Leven met de middeleeuwen 11

Alles viel op zijn plaats toen ik door mijn vriend Kees Nieuwenhuijsen naar voren werd geschoven om het vervolg op zijn Strijd om West-Frisia (2016) te schrijven en de uitgever merkte dat dat wel een goed idee was. De dageraad van Holland (2018) over de geschiedenis van de Hollandse graven tussen 1100 en 1300 was het resultaat. Omniboek brengt geschiedenisboeken uit die én betaalbaar én leesbaar zijn voor de geïnteresseerde leek, maar die wel op een hoog wetenschappelijk niveau staan. Dat had ik al aan de boeken van Luit van der Tuuk gezien, die over de vroege middeleeuwen schrijft, en die ik daarom ook al zeer lovend had besproken.

Bij mij zouden het eveneens geen droge opsomming van gebeurtenissen worden, maar ook geen romantische verhalen of fabels. Wat bekend is uit de bronnen wordt beschreven, geïnterpreteerd en verduidelijkt met illustraties uit de tijd zelf. Dus niet met 16e en 17e eeuwse gravures vol anachronismen of 18e en 19e eeuwse historieprenten of –schilderijen die voor geen meter kloppen, omdat beeldredacties lui zijn en de meeste historici niet weten waar ze originele afbeeldingen moeten vinden. Inclusief de geschiedenis van steden die dankzij of ondanks die graven zijn ontstaan met de, gereconstrueerde, plattegronden van hoe die er in de 13e eeuw uitzagen. Niet elke auteur kan kaarten tekenen, maar ik toevallig wel. Dus hoefde er geen dure kaartenmaker ingehuurd te worden.

Koning Willem II op een grafmonument uit ca. 1250 in Mainz.

Er staan dus geen gefantaseerde portretten in, maar de zegels die de mannen en vrouwen zelf laten zien en die ze zelf aan oorkonden hebben gehangen. In Dageraad staat trouwens wel het gebeeldhouwde portret van graaf-koning Willem II dat tijdens zijn leven is gemaakt. Verder heb ik op archeologisch en bouwkundig onderzoek gebaseerd reconstructies gebruikt of plaatste foto’s van gebouwen die met hen in verband worden gebracht.

Ik wilde in de tekst ook niet te veel speculeren over zaken die toch niet meer te onderzoeken zijn, maar de gaten ook niet opvullen met fantasie en romantische onzin. Zo hoort het namelijk als je een historische studie schrijft: het is geen  roman. Dat het werkt merkte ik aan de reacties, de recensies en en feit dat het boek uitverkocht is. Vanwege de coronacrisis heeft men de tweede druk helaas uit moeten stellen.

Maar niet getreurd: mijn nieuwe boek, De oudste stad van Holland, is volgens dezelfde principes geschreven en geïllustreerd. Omdat het een middeleeuwse stadsgeschiedenis is kwam deze wijze van werken nog beter van pas. Voor de geïnteresseerden: het gaat om te beginnen over het falsum van 1064 en de oudste vermelding van Dordrecht uit ca 1120, waar veel fabels over worden verteld. Ook zijn uit Thuredrith. Nieuw licht op het ontstaan van Dordrecht (deelt 36 van de lokale serie Verhalen van Dordrecht, 2018) van Gerrit Jan Schiereck, Marc Dorst en mij, de nieuwste ideeën over de loop van de rivieren rond Dordrecht opgenomen. Maar ook de traditionele bronnen komen aan de orde: zulke perkamente documenten als het bewaard gebleven, maar tot voor kort verkeerd begrepen privilege van 1200. Of de kartonnen kokers met de volkomen unieke, in het middelnederlands geschreven, stadsrekeningen van 1283-87: de oudste van Nederland. Het controversiële stapelrecht van 1299 komt voorbij en waarom dat helemaal niet zo nieuw was als altijd wordt beweerd. Al werd het op den duur een bron van irritatie voor de andere Hollandse steden.

Grootzegel van graaf Willem IV, na wiens dood de Hoekse en Kabeljauwse twisten begonnen.

