Terug naar af

Toen ons historisch adviesbureau tScapreel pas was opgericht en we de eerste optredens bij historische evenementen achter de rug hadden, besloten Pauline en ik het wat professioneler aan te pakken. In het jaar 1997 hebben we van begin mei tot in augustus een negental van dat type evenementen bezocht en goed rond gekeken. Na afloop heb ik er een evaluatie van gemaakt, waarin elk feest op een serie van kwaliteitspunten werd beoordeeld. Daarna heb ik er een uitgebreide kritiek over geschreven en een serie aanbevelingen gedaan om zo’n evenement historischer te maken. Het was oorspronkelijk de bedoeling dat organisatoren een exemplaar van dat rapport zouden krijgen, maar de eerste ervaringen daarmee maakten dat nogal riskant. “Waar bemoei je je mee? Wij weten heus wel hoe we een publieksfeest moeten organiseren; daar hebben we geen extern bureau uit de Randstad voor nodig.” Zo ging dat ongeveer, dus daar zijn we maar mee gestopt.

Onze mandenmakers bij Op den Berghe, ca 2010.

Wel hebben we, in persoonlijke gesprekken, een aantal organisaties zover gekregen het wat verantwoorder aan te pakken en zo hebben we jaren achter elkaar als groep ambachtsmensen en entertainers in bijvoorbeeld Deventer bij Op den Berghe en in Bergen op Zoom op het Markiezenhof gestaan. Tot volle tevredenheid van de organisatie en de bezoekers. Beiden vertelden dat door (de beste reclame!) en zo hebben we tot ongeveer 2011 goed in onze opdrachten gezeten en veel waardering geoogst. We stonden bekend als uitermate publieksvriendelijk, zeer vakkundig en we zagen er perfect uit. Dankzij onze in Archeon en bij de LHO opgeleide werknemers, die wisten waarover ze het hadden.

Onze ambabchtslieden in het Markiezenhof te Bergen op Zoom, ca 2007.

Onze ‘roem’ had wel een vervelend gevolg. Anderen wilden dat ook wel. Er waren groepen die wel geld zagen in middeleeuwse markten en ridderfeesten, maar die niet al te deskundig waren waar het ging om authenticiteit. En  die, belangrijker, niet zo duur waren als wij. Zeker toen in 2008 en 2009 de economie op zijn gat ging en subsidies en sponsors verdwenen, zorgde dat voor een teruggang in onze opdrachten. Ik was gedwongen er wat naast te gaan doen om aan voldoende inkomen te raken. Gelukkig pakte dat goed uit. Intussen waren de genoemde groepen meestal niet om aan te zien en daalde het peil van hun kennis zienderogen. tScapreel stopte trouwens na een paar jaar vanwege al die concurentie: we werden te duur en er kwam te weinig geld binnen. Bovendien gaven onze mensen aan dat ze het kalmer aan wilden doen. Er waren er ook die kwaaltjes kregen omdat ze al wat ouder werden. Een dag lang buiten je ding doen is een behoorlijke belasting op je lichaam. En je stembanden. Met alle risico’s van te koud, te nat of te warm weer daar nog bij. Mijn afstuderen  als historicus verlegde mijn aandacht ook van bemiddelen voor en deelnemen aan openlucht entertainment naar meer wetenschappelijk onderzoek en publiceren. We werden meer een adviesbureau dan een bemiddelingsbureau.

Niet dat ik niet in de gaten hield hoe het er in het ‘wereldje’ aan toeging. Oud-Scaprelers en Archeotolken hielden me op de hoogte en op Facebook kwam nog voldoende voorbij om te zien wat er de laatste tien jaar bij historische evenementen gebeurt. Daar werd ik niet blij van. En af en toe liet ik dan wat van me horen. Ik heb het spektakel de Slag bij Grolle uit zien groeien tot een evenement van wereldformaat, maar het Gebroeders Van Limburg Festival zien afglijden naar een mengsel van perioden die niets meer met het oorspronkelijke uitgangspunt te maken hebben. Slechts één groep hield het beeld van de  gebroeders vast, maar eromheen was het een en al triestigheid. En in 2023 komt er geen nieuwe versie meer:.

De groep die in het Gebroeders van Limburgfestival de miniaturen uitbeeldde.

Tegelijk zag ik in diverse landen om ons heen het niveau van re-enactment (dus niet zozeer publieksfeesten maar opvoeringen van gebeurtenissen) spectaculair stijgen. In Duitsland, Frankrijk, Tsjechië, Polen, Spanje en Italië zijn groepen bezig die geheel historisch verantwoord stukken verleden uitbeelden. De Slag bij Grolle hoort hier natuurlijk ook bij. Maar dat betekent niet dat er geen publieksfeesten meer zijn. Na de corona-jaren 2020-2021 kwam het fenomeen in 2022 toch weer schoorvoetend op gang. Zo kreeg ik onlangs via Facebook een uitnodiging voor het paasevenement Mittelalter Goch, net over de grens tussen Nijmegen en Venraij. Ze hebben daar een mooi terrein waar het klooster Gräfenthal, begraafplaats van de graven en hertogen van Gelre, stond en nog wat overgebleven gebouwen commercieel benut worden.

Brillen in Goch, 2023

De foto’s van het zonovergoten en druk bezochte evenement werden na pasen op internet gezet. Ik kreeg er zowaar een deja vu van. In 1992, toen de LHO net was opgericht, zijn we met een groep leden naar het ridderevenement van Satzvey geweest om eens te kijken naar hoe de Oosterburen zo’n middeleeuws feest aanpakten. Behalve het toernooi met Tsjechische ridders, viel dat ons nogal tegen. Er liepen allerlei lui rond in felgekleurd fluweel met bontrandjes die adel moesten voorstellen, maar die allemaal wapenschilden en banieren bij zich hadden die nogal dubieus van heraldisch gehalte was (ik ben nu eenmaal heraldicus). Wel hadden de dames allemaal keurige permanentjes onder hun  punthoeden en droeg iedereen gewoon zijn bril. Het zag er niet uit. Toen we aan het eind van de middag meeliepen met de optocht, staken we in onze middeleeuwse burgerkleding nogal af tegen al die bling. We zagen er nogal armoedig uit, vonden ze daar. Op het antwoord dat de meeste mensen er in de 14e eeuw zo ongeveer uitzagen en niet van top tot teen in fluweel kwam weinig reactie. Het sterkte ons alleen maar in de keuze die we hadden gemaakt om de gewone mens in de middeleeuwen uit te beelden.

Onduidelijke groep (uit België?) in Goch, 2023.

En wat zag je bij het klooster Gräfenthal? Felle kleuren, (nep)bontranden, dubieuze heraldiek en iedereen met brillen op. Verder vreemd uitgedoste militair-achtige groepen, morsige bedelaars, versterkte muzikanten met post-middeleeuwse instrumenten, ‘valkeniers’ met een Amerikaanse (!) zeearend, etc. etc. En niet te vergeten: strobalen met ijzerdraad om op te zitten (zie de foto bovenaan dit blog). En ambachtslieden die onduidelijke dingen verkochten. Ik dacht: we zijn weer terug bij af, in 1997.

Valkenier met de Amerikaanse zeearend of Bald Eagle, Goch 2023.

Even later kwam er bericht van het al sinds 1999 bestaande evenement de Quaeye Werelt binnen. Zij durfden het aan een jaartal daaraan te verbinden: 1477. Dat maakte het dus een re-enactment van een gebeurtenis uit dat jaar. Het rare is dat men een nooit gebeurde slag  tussen een Bourgondisch leger en de Antwerpse militie ‘naspeelt’. De aandacht trekkende naam is afgeleid van een lokale Antwerpse opstand tegen het aantreden van Maria, de dochter van de in januari van dat jaar gesneuvelde Karel de Stoute, hertog van Bourgondië. Zoals er wel meer waren in de Nederlanden in die tijd. Dus mag je het wel een re-enactment noemen, of is het gewoon een toeristentrekker waarmee je mensen laat denken dat ze ‘de middeleeuwen herbeleven’? Zelf noemen ze het ‘hét grootste middeleeuwse event van de Benelux’. Purist als ik ben zou ik het niet in mijn hoofd halen om zoiets te organiseren. Maar wie ben ik?

Slag (1477) tijdens de Quaeye Werelt. Let op de mix van 14e, 15e en 16e eeuwse helmen en wapenrustingen.

