Leven met de middeleeuwen 11

Alles viel op zijn plaats toen ik door mijn vriend Kees Nieuwenhuijsen naar voren werd geschoven om het vervolg op zijn Strijd om West-Frisia (2016) te schrijven en de uitgever merkte dat dat wel een goed idee was. De dageraad van Holland (2018) over de geschiedenis van de Hollandse graven tussen 1100 en 1300 was het resultaat. Omniboek brengt geschiedenisboeken uit die én betaalbaar én leesbaar zijn voor de geïnteresseerde leek, maar die wel op een hoog wetenschappelijk niveau staan. Dat had ik al aan de boeken van Luit van der Tuuk gezien, die over de vroege middeleeuwen schrijft, en die ik daarom ook al zeer lovend had besproken.

Bij mij zouden het eveneens geen droge opsomming van gebeurtenissen worden, maar ook geen romantische verhalen of fabels. Wat bekend is uit de bronnen wordt beschreven, geïnterpreteerd en verduidelijkt met illustraties uit de tijd zelf. Dus niet met 16e en 17e eeuwse gravures vol anachronismen of 18e en 19e eeuwse historieprenten of –schilderijen die voor geen meter kloppen, omdat beeldredacties lui zijn en de meeste historici niet weten waar ze originele afbeeldingen moeten vinden. Inclusief de geschiedenis van steden die dankzij of ondanks die graven zijn ontstaan met de, gereconstrueerde, plattegronden van hoe die er in de 13e eeuw uitzagen. Niet elke auteur kan kaarten tekenen, maar ik toevallig wel. Dus hoefde er geen dure kaartenmaker ingehuurd te worden.

Koning Willem II op een grafmonument uit ca. 1250 in Mainz.

Er staan dus geen gefantaseerde portretten in, maar de zegels die de mannen en vrouwen zelf laten zien en die ze zelf aan oorkonden hebben gehangen. In Dageraad staat trouwens wel het gebeeldhouwde portret van graaf-koning Willem II dat tijdens zijn leven is gemaakt. Verder heb ik op archeologisch en bouwkundig onderzoek gebaseerd reconstructies gebruikt of plaatste foto’s van gebouwen die met hen in verband worden gebracht.

Ik wilde in de tekst ook niet te veel speculeren over zaken die toch niet meer te onderzoeken zijn, maar de gaten ook niet opvullen met fantasie en romantische onzin. Zo hoort het namelijk als je een historische studie schrijft: het is geen  roman. Dat het werkt merkte ik aan de reacties, de recensies en en feit dat het boek uitverkocht is. Vanwege de coronacrisis heeft men de tweede druk helaas uit moeten stellen.

Maar niet getreurd: mijn nieuwe boek, De oudste stad van Holland, is volgens dezelfde principes geschreven en geïllustreerd. Omdat het een middeleeuwse stadsgeschiedenis is kwam deze wijze van werken nog beter van pas. Voor de geïnteresseerden: het gaat om te beginnen over het falsum van 1064 en de oudste vermelding van Dordrecht uit ca 1120, waar veel fabels over worden verteld. Ook zijn uit Thuredrith. Nieuw licht op het ontstaan van Dordrecht (deelt 36 van de lokale serie Verhalen van Dordrecht, 2018) van Gerrit Jan Schiereck, Marc Dorst en mij, de nieuwste ideeën over de loop van de rivieren rond Dordrecht opgenomen. Maar ook de traditionele bronnen komen aan de orde: zulke perkamente documenten als het bewaard gebleven, maar tot voor kort verkeerd begrepen privilege van 1200. Of de kartonnen kokers met de volkomen unieke, in het middelnederlands geschreven, stadsrekeningen van 1283-87: de oudste van Nederland. Het controversiële stapelrecht van 1299 komt voorbij en waarom dat helemaal niet zo nieuw was als altijd wordt beweerd. Al werd het op den duur een bron van irritatie voor de andere Hollandse steden.

Grootzegel van graaf Willem IV, na wiens dood de Hoekse en Kabeljauwse twisten begonnen.

Ook zaken die in de reguliere stadsgeschiedenissen van de stad wel worden genoemd, maar die door Dordtenaren volkomen vergeten zijn komen aan de orde. Zoals de belegering van 1304 door de hertog van Brabant en het interdict of het verbod op alle kerkelijke diensten in de stad van 1352-56, dat een gevolg was van een paar moorden op het kerkhof als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De gilden en de keur- en klepboeken getuigen van de onrust en het geweld van die jaren, vooral rond 1400. En van de gevolgen ervan voor de welvaart. Ik heb het naar het einde toe ook over de overstromingen, die vanaf 30 jaar vóór de Elisabethsvloed het land rondom Dordrecht al teisterden. Tot eindelijk de grote klappen kwamen en er geen geld en animo meer was om de dijken te dichten.

Gebied van het latere Statenplein ca. 1250. Reconstructie door Nipides Bouwhistorie & Visualisaties (2014).

Collega’s en vrienden hebben net als bij Dageraad ook weer hun aandeel in dit boek gehad. Archeoloog Marc Dorst en ik konden aan de hand van de opgravingsresultaten in de binnenstad een veel beter kloppend setje plattegronden van Dordrecht tussen 1200 en 1300 reconstrueren. Ik heb daarvoor ruim 150 van die rapporten doorgewerkt en er een lijn in kunnen ontdekken, iets waar de archeologen maar niet aan toe kwamen. De door Jeroen Nipius gemaakte reconstructies van landschappen en gebouwen die hier opgegraven zijn en die tot nu alleen in die archeologische rapporten waren te zien zijn hier met toestemming van de archeologen voor een groot publiek beschikbaar gekomen. Met hulp van Dr. Eef Dijkhof kon er een intrigerend artikel over de vier achtereenvolgende Dordtse stadsrechten geschreven worden. En Per Bos heeft speciaal voor dit boek een prachtige 3D weergave van de Vlaamse Hal van 1390 gecreëerd. Ook een still uit zijn en mijn zoon Laurens gemaakt filmpje van de Dordtse oude haven uit 1250 (gemaakt voor een rapport ivm 800 jaar Dordts stadsrecht uit 2011) en een vogelvluchtplaat van Dordrecht na de Elisabethsvloed door Per zijn in het boek opgenomen. En als uniek extra heb ikzelf tekeningen gemaakt van hoe de Dordtenaren tussen 1000 en 1421 gekleed gingen en hoe graaf Willem I en keizerin Maria er in 1220 uitgezien kunnen hebben.

Zegel van graaf Jan van Beieren (1418) met de griffioenen die later het Dordtse wapen zouden sieren.

Omdat er ook van de graven van na 1300 geen betrouwbare portretten bestaan, op de laatste na (Jacoba van Beieren en Jan van Brabant), heb ik hun zegels gepubliceerd. Ook die van Jacoba en van haar oom Jan van Beieren trouwens… Ze zijn voorzien van prachtig gesneden wapenschilden en randschriften en allemaal afkomstig uit ons onvolprezen regionaal archief. Op die instelling doe je trouwens nooit vergeefs een beroep.

Wat ook een verschil is met de gemiddelde dikke en dure stadsgeschiedenissen in Nederland is de duidelijke plattegrond van de (binnen)stad waar het over gaat. De schrijvers van de standaardwerken op dat gebied (en ik heb de meeste hier in de kast staan) denken waarschijnlijk dat de lezers van hun prachtwerken (en dat zijn het echt wel) blindelings alle straten die zij opnoemen wel kunnen vinden. Men vergeet daarbij dat zelfs bewoners van zo’n binnenstad dat lang niet allemaal weten, laat staan zij die in de buitenwijken wonen. Meestal staan er alleen een paar kleine reconstructie-plattegronden in zo’n pil en dan zonder de meeste straatnamen, want daar is geen plek voor. Of de kaarten van Van Deventer uit de 16e eeuw, die helemaal geen straatnamen hebben. Dan moet je als vreemdeling in de stad, of zelfs als bewoner, de papieren Falkplan erbij nemen of Google maps op je mobiel of tablet ernaast houden. Ik heb de door mij bewerkte plattegrond van Dordrecht uit 1923 voorin over twee pagina’s (6 en 7) laten zetten. Die bevatte namelijk nog alle straten en stegen van vóór de grote sanering in de jaren ’60. Ik heb daarbij alles wat in de middeleeuwen vóór 1421 nog niet bestond wit gelaten, maar wel de contouren van later bebouwde eilanden en aangelegde havens aangegeven. Handig dus.

omslag ngd
Omslag van Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 (1996).

Mijn stadsgeschiedenis ziet er niet uit zoals andere. Hij is dunner en kleiner van formaat (en daardoor goedkoper) maar bevat wel een notenapparaat en een literatuuropgave voor verdere studie. Vooral de verwijzingen naar de opgravingsrapporten van de eigen stedelijke archeologische dienst zijn voor de belangstellenden zeer nuttig en interessant. Ze zijn allemaal op internet te vinden. Ook staan er registers achterin om het zoeken naar persoonsnamen en topografische namen te vergemakkelijken. Aan alle wetenschappelijke voorwaarden is dus voldaan. Daarnaast verwijs ik lezers regelmatig door naar de laatst verschenen en alleen nog antiquarisch te krijgen Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 uit 1996, want daarin wordt, thematisch zowel als chronologisch, de geschiedenis verder uitgediept. Wel is dat boek op sommige punten inmiddels verouderd. Het belangrijkste is echter dat geïnteresseerde leken in mijn boek in ieder geval voor niet te veel geld de laatste resultaten van het historisch onderzoek naar middeleeuws Dordrecht tot zich kunnen nemen, zonder zich door jargon te hoeven worstelen,.

Het belangrijkste is echter dat we ons nu, gebaseerd op wat ik in 2016 in mijn blog schreef, en inclusief de bijdrage van Eef Dijkhof, kunnen presenteren als de oudste stad van Holland. In Geertruidenberg kunnen ze er nu, met al ons bewijs, niet meer onderuit dat zij dat niet zijn.

De Wapentuers van Dordrecht (ca 1300) in Archeon, 2005.

Kortom: dit boek is, met het vorige, het tast- en leesbare resultaat van hoe ik het grootste deel van mijn leven, zo’n 62 jaar, met de middeleeuwen heb geleefd, geleerd en genoten. Met hulp van familie (met name mijn vrouw), veel vrienden en collega’s en zeker die van mijn docenten in Leiden en die andere mensen die me de meest verschillende zaken hebben laten zien en enthousiast over hebben onderwezen en voorgelicht. Dank aan allen. Zonder jullie was het me niet gelukt. Alle lezers van deze serie blogs weten nu waar het allemaal vandaan kwam, hoe dat me gevormd heeft en waarom het zo’n resultaat heeft gehad. Wondertjes, toeval, studie en veel, heel veel lezen, maar ook veel praktijkervaring hebben me gemaakt tot wat ik ben: een middeleeuwenliefhebber en -uitlegger. Die graag zijn kennis wilde delen en anderen voor deze wonderlijk interessante periode geïnteresseerd wilde krijgen.

Geen vervolg…

Leven met de middeleeuwen 10

De Raaf beeldmerk

Als je met pensioen gaat word je met je neus op de feiten gedrukt: hoe nu verder? Ik was tijdens mijn werk voor het CBG ook thuis al bezig met heraldiek, nu digitaal in plaats van met plakkaatverf en 0- en 1-penselen. Ik had in 2012 namelijk al besloten mijn oude heraldisch atelier De Raaf weer nieuw leven in te blazen, want er waren ook buiten het Wapenregister mensen die een wapen ontworpen wilden hebben. Toen het Wapenregister ook nog eens stopte stond de weg open voor een eigen ontwerppraktijk. Ik bouwde zelf mijn eerste Raaf website (voor tScapreel had ik er al één sinds 2000) en de eerste klanten dienden zich aan. In deze fase werkte ik de aanvragers van het CBG ook nog thuis af, maar Guus wilde niet verder met wapenontwerpen dus ik kon mijn gang gaan. En dat doe ik tot nu toe want mijn pensioen van de gemeente stelt niet veel voor. Sinds eind 2012 heb ik zo’n 260 familiewapens ontworpen en sinds ik in 1975 het eerste deed zijn het er nu zo’n 330. Daarmee ben ik zeker de enige heraldicus in Nederland die er zoveel op zijn naam heeft staan. En allemaal heraldisch kloppend, esthetisch verantwoord en uniek. En tot volle tevredenheid van de klanten.