Ook zaken die in de reguliere stadsgeschiedenissen van de stad wel worden genoemd, maar die door Dordtenaren volkomen vergeten zijn komen aan de orde. Zoals de belegering van 1304 door de hertog van Brabant en het interdict of het verbod op alle kerkelijke diensten in de stad van 1352-56, dat een gevolg was van een paar moorden op het kerkhof als gevolg van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De gilden en de keur- en klepboeken getuigen van de onrust en het geweld van die jaren, vooral rond 1400. En van de gevolgen ervan voor de welvaart. Ik heb het naar het einde toe ook over de overstromingen, die vanaf 30 jaar vóór de Elisabethsvloed het land rondom Dordrecht al teisterden. Tot eindelijk de grote klappen kwamen en er geen geld en animo meer was om de dijken te dichten.

Gebied van het latere Statenplein ca. 1250. Reconstructie door Nipides Bouwhistorie & Visualisaties (2014).

Collega’s en vrienden hebben net als bij Dageraad ook weer hun aandeel in dit boek gehad. Archeoloog Marc Dorst en ik konden aan de hand van de opgravingsresultaten in de binnenstad een veel beter kloppend setje plattegronden van Dordrecht tussen 1200 en 1300 reconstrueren. Ik heb daarvoor ruim 150 van die rapporten doorgewerkt en er een lijn in kunnen ontdekken, iets waar de archeologen maar niet aan toe kwamen. De door Jeroen Nipius gemaakte reconstructies van landschappen en gebouwen die hier opgegraven zijn en die tot nu alleen in die archeologische rapporten waren te zien zijn hier met toestemming van de archeologen voor een groot publiek beschikbaar gekomen. Met hulp van Dr. Eef Dijkhof kon er een intrigerend artikel over de vier achtereenvolgende Dordtse stadsrechten geschreven worden. En Per Bos heeft speciaal voor dit boek een prachtige 3D weergave van de Vlaamse Hal van 1390 gecreëerd. Ook een still uit zijn en mijn zoon Laurens gemaakt filmpje van de Dordtse oude haven uit 1250 (gemaakt voor een rapport ivm 800 jaar Dordts stadsrecht uit 2011) en een vogelvluchtplaat van Dordrecht na de Elisabethsvloed door Per zijn in het boek opgenomen. En als uniek extra heb ikzelf tekeningen gemaakt van hoe de Dordtenaren tussen 1000 en 1421 gekleed gingen en hoe graaf Willem I en keizerin Maria er in 1220 uitgezien kunnen hebben.

Zegel van graaf Jan van Beieren (1418) met de griffioenen die later het Dordtse wapen zouden sieren.

Omdat er ook van de graven van na 1300 geen betrouwbare portretten bestaan, op de laatste na (Jacoba van Beieren en Jan van Brabant), heb ik hun zegels gepubliceerd. Ook die van Jacoba en van haar oom Jan van Beieren trouwens… Ze zijn voorzien van prachtig gesneden wapenschilden en randschriften en allemaal afkomstig uit ons onvolprezen regionaal archief. Op die instelling doe je trouwens nooit vergeefs een beroep.

Wat ook een verschil is met de gemiddelde dikke en dure stadsgeschiedenissen in Nederland is de duidelijke plattegrond van de (binnen)stad waar het over gaat. De schrijvers van de standaardwerken op dat gebied (en ik heb de meeste hier in de kast staan) denken waarschijnlijk dat de lezers van hun prachtwerken (en dat zijn het echt wel) blindelings alle straten die zij opnoemen wel kunnen vinden. Men vergeet daarbij dat zelfs bewoners van zo’n binnenstad dat lang niet allemaal weten, laat staan zij die in de buitenwijken wonen. Meestal staan er alleen een paar kleine reconstructie-plattegronden in zo’n pil en dan zonder de meeste straatnamen, want daar is geen plek voor. Of de kaarten van Van Deventer uit de 16e eeuw, die helemaal geen straatnamen hebben. Dan moet je als vreemdeling in de stad, of zelfs als bewoner, de papieren Falkplan erbij nemen of Google maps op je mobiel of tablet ernaast houden. Ik heb de door mij bewerkte plattegrond van Dordrecht uit 1923 voorin over twee pagina’s (6 en 7) laten zetten. Die bevatte namelijk nog alle straten en stegen van vóór de grote sanering in de jaren ’60. Ik heb daarbij alles wat in de middeleeuwen vóór 1421 nog niet bestond wit gelaten, maar wel de contouren van later bebouwde eilanden en aangelegde havens aangegeven. Handig dus.

omslag ngd
Omslag van Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 (1996).

