Floris uit de Canon: oorzaak en gevolgen (3)

Banner nieuwe canon

Graaf Floris is verwijderd uit de Canon. Maar waarom? Dat werd me dus niet duidelijk. Maar wie beslisten daar dan over? Het rapport is openbaar dus daarin kan je lezen wie deel uit maakten van de commissie. Dat waren behalve voorzitter prof. dr. James Kennedy, de schrijver Abdelkader Benali, historicus dr. K.J. Fatah-Black, Kayleigh Goudsmit van het NIOD, Marjan de Groot-Reuvekamp, docent vakdidactiek geschiedenis, Lotte Jensen, hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis, dr. Hubert Slings, lid van de wetenschappelijke staf van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, dr. Hanneke Tuithof, vakdidacticus geschiedenis in Utrecht en Tilburg, en Dennis Smit MA, secretaris van de commissie en zelf taal- en letterkundige in de Italiaanse taal.

De Amerikaan Kennedy, die een Nederlandse moeder heeft, werd in het orthodoxe Iowa opgevoed, studeerde in Georgetown, Grand Rapids en Iowa City en specialiseerde zich in 20e eeuwse geschiedenis, o.a. van Nederland. Abdelkader Benali is schrijver van Marokkaanse afkomst, hardloper en heeft een blauwe maandag geschiedenis gestudeerd in Leiden tot hij erachter kwam dat hij autodidact was. K.J. Fatah-Black is historicus (UvA, Leiden) van Koerdische afkomst, met een Nederlandse moeder, en doceert in Leiden; hij is gespecialiseerd in Nederlandse koloniale geschiedenis. Kayleigh Goudsmit is historicus van de moderne tijd (VU) en boekwetenschapper die de communicatie doet bij het NIOD en eerder bij het KNHG en het Huygens Instituut.  Marjan de Groot-Reuvekamp is onderwijsdeskundige, promoveerde aan de UvA en doceert in Den Bosch. Lotte Jensen, van Deense afkomst, is neerlandica en filosoof en ze werkt als hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis bij de afdeling Nederlandse taal en cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hubert Slings studeerde in Leiden en promoveerde daar op middeleeuwse literatuurgeschiedenis, hield zich bezig met (onderwijs)beleidsadvies, literatuurdidactiek en cultuureducatie, tot hij secretaris werd van de eerste Canoncommissie en de website Entoen.nu opzette, waarvan hij ook directeur is. Hanneke Tuithof is historica en opgeleid in Utrecht en was geschiedenisdocent. Zij is gepromoveerd op de vakdidactische kennisontwikkeling van geschiedenisdocenten en doet nu onderzoek naar de didactiek van de gammavakken. Ze was voorzitter van de commissie die de omschrijving voor het geschiedenisexamen havo/vwo vanaf 2021 heeft opgesteld. Dennis Smit studeerde dus Italiaanse taal- en letterkunde en is vertaler en docent in het volwassenenonderwijs.

Valt u wat op? Juist; er was geen mediëvist lid van de commissie, behalve dan op literatuurgebied: Slings heeft namelijk geschreven over Karel ende Elegast en de Vos Reynaerde. Er zat trouwens ook niemand bij die verstand had van de prehistorie of de antieke wereld, van de Opstand en de Gouden Eeuw, behalve als je het slavernijverleden daar als onderdeel van ziet, en ook de 18e en 19e eeuw waren slecht vertegenwoordigd binnen het gezelschap. Het kennisplatform bevond zich voor ruim 75 % na 1900. Je mag hopen dat er wel advies is gevraagd aan deskundigen als het over hun blinde vlekken ging, maar waar het over middeleeuwen gaat hebben ze dan toch niet erg goed geluisterd. In hun vak zijn de leden van de commissie natuurlijk uitstekend thuis (hoewel ik mijn twijfels heb over Benali), maar ik merk gewoon weinig deskundige inbreng in ‘mijn’ periode. De keuze voor Maria de Rijke als vertegenwoordigend venster alleen al. Wie verzint zoiets?

De Canon-presentatie in het Nederlands Openluchtmuseum

Ik heb het Hubert Slings gevraagd. Die stuurde me een lijstje met punten die volgens hem mij een antwoord moesten bieden. Hier is het, enigszins ingekort:

  1. Canons zijn onvolledig en vertellen dus nooit het hele verhaal.
  2. De vensters open zetten helpt, maar ook daar zit een grens aan. 
  3. De canon is vakoverstijgend en Hebban olla vogala mag dus.
  4. Het venster Floris V is “prachtig en waardevol” maar niet onmisbaar.
  5. We hoeven geen rijtjes met heersers meer te leren.
  6. De commissie zag gegronde aanleiding om via Maria van Bourgondië de overgang van Bourgondië naar Habsburg in de schijnwerpers te zetten, aan de hand van het bijzondere levensverhaal van een vrouw. Daarmee gaan één venster dicht, een ander venster open. 

Ik heb Hubert op 24 februari jl al mijn reactie gestuurd, maar tot op heden niets van hem terug ontvangen. Mijn weerwoord kwam erop neer dat ik punt 2 niet begreep en dat 1, 4 en 5 open deuren zijn. Punt 3 heeft het erover dat binnen de geschiedenisles ook andere zaken aan bod mogen komen, zoals het ontstaan van onze taal in de vroege middeleeuwen, maar dat is min of meer logisch. Bij geschiedenis komen altijd andere zaken aan de orde: geografie, toponomie, cultuur, economie, religie, krijgskunde, etc., maar daarom hoeven ze nog geen eigen venster te krijgen.

Over punt 6 heb ik het al gehad en daaruit blijkt dat de korte regeringsperiode van Maria helemaal geen bijzonder levensverhaal opleverde en het zeker niet waard is om er aandacht aan te besteden. En dat hebben ze vervolgens in het venster dan ook niet gedaan, want waar het over het Groot Privilege en de gevolgen die dat had gaat, doet men het af in de volgende paar zinnetjes:

Om zich van de steun van de Bourgondische gewesten te verzekeren, ondertekent zij het Groot Privilege. Met deze akte geeft zij de rechten van de verschillende gewesten die door haar vader zijn afgenomen, weer terug (mijn onderstrepingen, HtJ). In ruil voor deze voorrechten moeten de Staten-Generaal haar trouw beloven en instemmen met nieuwe belastingen voor de oorlog. Het Groot Privilege, waarmee de Staten-Generaal rechten krijgen die de vorst hun niet mag afnemen, wordt voor toekomstige generaties een voorbeeld voor verdragen tussen een vorst en de volksvertegenwoordiging.

Verdere uitleg: geen. Ook niet dat geen van de Laaglandse vorsten uit het Habsburgse huis er zich aan hield en die rechten naar willekeur afnam, aanpaste of ze gewoon negeerde. Uit het laatste zinnetje blijkt ook dat men geen kennis heeft van soortgelijke verdragen die in de middeleeuwen zeker niet ongewoon waren. Ik noem maar het Engelse Magna Carta van 1215, maar ook de Brabantse Keur van Kortenberg uit 1317 en de Blijde Incomste van 1356 die de macht van vorsten aan banden legden. Dus nieuw was het ook al niet. Je had van die voorgangers trouwens kunnen leren dat die vorsten daar zo goed al altijd anders over dachten. Is het belang van dit Privilege dan verkeerd begrepen door de commissie of vonden ze het niet van voldoende belang? Ik hoop dat ik het nog eens te horen krijg.

Wordt vervolgd.