In de ‘slag’ vechten nog genoeg mensen in (laat) 15e eeuws harnas en andere wapenrusting. Maar ik heb ook 14e en 16e eeuwers gezien, en zelfs een paar lui met Normandische helmen met nasal (neusbeschermer). De heraldiek is ook hier nogal dubieus, zowel van vorm als van kleur, en er lopen nogal wat mensen in heraldische wapenrokken die in die tijd echt niet meer gedragen werden. Rondom die slag kan je ook terecht op een markt en in een tentenkamp, waar je ‘gewone middeleeuwers’ tegen kunt komen. Gezien de foto’s die ervan zijn gooit men er wat uitmonstering van al die mensen maar met de pet naar. Zie hun website.

Tegelijkertijd vindt er in Bretagne een klein maar fijn evenement plaats in het steeds groeiende dorpje Pont-Croix. Men gaat proberen de slag van de dertig (combat des trentes), een episode gedurende de Honderdjarige Oorlog in 1351, na te spelen. En dat doen ze heel goed, kijk maar . Mijn hart spring op! Dus het kan wel, maar zodra een evenement winst moet maken en groot wordt, worden authenticiteits-eisen losgelaten en krijg je een mengelmoes aan perioden en stijlen en wordt de commercie belangrijker dan de geschiedenis. Het is natuurlijk ook de tijd van nu. Mensen hebben geen enkel besef meer van geschiedenis, laat staan van de middeleeuwen, dus slikken ze alles wat ze voorgezet krijgen. Ze zijn gewend aan wat Hollywood ons al 100 jaar door de strot duwt en kennis van zaken om goed van fout te onderscheiden bestaat zo goed als niet meer.

Het kwam allemaal hard bij me binnen, om maar eens een moderne uitdrukking te gebruiken. Wat hebben mijn pogingen om mensen op te voeden in het opzetten van authentieke middeleeuwen-ervaringen uitgehaald? Ik heb er in 2019 nog een lintje voor gekregen, maar mijn 30 jaar van inspanningen in die sector heeft bitter weinig zoden aan de dijk gezet. Dat is pijnlijk. Ik zal me er echter bij neer moeten leggen, want ik ben inmiddels te oud om nog actief werk van mijn kritiek te kunnen of willen maken. Het zij zo…

Die goeie ouwe tijd

Ik ben al weer een aantal jaren lid van een paar Facebook-groepen die cateren voor liefhebbers van nostalgie. De ene laat oude foto’s zien van mijn geboortedorp en de andere van de stad waar ik nu woon. Uit Sliedrecht verzamel ik beelden van het dorp zo tussen 1900 en 1930 omdat ik wil zien wat er allemaal aan goede architectuur is verdwenen of verpest. Op de andere hoop ik nog voor mij onbekende foto’s van mijn Dordtse wijk Nieuw Krispijn Oost te vinden omdat ik daar met bouwhistorisch onderzoek bezig ben. Het is best een leuke bezigheid en als je onbekende maar passende foto’s vindt is het ook bijzonder bevredigend. Omdat ik jarenlang op het Dordtse gemeentearchief heb gewerkt en de beeldbank van dat archief goed ken, zie ik daar minder verrassingen dan verwacht. Mijn moeder verzamelde vroeger prentbriefkaarten van ons dorp en de meeste foto’s zijn van dat soort en als die op de groep komen heb ik ze al eens gezien. Het is wel nuttig om ze nu eens op wijk- en straatnaam digitaal opgeslagen te hebben. En ik ben ook flink geschrokken van wat er vooral na de laatste oorlog (1940-45) is afgebroken of van nieuwe gevels is voorzien.

Dit blog gaat echter niet over architectuur, maar over hoe mensen op die foto’s reageren. En die reacties zijn in beide gemeenten ongeveer hetzelfde. Ik heb trouwens de indruk dat de reageerders vooral bestaan uit senioren, de grijze golvers, de baby-boomers, die hun lange herinneringen bij het zien van al dat jeugdsentiment op vergelijkbare wijze verwoorden. Zelfs als het plaatjes zijn uit perioden die zijzelf niet meegemaakt hebben. Buiten dat er complimenten zijn voor de foto’s: hoe mooi, duidelijk, scherp, apart, verrassend ze waren, werd er veel melancholiek commentaar gegeven. Meestal over wat er verdwenen was, zowel fysiek als in sfeer. Maar ook over de huizen waar men had gewoond of kwam, waar men werkte (winkels, kantoren, vooral Dordrecht) en over de buurt waar men opgroeide (vooral Sliedrecht). Ik geef een keuze:

Sliedrecht

-Zo zonde dat dit soort prachtige panden zijn verdwenen

-Hoe mooi was het toen en zo rustig

-Doodzonde

-Zo jammer dat dit er niet meer is! Nooit in het echt gezien maar ik vind het gewoon iets hebben

-Geef mij het oude maar

Dordrecht

-Hele fijne tijd gehad

-Jaaaaa, daar heb ik op kantoor gewerkt

-Al het mooie verdwijnt

-Alles wordt afgepakt (op verbod op houden van damherten)

-Kom daar nu maar eens om!

-Wat liepen er toch veel mensen in die tijd was altijd gezellig druk (over een plaat uit ca 1927, een jaar waarin de commentator er nog niet was)

De boomers zitten tot aan hun krop vol met jeugdsentiment. Ze hebben meestal de oorlog niet meegemaakt (of een staartje ervan) en kijken terug op de gemoedelijke jaren ’50, de woelige jaren ’60, de losgeslagen jaren ’70. Toen trouwden ze en kregen kinderen en kwamen ze in aanvaring met economische crises en allerlei  andere restricties tot de welvarende jaren ’90 begonnen en de bomen hoog de hemel in groeiden. En daarna BAMMM: de jaren ‘0. De ontploffende sociale media op internet, globalisering, fake nieuws en vluchtelingen, de derde wereld op je ontbijtbordje, klimaatverslechtering, stikstofproblemen, regeringsblunders en corruptie en als klap op de voorpijl: oorlog aan de grenzen van Europa. Geen wonder dat je je wilt terugtrekken in ‘vroeger’. Even niks geen nieuws en wat dromen over je school, je vriendjes, je kattenkwaad, je eerste sigaret, auto of liefde. De mode van toen, de brommers, de feesten en concerten, noem maar op. Terug naar het touwtje uit de voordeur van de bovenwoning en je fiets die niet op slot hoefde.

Nostalgie

Maar het is wel nostalgie, hè? Oftewel: nadruk op de leuke dingen van vroeger en het vergeten van de niet zo leuke gebeurtenissen of omstandigheden. Dat is een raar trekje van de mens, het jeugdsentiment over je verleden. Als historicus ben ik me maar al te goed bewust van het gevaar van het te rooskleurige denken over het verleden. Ten eerste natuurlijk over je eigen verleden, maar ook over dat van je familie, je buurt of wijk, je dorp of stad. En zelfs over je provincie of land. Want ondanks alles hebben we het nog nooit zo goed gehad als nu. Ik zou om dat te bewijzen dit hele blog kunnen vullen met vergelijkingen tussen nu en toen. Dat doe ik niet, want als u eerlijk tegen uzelf bent kunt u dat zelf ook wel. Maar het is gewoon zo verleidelijk. Die drukke winkelstraten met hun prachtige puien en kalm winkelende dames die nauwelijks last hebben van auto’s en de met geboomte omringde grachten en havens in de steden. Of de gezellige buurten met hun enorme olmen en huizen met rieten daken afgewisseld met de panden van de dorpselite in sfeervolle baksteen met anders gekleurde ‘kast- en spekranden’ en de kindertjes met brede hoeden en platte petten op en hun klompen en knooplaarsjes aan de voeten. Maar dan worden wel de ploeteraars in hun tochtige en vochtige huisjes in de Sliedrechtse stoepen vergeten of het stadsproletariaat in de achterstraten in hun onverklaarbaar bewoonde optrekjes. ’s Winters geen werk en niet worden doorbetaald, ’s zomers lange dagen tegen te weinig loon, de drank, de armoe en de besmettelijke ziekten vanwege de afwezigheid van riolering en schoon drinkwater. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

Volgens Wikipedia en de diverse etymologische woordenboeken die ik erover heb geraadpleegd is het woord nostalgie via het Frans uit het Klassiek Grieks gevormd en betekent het zoiets als pijnlijke heimwee. Het werd  voor het eerst gebruikt in de 17e eeuw door Zwitserse artsen, die zulke gevoelens opmerkten bij de overal in Europa dienende Zwitserse huursoldaten. Die werden soms echt ziek van verlangen naar hun oorspronkelijke idyllische bergdorpen. Het was dus aanvankelijk een medische diagnosestelling. ‘Heimweh’, pijn door verlangen naar huis en heem dus, was de Duitse versie daarvan. En zo heette het hier dus op den duur ook. En in andere landen: Deens = hjemve, Frans = mal du pays, Engels = homesickness.