Medeleden van het organisatorisch comité in Sliedrecht in laat 13e eeuws kostuum en met de door mij ontworpen banner.

Maar waarom lukte het me na de studie niet dat onderwijsrapport effect te laten krijgen? En waarom sloegen mijn nota’s over hoe je 800 jaar stadsrecht viert niet aan bij de gemeente? Ik had sinds 1996 ervaring met dergelijke jubilea en mag me best een deskundige noemen, nu met een titel, maar men reageerde lauw of helemaal niet. Het kon echt wel want al begin 2013 was ik in contact gekomen met het organiserend comité voor Sliedrecht 950 (mijn geboorteplaats) voor wie ik wel historisch adviseur kon worden. We maakten een spetterend feest dat van mei 2014 tot mei 2015 gevierd werd en veel volk trok en zeer veel waardering oogstte. En dat zegt wat in een conservatief dorp als Sliedrecht. Maar hoe zat dat dan met Dordrecht waar ik inmiddels al weer meer dan 40 jaar woonde.

Cursisten Dordtologie 2018-II tijdens de stadswandeling op de Damiatebrug  die de cursus afsloot. In de tussentijd werden de examen nagekeken.
Een groep bijna afgestudeerde Dordtologen op de Damiatebrug.

Ik begon me te beraden op andere wegen die naar Rome zouden kunnen leiden. Toevallig – maar wat is toevallig – stopte een docent van de cursus Dordtologie die het middeleeuwse gedeelte deed en ik werd daarvoor gevraagd. Dat was natuurlijk een nieuwe methode voor me, les geven. Ik ben niet zo iemand die graag voor de klas staat of lezingen geeft, maar als je een groep van maximaal 25-30 gemotiveerde volwassenen tegenover je hebt scheelt dat wel. En dat maar twee keer per jaar. En ik kon mijn eigen les maken: Dordrecht van 1000 tot 1421 (hee! zult u denken…) aan de hand van originele bronnen, zou het worden. En het sloeg nog aan ook, ondanks dat ik erg moest wennen aan het op deze manier over een middeleeuwse stad vertellen. Ik vond ook dat het in het begin niet goed ging, maar in 2016 had ik het zo’n beetje onder de knie. Alleen duurde het even voor ik een microfoon kreeg, want ik heb geen sterke stem en twee uur praten put me nogal uit.

Mooie oude foto van het pittoreske Geertruidenberg.

Ik liep tijdens die lessen natuurlijk op tegen de rare ideeën die mensen over de middeleeuwen hadden; dat was ik gewend. Maar er bleken ook grote misverstanden te bestaan over de middeleeuwse geschiedenis van Dordrecht en met name over het ontstaan van de stad en zijn stadsrechten. De bekende controverse over wie de oudste stad van Holland was, Geertruidenberg of Dordrecht, kende ik al, maar er waren nog veel meer mythen en fabels. Buiten Dordtologie (je bereikt per jaar maxinaal 60 mensen) moest er toch een manier zijn om meer mensen voor te lichten over geschiedenis. Ik had al een vriend die een blog bijhield over de oudheid, dus waarom niet over de middeleeuwen? Te beginnen met Dordrecht. Ik deed al iets dergelijks in Tiecelins gekras, maar dat waren blogs die een breed veld behapten: recensies van boeken en musea, geklaag over het onderwijs en erfgoed en het aan de kaak stellen van wetenschappelijk gesjoemel. Mijn nieuwe blog moest leken uit gaan leggen hoe dat nou echt zat met de vroege geschiedenis van Dordrecht en hoe we dat weten. Ik wilde ook het werk van een historicus uitleggen en de resultaten van onderzoek laten zien en daar was een blog ideaal voor.

dordrecht 1537
Gezicht op Dordrecht uit de kaart van Schilder, 1537. De ‘uitgelichte afbeelding’ van mijn blog.

Zo ontstond na wat verdiepen in WordPress – een voor mij nieuwe website maker – in maart 2016 een nieuw blog: apud thuredrech, waar u nu in zit te lezen. Binnen korte tijd had ik zo’n 400 vaste abonnee’s, kwamen er ook leuke en bemoedigende reacties binnen en had ik zelfs af en toe invloed op het culturele leven in de stad. Ik had bij de cursus al gemerkt dat mijn Powerpoint presentatie met eigen gemaakte kaarten en illustraties, portretten van historici en archivarissen, foto’s van originele oorkonden en historische plaatsen en gebouwen, goed werkte. Het hield de mensen bij de les en was aanleiding tot dieper reikende vragen. In het blog gebruikt ik die plaatjes dus ook. En kreeg daar veel complimenten over.

Kaart van de Grote Waard die ik maakte voor een blog over de straatnamen die daaraan ontleend waren in het Land van Valk, vlak bij mij in de buurt. Ik vind het gewoon leuk om zulke kaarten te maken.

In  de tijd dat ik op het archief tentoonstellingen maakte had ik de kracht van beelden al toegepast, maar dit was een veel intensievere vorm van die techniek, die ook veel meer mensen bereikte. Mijn lievelings studiegebied was altijd al stads- of nederzettingsgeschiedenis – daar ben ik ook op afgestudeerd – en daar horen gewoon plattegronden bij. Voor mij was dat niets bijzonders: ik tekende al stadsplattegronden van Rommeldam en Duckstad toen ik een jaar of tien was en ontwierp niet veel later al steden van de toekomst. Ik heb altijd al iets gehad met kaarten en atlassen (en heb dat blijkbaar ook op mijn oudste zoon en kleinzoon overgebracht) en dat viel tijdens mijn studie dan ook precies op z’n plaats.

Birdseye view van Gravendam, het middeleeuwse stadje in Archeon, en hoe het had moeten worden.

Ik had in Leiden ook geleerd dat niet alleen jaartallen, dynastieën, oorkonden, rekeningen en ridderromans de basis van middeleeuwse geschiedenis zijn, maar ook de realia (voorwerpen, gereedschappen) die uit de grond komen en in musea terechtkomen. Of die uit particuliere verzamelingen stammen zoals meubels, huisraad en verdere huisinrichting. Kledinggeschiedenis zowel van geestelijken als leken, historische bouwkunde (en niet alleen die van kathedralen), kastelenkunde, de ontwikkeling van wapens en wapenrustingen, kookboeken en voedingsgeschiedenis, heraldiek en zegelkunde maken allemaal onderdeel uit van de kennis die, in mijn ogen, een mediëvist nodig heeft. En voeg daar ook maar economische en sociale geschiedenis bij. In ieder geval zoog ik dat allemaal in me op. Dat sloot dus allemaal nauw aan bij wat ik werkend voor het archief en Archeon al had geleerd. En waar ik als heraldicus inmiddels al 40 jaar mee bezig was. En waar ik als levende geschiedenis speler en re-enacter jaren mee bezig was geweest. Inclusief hoe je een zwaard hanteert, in formatie met een piek vecht en op de correcte manier boog schiet. Hoe middeleeuwse kleding en wapenrusting voelt  en wat je tegenkomt als je in een middeleeuws huis leeft.

Dat moest toch een keer allemaal tezamen komen?

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 9

Het eerste dat ik na het behalen van mijn MA deed was een onderzoek doen naar hoe de middeleeuwen eraf kwamen in lesmethoden geschiedenis voor basis- en voortgezet onderwijs. De 10  tijdperken van De Rooy waren al een tijdje in gebruik en terwijl ik onderzoek deed werd de Canon verplicht gesteld op de scholen. Er waren toen nog 7 of 8 uitgevers die dergelijke schoolboeken (en de rest) publiceerden dus ik moest veel lezen. Ik schrok behoorlijk. Het was nog erger dan ik had gedacht toen ik in 1992 bij Archeon mijn eerste lesmethoden (nog van vóór die nieuwe eisen) las. Afijn, als u daar zin in hebt kunt u het rapport De middeleeuwen in de klas dat ik in 2011 uitbracht hier lezen.

De kop van het artikel in Kleio 52-3 (2011).

Ik stuurde het uiteraard rond naar de diverse uitgevers (inmiddels geslonken tot 6) en naar enkele onderwijsinstanties en bijv. Kleio, het tijdschrift voor geschiedenisleraren. Na veel aandringen en herinneren kreeg ik van 5 uitgevers een reactie. Ze vonden het wel een interessant onderzoek, mijn conclusies en aanbevelingen vonden ze niet zo urgent en verder kwamen ze met allerlei smoezen waarom ze toch geen veranderingen aan gingen brengen in hun methoden. Er was er zelfs één die schreef dat ze haar schrijvers mijn rapport niet zou laten lezen, omdat ze hen niet op ideeën wilde brengen. Ook waren er berichten dat helaas de volgende versie al naar de drukker was, of in ieder geval klaar was, en dat ik te laat was. Natuurlijk heb ik het een beetje bijgehouden nadien en ik kan melden dat mijn kritiek niet overgenomen is en dat er niets veranderd is. De recentste lesmethoden hebben zelfs nog minder tekst, in nog eenvoudiger taal, meer en grotere illustraties (met net zoveel anachronismen erin) en nog meer kleur. De bijbehorende werkboeken en testvragen zijn alleen maar kinderachtiger geworden.

Ik heb het rapport ook aan het ministerie en CITO gestuurd. Beide bezwoeren ze me dat ze er niets aan konden doen. Het ministerie durfde en wilde niet op de stoel van de uitgevers gaan zitten; als ze de ‘kerndoelen’ maar volgden. CITO maakt testen aan de hand van wat er in de boekjes/methoden staat, dus dan draai je in een cirkeltje rond. Alleen Kleio reageerde positief en liet me een artikel over mijn rapport schrijven. Nadat het gepubliceerd was kwam er letterlijk geen enkele reactie op. Alleen heb ik er op een geschiedenislerarencongres (3 x woordwaarde) nog een lezing over gegeven. De leraren waren verbijsterd dat de stof die zij moesten overbrengen zo vol fouten en achterhaalde feiten zat. Maar er veranderde niets. Dat was best teleurstellend, te meer omdat er steeds meer geruchten waren dat het geschiedenisonderwijs zijn langste tijd had gehad. Wie mijn blog Tiecelins gekras leest of las weet wat er aan de hand is.

Een andere teleurstelling die ik te verwerken kreeg was dat Dordrecht bijzonder stroperig was als het ging om de voorbereidingen voor 800 jaar stadsrecht in 2020. Wie recentelijk dit blog heeft gevolgd weet daar inmiddels alles van.

Voor aanvang van de slag een welverdiende kop thee. Nog in de rubber laarzen vanwege de modderige omstandigheden.

