vak de schreefletter heet. Gecombineerd met hoofdletters die gebaseerd zijn op de Romeinse uitgehakte inscriptie kapitaal, de capitalis quadrata, is het de alom bekende Latijnse (Roman) drukletter geworden. Zelfs een leek kan, als hij de middeleeuwse afkortingen een beetje beheerst, lezen wat C heeft geschreven. En als hij het latijn machtig is natuurlijk.

detail AvE 150r
Detail van de zinnen waarin de dood van Dirk IV beschreven staat.

In het latijn staat er:

Theodericus IIII comes filius Theoderici et Othelhildis minus caute se custodiens, ab inimicis suis apud Thuredrech occisus est. Et Florentius I frater eius in comitatu successit.

Ik heb dat apud thuredrech eruit gelicht om als titel van deze blog te dienen. Hij zegt namelijk alles: ik schrijf over Dordrecht en alles wat er in de hoge middeleeuwen omheen plaats vond.

Waar draait het allemaal om? Om dat ene stukje tekst:

… was te weinig op zijn hoede voor zijn vijanden en is in Dordrecht gedood…

Wat staat daar? Volgens mijn lezing staat er dat hij wel wist dat hij bedreigd werd door vijanden, maar dat hij die dreiging niet helemaal serieus nam. Hij was te weinig op zijn hoede. Waarom? Voelde hij zich veilig in Dordrecht? Hoezo? Hij verbleef in een dorpje net over de rand van de Zwijndrechtse Waard dat nauwelijks te verdedigen geweest moet zijn. Of bezat hij daar, net als in Vlaardingen, een sterkte, een burcht?

Reconstructie van Zuid-Holland tussen ca 1000 en 1025. Alle plaatsen en rivieren bestonden in die tijd, maar zijn wel in modern Nederlands weergegeven.

Het is ook logisch dat de graaf daar, bijna op de grens met het bisdom Luik en de zich aan de overkant van de Maas al roerende hertogen van wat eens Brabant wou worden, een verdediging opbouwde. Dordrecht was als het ware een grensplaats. De Maas stroomde maar op een kilometer of vijf ten zuiden van de nederzetting. En die stond in rechtstreekse verbinding met de Merwede via de Dubbel en de Thuredrecht.

De vraag blijft: waarom stuurden zijn vijanden een leger op hem af? Dat heeft een voorgeschiedenis en ik vrees dat als je de gebeurtenis van 1049 wilt begrijpen je die even moet lezen.

(Wordt vervolgd)

Waarom ik blog

Waarin ik uitleg waarom ik dit blog begonnen ben en wat ik ermee wil bereiken. Voor Dordtenaren, maar ook voor alle andere belangstellenden die wel eens de opvattingen die een mediëvist over de geschiedenis van zijn stad en omgeving heeft willen lezen.

Toen ik in 2009 afstudeerde was ik ervan doordrongen dat je als historicus een maatschappelijke taak hebt. Natuurlijk zijn en waren er veel mensen die na zo’n studie leraar worden en dat is, denk ik, wel de ultieme baan die je kunt vervullen om je nuttig te maken in de maatschappij. Het is echter niets voor mij, al heb ik best wat van de schoolmeester in me. Ik was al jaren voor ik ging studeren adviseur op het gebied van vele aspecten van het verleden en had daar ook mijn beroep van gemaakt.

De landingspagina van de Scapreel website sinds 2016.

Daarom ging ik toen anders te werk dan de meeste historici, die, als je de carriéres van diverse mensen volgt, in allerlei beroepen terecht komen die je niet verwacht.  Ik heb, geïnspireerd door Archeon, al die jaren via ons bedrijf gezocht naar manieren om mensen voor te lichten over, met name, de middeleeuwen. Ik had namelijk al heel lang geleden gemerkt dat veel mensen daar rare ideeën over hadden. Door levende geschiedenis, voorlichting over het dagelijks leven in die tijd en het tonen van echte middeleeuwse voorwerpen of de replica’s daarvan aan mensen die dat nooit gezien hadden, heb ik heel wat AH-Erlebnissen veroorzaakt. Oh, zat dat zo… was meestal de reactie.

beeldmerk uni leiden
Beeldmerk van mijn Alma Mater: de universiteit van Leiden.