Maar er vond een betekenisverschuiving plaats. Het begrip werd bij schrijvers van de Romantiek (eind 18e-begin 19e eeuw) al snel populair. Het begon als een religieus thema: “heimwee naar de hemel, het heil”. Niet lang daarna kreeg men bij het zich afzetten tegen de rationele periode van de Verlichting “heimwee naar de ongerepte (of juist door de mens bedwongen) natuur, naar (de eigen) omgeving, naar huis”, waarna het uiteindelijk de betekenis kreeg van “verlangen naar een vroegere of betere toestand”. In het Nederlands is echter die betekenis “verlangen, heimwee naar vroeger” vooral blijven hangen, en niet het “verlangen naar huis. “Nostalgie en heimwee zijn bij ons dus niet helemaal synoniem”. Dan weet u dat… Als u dus ‘terugverlangt’ naar uw jeugd en wat u toen deed, naar autoloze straten en mannen met snorren en strohoeden en vrouwen in queue de Paris, dan bent u nostalgisch bezig. U kunt zich even verliezen in de goeie ouwe tijd, maar u moet er toch weer uit en terug naar nu. En tegelijk bent u heel wat minder positieve zaken uit het verleden, zowel dat van u als dat van waar u woont of woonde, vergeten. Wat u echter vooral niet mag vergeten is dat nostalgie geen geschiedenis is. Het is een beperkte, niet kloppende blik op het verleden die zelfs bij het minste onderzoek door de mand valt. Wordt wakker! Vroeger komt niet terug! Wat is gedaan is gedaan! Het Dordtse postkantoor zal nooit meer gereconstrueerd worden. De Sliedrechtse Kerkbuurt zal nooit meer pronken met zijn rietgedekte winkels en gebeeldhouwde houten puien. Wen er maar aan. Want zo is het altijd gegaan  sinds Dordrecht en Sliedrecht rond 1000-1100 langs hun dijken werden gesticht. Houten huizen werden stenen huizen, kruiskozijnen werden schuifvensters, 15 cm hoog glasruitjes in loodstrips werden etalageruiten, hout werd plastic. Het is geschiedenis. We leven met 17 miljoen op een stukje aarde dat in het midden van de 19e eeuw 3 miljoen Nederlanders droeg. En in de middeleeuwen in de vergelijkbare oppervlakte niet meer dan enkele honderdduizenden. Hoe kun je daar naar terug? Hoe kan je auto’s, treinen, vliegtuigen, riolering, kraanwater, electra weg willen om weer net zo lekker rustig te kunnen winkelen? Gesteld dat je er het geld voor had. Het gaat niet mensen. Hou er alsjeblieft mee op.

Sporen van Sura II

Tot zover de Dikke Van der Linden, het Meertensinstituut en de Dordtse literatuur. Maar dan wordt het water in de Suraput troebel. In Wikipedia staan ineens een paar andere data voor Sura. Waarschijnlijk zijn die overgenomen van de Heiligen website van pater Dries van den Akker s.j. (nb. een medewerker van Stijn van der Linden) die haar geboorte situeert omstreeks 1270 en haar (tweede) dood in 1320. Ze zou van rijke Dordtse afkomst zijn geweest, deed aan Maria-verering en gaf haar bezit weg aan de armen. Ze zou van de moeder gods persoonlijk opdracht hebben gekregen die kerk te laten bouwen. Een engel zou haar een kerkmodel en de nodige bouwtekeningen hebben bezorgd.

Ook kwam er wat meer over de bouwvakkers naar voren: zo zouden ze een vildersmes hebben gebruikt om haar de keel af te snijden (ze wordt afgebeeld met een wond in haar nek). Elders wordt dit mes een vismes genoemd. Waarom die werklui een vildersmes bij zich hadden is onduidelijk. Hadden ze bijbaantjes als vilder of visser? Ik kan me trouwens nauwelijks voorstellen dat men in de middeleeuwen dergelijke nu speciale messen – met een krom en puntig lemmet – gebruikte voor die karweitjes van het ontdoen van huid, vacht of schubben. Een goed scherp mes met een niet te lang lemmet is daar prima voor te gebruiken. Dergelijke messen zijn ook bij tientallen, zo niet honderdtallen, door archeologen opgegraven.

Twee messen met handvaten van gewei en been, gevonden i Dordrecht.

De drie ter dood veroordeelde mannen zijn na te zijn vrijgepleit ook nog naar Rome gereisd, hebben absolutie gekregen van de paus en toestemming om aflaten te verkopen waardoor men geld kon verzamelen om de kerk af te bouwen. Met die drie penningen, kopkens of kopjes genoemd, per dag was dat zeker een te langdurige opgave geworden. Kopjes werden de penningen ten tijde van graaf Floris V (1254-1296) genoemd omdat hij, in navolging van wat buitenlandse vorsten, zijn hoofd erop af liet beelden. In de twaalfde eeuw waren die er nog niet, dus wat was er eerst: de naam kopkens voor de muntjes of de data 1270-1320? Er wordt ook nog wel beweerd dat het gouden penningen waren, maar die hebben nooit bestaan; alle penningen die er ooit geweest zijn waren gewoon van zilver, al of niet gemengd met andere metalen die ze alleen maar onzuiverder maakten.

Kopken van Floris V

We hebben nu dus ook twee bouwprocessen: één in de twaalfde en één in de late dertiende eeuw. Er is inderdaad in het laatste kwart van de twaalfde eeuw een romaanse kerk gebouwd waar nu de Grote Kerk staat. Bij opgravingen in de kerk in 1986 zijn daar resten van teruggevonden (zie ook mijn boek De oudste stad van Holland (2020) 117-119). Het was echter geen simpel schuurkerkje, maar een tufstenen bakbeest van 50 meter lang en met een dwarsschip van 40 meter. En een fikse toren aan de westkant. Zo’n kerk bouwen ging niet snel want alles moest met man- en paardenkracht gebeuren, maar dat drie mannen dat in hun uppie konden klaren is natuurlijk onzin. Aan zo’n kerk bouwden wel een paar honderd man jarenlang. En zeker niet voor een penning per dag. Een knechtje kon je voor een klusje wel met een penning afschepen, maar om een kerk te bouwen had je meestertimmerlui en –metselaars nodig. En beeldhouwers, glazenmakers en smeden. En die verdienden ook in de twaalfde eeuw al flink wat meer penningen per dag. Voor de late dertiende eeuw (toen volgens anderen Sura leefde) verdiende een gewone timmerman al 18 penningen per dag en een meestertimmerman 40 tot 50 penningen idem.

Reconstructie van de 12e eeuwse fase van de Grote Kerk afgezet in de plattegrond van de huidige kerk.
De rode stukken zijn opgegraven.

Er werd in de late dertiende eeuw inderdaad, tegen de toen al ruim een eeuw oude tufstenen kerk aan, de Mariakapel gebouwd. De Dordtse stadsrekeningen laten daar de kosten van zien. Daar komen bovenstaande bedragen van timmermansloon uit. Bovendien waren lonen niet het enige dat betaald moest worden. Ook steen, dakleien, hout, ijzer en glas moesten gekocht worden, evenals mortel en nagels. Dat was geen penningenwerk. Het is dus nogal vergezocht dat we moeten denken dat een kerk in romaanse stijl, of een latere gotische versie, met drie man tegen drie penningen per dag kon worden gebouwd. Geen enkele middeleeuwer zou ooit in zo’n sprookje getrapt zijn.

De oudste berichten over Sint Sura dateren uit de late vijftiende eeuw. Misschien dat ze toen geloofden dat je drie eeuwen eerder met drie man voor een penning per dag nog een kerk(je) kon bouwen. Juist in die tijd werd de echte, veertiende-eeuwse Grote Kerk, zwaar beschadigd na de brand van 1457, weer voor veel geld en met veel mensen herbouwd en uitgebreid. Ze konden toen in levende lijve zien dat de goedkope versie in hun tijd een onmogelijkheid was. Maar elke mediëvist kan u vertellen dat zoiets daarvoor ook nooit mogelijk is geweest.