Andere jubilerende dorpen en steden moesten na 2008 – de crisis – bezuinigen en sponsors hadden geen geld meer om te sponsoren. Dat begonnen we te merken in 2009. Ook de LHO had minder optredens in dat kader, al hebben we nog wel mooi met de Big One (940 jaar Battle of Hastings) meegedaan. Als u zich afvraagt wat die plaat boven aan deze serie blogs voorstelt: dat is de afloop van de slag op een zondag in oktober 2006. Mijn Monkery Guide was inmiddels geadopteerd door de leiding van ‘Hastings’ en u ziet mij hier met twee collega’s in correcte pijen de gewonden bijstaan en de doden zegenen. Ik ben die figuur in het zwart knielend tussen de beide andere zwartrokken. Dit meemaken was een geweldige ervaring: het bewegen van de grond als er 120 paarden langs je optrekken, de regens van pijlen en de ‘poks’ als ze schilden raakten, het zachte geruis van maliënkolders, de metalige klappen van zwaarden tegen zwaarden. Het geroep en de strijdkreten vielen mee, want we stonden als geestelijken achteraan bij de waterdraagsters dus je hoorde het niet goed. En als je in volle wapenrusting tegen een helling op moet rennen heb je al je adem nodig en roep je niet veel. Je hoorde meer gekreun. Als gewondentrooster moest je trouwens nog oppassen, want er lagen nogal wat ‘heidenen’ tussen die in hun normale re-enactment hobby ‘vikingen’ speelden. Tijdens de zaterdagslag ben ik dan ook door zo’n figuur aan zijn mes geregen. Maar het was niet ernstig en na afloop stond ik gewoon weer op, net als de andere dooien.

Links in beeld tijdens de Slag bij Vlaardingen in 2008.

In 2008 heb ik die act nog eens herhaald bij de herdenking van de slag bij Vlaardingen (1018). Dat was tegelijk mijn laatste optreden in middeleeuwse kleding. Ik had besloten dat ik, nu ik 60 was (die zondag was ik jarig), het levende geschiedenis spelen op zou geven. Mijn pij ging aan de wilgen. Hij is in 2018 nog wel bij de slag bij Vlaardingen van toen gebruikt, maar ik zat er niet meer in. Ik was al een tijd weg uit het bestuur van de LHO en stapte nu ook uit de actieve kant van de vereniging en werd begunstiger. Ik deed in Archeon nog wel wat aan trainingen van archeotolken, maar omdat ik steeds meer moeite met de leiding daar kreeg, stopte dat ook.

Judika, onze nar, bovenaan de trap naar de markt om de St. Stevenskerk.

Vanaf de start van het Gebroeders van Limburg Festival (GvLF) in Nijmegen in 2004-05 was ik bij de invulling ervan betrokken geweest en we hebben er als tScapreel jarenlang een prachtige markt neergezet. Vanuit wijde omgeving, tot in Duitsland, kwamen enthousiaste mensen elk jaar weer bij ons langs en de aanwezige re-enacters kochten bij onze ambachtslieden graag hun middeleeuwse spullen. In mijn jaarlijkse evaluaties over GvLF concludeerde ik echter een steeds verder verwateren van de periode die voorgesteld moest worden: tussen 1390-1420. Er werden groepen toegelaten die latere periodes voorstelden en Mariken van Nimwegen uit de vroege 16e eeuw werd opgevoerd. Protesteren hielp niet. Toen er in 2011 tussen onze kramen een Churro eettent en een Vleesspiezen etablissement met vlammende, naar petroleum stinkende fakkels (waar was de brandweer die altijd zo streng was over onze paar goed bijgehouden houtvuurtjes?) verschenen en op de Grote Markt electrisch versterkte muziekgroepen stonden te spelen was het voor mij genoeg. Ik heb er nog een blog aan gewijd.

Onze Scaprelers werden ook wat ouder, er waren er die kwalen hadden en ze vonden het optreden tussen al die anachronismen en op historische evenementen die louter commerciële braderieën bleken te zijn niet leuk meer. In onderling overleg bij ons in de tuin hebben we toen besloten om te stoppen met het leveren van middeleeuwse ambachten en entertainers.

Het CBG bevond zich in de hoek van het gebouw van het Nationaal Archief bij het Centraal Station van Den Haag.

Inmiddels was er in 2008 weer zo’n klein wondertje gebeurd. Onverwacht werd ik gebeld door een oud-collega van het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) in Den Haag. Ik had daar in de jaren ’80 familiewapens voor getekend en ook wel wapenontwerpen gemaakt. Hij vertelde dat de beheerder van het Wapenregister dat het CBG al sinds 1971 bijhield met pensioen ging. Of ik geen zin had hem te vervangen. Ik was 60. Daar moest ik even over denken. Ik zou het jaar daarop af studeren en wilde wel wat met mijn studie gaan doen. En ik had ook geen zin om met tScapreel te stoppen (2011 was nog een paar jaar weg). Ik vroeg of er nog meer mensen gevraagd waren en of ik ook, bijvoorbeeld, twee dagen kon komen werken. Ja, er was nog een andere kandidaat die drie dagen wilde werken, dus dat kwam mooi uit. Onder leiding van onze directe chef hadden we een gesprek in een café aan het Plein en het klikte direct, tussen ons alle drie.  Daarna ging het snel en in september 2008 startte ik met collega Guus onze deeltijdbaan als beheerder van het Wapenregister, waar je je familiewapen kon laten registreren, de heraldische collecties en de databanken. We werden de heraldische manussen van alles bij het CBG.

Wapenkaarten van Laaglandse middeleeuwse vorsten die ik voor het CBG maakte.

Tot mijn pensionering in 2013 heb ik daar met veel plezier gewerkt. Samen met Guus heb ik een moderne, digitaal getekende heraldische vormgeving opgezet, die wel wat wennen vergde in dat nogal conservatieve wereldje, maar die op den duur toch zeer gewaardeerd werd. We brachten de heraldiek in de 21ste eeuw. Ik ontwierp ook steeds meer familiewapens en deed ook nog eens een historisch onderzoek naar de geschiedenis van het Wapenregister. Het werd in het jaar van mijn pensionering, 2013 dus, gepubliceerd in het CBG Jaarboek. Het zou het laatste jaarboek in die vorm blijken te zijn. Het Wapenregister werd overigens een half jaar na mijn vertrek, in januari 2014, eveneens opgeheven.

Inmiddels was er een geheel nieuwe levensfase begonnen, waarin nog het nodige te gebeuren stond.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 8

De mandenmakers van tScapreel in het Bergkwartier, Deventer.

De bijdragen van tScapreel aan historische evenementen en tentoonstellingen of vaste opstellingen werden altijd zeer hoog gewaardeerd. Dat merkten we aan de evaluatieformulieren die we na afloop aan onze klanten toestuurden en die in een ongewoon hoog percentage ingevuld terugkwamen. Nederlandse opdrachtgevers hebben de neiging om niets te laten horen als ze je prestaties niet waarderen, maar je daarna dus ook niet meer terugvragen. Kritiek geven (en ontvangen) is moeilijk. Wij hebben echter jaren op dezelfde evenementen gestaan, zoals Op den Berghe in Deventer, Gebroeders Van Limburg festival in Nijmegen of De Kinderjaarmarkt in de Markiezenhof te Bergen op Zoom waar mensen ons graag zagen. Onze bijdragen aan stads- en dorpsjubilea werden ook steeds opgemerkt of doorgegeven, zodat het ene feest het andere uithaalde. Musea bestelden bij ons jarenlang spullen, ideeën en werktekeningen voor herinrichtingen. Kastelen zoals het Muiderslot en Loevestein merkten dat levende geschiedenis nieuw publiek aantrok en staken collega’s aan hetzelfde te doen. Maar wij waren niet goedkoop, want we wilden onze mensen goed betalen voor het zware werk dat ze deden. Andere bureautjes en re-enactment clubs merkten dat hier geld was te verdienen en gingen op den duur onder onze prijzen zitten. Zeker toen het 2008 werd en de financiële crisis toesloeg.

Ca 1300, gegoede man.

In de LHO hadden we intussen last van een eigenaardig virus: Multiple Period Disorder (MPD). De eerste jaren koos een nieuw lid een favoriete periode en verzon een persoon met naam en cv en zocht daar een uitmonstering bij. Op den duur zagen ze bij andere leden ook andere perioden uitgebeeld worden en vonden die ook wel aantrekkelijk. Dus men verzon een nieuw personage met bijpassende kleding en accessoires. Ikzelf begon als vroeg 14e eeuws heraut, ben 9e eeuws Fries geweest, 13e eeuws minderbroeder, 15e eeuws stoffenkoopman, ca. 1300 seriant in de Dordtse stadsmilitie en Benedictijner monnik. En we lieten die types ook zien op onze openbare presentaties. LHO-ers verhuurden zich namelijk ook aan diverse evenementen of erfgoedinstanties, meestal vanuit de vereniging zelf, maar tScapreel bemiddelde soms ook voor hen. Het probleem was dat de clubleden vrijwilligers waren en niet in een arbeidsverband stonden en dat het dus voorkwam dat te weinig mensen wilden of konden. Dan moest een opdrachtgever teleurgesteld worden en dat komt je naam niet ten goede. Hoe meer mensen zich zowel als viking, als Normandiër, middeleeuws stedeling, militieman of toernooiridder in konden zetten, hoe dunner de spoeling werd. Zeker als meerdere optredens tegelijkertijd, in het seizoen, plaats vonden.

1250 minderbroeder.

Daarnaast werd het internationale gebeuren steeds belangrijker. Het begon in België waar we in het Gravensteen in Gent en later bij de herdenking van de Guldensporenslag aanwezig waren en nieuwe vrienden leerden kennen, maar breidde zich uit naar Engeland waar we aan het eind van de jaren ’90 op Kirby Hall, een enorm multi-period festival, acte de présence gaven. Vikingen van de LHO gingen naar Denemarken, Zweden en zelfs Polen. Op den duur kwamen de buitenlanders ook naar Nederland en hadden we als LHO circa 1300 weekends in Archeon met groepen uit Engeland, Noorwegen, Italië en Duitsland, die we zelf eerder in het buitenland hadden ontmoet. Het internet was een belangrijke factor in deze internationalisering van re-enactment.

1300 weekend in Archeon, aan tafel met John uit Noorwegen, Raymond uit Frankrijk, diverse Nederlanders en nog Italianen ook.

Dat was het ook voor tScapreel. Connecties over de hele wereld werden gelegd met leveranciers en ambachtslieden. Moesten we in het begin bij de LHO alles zelf maken, op den duur kon je je hele uitrusting niet alleen op de internationale re-enactersmarkten kopen, maar ook online. Van het rondsturen van gedrukte folders en prijslijsten in 1996 ging het naar de eerste website in 2000; we werden steeds meer gedigitaliseerd. Zo raakte ik via mail, na een deelname aan de heropvoering van de slag bij Hastings (1066) in Battle, UK, waar hij echt had plaats gevonden, in contact met de organisatie daar. Ik had gezien dat daar diverse typen monniken in hun speciale ordekleding rondliepen, terwijl er in 1066 maar één orde was: die der Benedictijnen. Ik had me voor mijn eigen personage al verdiept in hun kleding en schreef de mensen van Regia Anglorum dat er op dit event nogal wat toen niet bestaande minderbroeders en cisterciënsers rondliepen en of ze advies wilden. Ik kreeg direct de opdracht om een Monkery Guide te schrijven.

Elfde eeuwse benedictijn.

Inmiddels raakte ik als directeur en idealist van tScapreel steeds meer gefrustreerd over hoe mijn klanten omgingen met de geschiedenis. Overal werd aan de authentiiciteit geknabbeld: “Dat zien de mensen toch niet!” Mijn protesten werden steeds meer afgedaan als gezeur en gedram. Er werd zelfs aan mijn kennis getwijfeld: “Hoe weet jij dat eigenlijk zo zeker; je hebt helemaal geen drs. voor je naam staan.” En dat terwijl ik diverse drs-en op de meest genante flaters bij de meer praktische kant van de kennis van de geschiedenis kon betrappen. Het kwam tot een hoogtepunt bij filmopnames voor de presentatie van het middeleeuwse deel van slot Loevestein (nog steeds te zien in de ‘ridderzaal’). Ik werd zo kwaad over bepaalde uitspraken van een paar historici dat de directeur me apart nam en tegen me zei: “Weet je wat jij moet doen? Jij moet gaan studeren!” Het kwam binnen als een donderslag bij heldere hemel.