Al in het eerste jaar van de universiteit werden wij, in ons kleine groepje deeltijders, ervan doordrongen dat een historicus onderzoek doet, de resultaten daarvan bekend maakt aan zijn collega’s en die daarna doorgeeft aan de buitenwacht; de gewone mensen, het volk, de Nederlandse burger. De universiteit is een nationaal instituut dat gedeeltelijk met belastinggeld onderhouden wordt. Je mag daarom verwachten dat de informatie die de daar opgeleide, al of niet van beurzen afhankelijke, geleerden door onderzoek gevonden hebben op den duur hun weg vindt naar de belastingbetaler: u en ik. Ik denk dat het aan dat laatste een beetje schort.

Mijn onderzoek naar de informatie over de middeleeuwen in Nederlandse lesmethoden geschiedenis bewees dat die voornamelijk veel verouderde gegevens en  fouten bevatten. Dat er erg slordig met ‘wat was wanneer’ omgegaan werd en wordt en dat de tekst eigenlijk heel kinderachtig en onvolledig is. Door het steeds kleiner worden van de lesperiodes die op school nog aan geschiedenis besteed worden, zijn die teksten dus steeds korter geworden, de plaatjes eromheen steeds groter (en niet erg passend) en raakt het verband tussen de onderwerpen op den duur zoek.

canon kaart
De 50 vensters van de canon op één kaart.

De canon met zijn 50 vensters is daar een goed voorbeeld van. De periode van 3000 vC tot 1500 nC wordt in zeven vensters afgehandeld. Dat kan nooit goed zijn voor het historisch besef van de leerling, want die ziet het verband niet tussen Karel de Grote en Floris V. Laat staan dat dat uitgelegd wordt. En toch is dat historisch besef het begrip waarvoor pedagogen en didactici in hun handboeken geschiedenisonderwijs pleiten. En dat in de Kerndoelen benoemd wordt, wat hier nog even wat verder uitgewerkt wordt. Vergeet het maar.

De plannen voor datzelfde geschiedenisonderwijs  tot 2032 toe, die onlangs bekend zijn gemaakt, laten een nog kaler beeld zien. Je kunt eigenlijk wel zeggen dat het vak geschiedenis het wel zo’n beetje gehad heeft. Daar waar het voor maatschappijstudies nog nodig gevonden wordt  – en dan hebben we het voornamelijk over de geschiedenis van de laatste 100 jaar – wordt er nog enige aandacht aan besteed, maar voor de rest wordt het hobby. Zowel van een leraar die nog wat dieper wil duiken in het verleden, als van de leerling die zelf dan maar wat boeken opzoekt of het internet afstruint. Dat doet mij pijn. En ik ben niet de enige, mijn goede vriend Jona Lendering denkt er ook zo over.

geerruidenberg 2013
In 2013 vierde Geertruidenberg 800 jaar stadsrechten. Ik had daar niks mee te maken, maar dat ze zich als oudste stad van Holland profileerden klopte niet.

Ik heb de laatste 20 jaar minstens met 30 historische jubilea van dorpen of steden te maken gehad die hun 600, 700, 800 of zelfs 900 jarige bestaan vierden. De kennis die bij de organiserende comité’s aanwezig was over het begin van hun gemeente was meestal zo goed als afwezig of anders vermengd met fabels en legenden. Men keek altijd verrast op als ik vertelde hoe het werkelijk bij het ontstaan, groeien en officieel stichten van hun nederzetting toe was gegaan. Ook kon men zich nauwelijks voorstellen hoe hun voorouders geleefd hadden, eruit hadden gezien en wat ze dachten en deden. De meeste ‘kennis’ was trouwens gebaseerd op het onderwijs dat die mensen zelf in hun jeugd gehad hadden, en dat was dus al niet best. Je houdt je hart vast voor hoe het over een jaar of tien zal zijn. Of in 2032.