Een kerk is dus niet te bouwen door drie bouwvakkers tegen een penning per dag, en dat moet al heel vroeg duidelijk geweest zijn. Waarom dan in 2022 zo’n onwaarschijnlijk heiligenverhaal herdenken, dat vooral in de protestantse tijd door de stedelijke geschiedschrijvers is verspreid? En waarom nu, in de tijd van ontkerkelijking, een ‘paapse superstitie’ onderdeel maken van een historisch evenement dat via kunst, architectuur en muziek de vroege geschiedenis van Dordrecht moet vieren? Ik realiseer me dat in Dordtse katholieke kringen de naam nog steeds de ronde doet. Er is een school naar  haar genoemd, een toneelvereniging en er is hier zelfs een pleintje met haar naam. Al zou ik als heilige die parkeerplaats aan de Houttuinen niet erg passend bij mijn status gevonden hebben. En nu ook nog een cantate.

Het Sint Suraplein aan de Houttuinen

Het beeld op het voormalige kerkhof aan het Grotekerksplein, dat door veel Dordtenaren voor Sint Sura wordt gehouden, is door de beeldhouwer nooit zo bedoeld. Charles Vergouwen (1946-2019)  noemde het de Omwikkeling en het zou een non moeten voorstellen.

Charles Vergouwen (Roosendaal 1946 – Tilburg 2019). OMWIKKELING, brons, voetstuk van Impala graniet, afmeting 195 x 60 x 40 cm. Tijdens een tentoonstelling van zijn werken in het Dordrechts Museum in 1985 is het beeld aangekocht door de gemeente Dordrecht en kreeg het een plaats op het grasveld bij de Grote Kerk.

Sporen genoeg zou je zeggen, maar waar zijn ze op gebaseerd? Niet op een stuk geschiedenis. Je vindt in de binnenstad trouwens ook geen sporen meer uit haar tijd. Zelfs niet uit beide tijden. De Grote Kerk staat natuurlijk nog wel op de plaats van de oudste kerk. De in 1284 gebouwde Mariakapel is er ook nog wel, maar dat is in zijn uiterlijk een latere versie van dat dertiende-eeuwse aanbouwsel. Behalve de loop van de Thuredrecht en de daardoor gevormde beide hoofdstraten van de stad herinnert ook niets meer aan de oorsprong en oudste vorm van de stadsplattegrond. Geen spoor meer van te vinden dus, behalve wat late beelden en houtsnijwerk in kerken hier en in Den Bosch.

Ten tijde van de bouw van de achtereenvolgende fases van de Grote Kerk had waarschijnlijk nooit iemand van de zogenaamde stichteres gehoord. En anders niet geloofd dat het zo gegaan was, want het was gewoon een te ongeloofwaardig verhaal. Maar waarom zou je dan nu een hoop gedoe overhoop halen om een onbestaanbare, vrome martelares met een onmogelijk wonderverhaal tot boegbeeld van een cultureel evenement te maken? Ik snap dat niet. Maar misschien ben ik wel te weinig katholiek en te veel historicus.

Henk ’t Jong, juni 2022



Sporen van Sura I

Een al in 2020 gepland evenement ging vanwege de bekende oorzaak niet door: Sporen van Sura. Het evenement, onderdeel van Dordrecht 800, had één doel: “de vroegste periode van Dordrecht tot leven brengen door een combinatie van geschiedenis, kunst, architectuur en muziek”.

Zo werd het mini-symposium aangekondigd op de Dordt800 website.

Ik weet niet of mijn lezers op de hoogte zijn van het ‘verhaal’ van Sint Sura, maar Oud Dordrecht kwam een paar dagen geleden met een korte samenvatting: “Ze bouwde met Gods hulp de kerk, werd vermoord en stond op uit de dood om haar daders te vergeven. Het verhaal van de heilige Sura geeft een inkijkje in de belevingswereld van de vroege Dordtenaren.” Die kerk was onze Grote of Onze Lieve Vrouwekerk. De daders waren drie werklui die er aan bouwden en elke dag als loon een penning kregen uit haar nimmer leeg rakende beursje. Ze brachten haar om in de hoop de schat uit haar portemonnee te innen maar daar bleken alleen maar die drie muntjes in te zitten. Ze werden opgepakt, maar, oh wonder, Sura stond op uit de dood, vergaf de moordenaars, pleitte ze vrij en nam hen mee op een bedevaart naar Rome.

De nieuwe kerk had blijkbaar een wonder nodig om in trek te raken bij pelgrims. Van wie uiteraard gehoopt werd dat ze dan geld in het offerblok achter zouden laten. Een aanvullend  wonder was het  op de plaats waar ze stierf ontstaan van een bron; ergens op het kerkhof van die kakelverse kerk. Niet echt vol fris water, lijkt me. Maar de vereerders van de heilige kwamen er toch op af en vonden blijkbaar genezing voor, bijvoorbeeld, koorts. In een artikel over de heilige van collega Herman van Duinen  in navolging van het lemma over de heilige in Bedevaarten en bedevaartsplaatsen in Nederland van het Meertensinstituut staat trouwens dat die bron of vijver in het Latijn piscaria werd genoemd. De schrijver van dat lemma, oud archivaris van Delft en kenner van het middeleeuwse katholicisme, Gerrit Verhoeven, merkte terecht op dat een piscaria geen vijver is, maar een visserij. Oftewel een stuk rivier waarin tegen betaling aan de eigenaar of pachter gevist mocht worden. Dat die visserij iets met de stichtster van de kerk te maken had lijkt me dubieus, maar het verhaal van de bron is braaf door alle historieschrijvers over Dordrecht overgenomen.

Er is wel een vermelding van het rond 1607 dichtgooien van een put op het kerkhof, waarbij inderdaad pelgrims neerknielden om Sura om voorspraak te bidden. Of dat een droge of een natte put was staat er nooit bij, maar in het laatste geval lijkt me dat midden op een kerkhof geen erg hygiënisch gebeuren te zijn geweest.

Verdwenen gevelsteen uit de Vleeshouwersstraat

Het was niet het eerste noch het enige wonderverhaal in de middeleeuwse wereld dat door kerkelijke autoriteiten als lokker voor pelgrims werd verzonnen. Die waren bewijsbaar goedgelovig, maar of iedereen echt in de verhalen geloofde die erbij werden verteld is de vraag. Nu is dat geloof eigenlijk helemaal niet meer aan de orde. Of wel? Herman houdt in zijn verhaal over zowel de heilige als haar verering in ieder geval veel slagen om de arm: “Vermeende stichteres van de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk van Dordrecht”, “Waarschijnlijk werd Suwaert (Sura) vereenzelvigd met Sint Sotheris”, “Uiteindelijk is Sura zalig gestorven, maar wanneer dit is geschied, is niet bekend” (zalig is nog niet heilig; nergens is te lezen wanneer ze dan heilig is verklaard),“volgens de legende”, “volgens overlevering”, etc… 

Het boek, De Heiligen van Stijn van der Linden: bijna 7 cm dik.

Intussen zitten diezelfde kerkelijke autoriteiten wel een beetje met Sura in hun maag. In het vuistdikke boek De Heiligen van Stijn van der Linden (2002) 1176 pagina’s (zie foto) heeft ze wel een lemma; op p. 829. Ze wordt er Sura of Zuwarda genoemd en zelfs Sura Zuwarda, een dubbele voornaam dus. Ook komt ze, volgens de redacteur voor als Soetje, Soutje en Suurtje. Op bitter na was ze dus in alle smaken verkrijgbaar. Ze zou ergens in de twaalfde eeuw geleefd hebben.

Nadat de martelares dus weer in levende lijve aan de bouwvakkers was verschenen, bepleitte ze clementie voor hen. Bij wie staat er niet bij. Wel nog dat de opgestane heilige een beeltenis van Maria, die in een boom hing, ging vereren. Een beetje ongelukkig gesteld want niet duidelijk is of er een beeltenis (een plaatje, schilderij, beeldje?) van Maria in een boom hing of dat ze een plaatje vereerde waarop OLV in een boom hangend werd afgebeeld. De wandschildering hieronder toont een heiligenbeeldje.