Links het Huizinga gebouw, de geschiedenis faculteit, en middenvoor Lipsius met de collegezalen, mensa en koffiehoek, achteraan de Doelsteeg in Leiden. Zes jaar mijn school.

Ik was toen 52. Na een jaar aarzelen, vooral over de kosten, want ik had uiteraard geen recht op een beurs of lening, gaf mijn zoon Jasper de doorslag. “Pa, als je dat nou echt wilt, moet je het gewoon doen en dan komt er vast wel een manier waarop je het kunt betalen.” Ik ging naar een open dag eind 2002 in Leiden, want een andere universiteit kwam voor mij niet in aanmerking. Daar zaten de historici van wie ik de boeken in huis had en daar kreeg je nog ouderwets middeleeuwse geschiedenis. Ik was direct verkocht. De sfeer die daar hing, de mensen, Leiden, de oude en nieuwe gebouwen van de universiteit. Ik vond het allemaal helemaal geweldig. In de warme zomer van 2003, ik was 55, schreef ik me in en in september begon ik twee avonden in de week naar Leiden te treinen. Net als bij de kunstacademie was het alsof ik in een warm bad stapte. De colleges, de docenten (allemaal jonger dan ik op twee na), de medestudenten (dikwijls van rond mijn leeftijd, al waren er ook dertigers bij), de mensa, het personeel, de sfeer. Ik was daar op mijn plek. Ik kreeg zelfs ontheffingen voor bepaalde vakken omdat ik vanuit mijn ervaring al veel kennis had en natuurlijk ook 12 jaar op het archief had gewerkt. Het was wennen om weer te blokken voor tentamens (sinds mijn 15e niet meer gedaan) en de eerste gingen ook niet zo best; 6,5’s. Maar de scripties gingen prima, vooral die over middeleeuwse geschiedenis. Ik kreeg complimenten over mijn deskundigheid, over mijn schrijfstijl, en mocht af en toe zelfs een hulp- of deelcollege geven en werd door docenten geraadpleegd over details van datering, kostuum, architectuur, etc.

Prof. Dr. Wim Blockmans, all round good guy.

Na een prima bachelorfase, waarbij mijn scriptie in een tijdschrift voor middeleeuwse geschiedenis werd gepubliceerd, volgde de masterfase onder professor Blockmans. Intussen zou middeleeuwen op de universiteit samengaan met vroeg-moderne tijd. Ik was echter bezig met zuiver middeleeuwse geschiedenis en vond dat er te weinig colleges op dat gebied aangeboden werden. Ik protesteerde bij de faculteit en Wim Blockmans was het met me eens. Hij stelde op de valreep twee nieuwe collegereeksen op waar toch nog een man of 10 op afkwam. Één van hen was een Duits meisje dat te weinig Nederlands sprak, dus moesten beide colleges in het Engels gegeven worden. Blockmans zat daar niet mee (hij spreekt het vloeiend) dus dat ging best goed, maar het was tekenend voor wat er in 2008 op de universiteit afkwam. Later hoorde ik van hem dat ik één van de twee studenten was die voor elk college een scriptie ingeleverd had en dat hij van het Duitse meisje niets meer vernomen had.

Ik zet mijn naam in het zweetkamertje.

Op een bloedhete dag in augustus 2009 studeerde ik af met een master thesis over een verdronken waard onder Dordrecht en mocht me vanaf die dag Master of Arts noemen. De drs. titel zou ik namelijk nooit krijgen, want die was sinds 2002 vervangen door BA en MA. Ik was geslaagd “met veel genoegen” (8,5) en mijn docenten wensten me veel geluk en plezier. Ik zette mijn naam op de wand links van het raam van het ‘zweetkamertje’ (niet ver van Willem Alexander). Daarna nam ik met vrouw, kinderen, zus  en vriendin een koele pils op het terras van Barrera tegenover het Academiegebouw aan het Rapenburg. Ik was 61. De wereld lag voor me open.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 7

charter 196 1345
Een oorkonde uit 1345.

Ik had in 15 jaar veel geleerd. Op het archief had ik oud schrift leren lezen en las nu middeleeuwse oorkonden in het middelnederlands (of latijn, als het moest), ik had originele documenten in handen gehad en wist hoe perkament voelde, eruit zag en hoe men schreef. Vriendelijke collega’s hadden me geleerd historisch onderzoek te doen en hoe je dat opschrijft. Ik begeleidde PABO studenten, informeerde journalisten en hielp archeologen met archiefonderzoek. En deed studiezaaldiensten. Ik had uit middeleeuwse bronnen glimpen opgevangen van het leven in een middeleeuwse stad als Dordrecht rond 1300-1400. Doordat ik ingeschakeld werd bij het geven van cursussen, zowel op het archief als voor de Volksuniversiteit, leerde ik volkomen leken hoe heraldiek in elkaar zit, hoe ze 17e eeuwse notarisprotocollen moesten lezen en hoe ze hun eigen huis en buurt historisch konden onderzoeken. En zelf leerde ik in de praktijk hoe je die kennis over moet brengen zonder te schoolmeesterig te zijn (wat ik nogal ben…).

Ik als 14e eeuws heraut in 1996, nu geheel in wollen en linnen kleding. De tas (de Dordrecht tas) , riem en messchede zijn allemaal zelf gemaakt.

Bij de LHO leerde ik met de hand middeleeuwse kleding naaien, en die ook dragen. Ik wist hoe dat voelde en wat je er mee kon (en wat niet…). Ik kon op den duur ook leren schoenen, riemen en schedes maken. Op evenementen legde ik uit hoe die kleding in elkaar zat en waaraan je kon zien wat voor stand je voor je had als je een middeleeuwer voor je zag. En hoe ze zich schoon en gezond hielden, want daar waren nogal wat misverstanden over. Ik leerde ook hoe je nieuwe leden van hun vooroordelen afhelpt als ze weer kruidenvrouwtje of bastaard van adel wilden voorstellen. Ik zocht recepten voor middeleeuws eten op en vooral mijn vrouw experimenteerde daarmee om te laten zien dat het voedsel van toen zeker niet onderdeed voor onze moderne kost. Ook proefden we middeleeuws bier en gekruide warme wijn. Steeds meer leden schaften bijzondere uitrustingstukken aan omdat er connecties ontstonden met, meestal buitenlandse, leveranciers en ambachtslieden.

Anja als bakkersvrouw aan het koken op open vuur in
hun bakstenen open haardje middenop de vloer.

In Archeon experimenteerden we met het leven in diverse typen middeleeuwse huizen onder veel verschillende weersomstandigheden. We konden vuur maken, koken op dat vuur, gereedschap onderhouden, tuinwerk doen, dieren verzorgen, er waren smeden, schrijnwerkers, beenbewerkers, vissers die hun eigen vis rookten, kuipers, pottenbakkers en gewone bakkers, mandenvlechters, wevers en schoenmakers. Iedereen nam daar kennis van mee. Bezoekers brachten soms nieuwe informatie mee, archeotolken lazen van alles en nog wat over hun vak en begonnen soms thuis ook al hun ambacht uit te oefenen. Maar vooral de interactie met het publiek was zeer leerzaam. Want iedereen wilde het naadje van de kous weten (soms ook letterlijk…) en was maar wat blij met een logische uitleg. “Oooooh, zat dat zo? Nooit geweten! Leuk!” Mensen, zo merkte ik, waren wel degelijk geïnteresseerd in geschiedenis.

Bezoekers tijdens de warme zomer van 1994.

Ik leerde echter vooral hoe erg het gesteld was met de kennis over die geschiedenis in het algemeen en de middeleeuwen in het bijzonder (let wel: dit is vóór 1996…). Hoe kwam dat? Natuurlijk had ik al in die al genoemde geschiedenismethoden opgemerkt dat daar zoveel fouten in stonden. Dan leer je als scholier natuurlijk niet hoe het werkelijk geweest was. En dat werkt door als je volwassen wordt en je hoort niet meer hoe het echt zat. Chronologie bleek bijvoorbeeld een vaag begrip: wat was eerder Karel de Grote of Karel V, in welke eeuw brak de pest uit, wat gebeurde er in 1296? Ouderen wisten dat nog wel eens (“wij moesten al die jaartallen uit onze kop leren, waarom? Geen idee”) maar konden dikwijls geen verbanden leggen. Voor jongeren waren ook toen al diverse historische namen onbekende geluiden waar ze niks mee konden (“al die Florissen, Dirken en Willems… je wordt er gek van.” Maar ze kenden wel de samenstelling van hele voetbalelftallen of tientallen popgroepen uit hun hoofd). En jaartallen? Daar zagen ze het nut helemaal niet van in: als je maar ongeveer weet wanneer iets gebeurde. Wat boeit het om te weten dat Napoleon vóór Hitler kwam?

Illustratie uit een lesmethode die een middeleeuwse stad moet voorstellen en die zo’n beetje alles fout heeft.

Hoe meer ik tegen die bijna volkomen afwezigheid van historische kennis en daardoor begrip voor geschiedenis opliep, hoe meer het me verbaasde. Ik kreeg bijvoorbeeld te maken met journalisten die in Gravendam rondliepen en niet wisten wat ze zagen. Ze konden de huizen niet plaatsen, de kleding en de mensen die er vergeten beroepen uitoefenden en die vergeten groenten aten waren hen volkomen vreemd. Ze konden dikwijls ook geen vragen stellen, want het beeld dat ze kregen kwam niet overeen met wat zij van de middeleeuwen wisten. En dat was dikwijls gebaseerd op Hollywoodfilms, strips, fantasyboeken, de Brief voor de Koning of tv-series als Floris (speelt in 1515). En daar leken die archeotolken in hun houten of bakstenen huizen niet op. Of zo zagen de LHO-ers op het historische evenement in de binnenstad er niet uit. Verwarring alom. En bij film- of tv-ploegen was het nog een graadje erger. Die vroegen waar de modder was en de varkens en bedelaars op straat. Of er nog een heks verbrand zou worden en of de stadswachten echte ridders waren omdat ze een helm op hadden en een stuk scherp ijzer aan een paal droegen.

Ongeveer 1/5 van mijn boekenbezit.

Dikwijls was het ook bijna ondoenlijk om mensen van de authenticiteit van wat ze zagen te overtuigen. “Ja maar, hoe weet je dat dan?” was dikwijls de vraag. En dan noemde ik maar weer de boeken, de bronnen, de afbeeldingen, de opgravingen, de museale voorwerpen. Soms kon ik die ook laten zien, als ze me thuis kwamen interviewen. Dan pas gingen ze het een beetje geloven, maar vooral bij journalisten bleef er dikwijls scepsis hangen, wantrouwig en kritisch als ze zijn.

Bij het van start gaan van tScapreel nam ik me dan ook voor om elke opdracht die ik kreeg en die over het uitbeelden van middeleeuwse situaties ging mijn klanten van uitgebreide informatie te voorzien. Maar ik had buiten het type mensen gerekend dat ons die opdrachten gingen geven. Dat waren:

– Gemeenten die een jubileum te vieren hadden.

– VVV’s, aangevuld met middenstanders, die een historisch festival probeerden op te zetten bedoeld om toeristen te trekken.

– Erfgoedinstellingen als musea en kastelen die hun gebouwen wilden verlevendigen.

– Organisatiebureaus.

Mijn bakje met enkele honderden visitekaartjes van ambachtslieden, erfgoedinstellingen en organistaiebureaus. De laatste nemen ongeveer 25 % van het geheel in beslag.