EVS 1972
Koningin Juliana bezocht in 1972 de officiële viering van 400 jaar Eerste Vrije Statenvergadering. Typerend voorbeeld van het elitaire gedeelte van zo’n jubileum.

Ik heb er persoonlijk ook mee te maken in mijn woonplaats. Dordrecht is heel oud. De meeste, een beetje bewust levende Dordtenaren weten dat ook wel, maar hoe dat precies zat… geen idee. In het verleden heeft de stad zijn jubilea best gevierd. In de negentiende eeuw ging dat nog behoorlijk spectaculair met veel verklede mensen en erepoorten. Later werd het soberder en ging het meer om bepaalde historische gebeurtenissen waardoor Dordrecht op de historische kaart was gezet: de eerste vrije statenvergadering in 1572 en de synode van 1618-19.

Dat werden feesten voor iedereen, met altijd wel een historisch element, maar nooit te opzichtig meer. Uitvoeringen van muziekgroepen, sportverenigingen, kermis voor de burgerij en dan voor de elite een tentoonstelling, een congres en een, duur, boek, dat was het wel.

balen 1677
Titelpagina van Mathijs Balens, Beschrijvinge van Dordrecht uit 1677 in twee dikke delen.

Stadshistoriën waren ook van die elite-uitgaven. Vanaf de zeventiende eeuw verschenen die met enige regelmaat en soms in meerdere delen. Die boeken waren voor de gewone man niet te betalen, als ze ze al wilden lezen. Daar werden ze dus ook niet wijzer van. En dat had dan weer zijn invloed op het begrip van hun eigen verleden. Of eigenlijk het onbegrip.

Nog steeds is de vroege geschiedenis van Dordrecht een zorgenkindje.  Ik heb hier al geschreven dat de basiskennis bij cursisten Dordtologie, toch gemotiveerde mensen die op hun vrije zaterdagochtenden in een seizoen toch tien pittige lessen willen volgen, mij zwaar tegenviel.

vitrine hof
Bezoekers in de kelder van het Hof waar de vitrines een keuze uit vele middeleeuwse stukken tonen.

Het nieuwe historische museum in het Hof laat in zijn ‘middeleeuwse’ afdeling een esthetisch mooie presentatie zien van wat er nog aan middeleeuwse spullen in de archieven, depots en musea te vinden was, maar de informatie die erover geboden wordt is miniem. Bovendien worden hele stukken van die vroege geschiedenis overgeslagen of maar zeer schetsmatig behandeld. De tentoonstelling, die duidelijk voor toeristen is bedoeld, graaft niet diep en hoeft dat misschien ook niet. Schoolklassen kunnen er spannende speurtochten doen, maar ook daarbij is de informatie oppervlakkig en gaan leerlingen eerder weg met mooie plaatjes in hun hoofd (en dat is niet verkeerd) dan met begrip van de samenhang tussen al die beelden. En zo gaat het eigenlijk altijd. En overal.

Ik ga van het standpunt uit dat de mens belangstelling heeft voor de historie van de plaats of het gebied waar hij/zij is opgegroeid. De officiële geschiedenis daarvan moet men echter uit dikke en dure boeken halen en dat trekken de meeste mensen niet. Als ze al het geld ervoor over hebben. Bovendien is de dieper gravende informatie verborgen in speciale studies en artikelen waar de leek helemaal niet bij weet te komen. Mijn missie is om iedereen in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van wat historici en archeologen over het vroege Dordrecht en zijn omgeving  te weten zijn gekomen zonder diep in hun buidel te moeten tasten. Ik heb, sinds de voorbereidingen voor de viering van 800 jaar stadsrecht in 2020 op een laag pitje werden gezet, enkele maanden nagedacht over dit probleem en eind februari bedacht dat een blog een ideale vorm voor deze informatie zou kunnen zijn. Iedereen die op internet zit, en daar zijn veel Dordtenaren bij (en mensen uit de omgeving), kan erop en kennis nemen van dat wat in de blog gezet wordt. Vandaar…

Dirrekie (1)

Een blog over een stukje veel recentere geschiedenis, maar toch relevant, want het gaat over de graaf die hier in 1049 sneuvelde. Dit is het eerste van een serietje van twee.