St. Sura Zuwarda van Dordrecht, schildering van Jan Dunselman in de St. Nicolaaskerk in Zoetermeer

“Mogelijk leidde deze devotie tot de verering van OLV van Dordrecht”, eindigt het lemma. De samensteller noemt dan ook een ‘kapel van de dorre boom’ en een ‘plaagkapel’, waar dat zou hebben plaatsgevonden. Hij duidt hier waarschijnlijk  enkele kapellen van die naam in en in de omgeving van Dordrecht. Curieus is dat hij niet de door haar na aandringen van Maria gebouwde Grote Kerk zelf noemt, die toch zelf aan de heilige maagd was gewijd.

Detail van een onbekende wandschildering dat St Sotera moet voorstellen

Sura’s feestdag was 10 februari. Die dag deelde ze met de heilige Soteris van Rome. Die “wordt soms als identiek met haar beschouwd”, maar waarom is niet duidelijk, want haar geschiedenis wijkt nogal af van die van onze Suur. Soteris (in hetzelfde boek op p. 820) was een oudtante van Sint Ambrosius van Milaan (339-397) en stierf in 304 als maagd en martelares. In of bij Rome, dus niet in Dordrecht. Daar, in de San Callisto catacomben aan de Via Appia, zou ze ook begraven zijn bij een groep andere heiligen, pausen en bisschoppen. Gek genoeg vond ik alleen op Spaanse heiligensites wat plaatjes. Ze schijnt daar, in Barcelona en omstreken, nog wel vereerd te worden als Santa Sotera. Daar is haar dag trouwens 11 februari.

Overigens komen beide heiligen in de Dikke Van der Linden in de Heiligenkalender niet onder 10 of 11 februari voor. Betekent dat dat ze door de RK kerk niet meer echt als heilige beschouwd wordt? Zoals Sint Nicolaas?  Maar diens heiligendag staat er nog wel degelijk in.

Wordt vervolgd

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 5

… en zo zou ik nog blogs lang door kunnen gaan, maar dat was m’n bedoeling niet. Ik heb ook niet de tijd om van alle aangetaste huizen een ‘zo-was-ie-oorspronkelijk’ tekening te maken. De drie voorbeelden waren bedoeld als ogenopener voor wat er hier in de bocht van de spoorlijn met een mooi samenhangend wijkje door de loop van een eeuw is gebeurd met het woningarsenaal. Hoe door gebrek aan geld bij eigenaars, onwil en hebzucht bij verhuurders en afwezig gevoel voor de architectuur bij de bewoners honderden juweeltjes van burgerlijke bouwkunst in de wijk zijn aangetast. Ik wil ook niet met de vinger wijzen naar vroegere bewoners en ze beschuldigen van slechte smaak. Je zal maar geen geld hebben om een restauratiearchitect of een reconstructietimmerman te kunnen betalen die je huis weer in originele staat zou kunnen terugbrengen. Als je dat al zou willen. Dan ben je blij met de Praxis of de Gamma die je tegen betaalbare prijzen een deur kan leveren als de oude van ellende uit elkaar valt.

De Homepage van de Monumentenzorg website.
Het is leerzaam om daarop te zien hoeveel en wat voor monumenten we in Dordrecht hebben.

Ik ga ook niet naar de gemeente wijzen. Ik ken de dames die bij Monumentenzorg werken en ik weet dat ze bekend zijn met de ‘aanpassingen’ die door bewoners en eigenaars aan de huizen gedaan zijn.

Zij zouden ook wel anders willen, maar er “staan wetten in de weg en praktische bezwaren”. Het aantal monumenten dat per jaar zo’n status krijgt is beperkt, staat meestal in de binnenstad of 19e eeuwse schil en de vraag is of je moet willen dat je huis een monument wordt. Ik zie meer in een min of meer beschermd stadsgezicht en de mogelijkheid subsidie te krijgen voor beperkte aanpassingen aan gevels en andere karakteristieke elementen in de buurt, zodat het beeld van toen weer wat terugkomt. Ik wil pertinent niet dat er achter de gevel wordt ingegrepen, want de moderne mens wil andere dingen van zijn woonomgeving dan zijn voorouder die tussen de wereldoorlogen leefde. Ik wil ook niemand zijn dakkapel afnemen, maar het lijkt me dat het niet echt kostbaar hoeft te zijn om die wat aan de architectuur eromheen aan te passen. En er zijn tegenwoordig weer zoveel bedrijfjes met glas-in-lood bezig dat het me niet moeilijk lijkt om aan de hand van nog bestaande originele voorbeelden (en die zijn er) reconstructies te laten maken.

Voorbeeld van een origineel glas-in-lood bovenlicht.

Daar is nogal wat initiatief voor nodig. Je moet natuurlijk inventariseren wat er in zo’n wijk staat. Wat er aan het originele concept veranderd  is en of je terug wilt, of moet, naar de oorspronkelijke situatie. Zoja, hoever ga je dan? Er is al eens iemand aan zo’n inventarisatie van bestaande monumenten in Nieuw Krispijn begonnen, maar er was eigenlijk te weinig bekend over de bouw van de wijk en te weinig tijd en geld om de lijst compleet te maken. Nu de bouwtekeningen op de website van het Regionaal Archief staan is dat wat makkelijker te doen: fotootje van de gevel nu, vergelijken met de bouwtekening, beslissen wat je zou willen aanpassen, plan maken, kosten berekenen, overleg en toestemming Monumentenzorg, opdracht naar vakman… Zo’n traject, denk ik dan.

Blauwdruk van een volledige rij woningen (10-36) aan de Frederikstraat.
Zie ook de foto in blog 1 in deze serie.

Ik  hoorde van Monumentenzorg dat ze al zeer lang niet meer persoonlijk kijken of er ergens iets verkeerd gaat. Letterlijk: “De Welstands- en Monumentencommissie loopt inderdaad niet door de stad om te kijken wat er niet goed gaat. Dat is de taak van de gemeente (i.c. de Omgevingsdienst) en ook die hebben geen mensen meer die zomaar door de wijken fietsen. Dit gebeurt alleen als er een bouwaanvraag in uitvoering is of als er een officiële klacht is via bouwklachten.” Het leuke was dat ik afgelopen zomer vanuit mijn werkkamer Conny, een van de medewerkers van Monumentenzorg, een keer oplettend om zich heen kijkend voorbij zag fietsen over de Dubbeldamseweg. Overigens is deze weg de enige in Dordrecht met een eigen website. Hij is oorspronkelijk gebouwd door mijn buurvrouw, die senior archeoloog is bij de gemeente en die gebruik heeft gemaakt van het onderzoek dat ik destijds naar de Dubbeldamseweg heb gedaan. Hij wordt sinds 2017 niet meer bijgehouden, maar belangstellenden kunnen er nog een hoop leren over de weg en zijn omgeving.

Het hek van het Dordrechts Museum waar een hap uitgenomen zou worden voor een kunstproject.

We hadden hier een paar maanden geleden weer eens een rel waarbij het erop leek dat een deel van het hek voor het beroemde Dordrechts Museum in het kader van een kunstproject verwijderd zou worden  en dat dan een replica ertussen zou worden  stuk ‘gevaren’ door  een binnenvaartscheepje. Net als het museum is dat hek een rijksmonument en ging dat plan niet door. Het hek is in 1906 gebouwd, precies in de tijd dat Nieuw Krispijn vorm begon te krijgen. Het hek is dus een monument. Het is een mooi hek, met vakkundig gemetselde baksteen- en natuursteenmuren en pilaren en een zwaar gesmeed hekwerk. Nieuw Krispijn is net zo vakkundig gemetseld (kruisverband) en vormgegeven, met allerlei verfijnd timmerwerk, smeedwerk  en glas-in-lood dat net zo beschermd zou moeten worden als het museumhek. Laten we daar eens over nadenken. Dat zou ik graag zien.

Ik wil  dit blog verspreiden naar  allerlei Dordtse instanties en Dordtenaren om te kijken of er  ‘draagvlak’ is (ik lijk wel een ambtenaar…) voor een betere bescherming van een  stuk Dordts erfgoed, waar men  tot nu toe nauwelijks naar heeft omgekeken.