Mijn stadsgeschiedenis ziet er niet uit zoals andere. Hij is dunner en kleiner van formaat (en daardoor goedkoper) maar bevat wel een notenapparaat en een literatuuropgave voor verdere studie. Vooral de verwijzingen naar de opgravingsrapporten van de eigen stedelijke archeologische dienst zijn voor de belangstellenden zeer nuttig en interessant. Ze zijn allemaal op internet te vinden. Ook staan er registers achterin om het zoeken naar persoonsnamen en topografische namen te vergemakkelijken. Aan alle wetenschappelijke voorwaarden is dus voldaan. Daarnaast verwijs ik lezers regelmatig door naar de laatst verschenen en alleen nog antiquarisch te krijgen Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 uit 1996, want daarin wordt, thematisch zowel als chronologisch, de geschiedenis verder uitgediept. Wel is dat boek op sommige punten inmiddels verouderd. Het belangrijkste is echter dat geïnteresseerde leken in mijn boek in ieder geval voor niet te veel geld de laatste resultaten van het historisch onderzoek naar middeleeuws Dordrecht tot zich kunnen nemen, zonder zich door jargon te hoeven worstelen,.

Het belangrijkste is echter dat we ons nu, gebaseerd op wat ik in 2016 in mijn blog schreef, en inclusief de bijdrage van Eef Dijkhof, kunnen presenteren als de oudste stad van Holland. In Geertruidenberg kunnen ze er nu, met al ons bewijs, niet meer onderuit dat zij dat niet zijn.

De Wapentuers van Dordrecht (ca 1300) in Archeon, 2005.

Kortom: dit boek is, met het vorige, het tast- en leesbare resultaat van hoe ik het grootste deel van mijn leven, zo’n 62 jaar, met de middeleeuwen heb geleefd, geleerd en genoten. Met hulp van familie (met name mijn vrouw), veel vrienden en collega’s en zeker die van mijn docenten in Leiden en die andere mensen die me de meest verschillende zaken hebben laten zien en enthousiast over hebben onderwezen en voorgelicht. Dank aan allen. Zonder jullie was het me niet gelukt. Alle lezers van deze serie blogs weten nu waar het allemaal vandaan kwam, hoe dat me gevormd heeft en waarom het zo’n resultaat heeft gehad. Wondertjes, toeval, studie en veel, heel veel lezen, maar ook veel praktijkervaring hebben me gemaakt tot wat ik ben: een middeleeuwenliefhebber en -uitlegger. Die graag zijn kennis wilde delen en anderen voor deze wonderlijk interessante periode geïnteresseerd wilde krijgen.

Geen vervolg…

Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard 4

grote kerk

gerrit verhoeven
Dr. Gerrit Verhoeven. Historicus te Delft.

De in het vorige blog genoemde Gerrit Verhoeven, oud-archivaris van Delft en een goede kennis, vertelde me dat niet alles wat hij over de Dordtse parochies in de Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 was terecht gekomen. Hij stuurde me zijn oorspronkelijke tekst, uiteraard met bronnenopgaves en literatuurvermeldingen. Dat was interessante kost. Hij was nog wel een aanhanger van de theorie van Renting (de Thuredrecht die langs de Dubbeldamseweg en de Blekersdijk in de Wijnhaven uitkwam, met als consequentie dat de Voorstraathaven gegraven was) maar kon overtuigend bewijzen dat de de parochie van wat later de Grote Kerk werd, alleen ten noorden van de Thuredrecht lag. Maar toen was het artikel van Pons uit 1997 nog niet verschenen. En dat de parochie aan de zuidkant dus tot Sliedrecht behoorde, tot aan de Vuilpoort toe. Daar begon een parochie die onder Erkentrudenkerk in Tolloysen hoorde. Ik zal het in de toekomst nog wel eens over de Dordtse en de Grote Waard hebben, zodat u dergelijke namen kunt plaatsen.

johan hendriks
Oud stadsarcheoloog van Dordrecht, Johan Hendriks.