Op de voor Dordrecht karakteristieke manier – van buitenaf – is de stad verrijkt met een standbeeld van de in 1049 apud Thuredrech gesneuvelde Dirk IV. Het beeld staat al weer 33 jaar aan het oostelijk eind van de Varkenmarkt, met zijn rug naar de parkeerplaats die de plaats heeft ingenomen van de niet meer als zodanig in gebruik zijnde Grote Markt. Geen echt sfeervolle locatie, maar hij heeft in ieder geval uitzicht op een aardig rijtje panden. Door de Dordtenaren die hem weten te vinden wordt hij, bijna liefkozend, Dirrekie genoemd. Zijn komst was echter niet onomstreden.

varkenmarkt
Varkenmarkt, Dordrecht, schuin tegenover Dirk IV (Google Maps)

Het beeld is een cadeautje van de bank Mees & Hope (in 1991 opgegaan in ABN AMRO) die zich ook in Dordrecht zou gaan vestigen. De bank had al op eigen houtje contact opgenomen met de stadsarchivaris Dr. Th.E. Jensma en de mediëvist Prof. Dr. H.P.H. Jansen en men was gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat een beeltenis van de graaf die in de stad was overleden een goede keus zou zijn. Hij zou “een belangrijke aanzet hebben gegeven tot het ontstaan van de stad Dordrecht”. Hoe men dat zag is niet langer bekend, maar de lezers van deze blog weten inmiddels dat graaf Dirk hier niet echt een stad heeft gesticht en dat het sneuvelen bij Thuredrech ook geen echt dwingende voorwaarde voor zoiets is.

ontwerp standbeeld Dirk IV
Ontwerp in was voor het standbeeld van Dirk IV door Jan Haas (augustus 1979).

De bank ging voortvarend te werk: men had al vast een beeldhouwer, Jan Haas uit Vlissingen, opdracht gegeven een ontwerp te maken. Foto’s van dat ontwerp en een korte omschrijving van het belang van graaf Dirk door professor Jansen gingen eind augustus 1979 naar burgemeester en wethouders. Of de gemeente het geschenk wilde aanvaarden. De bank suggereerde ook alvast een locatie: het Statenplein. Ze vroeg b&w om voor eind augustus te reageren, om de beeldhouwer gelegenheid te geven het beeld op tijd te kunnen onthullen. Dat zou namelijk eind oktober moeten gebeuren.

Helaas maalden ambtelijke molens toen ook al langzaam en duurde het tot 19 oktober 1979 (!) voor b&w officieel het cadeau accepteerden. Jan Haas herinnert zich nog dat het daarna “nogal een haastwerk” was. Lokale kranten pikten de volgende dag het nieuws op en meldden dat het beeld op de Roobrug, tussen de vier havens, zou komen te staan. Uit het Vrije Volk van diezelfde dag blijkt dat de Commissie Stedelijk Leefmilieu al op 4 oktober een andere locatie had geadviseerd: de Varkenmarkt of de Houttuinen. De Roobrug leek hen ongeschikt, maar ze waren te laat geweest want het voetstuk was al gestort. De Commissie was, begrijpelijk, niet blij met het  “terzijde schuiven” van hun advies.

onthulling standbeeld Dirk IV
Onthulling van het standbeeld van Dirk IV in het Hof door (links) minister G. van Aardenne en loco-burgemeester P. Janse op 29.10.1979 (De Dordtenaar)

Op 29 oktober werd het bijna nog warme, bronzen beeld dan ook in het Hof onthuld door de toenmalige minister van economische zaken, de Dordtenaar Gijs van Aardenne, in het bijzijn van loco-burgemeester Piet Janse.