Ik ben benieuwd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 4

Omdat in 1872 de eerste trein van Rotterdam naar Dordrecht begon te rijden was het logisch om vlakbij het station ‘uitspanningen’ te beginnen. Ten zuiden van de spoorlijn moet dat zijn gebeurd in het eerste huis aan de Dubbeldamseweg; een soort boerderij waar in 1873 C. de Korver, melkboer  en stalhouder woonde. Het pand werd hernoemd tot  uitspanning Nieuw Dordrecht en De Korver ging zich ook tapper  en logementhouder noemen. Treinreizigers konden zich in hier laven en eventueel overstappen op paard en wagen naar andere bestemmingen op het Eiland. Rond 1900 werd het uitgebaat door zijn zoon A.M. de Korver. Inmiddels was het genummerd als Dubbeldamseweg 48. Bovenaan dit blog ziet u de situatie van voor 1905.

Nr 48 in 1912.
Nr 48 in ca 1935.

Arnoldus Marinus liet, omstreeks de dood van zijn vader in 1905 een heel nieuw pand bouwen. Helaas zijn er geen blauwdrukken van het pand en de gevel, maar gelukkig zijn er enkele foto’s van de weg waarop het toen Hotel-Café-Restaurant genoemde pand in zijn vroegere glorie te zien is. De vroegste dateert van ca 1912 en de volgende van rond 1935. Vanaf de jaren ’20 stond het pand bekend als Café Versteeg (van vader J. en zoon H. Versteeg). In de jaren ’70 was het beroemd als Café Smits en was het het centrale punt waar schriftelijke rijexamens werden afgenomen in de serre (links) en van waaruit je afreed voor de praktijk. De foto met de triomfantelijke geslaagde jongeman dateert van 1974. Ik ben er zelf in begin 1973 afgereden.

Nog niet lang geleden is het pand is nu aan de buitenzijde helemaal wit gestuct met groene accenten. De gevelbekroning is deels verdwenen en de roedeverdeling van de vensters is gemoderniseerd. Van de vroege art-decostijl van de gevel is niet veel meer over. De serre aan de tuinzijde is nog steeds aanwezig, maar valt nu veel minder op omdat ze dichtgezet is. Duidelijk is op de foto uit 1912 te zien dat de bijbehorende tuin oorspronkelijk groter was dan tegenwoordig. Er is alleen nog een prachtige paardenkastanje van over. Nu ligt hier voor een groot deel een voetgangers-en wielrijderstunnel (Transvaaltunnel). Het is nog steeds een horecapand, maar  corona heeft het café de das omgedaan. Volgens de eigenaar hebben echte café’s geen bestaansmogelijkheden meer. Het wordt volgend jaar een sushibar- en grill.

De groen-witte versie van tot voor kort.

Intussen is het niet waarschijnlijk dat de oude baksteengevel, het vroegere houtwerk en de originele natuursteenelementen nog terugkomen. Zo te zien wordt het groen in de gevel vervangen  door donkergrijs. Jammer, want het is zo’n beeldbepalend gebouw op de hoek van twee wegen. Vanaf de Mauritsweg rijd je er recht op aan. En dan zag je, zoals op de tekening hieronder, een mooi harmonisch pand dat perfect in zijn omgeving paste. Maar als die ook onherkenbaar verandert….

Reconstructie van de originele situatie vlak na 1905

Wordt vervolgd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 3

Bij ons op de hoek, Mauritsweg-Dubbeldamseweg, staat al vele jaren een nogal verwaarloosd  pand: nr. 49. De ingang is links en die is flink scheefgezakt. Of dat door de funderingsproblematiek in de wijk komt weet ik niet, maar in 2001-2002 hebben we in ons rijtje nieuwe paalkoppen gekregen. Dat heeft het verzakken gestopt. Of het voor het hoekpand te laat was weet ik ook niet, maar het ziet er niet jofel uit.

Dubbeldamseweg zuid 49, februari 2021

De rechterkant is al tientallen jaren winkel. In de jaren 59-ca 73 zat er een boekwinkel in, later een videotheek, een visartikelenwinkel, een knutselmaterialenshop en nu komt er een activiteitencentrum in. Die verbouwing tot winkel heeft nogal rigoureus plaatsgevonden en is niet bepaald van hoge kwaliteit. Bovendien is er aan de achterkant nog een loods met een plat dak aangebouwd ten behoeve van de visartikelen. Beide ingrepen, de winkelpui en de aanbouw, zijn geen voorbeelden van respectvol omgaan  met een historisch pand.

Boekwinkel Vos en van der Leer, ca 1965 (met dank aan Arnaud Makkenze).

Het is namelijk in 1908 gebouwd als particuliere woning, echt een ruim herenhuis, maar het is sinds de vroege jaren 20 jarenlang een boven- en benedenwoning geweest. Tot mijn grote verrassing bleek er een mooie erker, met balkon erboven, aangezeten te hebben. Als je goed kijkt boven de louter functionele etalage zie je daar nog sporen van in de gevel. In de bouwvergunningen bleek een complete blauwdruk van het huis te zitten, met de oorspronkelijke indeling en de uitgewerkte gevel.

Blauwdruk detail, 1908.

Gek genoeg zijn er nauwelijks vooroorlogse foto’s van de hoek beschikbaar. Je bent afhankelijk van gezichten op de weg waar dan een hoekje van nr. 49 (toen nr. 39) op staat. Zie de grote foto bovenaan het blog. De blauwdruk en de huidige foto waren echter goed genoeg om een reconstructie van te maken. De gevel is om je vingers bij af te likken, maar of hij ooit nog eens zo zal worden…

Foto waarschijnlijk uit de jaren 30, het mannetje uiterst links loopt onder de erker van mijn werkkamer.
Reconstructie naar de foto’s en de blauwdruk. De kleuren van de verf zijn helaas niet bekend.

Wordt vervolgd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 2

MAW1-23

Als ik door de jaren heen van het station naar huis fietste kwam ik op de Mauritsweg altijd langs een blok tweehoog woningen. De bakstenen gevel was wat smoezelig geworden en ik werd altijd wat kriegelig als ik de ‘moderne’ aanpassingen van veel van de ramen en deuren zag. Ik stond er verder niet bij stil, maar ik had er geen positief gevoel bij. Het was pas in 2019 dat ik in de straten in mijn wijk (en ook in andere buurten in Dordrecht) in rijen in één keer gebouwde woningen begon te zoeken naar de huizen die nog hun originele kozijnen en verder houtwerk hadden. Gek genoeg was er dikwijls nog altijd wel één die min of meer onaangetast was. In het genoemde blok was het zelfs nog beter: de rechterhelft leek, hoewel wat verwaarloosd, tamelijk onaangetast.

Mauritsweg 1-23 op 12 januari 2021

In 2020, tijdens de lockdowns, ontdekte ik de bouwdossiers op de site van het Regionaal Archief van Dordrecht. Een echte vondst. Alle bewaard gebleven Dordtse bouwdossiers, inclusief aanvragen, bestekken en blauwdrukken van voor de Tweede Wereldoorlog waren gewoon beschikbaar. Ook die van Mauritsstraat (de oudere naam van de Mauritsweg) 1-23. De bouwaanvraag dateerde van december 1923 en uit een Aanvraag tot afgifte van eene verklaring van voltooiing van 24 november 1924 bleek het rijtje afgebouwd te zijn. De initiatiefnemer was ene A. Hooijkaas en de bouwmeester/uitvoerder zou G. van Hoek worden. Dat was dus baas Hoek, die schuin tegenover de te bouwen panden op nummer 2 zijn eveneens zelf gebouwde huis had. Het staat er nog steeds en herbergt nu een kamerverhuurbedrijf voor buitenlandse werknemers, voornamelijk Polen.

De bouwaanvraag van 21 december 1923

Het was het eerste rijtje huizen dat ik vroeg in 2021 fotografeerde toen ik begon mijn plan voor een totale documentatie van Nieuw Krispijn Oost te verwezenlijken. Eigenlijk viel me toen pas echt op wat er allemaal mankeerde aan die huizen en hoe leuk de detaillering van de muren en daklijsten eigenlijk was. Nu kon ik het geheel ook vergelijken met de blauwdruk van de gevel. Je kon daarop ook zien dat tijdens de bouw al aanpassingen aan die gevel waren gedaan.

De blauwdruk van de gevel

Ik besloot, toen ik die vergelijking maakte, die blauwdruk te gebruiken om een reconstructie te maken van de oorspronkelijk plannen (inclusief de deuren, die een eigen blauwdruk hadden). Het resultaat ziet u hieronder.

