“Hoe Dordrecht een eiland werd”

artikel svd
Het bewuste artikeltje uit de Stem van Dordt, 11.1.2017.

De beide gratis huis-aan-huis bladen in Dordrecht pronken elk met een historisch rubriekje. Dikwijls gaat het om een oud beeld van onze zo fotogenieke stad en wordt er wat verteld hoe het daar vroeger was. Meestal gaat het ook niet zo lang terug: hoogstens tot de tweede helft van de 19e eeuw. Afgelopen week, woensdag 11 januari 2017, naderde de rubriek in de Stem van Dordt echter angstig dicht mijn periode: die van het ontstaan en de bloei van Dordrecht. Zoals u aan de titel van dit blog kunt zien ging het over de St Elisabethsvloed, want iedereen weet dat daarna de stad volledig omgeven was door water. Dat wordt ook min of meer bevestigd door de beide illustraties bij het artikeltje (het telt niet meer dan 170 woorden) die Dordrecht als een eilandje met wat aangroeisel tonen. Maar was dat wel zo?

Waarom de journalist, Karlijn Goorts, die eindredacteur van de Stem van Dordt is, dit stukje in haar krant gezet heeft is niet duidelijk. Ze noemt het ook nergens. Er is ook geen historische aanleiding voor. Pas in 2021 gaan we de St Elisabethsvloed ‘vieren  (of in 2024?) en in januari 1417 gebeurde er ook niet veel in en rond Dordrecht. Pas volgend jaar, 2018, kunnen we wat ‘doen’ met het beleg van de stad in juli-augustus 1418. Dus er is niet echt een reden om aan die ramp te denken. Maar misschien kwam het omdat ze Kees Klok heeft gesproken. Hij wordt tenminste in het artikel in drie zinnetjes geciteerd.  En daar viel mijn oog dus op. Waarna ik me het nodige afvroeg.

verdronken dorpen
Omslag van het boek Verdronken dorpen boven water (Dordrecht 2007).

Het eerste dat ik me afvroeg was hoe het komt dat lokale historici en leraren geschiedenis, want Klok is beide, niet op de hoogte zijn van het meer recente denken over de St Elisabethsvloed. In 2007 kwam namelijk als speciaal jubileumboek van de vereniging Oud Dordrecht uit onder de titel Verdronken dorpen boven water. Het bevatte zo’n beetje alles wat er in het verleden over de ramp is geschreven. Er stond ook een zeer interessant artikel in van de voormalige stadsarcheoloog Johan Hendriks met de toen meest recente conclusies over die gebeurtenis en zijn oorzaken en gevolgen onder de titel ‘De watersnoodrampen van 1421 en 1424’.

Helaas is de neerslag van dat jubileumboek, en met name die van het artikel van Hendriks, niet in de krant terug te vinden. Het lijkt zelfs wel of de historicus Klok het helemaal niet gelezen heeft. En dat is toch wel kwalijk voor iemand die altijd zo met oud Dordrecht bezig is. Hij is dan wel een historicus van de moderne tijd, maar als je dan geïnterviewd wordt (?) over een wat ouder onderwerp bereid je je toch een beetje voor? Wat hij tussen dubbele aanhalingstekens (dus uit zijn mond opgetekend) beweerde stoorde me namelijk nogal. Ik geef hieronder de drie citaten met mijn commentaar.

  • “Dordrecht lag in de Groote Waard; ook wel een enorme polder met een dikke veenlaag. Men ging daar turf steken voor brandstof en daardoor werden de dijken verzwakt.”

grote waard 1421
Schematische situatieschets van de Grote Waard in 1421. Noordelijk van de Maas werd het land ook de Kleizijde genoemd en het zuidelijk deel de Veenzijde.