Het stond nog geen dag op de Roobrug, gewoon op het trottoir tussen de voorbijgangers, of er werd een blik rode menie over uitgestort. Een dag later volgde een pot witte verf en er werd met diezelfde verf een hakenkruis op de helm geschilderd. Dirk stond op een  drukke plaats, op de route tussen enkele uitgaansgelegenheden (clubs en disco’s). De volgende weken en maanden zou het regelmatig raak zijn met het besmeuren van het kunstwerk. De gemeentewerklui vroegen zich elke maandag af wat ze nu weer van het beeld zouden moeten schrobben.

helm met hakenkruis
Hakenkruis op de helm en een pot witte verf over het standbeeld (De Dordtenaar 2.11.1979)

Intussen was de adviescommissie in de pen geklommen en had een protestbrief aan b&w en de Culturele Raad gestuurd over de wijze waarop de plaatsing van het standbeeld was gegaan. Als voor die taak opgericht gemeentelijk adviesorgaan, met architecten en kunstenaars als Andries Lugten, Henk Dicke en Henri van Nes als deskundigen in de gelederen, hadden ze verwacht eerder ingeschakeld te worden.  Ook de Culturele Raad was op 15 november “ernstig teleurgesteld” en vroeg zich af of b&w vond dat dit een correcte procedure was.  De gemeente verdedigde zich door te zeggen dat tijdgebrek de oorzaak van het niet of te laat inschakelen van de commissie was en dat men “voornemens [was zich] voortaan wel door de commissie te laten adviseren”. Dit bericht kwam trouwens pas 4 januari 1980 bij de Culturele Raad aan…

handen af van Dirk IV
Artikeltje in Dichter bij Dordt van 15.11.1979.

De buurt begon ook te klagen. De bewoners van de aanpalende havens, verenigd in de buurtvereniging ‘Stockholm-Bordeaux’ (genoemd naar twee tegenover elkaar aan de Wolwevershaven-Kuipershaven staande pakhuizen) vonden het besmeurde beeld “een aanfluiting”. In een brief aan b&w van eind september 1981 schreven ze dat het in die toestand veel door (buitenlandse) toeristen werd gefotografeerd. Dat leek hen niet echt een  reclame voor de stad. De voorzitter stelde voor het maar binnen te zetten, in het Stadskantoor bijvoorbeeld, om te voorkomen dat de “jeugdige nachtclubbezoekers” het “Dordrechts Lieverdje” bleven aanvallen. Daarnaast hadden diverse Dordtse kunstenaars al laten weten dat ze het beeld maar niks vonden. Via een kennis in Dordrecht waren die protesten trouwens ook bij de beeldhouwer terecht gekomen. Maar die werd pas ingeschakeld  toen men het schild van het beeld zaagde en liet verdwijnen.

beproevingen van Dirk IV
Artikel in Dichter bij Dordt nadat het schild van het beeld was afgezaagd (20.2.1981)

Intussen werd in november 1981 al vergaderd over het verplaatsen van het beeld en de bank verklaarde zich bereid de kosten daarvoor gedeeltelijk te betalen. De rest zou moeten komen uit het budget van Openbare Werken. De restauratie zou ook door de bank betaald worden. Het standbeeld werd van zijn plaats gehaald en Jan Haas maakte het schoon, bevestigde er een nieuw schild tegenaan en patineerde het beeld opnieuw.  De bewonersvereniging kreeg eind november bericht dat Dirk naar de Varkenmarkt zou gaan verhuizen. Maar zover was het nog lang niet. Het verdween na de schoonmaakbeurt en restauratie een hele tijd uit het zicht. Tot de directeur van Openbare Werken in augustus 1983 een briefje aan de secretarie schreef over wat hij met dat standbeeld, dat al een paar jaar op een opslagterrein lag, moest. Hij werd een paar weken van het kastje naar de muur gestuurd, tot er een beslissing van b&w kwam. Op korte termijn zou graaf Dirk herplaatst worden op zijn nieuwe locatie. De kranten meldden dat het op 25 september 1983 zover was.