Mijn reconstructie in rode baksteen met donkerder details.

Zo begon het…

Wordt vervolgd.

Kijk eens naar Nieuw Krispijn 1

Dubbeldamseweg bij de Mauritsstraat ca 1925

Na vijf jaar wonen in de binnenstad Dordrecht verhuisde ik, pas getrouwd, in 1979 naar Oud Krispijn. Dat was de eerste wijk die in het begin van de 20ste eeuw over de spoorlijn op voormalig Dubbeldams grondgebied werd gebouwd. Het was een echte arbeiderswijk tussen de Brouwersdijk en een voormalige landweg, de Krispijnseweg. In 1988 verhuisde ons gezin, omdat we meer ruimte nodig hadden, naar de wijk Nieuw Krispijn aan de andere kant van de Krispijnseweg. Die had als ruggegraat de Dubbeldamseweg, de oeroude uitvalsweg naar het dorp van die naam. Daar stonden, naast arbeiderswoningen, ook middenstandershuizen. De meeste waren boven- en benedenwoningen, maar ze waren net wat hoger en ruimer dan de andere. Zoöok ons huis aan die Dubbeldamseweg. We braken trouwens het muurtje tussen de twee halletjes door en zo hadden we een dubbelhuis.

Detail van de stadskaart van 1923 waarop de beide delen van de wijk Krispijn goed te zien zijn.

Omdat ik toen in deeltijd op het Gemeentearchief werkte en onderzoek leerde doen, had ik al gauw uitgevonden dat ons huis in 1913, onder één kap met twee andere, door aannemer/timmerman Van Welzenes van ’t Stek was gebouwd. Ik leerde ook dat er een hoofdonderwijzersgezin boven woonde en onder zijn  dochter en schoonzoon. Later woonden er kleinkinderen op die beide verdiepingen en van zijn kleindochter hebben wij het huis gekocht. We waren en zijn er nog steeds heel blij mee.

Nieuw Krispijn is een leuke wijk, zeker het oudste, oostelijke deel. Het is er levendig, maar niet te… Er zijn behoorlijk veel winkels,  al zijn het er nu lang niet zoveel meer als toen we er in 1988 kwamen wonen. De architectuur, ook die van de arbeiderswoningen, is een mengsel van Fin de Siècle en Art Nouveau, maar dan op z’n Hollands. De huizen dateren vooral van de periode 1904-1914. Bovendien staan er nog rijtjes nieuwe zakelijkheid in baksteen uit de vroege jaren twintig tussen. Dikwijls, net als veel van de oudere huizen gebouwd door baas Hoek die in de hoek tussen de Alexanderstraat en de Frederikstraat zijn bedrijf had op een groot terrein met loodsen. Het is er ook behoorlijk groen; de meeste straten hebben wel bomen en we liggen tussen de Algemene Begraafplaats (1829) en het Weizigtpark (1948). En de spoorlijn. Pas na de oorlog werd het open stuk tussen de Frederikstraat en de Krispijnseweg volgebouwd met de typische jaren vijftig revolutiebouw, die nu langzamerhand gerenoveerd is, soms afgebroken is en opnieuw bebouwd wordt met modernere architectuur.

Ons wijkje, Nieuw Krispijn Oost, is op het eerste gezicht ook mooi, want we hebben hier best aparte huizenrijen staat. Op het eerste gezicht, schreef ik. Als je beter kijkt, zoals ik tijdens corona op mijn wandelingen heb ervaren, is er nogal wat mis gegaan, vooral sinds de jaren 80 en de grote doe-het-zelf-explosie. De arbeidershuizen waren nogal klein en donker, met alleen een begane grond en een  zolderverdieping onder een schuin dak. Daar werden dus dakkkapellen op gezet. Ramen werden groter gemaakt en kregen op den duur ook plastic kozijnen. Het glas-in-lood in de bovenramen verdween. Voordeuren, dikwijls mooi geprofileerd en voorzien van siersmeedwerk, werden vervangen door bij de bouwmarkt gehaalde ‘staldeuren’ en profieldeuren met nep glas-in-lood. De laatste tijd, met glas-in-lood-hobbyisten die aan de weg timmerden, werd, volkomen afwijkend in stijl, in de plastic bovenramen soms weer gekleurd glas geplaatst.

Nou had ik dat best wel regelmatig opgemerkt; ik heb mijn ogen niet in mijn zak zitten en ik fietste hier ook nogal eens rond. Maar ik kon niet merken dat er iemand ooit over viel of de opmerking maakte: mag dat allemaal wel? Er staan een paar gemeentelijke monumentjes in de wijk waar de Welstandscommissie en Monumentenzorg toezicht op houdt. Geen van beide instanties heeft echter ooit iets laten horen toen de eigenaars (en ook de huisjesmelkers die in de grotere panden kamers verhuurden) hun plannen voor aanpassingen uitvoerden. Ik weet inmiddels dat er echt niemand van die gemeentelijke diensten door de wijk rijdt om te zien of er wat mis gaat. Desgevraagd vertelden de dames van Monumentenzorg me dat ze best betere bescherming van ons wijkje zouden willen, maar dat er geen geld en geen animo voor is. De binnenstad en de 19e eeuwse schil zijn beide beschermd stadsgezicht en daar staan de meeste van onze bijna 2000 monumenten (we zijn de 8ste monumentenstad van het land) en daar komen de toeristen op af. Die zie je niet op de Dubbeldamseweg, al komt er in het hoogseizoen wel eens een backpacker langs die verbaasd van zijn/haar routekaart opkijkt. Dat zie ik namelijk vanuit mijn werkkamer in de erker op de eerste etage.

Gezicht in de Frederikstraat. Op het eerste gezicht schattig, maar oh zo aangetast…

De corona-periode was wat dat betreft een extra ogenopener. Ik had de tijd en de rust om op m’n gemak door de wijk te lopen en iets te doen wat ik me al jaren had voorgenomen: foto’s maken. En toen schrok ik toch wel. Tegelijk kwam ik er achter dat het Gemeentearchief (tegenwoordig heet het Regionaal Archief) bouwtekeningen en vergunningen op het internet heeft gezet van voor 1940. Ik kon aan de hand van de blauwdrukken en mijn foto’s zien wat er allemaal met de huizen is gebeurd. Al snel besloot ik dat ik er een paar voorbeelden uit wilden halen en de veranderingen te laten zien: blauwdruk, reconstructietekening en foto van nu.

Ik koos een rijtje door baas Hoek gebouwde middenstandswoningen uit 1923-24 aan de Mauritsweg, een huis op de hoek van de  Mauritsweg en de Dubbeldamseweg (1908) dat grondig gewijzigd werd en het horecapand aan de Dubbeldamseweg (1905,) waar je vanaf diezelfde Mauritsweg als het ware tegenaan loopt of rijdt. Er waren geen blauwdrukken van het laatste pand, dus ik moest daar van oude foto’s werken. De tekeningen schokten Monumentenzorg. U vindt  ze in de volgende blogs.

Wordt vervolgd.

Het ‘verhaal’ van Rivier-Boot-Stad

Gezien de reacties die op Facebook de ronde doen over het prestigieuze project met de hektjalk die op 9 oktober 2021 van de museumtuin in Dordrecht naar het Hof gesleept zal worden is het nodig dat ik even uitleg waarom ik de verantwoording ervoor niet acceptabel vind. De lezers worden namelijk gemanipuleerd door een slimme mix van interessant klinkend jargon en klassieke retoriek om een ‘solide’ basis te geven aan het doordrukken van een duur stuk stadspromotie. Niet iedereen gelooft dat er gemanipuleerd wordt, maar als je, zoals ik, al vijftig jaar te maken hebt met lieden die dergelijke trucs gebruiken om hun wil door te drijven bij het gewone publiek, dan leer je het op den duur wel herkennen. Ik heb om die herkenning te vergemakkelijken de bewuste passages onderstreept. Bovendien heb ik het modewoord verhaal vet gemaakt om te laten zien hoeveel dat gebruikt wordt om te suggereren dat men hier met iets belangrijks bezig is; het opstuwen van Dordrecht in de vaart der volken. Alsof dat nodig is…

Er werd me al voorgehouden dat mijn bezwaar tegen de historische onderbouwing in een eerder blog natuurlijk waardevol is, maar dat ik het meer als fictie moet zien (een verhaal dus, maar dat was me vanaf het begin al wel duidelijk). Het zou toch mooi zijn, schreef de bewuste reageerder, als toekomstige stadsrondleiders “straks het verhaal van het hek met de vorm van het schip in brons kan vertellen. Het Hof ga je hier niet mee verkopen, maar de stad Dordrecht wel!” Denkt iemand dat echt? Net zoals die toeristen denken dat wij hier in Dordt de eigen schilder Aelbert Cuyp zien als glimmend Flipje van Tiel op gympies, of Willem van Oranje als een groene reus met een rotkop? En dan zou ik nog wel even door kunnen gaan ook. Ik hoor ze denken: gekke Dordtenaren. Hoe dichter bij die stad hoe raarder het wordt. Afijn…

Natuurlijk zat er een idee achter het hele project: te weinig bezoek op het Hof. Wat doen we eraan? Want daar ging en gaat het in eerste en laatste instantie om (zie hieronder). Dordt-promotie is secundair, maar niet onbelangrijk, want de toerist moet in de watten worden gelegd.