Juist het gedeelte van de Grote Waard (die tweede O is wat overdreven) waar Dordrecht in ligt, dus ten noorden van de Maas, was niet louter veen. Men woonde er al sinds de 8e-9e eeuw op de oeverwallen langs de rivieren, waar men graan verbouwde. Men ontdekte ook dat het elzenbroekbos in het veen op een dunne klei-op-veenlaag stond, waar je, na het ontginnen, ook goed graan kon verbouwen. Vandaar dat juist dit gedeelte, door Hendriks, de graanschuur van Holland werd genoemd. Er zal best turf gestoken zijn op stukken die niet bebouwd konden worden, maar de meeste turf kwam toch van bezuiden de Maas. Daar werd ook buiten de dijken zout-houdende turf gedolven, de zogenaamde darink. Daaruit werd zout gewonnen, dat voor goed geld verhandeld kon worden. Dat darink-delven gebeurde dus buitendijks, uit steeds met een tijdelijk eigen dijkje, een moerdijk, omgeven poldertjes. Op den duur kwam men te dicht bij de dijk van de Grote Waard, zodat die, na het verdwijnen van de darink, open kwam te liggen voor sterke golfslag bij zware stormen. De dijk bij Broek, aan de zuidwestkant van de waard (nu in de buurt van Wieldrecht) brak hierdoor in de tweede helft van de 14e eeuw steeds weer door. En dat ging in de vroege 15e ook door, ondanks verboden om te dicht bij de dijken te delven. Wel werd de dijk steeds weer gerepareerd of  teruggelegd. Het ligt dus klaarblijkelijk genuanceerder.

“Het water stond tegen de stadsmuren aan.”

sluyter 1560
Detail uit de kaart van Sluyter uit 1560, waarop het opkomende land achter Dordrecht goed zichtbaar is.

Hendriks heeft bij zijn opgravingen juist gevonden dat dat niet het geval was. Wel hebben in november 1421 de storm en de golven schade veroorzaakt aan de houten onderdelen van de stadsverdediging, de staketten,  en er zijn buiten de vesten wat wielen ontstaan, maar dat was allemaal snel gerepareerd. Opgegraven schelpjes en andere maritieme fauna hebben aangetoond dat er inderdaad een korte tijd een met brak water overstroomd gebied onder de muren van Dordrecht heeft gelegen, maar dat het eerder tot een waterig landschap van slikken (onbegroeide klei-zandplaten) en schorren (begroeide idem) uitgroeide, met op hogere gedeelten de resten van dorpen en boerderijen. En bomen. De enorme watervlakte die je op oude kaarten ziet is voor een groot deel fantasie (zie ook de kaart van sGrooten uit ca 1570, boven aan het blog). Waarschijnlijk berustte die op de nogal bewegelijke situatie van de landresten die afkalfden en aangroeiden. Er moet al heel snel een soort Biesbosch-landschap zijn ontstaan op resten van de vroegere waard. Dat was ook een voorwaarde voor het vanaf het eind van de 16e eeuw opnieuw beginnen met inpolderen: je moest wel van al wat aangegroeid land uitgaan.

 “Later was het natuurlijk vooral modder en begonnen ze langzaam aan het droogleggen.”

Er zal veel modder geweest zijn en er tussendoor waterlopen, maar ook begroeide delen, waarin al snel eendenkooien en griendketen te vinden waren. En er stonden veel wilgen, waarvan de pollen ook teruggevonden zijn. En niet te vergeten: er lagen tussen de oevers zalmsteken in de bredere kreken, resten van de oude veenriviertjes.

detail kaart 1520
Detail uit een kaart van ca 1520, met een huis op een hoogte en al begroeide gorzen. De maker heeft met wat vervaagde groene verf aangegeven  dat er veel ondiepten waren.

Er gaan nog veel meer van dit soort verhalen over de St Elisabethsvloed en de Biesbosch, maar het bovengenoemde boek en artikel, plus meer recentere literatuur over Dordrecht en het eiland en zijn omgeving, heeft die voor het grootste deel ontkracht. Kees Klok heeft die literatuur duidelijk niet paraat gehad en Karlijn Goorts heeft zijn uitspraken niet daaraan geverifiëerd. Bovendien wordt er beweerd dat er drie St Elisabethsvloeden geweest zijn. Dat is wel zo, maar die van 1404 had vooral Zeeland te pakken en heeft zo goed als geen invloed op de Grote Waard gehad. Dus die telt hier echt niet mee.