Dirk Iv op locatie
Dirk IV op zijn nieuwe plek aan de Varkenmarkt, foto van ca september 1983. Het muurtje achter het standbeeld is inmiddels verdwenen (zie de banner bovenaan de blog).

Sinds die tijd heeft Dirrekie aan de rand van de Grote Markt gestaan. In het begin kreeg hij nog wel eens een gekleurde helm of baard en op zijn schild verschenen nog een tijdje allerlei symbolen, o.a. het anarchistenteken. Inmiddels is hij echter ingeburgerd en kan iedereen die hem tegen het lijf loopt (en dat valt niet mee, want de locatie is niet echt een toeristentrekker) lezen dat Dirk IV, graaf van Holland, vermoord is bij Dordrecht in 1049. Het is alleen jammer dat de beeldhouwer oorspronkelijk op de plaquette stond gebeiteld als Jan Maas en dat die M een beetje knullig is bijgewerkt tot een H.

Detail van de plaquette met de aanvankelijk fout gegraveerde achternaam van de beeldhouwer (eigen foto).
Detail van de plaquette met de aanvankelijk fout gegraveerde achternaam van de beeldhouwer (eigen foto).

 

 

 

 

 

 

(Wordt vervolgd)

Wat is dat: apud Thuredrech?

In mijn eerste blog staat al dat apud Thuredrech ‘in Dordrecht’ betekent. Het is latijn. Tenminste: het eerste woord is latijn. Dat was de taal waarin iedereen voor de dertiende eeuw  in de kerk en het klooster, op de universiteit en aan de hoven schreef en die men onder elkaar sprak als men elkaar in hun moedertaal niet verstond. In onze streken werd die taal sinds het wegtrekken van de Romeinen niet meer door de bevolking verstaan of gesproken (en het is de vraag of iedereen dat voor die tijd kon…), maar het was wel en bleef nog lang de internationale taal van de geleerden en de kerk. Welke lang hetzelfde waren want geleerden waren meestal tegelijkertijd geestelijken. Studenten aan de kathedraalscholen, waar ze tot priester werden opgeleid, van voor 1100 ondergingen standaard de lage wijdingen en werden daardoor ‘clerici’ oftewel geestelijken genoemd. Het woord ‘clericus’ ligt ook aan de basis van het woord klerk oftewel schrijver. En dat kwam omdat de gestudeerde geestelijkheid (er waren ook ongestudeerde geestelijken) zo’n beetje de enige was die voor 1200 kon schrijven. Daarna pas komt in onze streken het schrijven door leken op. Ook geholpen doordat meer leken naar de uit de kathedraalscholen voortgekomen universiteiten gingen voor andere dan kerkelijke carrières.

annalen van egmond
Omslag van de publicatie Annalen van Egmond.

Dat ‘apud Thuredrech’ staat dus in een latijnse kroniek die officieel de Annales Egmundenses heet. Oftewel de Annalen van Egmond.  Hij is nog niet zo lang geleden, in 2007, opnieuw uitgegeven, samen met het Chronicon Egmundanum, dat een kortere, meer op de geschiedenis van Holland gerichte kroniek is uit de dertiende eeuw. In die uitgave staat de latijnse versie naast een moderne Nederlandse vertaling. Heel nuttig als je je latijnse lessen inmiddels een beetje vergeten bent. Of als je alleen klassiek latijn kent, want ik heb begrepen dat middeleeuws latijn voor de classici bijna onbegrijpelijk is als het een beetje technisch wordt. Of als de middeleeuwse schrijver eens een keer geen klassiek voorbeeld nadoet.