De laatsten waren collega-zakenlui die zo snel mogelijk rijk wilden worden met spetterende feesten, als het moest historisch, maar authenticiteit hoefde geen optie te zijn. Als maar alle clichés van de middeleeuwen aan bod kwamen, inclusief heksen, ridders, jonkvrouwen en bedelaars in schandpalen. Het was het type (jong)mens dat zo’n bureau begon met het aanschaffen van een Mercedes en een Armani kostuum en dat full-colour visitekaartjes liet drukken en een kantoor in óf een grachtenpand óf een historisch buitenhuis huurde. Ik heb stapels van die kaartjes en al die zaakjes zijn inmiddels al weer jaren failliet.

Musea bestelden bij ons replica’s en we hebben voor kastelen diverse middeleeuwse vaste opstellingen gemaakt. Meestal voor ambitieuze directeuren en conservatoren die dan wel drs. voor hun naam hadden staan, maar geen idee van geschiedenis hadden. We hebben voor enkele van die kastelen hun eerste re-enactments gestart en die haalden daar record bezoekersaantallen mee. Helaas werden onze mensen steeds na een paar jaar door goedkopere groepen vervangen, waardoor tegelijk ook de authenticiteit met sprongen achteruit ging. Evenals de publieksvriendelijkheid.

De heer en vrouwe van Rhoon wordt ontvangen bij het kasteel.

De historische evenementen, zowel bij een jubileum als gewoon als toeristentrekker, werden gerund door amateurs. Soms gemeenteambtenaren, meestal VVV’s en/of organisatiecomittee’s uit de horeca en middenstand. Als men open stond voor onze informatie kon het erg leuk zijn, maar er waren ook eigenwijze doordouwers wie het niet uitmaakte wat er te zien viel, als er maar volk op afkwam. Onze middeleeuwse markten vielen echter bij iedereen in de smaak en velen lieten weten dat ze verrast waren dat ‘echte’ middeleeuwers toch wel erg leuk waren. Ons viel ook op dat in het oosten en zuiden van het land dergelijke evenementen door ons zowel als de bezoekers erg geslaagd gevonden werden, terwijl ze in het westen en noorden soms moeizaam verliepen. Op enkele uitzonderingen na, overigens.

Maar wat leverde het op?

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 6

Tussen de nieuwe archeotolken tijdens een van de trainingsdagen begin 1994.

Er kwamen honderden reacties, veel meer dan we verwacht hadden. Voor de prehistorie zochten we mensen  die wilden experimenteren met leven in primitieve huizen. Bij de Romeinen lag de nadruk op acteren en zulke dingen als gladiatoren-vechtkunst. De middeleeuwers moesten vooral echtparen voorstellen van wie de mannen een beroep uitoefenden en waarbij de vrouwen traditioneel het huishouden deden. Vanwege de uitgebreide vragenlijst konden we al heel veel mensen een bedankbriefje sturen met het bericht dat ze het niet zouden worden. Ongeveer de helft werd geïnterviewd en getest met spel- en werkopdrachten en daar bleven er een dikke honderd van over. Bij de middeleeuwen kwamen er 48 terecht die 2, 3, 4 of zelfs 5 dagen in dienst kwamen om de 13 huizen en het klooster te bevolken. Vervolgens kregen die nog een heel stel trainingsdagen en korte cursussen over bijvoorbeeld omgaan met publiek en het dragen van de inmiddels in het eigen atelier genaaide kleding. In de huizen werd geoefend met koken op open vuur en de ambachten. We waren er klaar voor.

De avond van de opening: koud, nat en stormachtig. Maar we hadden er zin in…

Op 1 april 1994 ging het park open. In mijn logboek staat: “Vliegende storm met regenvlagen. De huizen staan te schudden.” Veel archeotolken waren te koud gekleed want veel kleding was van katoen (bezuinigingen). Wollen rocken, caproenen en jassen waren echt nodig. Er was al een lam geboren in de schaapskudde en de eerste dag viel er al een jongetje in een vuur, maar het was gelukkig niet gewond. Diverse mensen misten al snel kleine spulletjes en kinderen zaten overal in en aan. Het zou een zwaar jaar met veel improvisatie worden. Mensen stelden nog ‘dommere’ vragen dan we hadden verwacht, de voedselvoorziening liep nog niet soepel en de mensen hadden nog meer tijd nodig om te leren koken. Er sneuvelden veel bakpannetjes voor we in de gaten hadden dat je deels geglazuurd aardewerk eerst een tijd in water moet zetten, anders knapt het. De EHBO-ers onder ons moesten diverse keren aan de bak omdat bezoekers zowel als archeotolken zich sneden, tegen luiken opliepen en brandwonden kregen.

Mijn kantoor boven de kleermaker met mijn bureau, postvakjes, schappen met muziekinstrumenten, ordners, roosters en extra hoofddeksels voor speciale gelegenheden. De archeotolken zaten achter mijn rug op diverse comfortabele banken en leunstoelen, want het was allemaal zeer vermoeiend. De computer stond in het entreegebouw.

Ik zat in een eigen kantoor op de verdieping van de kleermaker (nu chirurgijn) die tegelijk overblijfruimte was en vergaderplek. Ik hield de werkschema’s en roosters bij van m’n 48 mensen die allemaal verschillende aantallen dagen werken, soms ziek waren waardoor er óf niemand in het huis stond óf een vervanger gezocht moest worden. Een vreselijke puzzel, elke dag weer. Daar kwam ook nog eens ruzies oplossen bij, klachten behandelen, tolken terecht wijzen en trainen, achter leveringen aanzitten, losgebroken beesten vangen, vergaderen met de andere coördinatoren (die dezelfde problemen hadden), interviews geven en filmploegen begeleiden. Ook nam het organiseren van de feestelijkheden ter gelegenheid van middeleeuwse jaarfeesten veel tijd in beslag. En tegen anachronistische beslissingen van de directie protesteren, zoals salades en koffie in het kloosterrestaurant. En ook nog eens zelf archeotolkendiensten doen, vooral in het weekend. Het was ontzettend zwaar, maar ik heb zelden zoveel gelachen als in het seizoen 1994. En een groep vrienden voor het leven opgedaan.

Hans en Erwin van de LHO vrijwilligden als stadswachten.

Vrijwilligers van de LHO kwamen soms in de weekends de groep in de middeleeuwen versterken en konden zo ervaring opdoen in publieksparticipatie. Sommigen hebben dat van nature, anderen hebben instructie nodig, weer anderen zijn er echt niet voor in de wieg gelegd. Maar dat gold ook voor de archeotolken. Er waren er die niet tegen al die vragen konden, of die het vervelend vonden steeds gestoord te worden in hun werk. Die namen zelf ontslag. Of gingen wat anders in het park doen waarbij ze wat meer op de achtergrond bleven. Aan het eind van het seizoen hoefde ik maar tegen één jonge tolk te zeggen dat hij het volgende seizoen niet terug hoefde te komen. De LHO kon inmiddels als ruil voor hun deelname voor het winterfeest gebruik maken van het klooster, wat zeer gewaardeerd werd en waar we zeer sfeervolle feesten hebben gevierd.

Peter de Haas en ik bij de ingang om binnenkomers vast in de sfeer te brengen. Het was een warme zomer, maar er waren te weinig bezoekers.

Intussen bleek dat de hoge verwachtingen wat bezoekersaantal betrof, niet waargemaakt konden worden. Er kwamen er te weinig en de schulden liepen op. De directie kon niet anders dan bijstellen en bezuinigen. En de duurste krachten moesten er eerst uit. Vanwege mijn leeftijd en kennis was ik er daar één van. Ik kreeg een dag voor de kerstvakantie te horen dat ik ontslagen was. Geen leuk bericht en een rot einde van 1994. Gelukkig had ik me bij mijn vaste indiensttreding in 1993 aangemeld bij de vakbond die over personeel van dergelijke parken ging en kon ik mijn ontslag via een advocaat aanvechten. Ik kreeg een afvloeiingsregeling en hulp bij het zoeken en vinden van een nieuwe baan. Daar zat vader ineens thuis en zagen zijn vrouw en kinderen hem weer eens. Met Archeon ging het intussen ook in 1995 niet veel beter en in 1996 werd het failliet verklaard en moest de directie opstappen.

Het gewestelijk arbeidsbureau (nu UWV) te Dordrecht.

Ik moest voor het eerst van mijn leven langs bij het arbeidsbureau. Daar stonden nog ouwe computers met DOS programma’s die niet eens een vakje hadden voor het beroep dat ik had uitgeoefend. Ze vonden ook geen enkele vacature waar ik te plaatsen was en raadden me aan mijn netwerk te raadplegen. Ik bofte wel met een aan mij toegewezen medewerker die me daarbij zo helpen. Hij was altijd netjes in het pak, maar droeg daar ontzettend wilde stropdassen bij. Die luisterde naar mijn cv en mijn plannen en zorgde er op zijn nuchtere wijze voor dat ik op mijn gemak een zelfstandige zonder personeel kon worden.

Een van de jaarfeesten: het koningsschieten van de handboogschutters van Sint Sebastiaan.

Al tijdens het seizoen hadden we het er namelijk over gehad dat het leuk zou zijn als ‘Archeon naar je toekomt’ om mensen te lokken voor een bezoek. Maar ik was er ook van overtuigd dat de Nederlandse bevolking best belangstelling zou hebben voor meer authentieke middeleeuwers bij historische evenementen Voorzichtig hadden we bij de LHO al wat ervaring opgedaan met zulke externe optredens en gemerkt dat mensen dat leuk vonden. En leerzaam. Er waren heel veel Aha-momenten en veel enthousiasme als men dingen aan mocht raken of vasthouden. Zoals in Archeon, maar dan op een plein of winkelstraat bij hen om de hoek. Bovendien had ik tijdens het seizoen kennis gemaakt met veel culturele ondernemers, zoals als evenementenbureaus, artiesten en entertainers, medewerkers van musea en kastelen die langs waren gekomen in Gravendam. En natuurlijk radio, tv en film. Mijn netwerk dus. Ik zag wel mogelijkheden om voor dat soort mensen en instituten te gaan bemiddelen.

Een scapreel.

Ik peilde in 1995 mijn archeotolken en diverse LHO-leden, ging kijken bij bureaus die evenementen organiseerden en kwam bij kostuumverhuurders. We bezochten diverse historische feesten en spraken met allerlei lieden die er optraden. Ik maakte beoordelingen van die feesten en festivals en praatte met organisatoren, publiek en gemeenten. De reacties waren bemoedigend en mijn vrouw en ik besloten een bedrijf te beginnen: historisch (het heeft nog even ‘middeleeuws’ geheten) adviesbureau tScapreel. De naam kwam van een middeleeuws wandkastje dat naast de haard aan de muur hing en waarin kwets- en kostbare zaken werden bewaard. Maar bij ons stond het open en deelden we de inhoud, kennis over de middeleeuwen, met onze klanten. Pauline en ik schreven ons in bij de Kamer van Koophandel en werden directeuren van een VOF. Troffen een regeling voor startende ondernemers bij de Belastingdienst en zochten en vonden een niet te dure boekhouder. We startten op 1 maart 1996 met een landelijke folder campagne en hadden direct al leuke opdrachten. We waren zakenlui!

Ons logo.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 5

De Plimoth Plantation, het 17e eeuwse pioniersdorp, Plymouth (MA) USA.