In het boekje over de stadsmuur, Van der stede muere, uit 2001 heeft Johan Hendriks, de voormalige stadsarcheoloog, het even over de doorbraak. Hij dateert hem rond 1175. Een andere archeoloog, die jaren in Dordrecht heeft gegraven, vermeldde de doorbraak eveneens in zijn proefschrift. Dat was Herbert Sarfatij die in 2007 het boek Archeologie van een deltastad , gebaseerd op dat proefschrift, uitbracht. Hij reconstrueerde een doorbraak uit wat Ramaer, Van Dalen en Easton en later Renting, Beenhakker en Pons (1997, niet 1994) hadden geschreven. Hierin waren de Thuredrecht als voorloper van de Oude Maas (en zelfs een tak van de Dubbel) nog aanwezig, evenals iets dat hij een zwin noemde. Daar zal hij het krekengebied mee hebben bedoeld dat Ramaer en Easton bedachten. Hij noemde echter wel een periode van  ‘erosie’, die volgens hem ergens tussen 1130 en 1160 plaatsgevonden zou moeten hebben. Hier dus geen 1170-75. Hij wist alleen niet hoe dat gegaan is en nam dus de conclusies van Pons niet over.

herbert srafatij
Dr. Herbert Sarfatij. Archeoloog bij het toenmalige ROB te Amersfoort.

Nog in 2015 werd een regeltje aan de stormvloed gewijd in het boek behorende bij de vaste expositie in het museum in het Hof:

Na zware overstromingen omstreeks 1165 ontstaat de Oude Maas.

Dat is het eigenlijk als het over de  afscheiding van Dordrecht van de Zwijndrechtse Waard gaat in min of meer officiële geschiedschrijving. Niemand heeft het over het feit dat Dordrecht dan voor 1160-1175 aan de zuidgrens van de Zwijndrechtse Waard, aan de Thuredrecht, gelegen heeft.

 

boring 1
Boringen bij de Grote Kerk, oktober 2016.

Ik schreef al dat de archeologen bij boringen rondom de Grote Kerk in 2015 en oktober 2016 aanwijzingen hebben gevonden dat wat nu de Voorstraathaven langs de Pottenkade is, beduidend breder is geweest dan nu. De buitenzijden van Voorstraat en Grotekerskbuurt waren nog niet bebouwd en het water moet dichter tegen die dijken aangestaan hebben. Ten noorden van de kerk, dus op het kerkhof, zijn ophogingen van klei en stro aangetroffen die moeten dateren van tussen 985 en 1075, gemiddeld dus ongeveer 1025. Dat komt goed overeen met het noemen van de Zwijndrechtse waard in 1028. Het ophogen, in de vorm van terpen op de oeverwal van de Thuredrecht, moet dan al even aan de gang zijn geweest. Wie weet werd toen  al de eerste kapel op deze plek gebouwd. Die was dan onderhorig aan de kerk die toen al in de buurt van Heerjansdam (waar nog lang geen dam was) was gebouwd. In de jaren ’80 is daar een vroeg 11e eeuws kerkhof opgegraven.

boring 2
Doorsnede van een boring met klein, ophogingsmateriaal en zand- en afvallagen.

In het falsum van 1064 hebben we inmiddels gelezen dat de nederzetting aan de Thuredrecht toen al zo was gegroeid dat er een nieuwe kapel nodig was. Die was dus kort voor 1064 gebouwd, waarschijnlijk op dezelfde plaats als die eerste kapel. Al zal dat waarschijnlijk nooit echt  kunnen worden onderzocht, want in de kerk mag niet meer gegraven worden. Wel groeide Thuredrecht, dat steeds meer Durdrecht of Dordrecht werd genoemd, na de doorbraak van ca 1170 zo sterk dat in het laatste kwart van de 12e eeuw een fikse tufstenen kerk gebouwd werd. Daar werden bij de laatste restauratie van de kerk in 1986 resten van terug gevonden. Verhoeven schreef:

…bij opgravingen onder het koor [werd] muurwerk van tufsteen aangetroffen, dat kan worden gedateerd in de twaalfde eeuw. Het gaat om een romaans koor met halfronde absis van forse afmetingen. De binnenmaat bedraagt liefst negen meter, dat is twee meter meer dan de absiden van de uit dezelfde tijd daterende kapittelkerken van Sint Jan en Sinte Marie te Utrecht of de Bovenkerk te Kampen.