‘Apud’ heeft in het klassieke latijn twee betekenissen. Ten eerste ‘(er)bij’ als: in het gevolg van, of ten huize van, voor, in tegenwoordigheid van, ten overstaan van. Ten tweede, maar minder regelmatig, ‘bij’ of ‘nabij’ plaatsen, of zelfs ‘bijna’. Bij namen van steden, eilanden en landen kan het ook nog ‘in’ of ‘op’ betekenen, dus in een stad of land of op een eiland. Navraag leerde inderdaad dat in het middeleeuws latijn apud thuredrech inderdaad voor ‘te Dordrecht’ staat (dank, Eef Dijkhof).

Thuredrech staat, zoals gezegd, natuurlijk voor Dordrecht (of de Dordrecht) en is een oud-Nederlands woord. Tot tamelijk recent heeft men die naam altijd uitgelegd als ‘oversteekplaats in de Thure’ of een soort doorwaadbare plaats in een rivier. Nog niet erg lang geleden, in 1996, heeft een Belgische filoloog (taalkundige van verdwenen talen) in de Germaanse talen, Ward van Osta, voorgesteld dat het achtervoegsel –drecht niet komt van het Latijnse trajectum, dat voorde of oversteekplaats betekent, maar dat het van dregan, dragan oftewel trekken komt. Denk aan het Engelse to drag. Thure is dan ‘door’ en het gehele woord staat dan voor ‘door trekken’.  Overigens is deze betekenis van de stadsnaam inmiddels wel tot Wikipedia doorgedrongen.

knarr vrachtschip
Binnenvaartscheepje in de elfde en twaalfde eeuw van het type Knarr. Uit: Björn Landström, Het schip (Hoofddorp 1975) 63.

De Thuredrech zal niet zo breed geweest zijn dat je gemakkelijk door kon zeilen. Schepen in die tijd waren wel klein en hadden maar één vierkant zeil, waarmee je maar moeizaam kon manouvreren. In een smalle veenrivier is dat onmogelijk, zeker met de verkeerde wind. Dan moest je dus of roeien of bomen, of getrokken worden door mensen of paarden langs het water. Dat was hier dus het geval. Je werd door de Thuredrecht getrokken naar de Merwede. En er ontstond daar ook een dorp dat de nodige faciliteiten leverde voor kooplui die er langs kwamen. Dat dorp ging dus naar de doortrekvaart heten.

Dat blijkt tenminste uit een oorkonde uit 1064 waarin twee keer het riviertje/kanaal de Thuredrecht genoemd wordt en één keer de plaats van die naam waar net een nieuwe kapel is gebouwd. Alleen… die oorkonde is vals. Maar daar kom ik later op terug.

De dood van de graaf in 1049 in wat later Dordrecht zou heten, werd rond 1120 opgeschreven, omstreeks 70 jaar na dato. Omdat Dirk in de abdij van Egmond werd begraven, kun je er veilig van uitgaan dat de man echt in of bij het riviertje of de gelijknamige nederzetting is gesneuveld. Er kunnen in 1120 nog best monniken in leven zij  geweest die het van hun voorgangers hadden gehoord en de tombe van Dirk IV kon aangewezen worden in de stenen kerk van het klooster. Bij de datum van zijn dood, 13 januari, werd jaarlijks een memoriemis opgedragen om hem te gedenken. Zo bleef de herinnering aan zijn overlijden ook levend en in de hoofden van de monniken aanwezig.

Dordrechts begin foutief in Wikipedia

Nog steeds staat in het lemma Geschiedenis van Dordrecht in Wikipedia het volgende:

In een oorkonde uit 1049 werd voor het eerst melding gemaakt van Dordrecht. Graaf Dirk IV van Holland zou in dat jaar vermoord zijn ‘bij Dordrecht’ (apud Thuredrech). Inmiddels staat al heel lang vast dat deze oorkonde een vervalsing uit ca 1120 is.