In Archeon waren voor er één huis stond al mensen bezig met de invulling van die huizen en de ruimte eromheen. Ook waren er ideeën over de bemensing van het park. Gitta Paans had een tijd gewerkt in de Plimoth Plantation in Massachusets, USA, een reconstructie van een Pilgrim Fathers nederzetting uit het begin van de 17e eeuw. Daar werkten ze met het zogenaamde first person interpretation principe. Dat wil zeggen dat de mensen er daar uitzagen als 17e-eeuwers, de ambachten uit die tijd beoefenden en het leven uit die tijd lieten zien. Ze spraken zelfs Engels zoals toen. Gitta werd aangetrokken door de directie en maakte iedereen met haar verhalen over die opvatting enthousiast. We zouden in Archeon diverse perioden uit de prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen laten zien, dus dat taalaspect was waarschijnlijk niet uit te voeren. Want we wisten niet hoe men in de prehistorie sprak, bezoekers zouden geen latijn verstaan of ijzertijd-nederlands, evenmin als middelnederlands. Dat zou dus ‘tweede persoons interpretatie’ worden, waarbij de per tijd verklede mensen in gewoon Nederlands over hun historische personages zouden vertellen. Ze zouden archeotolken worden genoemd.

Plattegrond van de inrichting van het schoenmakershuis (HtJ 1993).

Ook waren Roel Evers en Peter de Haas bezig met de inrichting van zowel de Romeinse gebouwen als de middeleeuwse huizen. Beide kwamen ze echter uit de Romeinse hoek en toen ik daar toch  rondliep (dat was op den duur elke vrijdag) kon ik mijn bijdrage leveren aan ideeën voor de meubels, huisraad, binnenafwerking en ook over kleding en verdere uitrusting. Ik las me als een razende in over 1350, de periode die voorgesteld moest worden in Gravendam – de naam van het middeleeuwse ‘stadje’ – ondanks dat daar ook huizen uit de 12e en 13e eeuw stonden. Ik verzamelde afbeeldingen en nam alles wat los en vast zat over het dagelijks leven in de late middeleeuwen in me op.

Peter de Haas en ik op een foto bij een interview in het AD in 1993, staande in Gravendam in aanbouw. Peter in zijn gloednieuwe ‘vliegher’.

Dat kwam goed uit, want als er mensen ingehuurd zouden moeten worden om de middeleeuwen te bevolken, moesten die wel weten wat ze moesten doen en vertellen. Dus ik werd gevraagd of ik een reader wilde schrijven voor de toekomstige middeleeuwse archeotolken. Dat wilde ik wel. Maar  dat kon natuurlijk niet alleen op vrijdag, als ik ook nog bouwvergaderingen moest bijwonen, over van alles en nog wat werd aangeschoten om mijn mening te geven, tekeningen te maken over hoe het er uit moest zien en mee moest brainstormen over wat er in de openbare ruimte moest komen: op straat, in tuinen, op erven, in de kloosteromgeving, etc. Bovendien kreeg ik vragen over wat er gegeten moest worden in de huizen zowel als in het  kloosterrestaurant. Of hoe bepaalde kleding eruit moest zien.

Kostuumblad voor de eenvoudige bevolking van Gravendam (1993).

Ik kon een contract voor twee dagen krijgen, dat paste precies naast de 2,5 dag bij de dienst Kunsten, waar ik inmiddels automatiseerder en troubleshooter was. De heraldiek moest ik laten vallen, wat wel jammer was. Maar waar kreeg je zo’n kans om op ware grootte in de middeleeuwen te leven en die omgeving ook nog op te zetten? Dat de reader er ook nog in moest passen was ik even vergeten. Toen de bouw in 1992 eenmaal goed op weg was bleek dat het entreegebouw opbouwen en inrichten zoveel van het beschikbare budget opslokte dat al in oktober bezuinigingen moesten worden gepland. Dat vergde meer vergaderingen, meer aanwezigheid en meer werk. Vooral toen er ook nog een beroep op me gedaan werd om werktekeningen voor extra gebouwtjes, waterputten, secreten, droogstellingen, ovens, etc. te maken. Ik redde het niet meer met 2 dagen.

De glazen kolos van het entreegebouw. We zaten op de eerste etage, links van het midden (1994).

De directie bood me een baan in vaste dienst aan. Eerst voor 3  dagen, later voor 4 en als het park openging voor 5. Dat betekende: weg bij de gemeente en ik vroeg en kreeg ontslag. Iedereen verklaarde me voor gek: na 12 jaar een ambtenarenpensioen in de steek laten? Ik kon echter niet anders. Dit was wat ik wilde. En het salaris was niet slecht. Het was een bewuste beslissing en ik heb er nooit spijt van gehad. Mijn titel werd coördinator middeleeuwen, en ik werkte naast mijn collega’s Marjo voor prehistorie, Ruud voor de Romeinse tijd en Gitta als aanstuurder van de archeotolken. We zaten eerst in de bouwkeet, maar toen het entreegebouw – een grote glazen kolos die van de wereldtentoonstelling in Sevilla kwam – klaar was in een kantoor aan de zuidkant ervan. Zonder zonweringen of air conditioning. We hebben wat afgezweten.

En zo waren er 10…

De reader heb ik dan ook grotendeels thuis geschreven toen ik nog 3 en 4 dagen werkte. Het werden op den duur ruim 250 pagina’s: een flink boek. Rijk geïllustreerd en voorzien van alle mogelijke informatie, de archeologische achtergrond van de  reconstructies, historische tijdlijnen, uitleg over het dagelijks leven en de dagindeling, over de  stedelijke cultuur, gebruik van meubels en huisraad, uiterlijk van de middeleeuwer, hoe je je kleding moest dragen en wanneer, hoe je gedrag moest zijn, wat er gedaan werd aan hygiëne en gezondheid, hoe er gegeten werd van welke maaltijden, etc.

Bij de LHO hadden we inmiddels bij openbare optredens al gemerkt dat mensen dikwijls wel erg vreemde ideeën hadden over de middeleeuwen. Ik was er bij het doornemen van een aantal lesmethoden voor basis- en voortgezet onderwijs in de Archeon-bibliotheek ook al tegenop gelopen dat er op school ook de nodige onzin over de middeleeuwen werd onderwezen. In het laatste deel van de reader probeerde ik daarom te anticiperen op wat voor vragen men zou krijgen. Ik voorzag mijn teksten trouwens ook zorgvuldig van bronnen en literatuurverwijzingen om die clichés en vooroordelen door de archeotolken zo goed mogelijk te kunnen laten pareren. Het zou later blijken dat de bezoekers ons desondanks regelmatig wisten te verassen met hun denkbeelden of vragen. “Eten jullie dat echt op?” als ze een op open vuur bereidde maaltijd opgediend zagen worden. “Konden ze al naaien dan?”, als ze de kleermaker (die ik soms ‘speelde’) met gekruiste benen op zijn tafel zittend een hemd zagen zomen.  “Is dat echt vuur?” terwijl ze bijna in de haard stapten. En vele andere voorbeelden.

Ik als kleermaker op een zondag in de herfst van 1994. Fotograaf onbekend.

Bezoekers waren dikwijls ook bijzonder eigenwijs en dachten het beter te weten dan de archeotolken, die toch goed en verantwoord opgeleid waren. Zo heb ik op een zeer drukke eerste paasdag in 1994 een dik uur moeten praten om een intellectueel type (hij zei tenminste dat hij doctorandus in iets was…) ervan te overtuigen dat men in de middeleeuwen wel degelijk melkproducten als boter en kaas at. Inmiddels is die onwetendheid van het publiek, zoals ik van de recente lichtingen archeotolken weet, wel minder, maar er doen nog steeds vreemde ideeën de ronde, die er niet makkelijk uit te krijgen zijn. Hollywood heeft daar trouwens veel schuld aan.

De gevel van het beenbewerkershuis aan de Damstrate wordt op het houtskelet gehesen (1993).

In 1993 schoot de bouw al flink op. Elke dag als ik werkte ging ik tussen de middag het park door en maakte foto’s van de vorderingen. Ik ben waarschijnlijk de enige die een volledig fotoarchief heeft van de bouw van Gravendam. Het werd ook tijd om personeelsadvertenties te gaan plaatsen. In diverse kranten en tijdschriften, zowel landelijk als in de regio, werd opgeroepen om archeotolk te worden. We wilden zoveel mogelijk mensen uit de buurt hebben, dat zou in reiskosten schelen. Belangstellenden konden een formulier aanvragen en ingevuld terugsturen. Daarin konden mensen, naast hun gewone gegevens, hun motieven om zo’n baan te gaan doen geven. Het was een heel uitgebreid formulier want we wilden voor we de mensen opriepen om geïnterviewd te worden de mogelijkheid hebben om het kaf al van het koren te scheiden. Met name het publieksvriendelijkheids-aspect van het werk telde sterk mee en we zochten naar mensen die al ervaring op dat gebied hadden. Als ze al een ambacht beheersten was dat een extra voordeel.

We waren heel benieuwd.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 4

De aanleiding voor het gesprek met de archivaris;
het wapen van Dordrecht dat ik 1977 had hertekend.

In 1981 stopte ik met het striptekenen dat ik sinds 1969 had gedaan. Ik wilde met de heraldiek verder. Maar ik was inmiddels getrouwd met Pauline en ons eerste kind was onderweg. Ik zocht naar wat meer zekerheid dan het zzp-leven van de heraldische tekenaar voor het CBG en de HRvA. Gelukkig had in 1977 de Dordtse archivaris me al gevraagd iets te schrijven over het stadswapen. Ook zat hij ermee dat de rijke zegelcollectie van het archief niet beschreven was. Met name de beschrijving van de wapens van de schepenen in de middeleeuwen had nooit plaatsgevonden. Hij vroeg me of ik dat kon. Ik voelde me capabel genoeg en zei ja. In 1978 begon ik een dag in de week al die middeleeuwse zegels te fotograferen en heraldisch te beschrijven. En ik kwam letterlijk in aanraking met de middeleeuwen via de perkamenten chartertjes waar die zegels aan hingen. Ik heb er al eens over geblogd.

Het oude archiefgebouw aan het Stek in 1979.

Toevallig ging de educatief ambtenaar van het archief in 1981 weg en de archivaris vroeg mij en een bekende Dordtse fotograaf, Ad Molendijk, of we elk in deeltijd zijn baan in konden vullen. Dat wilden wij wel. In de jaren die volgden kwam ik pas echt in aanraking met de geschiedenis van Dordrecht en mijn belangstelling voor het middeleeuwse gedeelte daarvan werd alleen maar meer. Ik maakte tentoonstellingen, gaf vorm aan het archieftijdschrift en posters, deed stadsrondleidingen en studiezaaldiensten, gaf cursussen heraldiek en oud schrift, maar ook archief- en huizenonderzoek en schreef. Enkele collega’s gaven me les in Nederlands en historisch onderzoek en ik kon op den duur een aardig historisch artikel schrijven. Het was een unieke ervaring waar ik Pieter en Peter nog steeds dankbaar voor ben.

Ad Molendijk en ik in onze werkkamer op de eerste etage van het archief, met aan de wanden alle posters voor de tentoonstellingen die we in het archief hadden georganiseerd. De meeste zijn ook door mij ontworpen en als er foto’s op stonden waren die van Ad. Deze foto is ook van hem (1990).

Bovendien werden er computers aangeschaft en dat wekte mijn belangstelling zeker zo hevig als die voor geschiedenis. Binnen de kortste keren was ik bezig met desktop publishing, word-processing, pc-beheer en de opstart van de automatisering van de gemeentelijke dienst Kunsten waar het archief onder viel. Ik ben er nog steeds trots op dat ik voor die dienst in 1991 een automatiseringsrapport heb geschreven dat zelfs voor de grootste digibeten onder de diverse directeuren begrijpelijk was. Maar er lokten andere verten.

Het door mij ontworpen wapen van Die Landen van Herwaerts Over (LHO).