Plattegrond van de Grote Kerk. Rood: de muurresten van de 12e eeuwse kerk. Groen: reconstructie van de plattegrond van de 12e eeuwse kerk. Lichtblauw: de later aangebouwde zijbeuken. De vorm en plaats van de toren is gebaseerd op die van andere 12e eeuwse Hollandse kerktorens.

Het duidt waarschijnlijk ook op grafelijke bescherming en een tamelijk regelmatige grafelijke aanwezigheid. Al is dat voor de dood van Floris III in 1190 niet echt uit de bronnen op te maken. Vanaf die tijd, en dat heb ik al in diverse blogs behandeld, neemt de grafelijke belangstelling echter zienderogen toe.

Intussen is het wel duidelijk dat Dordrecht voor ca 1170 aan de zuidoostkant van de Zwijndrechtse Waard lag. En dat dat al sinds de zeer vroege 11e eeuw het geval was. Wie weet hadden de graven daar ook al een sterkte liggen, waar met name Dirk IV zich zo veilig voelde dat hij niet voldoende oplette en in 1049 verrast en gedood kon worden.

De vraag blijft: waarom is dit feit, want zo kan ik het inmiddels wel noemen, niet beter bekend en komt het maar zo summier in de Dordtse geschiedschrijving voor? Waarom wordt die doorbraak van de Merwede als oorzaak van het afscheiden van de Zwijndrechtse Waard zo weinig genoemd. Evenmin als de consequenties die dat had voor het vormen van de kleine stadsparochie en de nieuwe verbinding met Vlaanderen. Zelfs de tollenkrans wordt niet echt begrepen en waarom Dordrecht daarin die belangrijke rol van spin in het web vervulde, oftewel de rol van emporium, een handelscentrum. Iets dat al in 1200 en 1220 de nodige gevolgen had en in 1299 met het stapelrecht nog een sterkere juridische basis kreeg. Dat stapelrecht was dus niet, zoals in het boek over het museum in het Hof staat, “de basis van de welvaart” van de staat, maar een soort uitroepteken achter een periode van gestage groei als gevolg van een stormramp. Ook in 1200, 1204 en 1220 blijkt al dat Dordrecht een handelsstad met faciliteiten was. Dit alles tesamen was er de oorzaak van dat de stad een belangrijk grafelijk centrum werd, dat de graaf veel inkomsten opleverde.

Ik blijf die onbekendheid vreemd vinden.

Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard 3

Het denken over Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard veranderde pas weer toen de Wageningse professor Leen Pons (1921-2008) in 1994 een artikel publiceerde in Zwijndrechtse wetenswaardigheden over  ‘De Zwijndrechtse Waard in 1332. Een reconstructie op grond van bodemkundige gegevens.’ Pons was fysisch geograaf, oftewel bodemkundige, en sinds zijn pensionering in 1986 bezig geweest met de historie van de streek waarin hij was opgegroeid: de Zwijndrechtse Waard. Hij combineerde de historische bronnen met de geografische lagen en eigenaardigheden in dit gebied en kon een helder overzicht geven van de plaatsen en karakteristieken van de ambachten in de waard sinds de omdijking van 1331-32. Hij schreef in de inleiding ook over de periode daarvoor en meldde als het ware tussen neus en lippen door de doorbraak van de Merwede in de tweede helft van de 12e eeuw die Dordrecht van de Zwijndrechtse Waard scheidde.

Waarschijnlijk smaakte dat naar meer, want in 1997 verscheen in het Historisch-geografisch Tijdschrift een artikel met de titel ‘Dordrecht en de grenzen van ‘Swindrehtwert’’. Ik heb er hier al eerder over geschreven. Hij legde er duidelijk in uit dat zo’n doorbraak heel wel mogelijk was en dat hij er ook werkelijk is geweest. Hij maakte korte metten met het ‘zwingebied’ (de diverse kreken en  andere veenstromen) tussen Dordrecht en Zwijndrecht omdat het niet paste in het veenlandschap met weinig eb en vloed dat het rond 1000-1100 nog was.