Luchtfoto van de doorbraak van de Ringdijk te Wilnis op 26 augustus 2003 (foto www.deltaproof.nl).

De St Elisabethsvloed van 1424 is daarbij nogal bijzonder, want een nieuwe theorie van Johan Hendriks luidt dat deze niet zozeer door stormvloeden zou zijn ontstaan, maar juist doordat droogte in de zomer van dat jaar de op veen aangelegde dijken heeft ondermijnd. Zoiets als de veendijk bij Wilnis in de zeer warme zomer van 2003, die door uitdroging instabiel was geworden en doorbrak. Een gat in een gewone doorgebroken dijk kun je dichten.  Bij een door droogte verzakte dijk helpt dat niet; die kun je niet meer repareren. In onze tijd zet je er een damwand in en dan moet je maar hopen dat het verval niet doorzet. Die luxe had men in 1424 niet en vandaar dat het Merwedewater bij het gat van Werkendam ruim 150 jaar ongehinderd over de Grote Waard kon stromen en er twee meter klei en zand kon afzetten.

Intussen worden dit soort achterhaalde ‘feiten’ voor zoete koek genuttigd door het lezerspubliek en blijven dergelijke sagen voortwoekeren onder de Dordtenaren. Jammer hoor.

(De kaart bovenaan het blog is een deel van de kaart van Holland die Christiaan sGrooten ergens tussen 1568 en 1573 maakte voor koning Filips II. De afbeelding komt uit Valentine Wikaart, e.a., ‘Nijet dan water ende wolken’ (Tilburg 2009) 110. Het is duidelijk dat niet iedereen zich er met een enorme watervlakte vanaf maakte…) 

Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard 4

grote kerk
gerrit verhoeven
Dr. Gerrit Verhoeven. Historicus te Delft.

De in het vorige blog genoemde Gerrit Verhoeven, oud-archivaris van Delft en een goede kennis, vertelde me dat niet alles wat hij over de Dordtse parochies in de Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 was terecht gekomen. Hij stuurde me zijn oorspronkelijke tekst, uiteraard met bronnenopgaves en literatuurvermeldingen. Dat was interessante kost. Hij was nog wel een aanhanger van de theorie van Renting (de Thuredrecht die langs de Dubbeldamseweg en de Blekersdijk in de Wijnhaven uitkwam, met als consequentie dat de Voorstraathaven gegraven was) maar kon overtuigend bewijzen dat de de parochie van wat later de Grote Kerk werd, alleen ten noorden van de Thuredrecht lag. Maar toen was het artikel van Pons uit 1997 nog niet verschenen. En dat de parochie aan de zuidkant dus tot Sliedrecht behoorde, tot aan de Vuilpoort toe. Daar begon een parochie die onder Erkentrudenkerk in Tolloysen hoorde. Ik zal het in de toekomst nog wel eens over de Dordtse en de Grote Waard hebben, zodat u dergelijke namen kunt plaatsen.

johan hendriks
Oud stadsarcheoloog van Dordrecht, Johan Hendriks.

In het boekje over de stadsmuur, Van der stede muere, uit 2001 heeft Johan Hendriks, de voormalige stadsarcheoloog, het even over de doorbraak. Hij dateert hem rond 1175. Een andere archeoloog, die jaren in Dordrecht heeft gegraven, vermeldde de doorbraak eveneens in zijn proefschrift. Dat was Herbert Sarfatij die in 2007 het boek Archeologie van een deltastad , gebaseerd op dat proefschrift, uitbracht. Hij reconstrueerde een doorbraak uit wat Ramaer, Van Dalen en Easton en later Renting, Beenhakker en Pons (1997, niet 1994) hadden geschreven. Hierin waren de Thuredrecht als voorloper van de Oude Maas (en zelfs een tak van de Dubbel) nog aanwezig, evenals iets dat hij een zwin noemde. Daar zal hij het krekengebied mee hebben bedoeld dat Ramaer en Easton bedachten. Hij noemde echter wel een periode van  ‘erosie’, die volgens hem ergens tussen 1130 en 1160 plaatsgevonden zou moeten hebben. Hier dus geen 1170-75. Hij wist alleen niet hoe dat gegaan is en nam dus de conclusies van Pons niet over.

herbert srafatij
Dr. Herbert Sarfatij. Archeoloog bij het toenmalige ROB te Amersfoort.