In 1989 was ik weer in contact gekomen met de SCA en hoorde dat er een Nederlandse afdeling zou worden opgericht. Daar wilde ik meer van weten. Ik werd lid en woonde een paar bijeenkomsten bij. Allemaal heel aardige mensen, maar ik wist inmiddels (ook door het archief en wat ik allemaal las) genoeg van de middeleeuwen om te zien dat ze niet erg historisch verantwoord bezig waren. Met name die adellijke rang die je door vechten met rotan zwaarden kon opwaarderen stond me tegen. Ik vroeg me af of dat niet anders kon. Ik brainstormde erover met een paar jongemannen die regelmatig op bijeenkomsten van de Nederlandse Tolkienvereniging Unquendor, herbergen werden die genoemd, aanwezig waren. Die bleken al met zwaardvechten en gruitbier brouwen bezig te zijn en het duurde niet lang voor we zelf een ‘levende geschiedenisvereniging’ op gingen richten. Begin 1991 was het zover. Middeleeuws genootschap Die Landen van Herwaerts Over (LHO) was een feit.

Het eerste bestuur van de LHO, plus mijn zus en vrouw, tijdens ons eerste zomerfeest in 1991. Alle kleding is van de verkeerde stoffen, dikwijls van de verkeerde kleur, soms niet van de goede snit en let op de nep-buideltasjes. VLNR: Ger, Ton, ik, Pauline, Ed, Gil.

We gingen van start met 40 leden. We maakten bio’s en naaiden kleding en zochten uitrusting. Dat was nog niet zo makkelijk, want waar haalde je patronen en voorbeelden vandaan. Ik was al in 1989 aan het experimenteren gegaan met een 19e eeuws kostuumboek waar o.a. patronen in stonden, maar die bleken na uitproberen niet te kloppen. En waar haalde je middeleeuwse schoenen vandaan, of zwaarden? We kwamen er al snel achter dat kleding in die tijd van wol en linnen was en dat je als je rijk was zijde kon betalen, maar waar haalde je die in 1992? Wol bleek meestal vermengd met kunststof en linnen met katoen. Dus onze eerste kleren waren van die halffabrikaten. Dikwijls in de verkeerde kleuren. We droegen zogenaamde Spaanse sloffen en bankstel-leren tassen en beurzen. Het was allemaal nogal geïmproviseerd. En toen kregen we, al in 1991, een vererend aanbod.

In Alphen aan den Rijn waren plannen om een archeologisch themapark te bouwen met o.a. een middeleeuws gedeelte waarin huizen op ware grootte zouden komen uit de periode 1100-1400. De directeuren hadden in 1990 al over ons gelezen in de kranten die aandacht aan de oprichting van de LHO hadden geschonken. Dus een maand na onze oprichting zaten we met een paar bestuursleden in Alphen. Of we zin hadden om als het park er stond af en toe de middeleeuwen te bevolken. Onze mond viel open! Een droom leek uit de komen. Dus we zeiden graag ja. En we werden vast uitgenodigd om in november 1991 bij het eerste paal slaan voor de Romeinse gebouwen te verschijnen.

Onze opstelling tijdens de feestelijke eerste paal van Archeon in november 1991. Een gedekte tafel (met HEMA bakjes en Portugees aardewerk) en onze heraldische wandkleden die later spoorloos verdwenen.
De originele Dordrecht tas uit midden 14e eeuw. We kregen de werktekening van Olaf en ik heb hem voor mezelf nagemaakt.

Het werd nu echt serieus en diverse van onze mensen deden naarstig onderzoek naar kleding en verdere uitrusting. Ook kregen we hulp. Olaf Goubitz, de historisch leer-kenner, gaf ons patronen voor schoenen, tassen en schedes van archeologische vondsten. We ontdekten dat je op stoffenmarkten best goede wol konden kopen en bij IKEA bleken ze echt linnen te hebben. Met mijn zus Ger, die een vakkundig naaister is, ontdekten we door experimenteren de meest waarschijnlijke methoden waarmee de middeleeuwers hun kleren maakten. Onze ‘rocken’ (de middelnederlandse term voor lijfkleding bij mannen en vrouwen) gingen er steeds echter uitzien. De eerste turnshoes verschenen. Iemand wist middeleeuws-achtige gespen te scoren en die gingen op de net echte tassen en aan riemen.

Onze groep tijdens het riddertoernooi in Satzvey (1992). Let op al het onbedekte haar van de dames.

In 1992 gingen we met een grote groep van onze mensen naar een middeleeuws evenement in Satzvey (Duitsland). Daar bleek iedereen als edelman en –vrouw rond te lopen in fluweel, zijde en nepbont en in felle chemische kleuren. En ze zetten hun brilen niet af en deden over hun permanentjes geen hoofdkleden. Het stikte er ook van de niet al te beste heraldiek. We liepen mee in de optocht en na afloop kregen we het commentaar dat we er wel een beetje gewoontjes bij hadden gelopen. Ik kon het niet laten te reageren met: jawel, maar zo zagen de meeste middeleeuwers eruit, niet zoals jullie. Ik zag dat we op de goede weg waren, maar ook dat we er nog lang niet waren. We gaven onszelf tot 1996 om echt beslagen ten ijs te komen.

De maquette van Archeon zoals hij in 1991 nog was.

De eerste paal van Archeon, want dat was het park, leverde nog iets op, met name voor mij. Daar stond namelijk een tafel met een grote maquette van het toekomstige park (gemaakt door het genie Peter de Haas) waar ik met name in het middeleeuwse deel de nodige fouten dacht te herkennen. De volgorde van de huizen aan de beide straten klopte niet en er stonden nogal wat tijden door elkaar. Na thuiskomst schreef ik daar een brief over aan de directeuren. Ik hoorde een tijd niks tot begin 1992. Of ik zin had bij een bouwvergadering over het middeleeuwse ‘stadje’ te komen zitten? Dus ik schoof in maart aan bij de directeuren en een paar archeologen. Ik had me goed voorbereid want op het archief had ik geleerd literatuuronderzoek te doen. Er was er recent in Nederland niet veel over stadsgeschiedenis gepubliceerd, maar ik had toch het nodige gevonden. Daarom had ik genoeg argumenten klaar om de bouw van de huizen aan te passen. Bovendien kon ik ter plekke tekeningetjes maken van hoe het er dan uit zou gaan zien. Al met al kon ik met name de archeologen, die de indelingen hadden gemaakt, ervan overtuigen dat het anders moest.

De plannen werden omgegooid en Gravendam zoals het er nu ligt was het resultaat. Maar daar bleef het niet bij.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 3

The Main Stage, een Shakespeariaans openluchttheater speciaal voor de Faire in Californië gebouwd. Hier met een Commedia dell’ Arte show in volle actie.

Met het geld dat ik met het publiceren van mijn eerste strip – ik was na de academie voor PEP gaan tekenen – had verdiend gingen mijn vriendin en ik naar de USA. Tussen begin mei en eind september 1970 verbleven we bij vrienden in Los Angeles en San Francisco en liftten vanuit Californië helemaal naar de Canadese grens en terug. In mei zowel als in september bezochten we de toen tamelijk nieuwe Renaissance Pleasure Faires bij de genoemde steden. Hier werden historische ambachtsmarkten gemengd met allerlei artistiek en cultuur-historisch vermaak door wat wel hippies werden genoemd. Dat waren wij ook en we werden het daar steeds meer. We keken onze ogen uit. Iedereen was verkleed, inclusief heel veel bezoekers. Het thema was Renaissance zoals de naam al zei, de tijd van koningin Elisabeth I van Engeland (1533 -1603), maar de Amerikanen namen dat ruim. Er liep en speelde ook veel ‘middeleeuws’ volk. We hebben er bij elkaar 4 weekends doorgebracht en liepen op den duur ook in geïmproviseerde historische kostuums. De ervaring was onvergetelijk. Zeker toen we de mensen van de Society for Creative Anachronism (SCA, opgericht in 1966) ontmoetten.

Ik als ‘middeleeuwer’. Man in tights!

Zij her-creëerden de middeleeuwen zoals ze graag hadden gezien dat ze geweest waren. Maar erachter ging serieus onderzoek schuil en de leden ontwikkelden een hele serie technieken om die periode vorm te geven. Dat ging wel op z’n Amerikaans en die invloed bleef bij de meeste leden toch behoorlijk groot. Ook hadden ze in de US niet echt de middelen, stoffen, materialen om onze Europese middeleeuwen te laten zien. Maar ze probeerden het in ieder geval wel. Ze maakten verzonnen biografieën voor zichzelf, maakten de kleding waarvan ze dachten dat die daarbij hoorde, verzonnen familiewapens, vochten als ridders (maar dan met rotan zwaarden om juridische problemen te voorkomen als je door een metalen wapen werd verwond), probeerden middeleeuwse  recepten uit, zongen en speelden middeleeuwse liederen en kluchten, etc. etc. En deden aan ancient crafts. En gaven voorlichting aan het publiek. Wat wel opviel in het republikeinse Amerika was dat iedereen van adel wilde zijn en dat je door ‘toernooien’ te winnen een hogere adelstand kon bereiken. En dat je vrouw of vriendin tegelijk met je opging. Zonder een toernooi te hoeven winnen…

Wapen van de SCA.

Toen we terug waren heb ik geprobeerd om via oproepen in Hitweek Nederlandse hippies zover te krijgen om iets dergelijks te starten. Er kwam geen enkele reactie op. Waarschijnlijk waren ze hier niet in geschiedenis geïnteresseerd of hadden ze geen middeleeuwse ambachten onder de knie. Dus dat ging niet door. Kort daarna gebeurde er echter nog wat dat direct grote gevolgen zou hebben.

Titelblad van mijn Boutell’s heraldry.

Tijdens een vakantie in Engeland rond kerst- en nieuwjaar 1970-71 liep ik in een tweedehands boekwinkel in Salisbury tegen Boutell’s Heraldry (1863) aan. Dat is in de UK een klassiek heraldisch handboek, waar echt alles over de Engelse heraldiek staat en dat tot nu toe wordt herdrukt. Mijn exemplaar dateerde uit 1864 en was de derde druk. Ik was die dagen niet echt een gezellige gast van onze gastheer, want ik kon me bijna niet uit het boek losrukken. Eenmaal thuis heb ik het in een paar dagen uitgelezen. Het telt 584 dichtbedrukte pagina’s tekst en 975 litho’s van wapens en hun inhoud en omgeving. Plus de hele geschiedenis van de internationale en Britse heraldiek. Ik was verkocht.

Al snel had ik in de gaten dat er ook in Nederland aan heraldiek gedaan werd en dat er ook hier al sinds de 19e eeuw boeken over verschijnen. Het handboek hier werd de Rietstap genoemd, naar zijn  auteur, die al eerder dan Boutell in 1857 zijn versie van een handleiding had geschreven en uitgebracht. Maar dat wist ik toen nog niet. Ik begon overal wapens te zien en ging ze ook tekenen. Als ik in Engeland was, en dat gebeurde in de jaren ’70 regelmatig, kocht ik nog meer boeken op dit gebied.

Het gebouw waar het CBG tussen 1948 en 1979 gevestigd was: Nassaulaan 18, Den Haag.

Inmiddels was ik ook al bezig met stamboomonderzoek en hoewel dat ook een heraldische kant heeft had je hier geen clubs van mensen die met heraldiek bezig waren. Maar ik werd wel op het spoor van de Nederlandse wapenliefhebbers gezet toen ik voor onderzoek bij het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) terechtkwam. Daar hadden ze zelfs een  wapenregister waar nieuwe Nederlandse familiewapens konden worden ingeschreven. En er waren mensen die ze ontwierpen. Ik maakte kennis met Karel van den Sigtenhorst, dé Nederlandse wapentekenaar. Een ontzettend aardige man die me nog enthousiaster maakte voor het vak. Hij vond ook dat ik leuke wapentjes tekende en leerde me er het nodige over bij. Hij moedigde me ook aan mijn eigen stijl te ontwikkelen. Ik hield van de nogal strakke Zwitserse en Engelse heraldiek, maar hier hielden ze meer van barokke 19e eeuwse wapens, en daar week ik nogal vanaf.