Het enige dat een beetje vreemd was in het artikel uit 1994 is de uitspraak van Pons dat de waard in 1028 nog geen dijken had. Dat roept natuurlijk de vraag op waarom het gebied dan ‘waard’ heette. Volgens de etymologische woordenboeken is dat een door water omgeven, bedijkt gebied. Of zou hier de oudere betekenis van ‘eiland’ toepasbaar zijn? Dan kan het een gebied zijn dat wel ontgonnen is, maar waar men nog op oeverwallen, al of niet op terpen, langs de omringende rivieren woonde. Dat zou dus overeen komen met de andere ontginningen in dit gebied, die pas in de loop van de 12e eeuw last kregen van hoog water en vanaf die tijd omdijkt werden. In het artikel uit 1997 komt dit zinnetje over de afwezigheid van dijken trouwens niet meer voor.

kaart doorbraak
Kaart van hoe de doorbraak boven Dordrecht de rivierenloop in zuidelijk Holland veranderde (naar L. Pons 1992-1997).

De grotere stormvloeden van de 12e eeuw waren, volgens Pons, een gevolg van het doordringen van de zee in de brede riviermonding van de Maas-Merwede die gepaard gingen met het afbreken van waterscheidingen, het wegruimen van ondieptes als slikken en schorren en het verbreden van rivierbeddingen. Dat had hij al in een artikel uit 1992 geschreven. Er kwam meer verschil tussen eb en vloed en extremere weersomstandigheden plus de afwezigheid van stevige dijken gaven stormvloeden vrij spel. Die in 1134, 1163 en 1170 en 1174 hebben grote veranderingen in het landschap veroorzaakt. Waaronder de doorbraak van de Merwede die de rivieren de Thuredrecht en de Dubbel in tweeën splitsten. En die Dordrecht dus definitief van de Zwijndrechtse Waard scheidde. Bovenaan het blog ziet u de situatie voor die doorbraak en hierbij de reconstructie van de doorbraak zelf. Ik heb de beide tekeningen gebaseerd op de originele van Leen Pons uit 1997.

Aan beide zijden van deze nieuwe Merwede-tak zijn  voorbeelden gevonden van ophogingen, een soort terpen, uit het laatste kwart van de 12e eeuw. Ook werden die terpen al door dijkjes met elkaar verbonden, die zo een doorgaande dijk langs de omringende rivieren ging vormen. Een echte waard, zoals wij die kennen dus. Deze fase wordt bevestigd door de meest recente archeologische boringen rond de Grote Kerk die op kunstmatige ophogingen met klei en rietmatten op een oeverwal  wijzen. Maar ook al eerder waren hier terpen, die volgens de archeologen wel terug kunnen gaan tot voor het jaar 1000. En die in de 12e eeuw moeten zijn afgeslagen door overstromingen, waarna weer nieuwe ophogingen gedaan zijn die tot in de 14e eeuw door zouden lopen.

GvD1
Omslag van de laatst verschenen geschiedenis van Dordrecht, deel 1 tot 1572 (1996)

In de Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 uit 1996 staat het artikel van Pons uit 1994 wel in de literatuurlijst, dat uit 1997 natuurlijk niet. In het eerste deel van het boek wordt echter de theorie van Easton beschreven, een beetje vermengd met wat invloeden uit Van Dalen en zijn overstromings theorieën:

Omstreeks 1150 werd de Dordtse veenkreek (de Thuredrecht dus…) als gevolg van zware overstromingen een doorvaartroute en ontstond er bij de nederzetting een nieuwe rivierbocht.

Dit gedeelte werd geschreven door de ons al bekende Jan van Herwaarden. Het boek werd echter door een viertal  historici samengesteld en dan kan er toch wel eens verschil van mening geweest zijn over bepaalde aspecten van de geschiedenis. Het hoofdstuk over de kerkelijke geschiedenis van Dordrecht was bijvoorbeeld van de hand van Gerrit Verhoeven. Die schreef wel degelijk over het van de Zwijndrechtse waard afgescheiden parochiegebied, dat niet meer dan het stukje Dordrecht ten noorden van de Thuredrecht omvatte. Hij meldde ook nog dat voor het oprichten van een kapel voor de Begijnen in 1265 toestemming aan de Sliedrechtse pastoor moest worden gevraagd. Dat houdt in dat het gebied ten zuiden van de Thuredrecht onder de parochie Sliedrecht hoorde (evenals Merwede en Crayestein, dus). Hij schreef ook letterlijk:

Bij de herinrichting van de Waard (de Zwijndrechtse dus… HtJ) lag het niet voor de hand over het water heen de oude banden te herstellen en werden daar nieuwe parochies gevormd.