Nog in 2015 werd een regeltje aan de stormvloed gewijd in het boek behorende bij de vaste expositie in het museum in het Hof:

Na zware overstromingen omstreeks 1165 ontstaat de Oude Maas.

Dat is het eigenlijk als het over de  afscheiding van Dordrecht van de Zwijndrechtse Waard gaat in min of meer officiële geschiedschrijving. Niemand heeft het over het feit dat Dordrecht dan voor 1160-1175 aan de zuidgrens van de Zwijndrechtse Waard, aan de Thuredrecht, gelegen heeft.

 

boring 1
Boringen bij de Grote Kerk, oktober 2016.

Ik schreef al dat de archeologen bij boringen rondom de Grote Kerk in 2015 en oktober 2016 aanwijzingen hebben gevonden dat wat nu de Voorstraathaven langs de Pottenkade is, beduidend breder is geweest dan nu. De buitenzijden van Voorstraat en Grotekerskbuurt waren nog niet bebouwd en het water moet dichter tegen die dijken aangestaan hebben. Ten noorden van de kerk, dus op het kerkhof, zijn ophogingen van klei en stro aangetroffen die moeten dateren van tussen 985 en 1075, gemiddeld dus ongeveer 1025. Dat komt goed overeen met het noemen van de Zwijndrechtse waard in 1028. Het ophogen, in de vorm van terpen op de oeverwal van de Thuredrecht, moet dan al even aan de gang zijn geweest. Wie weet werd toen  al de eerste kapel op deze plek gebouwd. Die was dan onderhorig aan de kerk die toen al in de buurt van Heerjansdam (waar nog lang geen dam was) was gebouwd. In de jaren ’80 is daar een vroeg 11e eeuws kerkhof opgegraven.

boring 2
Doorsnede van een boring met klein, ophogingsmateriaal en zand- en afvallagen.

In het falsum van 1064 hebben we inmiddels gelezen dat de nederzetting aan de Thuredrecht toen al zo was gegroeid dat er een nieuwe kapel nodig was. Die was dus kort voor 1064 gebouwd, waarschijnlijk op dezelfde plaats als die eerste kapel. Al zal dat waarschijnlijk nooit echt  kunnen worden onderzocht, want in de kerk mag niet meer gegraven worden. Wel groeide Thuredrecht, dat steeds meer Durdrecht of Dordrecht werd genoemd, zo sterk dat al in de eerste helft van de 12e eeuw een fikse stenen kerk gebouwd werd. Daar werden bij de laatste restauratie van de kerk in 1986 resten van terug gevonden. Verhoeven schreef:

…bij opgravingen onder het koor [werd] muurwerk van tufsteen aangetroffen, dat kan worden gedateerd in de twaalfde eeuw. Het gaat om een romaans koor met halfronde absis van forse afmetingen. De binnenmaat bedraagt liefst negen meter, dat is twee meter meer dan de absiden van de uit dezelfde tijd daterende kapittelkerken van Sint Jan en Sinte Marie te Utrecht of de Bovenkerk te Kampen.

Plattegrond van de Grote Kerk. Rood: de muurresten van de 12e eeuwse kerk. Groen: reconstructie van de plattegrond van de 12e eeuwse kerk. Lichtblauw: de later aangebouwde zijbeuken. De vorm en plaats van de toren is gebaseerd op die van andere 12e eeuwse Hollandse kerktorens.