In deze drie regels staan niet minder dan vijf fouten. Dat zijn de volgende:

  • De vermelding uit 1049 staat niet in een oorkonde.
  • Dirk IV was geen graaf van Holland.
  • Hij werd niet vermoord.
  • Apud Thuredrech betekent niet ‘bij’ Dordrecht.
  • De vermelding is geen vervalsing.

Het is niet ongewoon dat op het internet gesold wordt met historische gegevens. Vooral als ze uit de wat minder bronnenrijke middeleeuwen dateren. Inmiddels zijn de correcte gegevens al vele jaren bekend bij historici en bij de meer geïnteresseerde burger, maar blijken ze niet echt breed doorgedrongen bij het gemiddelde publiek. Dat bleek me ook weer toen ik voor de cursus Dordtologie het ontstaan en de groei van Dordrecht behandelde. De voorkennis over dat onderwerp was minimaal. En dat gold zeker ook voor die over de middeleeuwen in het algemeen. Er waren zelfs mensen die niet wisten wat graven waren. Eigenlijk schokte me dat nogal en ik vroeg me af of daar wat aan te doen was.

Ik ben al bijna 25 jaar bezig voorlichting te geven over alles dat met de middeleeuwen te maken heeft, de laatste 20 jaar via ons historisch adviesbureau tScapreel, maar hoewel veel mensen daar gebruik van hebben gemaakt, vrees ik dat er nog een grote groep is die bijgepraat zou moeten worden. En zeker als het over Dordrecht gaat. De cursus Dordtologie bereikt elk jaar zo’n 70-80 mensen en is nu bijna 8 jaar bezig. Hij zal zo’n kleine 600 mensen bereikt hebben. Op een bevolking van bijna 120.000 zielen is dat natuurlijk niks. Andere steden hebben ook soortgelijke cursussen en er wordt natuurlijk via historische verenigingen en musea eveneens de nodige historische informatie verspreid. Maar ik heb het idee dat het niet erg opschiet.

Vandaar dat ik heb gegrepen naar het middel van de historische blog. In eerste instantie voor Dordtenaren en oud-Dordtenaren, maar ook voor mensen uit de omgeving die geïnteresseerd zijn in het vroege verleden van hun regio en de centrale stad daarin. Maar ik hoop ook andere bezoekers te trekken die belangstelling hebben voor wat er te weten valt over middeleeuwse regionale geschiedenis en hoe we die kennen.

Voor het geval u nog wilt weten hoe het wel zat met dat ontstaan van Dordrecht:

  • De vermelding staat in de Annalen van Egmond, een kroniek die in de gelijknamige abdij bij het gelijknamige dorp werd bijgehouden.
  • Dirk, die eigenlijk Theoderik heette, was graaf van West-Frisia. De naam Holland voor dit gewest komt pas rond 1060 op.
  • De graaf sneuvelde in gevechten tegen een leger van de bisschoppen van Utrecht, Luik en Metz. Het verhaal over de moord is een late legende.
  • Apud betekent in dit geval ‘in’ Dordrecht.
  • Het boek met de Annalen van Egmond bestaat nog steeds en geleerden hebben geconcludeerd dat het betreffende stuk over 1049 rond 1120 is geschreven door een anonieme monnik. Er is een latere vermelding over Dordrecht die uit 1064 zou dateren, maar die is inderdaad als vervalsing ontmaskerd. Men is er lang van uitgegaan dat die vervalsing rond 1120 is geschreven, maar in 1997 is geconcludeerd dat het ca 1145 moet zijn geweest. Hier zijn dus wat zaken door elkaar gehaald en is verouderde informatie gebruikt.

In volgende blogs zal ik systematisch, maar hopelijk begrijpelijk, vertellen over de achtergronden, bronnen, feiten en aannames die over het het ontstaan en de bloei van Dordrecht te vinden zijn. Ik wens mijn lezers daarmee veel plezier.