Verhoeven ging dus in tegenstelling tot Van Herwaarden, in hetzelfde boek, wel degelijk van een doorbraak van de Merwede uit. Hij gebruikte de kleine, door het water van de oorspronkelijke voorganger gescheiden parochie als bewijs.

Wordt vervolgd

Oorkonden (2)

Dit is het tweede en laatste deel van een serietje van twee blogs over de soorten geschreven bronnen naast kronieken en annalen. Het bevat nogal wat droog statistisch materiaal, maar zo krijgt u wel een indruk van de kleine hoeveelheid documenten waar historici soms vanuit moeten gaan.

frans van mieris
Frans van Mieris (II) gravure door Jacob Houbraken, ca 1750.

Een deel van wat we weten over het graafschap Westfrisia, later Holland (en Zeeland), in de middeleeuwen is dus afkomstig uit oorkonden.  Al heel lang is men bezig geweest alle uitgaande en inkomende documenten van die graven te inventariseren. In de achttiende eeuw, tussen 1753 en 1756 gaf de Leidse schilder en geschiedschrijver Frans van Mieris (1689-1763) vier grote, dikke boeken uit met daarin alle op Holland en Zeeland slaande oorkonden die hij kon vinden.

De meest recente verzameling is die van het Oorkondenboek van Holland en Zeeland (OHZ voor de kenners) dat tussen 1970 en 2006 in vijf dikke delen verscheen. Ze bevatten alle officiële stukken die naar en van de graven gingen tussen het eind van de zevende eeuw en het eind van 1299. En dat zijn er niet minder dan 3536… Van Mieris heeft in het eerste deel van zijn Groot Charterboeck voor de periode 723 – 1299 ruim 600 pagina’s nodig. Het OHZ telt in de vijf delen samen voor die periode niet minder dan ruim 4500 pagina’s. Dat is natuurlijk wel met meer commentaar en bewijsvoering dan wat Van Mieris kon doen, maar het mag duidelijk zijn dat er sinds het midden van de achttiende eeuw flink wat meer materiaal boven water is gekomen.

ohz
De serie Oorkondenboeken van Holland en Zeeland (1970-2006)

Toch valt het aantal oorkonden  voor de vroegste periode behoorlijk tegen. Er werd gewoon nog weinig geschreven. En het is natuurlijk het langst geleden, dus is het waarschijnlijk dat er naar verhouding meer is verdwenen. Uit de aantallen per boek in de OHZ serie kun je mooi aflezen hoe men steeds meer officiële geschreven documenten produceerde in de loop van de zes eeuwen tussen 700 en 1300. Of dat er steeds meer bewaard zijn gebleven, natuurlijk…

Deel      Data                      Jaren                    Aantal charters

1             700 – 1222          522 jaar                423

2             1222 – 1256         34 jaar                  660

3             1256 – 1278        22 jaar                  740

4             1278 – 1291        13 jaar                  747

5             1291 – 1299        8 jaar                    963

Het is misschien een beetje saai, maar om te laten zien met hoe weinig oorkonden-bronnen we het voor de vroegste geschiedenis van Holland moeten doen, heb ik een soort inventarisatie gemaakt van de nog bekende oorkonden uit de periode 700-1120. Dat laatste is het jaar waarin de vroegste gegevens over de geschiedenis van het graafschap in de abdij van Egmond werden opgeschreven. Daar komt het volgende uit:

  • Uit die periode van 420 jaar zijn 102 charters bekend.
  • Daar zijn er maar twaalf van bewaard gebleven, de andere zijn allemaal afschriften van soms veel later.
  • Vier van die bewaarde oorkonden berustten in de abdij van Sint Baafs en twee in die van Sint Pieter, beide te Gent en nu dus in het stadsarchief aldaar.
  • Drie liggen in het archief van het kapittel van Sint Jan in Utrecht en berusten in het Utrechtse stadsarchief.
  • Dan is er nog één in Thorn (Limburg) en één in Hannover en één in Munster, alle drie in Duitse kerkelijke archieven.

nationaal archief
Het gebouw van het Nationaal Archief naast het Centraal Station in Den Haag.