Karel van den Sigtenhorst (1925-2014).

In 1976 werd ik lid van de Engelse Heraldry Society. Karel introduceerde me even later, in 1977, bij het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde (KNGGW) want daar kwam je niet zomaar bij; er was een balottage. Maar als er ergens een heraldisch genootschap in Nederland was was het dit wel. Al gauw mengde ik me in mijn spijkerpak en haar tot halverwege mijn rug tussen de militaire snorren en blazers. Daar werd wel vreemd tegenaan gekeken, maar omdat ze merkten dat ik vakkundig met ze mee kon praten werd ik op den duur wel geaccepteerd. Vooral toen ik, ook weer via Karel, door de Hoge Raad van Adel (HRvA) in Den Haag gevraagd werd of ik niet wat werk van hun tekenaar, de al gepensioneerde en ziekelijke meneer Van der Drift, kon overnemen. Dat wilde ik wel. Na een proeftijd, waarin ik alle toen bekende gemeentevlaggen van ons land tekende en schilderde in plakkaatverf, kreeg ik langzamerhand de opdrachten om wapendiploma’s voor Nederlandse gemeenten te schilderen en calligraferen.

Ook daar moesten ze aan mijn stijl wennen en ik heb lange gesprekken gehad met de secretaris, mr. Otto Schutte, om mijn invalshoek te verdedigen. Op den duur raakten ze ook daaraan gewend en de diploma’s van de vele in de jaren ’80 gefuseerde gemeenten laten nog steeds de stijlverandering in het wapentekenen in Nederland uit die tijd  zien. Ook de gemeenten zelf hadden wel oog voor de nieuwe vormgeving.

Omslag van Vexilla Nostra, ontworpen door Theun Okkerse.

Doordat ik in het wereldje steeds bekender werd, vroeg men me bij de Nederlandse Genealogische Vereniging als redacteur heraldiek voor hun tijdschrift en werd ik op den duur ook eindredacteur van het vlaggenkundig tijdschrift Vexilla Nostra. De vlaggenkunde is een broertje van de heraldiek en ook daar had ik mijn ideeën over.

Inmiddels had ik in 1975 al mijn eerste familiewapen ontworpen en dat werd bij het CBG geregistreerd. Juist in die tijd nam het werk van het tekenen van de wapendiploma’s voor het register hard toe en kon Karel, die het tot dan toe in zijn eentje had gedaan, het werk niet meer aan. Ik werd ook ingeschakeld en samen hebben we vele tientallen wapens voor het bureau getekend. Op den duur werd ik ook steeds meer voor ontwerpen gevraagd. Kortom: ik zat midden in de heraldiek en maakte naam in Nederland en via Engeland ook erbuiten. Toen ik ook nog gemeentewapens ging ontwerpen, kwamen die in de Nederlandsche Leeuw, het tijdschrift van het KNGGW, terecht. Ik begon daarvoor de artikelen over de geschiedenis en ontwikkeling van de wapens te schrijven. En schreef ook over heraldiek in genealogische tijdschriften en over vlaggen in mijn VN.

Maar intussen hadden zich op geschiedenisgebied ook de nodige ontwikkelingen voorgedaan.

Wordt vervolgd

Leven met de middeleeuwen 2

Zo merkte ik op dat Ivanhoe een helm op had met een vizier, maar dat dat ding als hij vocht nooit neer ging. Of dat er in donkere kasteelgangen om de zoveel meter een schuin aan de wand bevestigde brandende fakkel in een houder de boel een beetje verlichtte. En dat die fakkels nooit kleiner werden en maar bleven branden. Die kastelen zagen er van binnen ook erg ongezellig uit met muren van grote blokken steen die glommen van het vocht. Ik vond dat nogal vreemd allemaal en vroeg me bijvoorbeeld af hoe men wist dat kastelen zo verlicht werden. Of dat die vizieren toch niet voor niks aan een helm zaten? Toen wist ik nog niet dat dit en nog meer van dat soort clichés standaard in films gebruikt werden, zeker als ze uit Hollywood afkomstig waren. Maar Engelse tv-series namen dat dus zonder problemen over. Zover was ik  echter nog lang niet.

Fakkels in de kerkers, gebouwd van enorme bijgehakte rotsblokken, in de film The Flame and the Arrow met Burt Lancaster (1950).

Wel zag ik vanaf dat ik een jaar of 13-14 was meer van die films in onze dorpsbioscoop en af en toe in een bioscoop in Dordrecht waar ik op de HBS zat. Ik herinner me dat El Cid (1961) bijvoorbeeld een diepe indruk op me maakte. Ook de oude Robin Hood film met Erroll Flynn (1938) of latere versies (1952, 1954, 1960), Ivanhoe met Robert en Elisabeth Taylor (1954) en de Tony Curtis film The Black Shield of Falworth (1954) of Burt Lancaster in The Flame and the Arrow (1950) waren niet te versmaden. Één van de zaken die me daarin ook opvielen was dat schilden in dat soort films van blik leken te zijn gemaakt en dat die na afloop van een gevecht krom en met diepe butsen terzijde werden gegooid. Ik kon me dat nauwelijks voorstellen. Toch werden in de Nederlandse tv-serie Floris uit 1969 nog steeds blikken schilden gebruikt.

Het blikken schild van Floris, dat hij ook nog eens ondersteboven vasthoudt. Het wapen op het schild is ook nog eens zwart op rood; dat is tegen de regels van de heraldiek: kleur mag niet op kleur.

Wat me wel opviel was de inhoud van die schilden en van de vlaggen die overal wapperden. Of de borst van de wapenrokken van die ridders of de lappen die over paarden werden gedrapeerd. Zwarte adelaars, rode leeuwen of paarden, kruisen in allerlei kleuren, gouden wolven- en andere beestenkoppen en ook kleurrijke abstracte patronen die de scenes tussen al dat vechten en flirten opvallend opluisterden. Ik wist niet wat die tekens allemaal betekenden en kon er niet echt een systeem in ontdekken, maar hun opvallende kleurigheid intrigeerde me wel.

De bewuste pagina; toevallig gevonden. Geen idee meer van de boektitel waar hij in stond.

Pas toen ik na drie jaar HBS naar de Rotterdamse kunstacademie kon kwam ik er in hun rijk bedeelde bibliotheek achter dat het familiewapens waren. En dat het hier om heraldiek ging, wel degelijk een systeem met eigen regels en symboliek. Het interesseerde me mateloos. Ik zat daar dikwijls tussen de middag en keek boeken met middeleeuwse kunst door, miniaturen, beeldhouwwerk, wandschilderingen, etc. waar die wapentjes steeds pittig uit naar voren sprongen. Het trok me aan en ik probeerde ervan te leren. Ook was er een boek dat over middeleeuwse wapens en wapenrustingen ging en dat de ontwikkeling door de tijd heen liet zien in overzichtelijke reeksen en schema’s. Daar kon je dus uit opmaken welke wapens en helmen en harnassen in een bepaalde periode werden gebruikt. Toen bleek ook dat die helm van Ivanhoe helemaal niet voor kwam; hij had nooit bestaan en diende  alleen maar om Roger Moores voor meisjes zo aantrekkelijke hoofd vrij te houden. Hij had die helm trouwens meer niet dan wel op, zodat je zijn vetkuif beter kon zien.

De kuif. Let ook op de vage adelaar op zijn gipoen.

Uit de heraldiek had ik inmiddels begrepen dat de gouden adelaar die hij op zijn witte wapenrok droeg volkomen fout was: wit of zilver was een ‘metaal’ in de heraldische terminologie en goud (of geel) het andere metaal. Metaal mag niet op metaal, want dat valt niet genoeg op. Dat is in de oorlog of op het toernooi ook niet handig. Van een afstand zie je het verschil niet eens en dat kan je in een gevecht fataal worden. Vandaar dat je op goud en zilver altijd zwarte of rode adelaars hebt. Of desnoods blauwe of groene, want dat zijn de enige vier kleuren in de wapenkunde.

Poster voor El Cid (1961). Let op het lege, gevierendeelde klaverkruis op de wapenrock: metaal op metaal.

Enkele jaren geleden heb ik nog eens El Cid op dvd gekocht. Het was niet eens een echt slechte film. Hij was te lang en er werd te veel gepraat en door landschappen gereden, maar ik heb me er best mee vermaakt. De aankleding liet echter te wensen over. El Cid leefde in de tweede helft van de 11e eeuw en ik weet inmiddels al heel lang dat er toen nog geen heraldiek was. Die kwam pas in de loop van de volgende eeuw opzetten en in Spanje, waar het verhaal speelt, kregen de koningshuizen en adel in de 13e  eeuw pas hun echte wapens en banieren (wapenvlaggen). Toch wemelt het in de film van de heraldiek. Dat geeft dan dus wel een heel anachronistisch beeld van de periode. Sophia Loren loopt daarbij ook voornamelijk in strakke haute couture rond in plaats van de ruime vrouwenrocken van de periode. Het moet echter gezegd dat de mannen dikwijls wel de goede lengte van kleding aan hadden en dat die naar 11e eeuwse snit brede versierde banden langs hals en mouwen lieten zien.

Janet Leigh in The Black Shield of Falworth (1954).

Kortom: ik begon door te krijgen dat niet alles historisch klopte wat ons op tv en in de film werd voorgezet. En wapenrusting en heraldiek waren niet de enige zaken die niet correct werden weergegeven. Ook kleding, die ik uit al die kunstboeken leerde kennen en die ik per periode zag verschillen, was een rommeltje. En zeker de vrouwenkleding, waar actrices meestal zo voordelig mogelijk in uit moesten komen. Die was meer geïnspireerd door de mode van de jaren ’30 tot ’60 dan dat ze middeleeuws was. De mannen liepen ook altijd rond in korte jakken met korte mouwen over een wit hemd met kraag en met daaronder een maillot om zich makkelijker in te kunnen bewegen.

Errol Flynn in The Adventures of Robin
Hood (1938).

Terwijl ik toch duidelijk had gezien dat ze een groot deel van de middeleeuwen lange tunieken met lange mouwen droegen en dat hun broeken zeker niet altijd zo strak zaten. Mel Brooks heeft er nog eens een satire op gemaakt: Robin Hood, Men in Tights (1993).

Woorden zijn overbodig…

Bovendien bleek dat de schrijvers van historische romans of de makers van historische strips, waarop ik ook verzot was, zeker als ze in de middeleeuwen speelden, het ook niet beter wisten. Ze beschreven of  tekenden dikwijls hun helden en heldinnen alsof ze rechtstreeks aan Hollywood waren ontleend. Inclusief de kleding en de uitrusting. Ik vertrouwde het allemaal niet zo erg meer. Ik begon me trouwens af te vragen of dat niet anders kon en waarom ze elkaar alleen maar nadeden. Was het een blinde vlek van de kostuum- en decorontwerpers en de decorateurs? Waren het de regisseurs die gewoon een door hen leuk gevonden voorbeeld nadeden? Waren het de studio’s die niet in de vorm af wilden wijken van een type film dat goed verkocht en die dus tegen meer historische betrouwbaarheid waren: zo willen de mensen het nou eenmaal? Ik kreeg er niet echt hoogte van, want ik was een roepende in de woestijn. Niemand stoorde zich eraan. Maar kort nadat ik was  afgestudeerd aan de academie vonden er een paar ingrijpende gebeurtenissen in mijn leven plaats.

Wordt vervolgd