Ik citeer, om bovenstaande aan te tonen, daarom uit de websitepagina met FAQ, maar ik zet het in iets andere volgorde en laat veel weg. Ik gebruik de zaken die het meest het stempel van manipulatie dragen.

Middel en doel

“Een van de beleidswensen van de Gemeente Dordrecht is om door middel van kunst de kwaliteit van de openbare ruimte te verbeteren en de belevingswaarde van de gebouwde omgeving te verhogen.

Het doel is om de bestaande verbindingen tussen het Dordrechts Museum, Cinema The Movies en Het Hof van Nederland een aantrekkelijk cultureel profiel te geven.”

Dus wat doe je als er te weinig bezoekers in je andere museum komen? Dan geef je een kunstenaar opdracht om met veel spektakel en daaruit voortkomende op gemanipuleerd toeval gebaseerde openbare kunst op letterlijk maar één (1) dag die route aan te geven door een niet erg schilderachtig ogend stukje Dordrecht. Waarna er langs die route tot in eeuwigheid bronzen wrakstukken blijven liggen of hangen.

En hoe maak je dat een aantrekkelijk project? Door een kunsthystericus, sorry, kunsthistoricus een in die branch veel toegepast stukje ronkende proza te laten schrijven waarmee de lezer via hun beroepsretoriek en jargon een vaag, sentimenteel en mystiek ‘verhaal’ in slaap gewiegd wordt. Goh, dat klinkt interessant; laten we daar een paar ton aan uitgeven. De overdonderde ambtenaren en gemeenteraadsleden tekenen wel. En ’t is een leuk afscheidscadeautje voor Piet.

Ik heb even de citaten achter elkaar gezet en het jargon onderstreept zodat de lezer kan zien waar de kunsthyst… sorry, kunsthistoricus is bezig geweest. Lees even mee:

“Het kunstwerk rivier, boot, stad kan enerzijds worden gezien als een vanitas, in zijn reflectie op de vergankelijkheid van het leven. Maar ook als een viering van wat mogelijk is door middel van collectieve inspanning. Het evenement waarbij het schip versleept wordt is een mythisch verhaal over een onmogelijke reis van een enorm schip door de smalle straten van het Hofkwartier. Dit verhaal wordt na het evenement naverteld door de sporen die het schip achterliet: een serie sculpturen in het Hofkwartier. Schrijvers denken lang na over de eerste zin van hun boek: het vertelt de lezer iets over de rest van het verhaal. Dat geldt ook voor de eerste sculptuur in de serie. Het is een samenvatting van de rest van het verhaal dat verderop in het Hofkwartier te zien is. Het schip dat door het hek breekt is een dramatisch gebaar: het lijkt gevaarlijk, spannend, tragisch. Maar zal in zijn praktische uitvoering niet gevaarlijk zijn. Het verhaal vertelt over de schoonheid van destructie. Het schip breekt met het oude om een nieuw verhaal te vertellen. De handeling van het oversteken van de drempel van het museum, de openbare ruimte in, is een symbolische daad van collectieve kracht.

Thomson wil geen stroom van objecten afzetten in de overvolle publieke ruimte, maar ze inbedden in een verhaal dat door de gemeenschap wordt gedragen. Bij de bouw en het verplaatsen van het schip zijn zoveel mogelijk Dordtenaren betrokken en het proces is zo openbaar mogelijk geweest. De zeggingskracht van het kunstwerk wordt rijker wanneer het langer de kans krijgt om ingebed te raken in het stedelijke leven en wanneer het verhaal ervan (de oorsprong van de stad en het memorabele moment waarvan Dordtenaren deelgenoot of zelfs deelnemer waren) de kans krijgt om aan een nieuwe generatie te worden doorverteld.

De vraag of het niet zonde is om het schip kapot te laten gaan is een logische. We willen vasthouden aan haar schoonheid. We vereenzelvigen ons met schepen: we geven ze namen, staren naar hun trage beweging over het water en we bewonderen hun kracht en constructie. Een schip dat vergaat heeft iets emotioneels en tragisch. Maar er zit ook schoonheid in destructie, omdat je daarin het moment van transformatie en het verlopen van de tijd ervaart.

Kunst biedt ons handvatten waarmee we kunnen reflecteren op het leven. Elk schip heeft zijn doel, sommige vervoeren goederen, andere zijn pleziervaartuigen, in dit geval is het schip gebouwd om iets onmogelijks te doen en vertelt daarmee een verhaal. Een verhaal dat begint met de geschiedenis van Dordrecht en de verbinding met de binnenvaart, een verhaal dat wordt uitgedragen door de teams van vrijwilligers die het schip bouwen of door de smalle straatjes slepen. Een verhaal dat zijn sporen achterlaat in de houten romp terwijl het schip uit elkaar valt in de onmogelijke smalle straatjes. Een verhaal dat keer op keer wordt verteld door middel van de in brons gegoten fragmenten van een boot die zichtbaar zullen blijven langs de route (HtJ: let ook op de drievoudige herhaling van “Een verhaal dat…”; een eeuwenoude retorische truc om de boodschap erin te hameren) .

Met het zwart blakeren van het schip komt het los van zijn oorspronkelijke functie en wordt het een autonoom object, een kunstwerk.

In elke fase van het project vieren we transformatie. De hele boomstammen die arriveerden voordat ze in planken werden gezaagd. Het uitsnijden van deze planken in een schip. De verkoling van het schip abstraheert het van zijn oorspronkelijke functie. De dramatische transformatie tijdens het evenement van het schip dat in fragmenten uiteenvalt. Het gieten van deze fragmenten tot bronzen sculpturen. In de sculpturen zullen al deze lagen van transformatie zich openbaren”.

Tot zover de ‘verantwoording’ van dit project. Drama, overdrijving, gevoel, mystiek, zelfs alchemie worden van stal gehaald om de lezer te raken. Ik hoop dat ik door het uit de webpagina lichten van deze fragmenten de lezer van dit blog heb kunnen overtuigen van hoe en met wat voor taal hij/zij gemanipuleerd wordt door de mensen die dit onzalige plan hebben  doorgedrukt. Net zoals het al met veel openbare kunst in Dordrecht al jaren gebeurt. En je hoeft hier niet eens tussen de regels door te lezen. Er staat in wezen: als je het hier niet mee eens bent ben je een cultuurbarbaar en niet geschikt om van Dordrecht als historische stad echt te genieten. Wij, de elite van stedelijke cultuurbobo’s, zullen u wel vertellen wat mooi en waardevol is. En jullie gaan lekker toch niet over waar wij het belastinggeld aan uitgeven.

Als staartje geef ik nog even de reactie door op de vraag: Wat doet de gemeente/Museum met de 2 petities? Er zijn zoveel mensen op tegen. Hoe gaan jullie hiermee om?

Het antwoord:

“Het gebeurt wel vaker dat kunst in de openbare ruimte veel reacties oproept, zie bijvoorbeeld het beeld van Willem van Oranje. Voor het project rivier, boot, stad is een zorgvuldig participatietraject doorlopen. We constateren dat pas in een heel laat stadium deze weerstandsreacties komen. Het is aan het college van burgemeester en wethouders om te bezien wat het met de reacties uit de stad doet.”

Met andere woorden: wij trekken ons niks aan van protesten of petities en die boot gaat echt door het Hofkwartier gesleept worden. Met alle gevolgen vandien.

En daar kunnen we het mee doen.