Dat is alles. Er bevindt zich zelfs geen enkel origineel document uit de periode van vóór 1120 in het grafelijke archief, dat in ons Nationaal Archief in Den Haag verblijft. Ook daar liggen alleen afschriften en kopieën.

  • Van de 90 overgebleven exemplaren zijn er bovendien 15 bewezen vals, plus dat men nog enkele stukken verdacht vindt.
  • De bewaard gebleven ca 70 stukken zijn vooral afkomstig van de Duitse koningen en keizers en gericht aan kloosters.
  • Ook van bisschoppen zijn er exemplaren voor kloosters bekend met gegevens over geschonken landerijen in ‘Holland’ en ‘Zeeland’.
  • De ‘Hollandse’ graven worden in die 102 oorkonden 40 maal genoemd, maar tien keer daarvan in valse oorkonden.
  • Zes van die vervalsingen zijn van voor het jaar 1000, twee uit de de late elfde eeuw: 1083 en 1099, en twee uit de vroege twaalfde eeuw: 1108 en 1116.
  • Van die 40 vernoemingen van de graven worden ze 23 keer alleen maar als getuige in een konings- of bisschopsoorkonde genoemd.

sint baafsabdij
Wat nog rest van de Sint Baafsabdij te Gent is o.a. de refter. Nu opslag van vloeren en grafstenen.

Eigen uitgaven van de graven zijn er maar heel weinig:

  • Dirk II in 967: een schenking aan de St Pietersabdij te Gent.
  • Arnulf in 980: een morgengave aan zijn vrouw Lutgard ter gelegenheid van hun huwelijk.
  • Dirk III in 993: samen met zijn moeder Lutgard aan dezelfde St Pietersabdij.
  • Dirk V in 1083 (die is dus vals), Floris II in 1108 (ook vals) en 1116 (vals).
  • Er zijn maar vier graven die schenkingen ontvangen, toevallig allemaal koningsoorkonden die in Egmond in afschrift bewaard bleven in de Annalen. Dat waren Gerulf in 889, Dirk I in 922 en Dirk II in 969 en 985.

sint pietersabdij gent
Van de middeleeuwse abdij van Sint Pieter te Gent is niet veel over, de meeste nu zichtbare gebouwen zijn later toegevoegd.

Overigens is al langer bekend dat pas vanaf ongeveer 1100 door de graven van Holland regelmatig geoorkond wordt. Of daarvoor veel geschreven bronnen bestaan hebben is onbekend, maar het zullen er vast niet veel geweest zijn. Voor de geïnteresseerden: het Oorkondenboek van Holland en Zeeland (OHZ) is gedigitaliseerd en staat op internet.

Het is dus maar een magere hoeveelheid bronenmateriaal waarover historici kunnen beschikken voor de geschiedenis van ons graafschap van vóór 1150: wat vermeldingen in kloosterannalen en enkele tientallen oorkonden die voor het grootste deel slechts in afschrift bewaard zijn gebleven. Zoals we gezien hebben worden gebeurtenissen die hier hebben plaatsgevonden ook wel in buitenlandse kronieken genoemd, maar dat is het wel…

U kunt zich wel voorstellen dat historici die deze vroege periode van de Hollandse geschiedenis behandeld hebben – en dat zijn er behoorlijk veel geweest – niet veel  vastigheid hadden bij het reconstrueren van de periode tussen het wegtrekken van de Romeinen en het eerste op schrift stellen van een min of meer  regelmatige kroniek omstreeks 1120. Gelukkig zijn er de laatste eeuw ook de nodige andere bronnen aangeboord, met name archeologische, waardoor men gaten in het verhaal kon opvullen. Langzaam kwamen soms ook meer buitenlandse bronnen beschikbaar die informatie over onze streken bevatten. Telkens kon zo weer een link tussen gebeurtenissen en mensen die deze meemaakten of veroorzaakten gelegd worden.

Overigens ging dat bij historici onderling niet altijd zonder slag of stoot, vooral als er iemand kwam die zo’n bron voor vals verklaarde. Daarna ontstond er dikwijls een soort stammenstrijd van voor- en tegenstanders van deze ontmaskeraars. Die duurde dan meestal tot degene die deze knuppel in het hoenderhok gooide overleed, waarna de ruzies langzaam afnamen. Historici waren (en zijn) wat dat betreft net mensen…