Dat duidt erop dat al voor de doorbraak van ca 1170 Thuredrecht een bloeiende plaats was, want anders zou men zo’n grote dure tufstenen kerk niet kunnen betalen. Het duidt waarschijnlijk ook op grafelijke bescherming en een tamelijk regelmatige grafelijke aanwezigheid. Al is dat voor de dood van Floris III in 1190 niet echt uit de bronnen op te maken. Vanaf die tijd, en dat heb ik al in diverse blogs behandeld, neemt de grafelijke belangstelling echter zienderogen toe.

Intussen is het wel duidelijk dat Dordrecht voor ca 1170 aan de zuidoostkant van de Zwijndrechtse Waard lag. En dat dat al sinds de zeer vroege 11e eeuw het geval was. Wie weet hadden de graven daar ook al een sterkte liggen, waar met name Dirk IV zich zo veilig voelde dat hij niet voldoende oplette en in 1049 verrast en gedood kon worden.

De vraag blijft: waarom is dit feit, want zo kan ik het inmiddels wel noemen, niet beter bekend en komt het maar zo summier in de Dordtse geschiedschrijving voor? Waarom wordt die doorbraak van de Merwede als oorzaak van het afscheiden van de Zwijndrechtse Waard zo weinig genoemd. Evenmin als de consequenties die dat had voor het vormen van de kleine stadsparochie en de nieuwe verbinding met Vlaanderen. Zelfs de tollenkrans wordt niet echt begrepen en waarom Dordrecht daarin die belangrijke rol van spin in het web vervulde, oftewel de rol van emporium, een handelscentrum. Iets dat al in 1200 en 1220 de nodige gevolgen had en in 1299 met het stapelrecht nog een sterkere juridische basis kreeg. Dat stapelrecht was dus niet, zoals in het boek over het museum in het Hof staat, “de basis van de welvaart” van de staat, maar een soort uitroepteken achter een periode van gestage groei als gevolg van een stormramp. Ook in 1200, 1204 en 1220 blijkt al dat Dordrecht een handelsstad met faciliteiten was. Dit alles tesamen was er de oorzaak van dat de stad een belangrijk grafelijk centrum werd, dat de graaf veel inkomsten opleverde.

Ik blijf die onbekendheid vreemd vinden.

Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard 3

Het denken over Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard veranderde pas weer toen de Wageningse professor Leen Pons (1921-2008) in 1994 een artikel publiceerde in Zwijndrechtse wetenswaardigheden over  ‘De Zwijndrechtse Waard in 1332. Een reconstructie op grond van bodemkundige gegevens.’ Pons was fysisch geograaf, oftewel bodemkundige, en sinds zijn pensionering in 1986 bezig geweest met de historie van de streek waarin hij was opgegroeid: de Zwijndrechtse Waard. Hij combineerde de historische bronnen met de geografische lagen en eigenaardigheden in dit gebied en kon een helder overzicht geven van de plaatsen en karakteristieken van de ambachten in de waard sinds de omdijking van 1331-32. Hij schreef in de inleiding ook over de periode daarvoor en meldde als het ware tussen neus en lippen door de doorbraak van de Merwede in de tweede helft van de 12e eeuw die Dordrecht van de Zwijndrechtse Waard scheidde.

Waarschijnlijk smaakte dat naar meer, want in 1997 verscheen in het Historisch-geografisch Tijdschrift een artikel met de titel ‘Dordrecht en de grenzen van ‘Swindrehtwert’’. Ik heb er hier al eerder over geschreven. Hij legde er duidelijk in uit dat zo’n doorbraak heel wel mogelijk was en dat hij er ook werkelijk is geweest. Hij maakte korte metten met het ‘zwingebied’ (de diverse kreken en  andere veenstromen) tussen Dordrecht en Zwijndrecht omdat het niet paste in het veenlandschap met weinig eb en vloed dat het rond 1000-1100 nog was.

Het enige dat een beetje vreemd was in het artikel uit 1994 is de uitspraak van Pons dat de waard in 1028 nog geen dijken had. Dat roept natuurlijk de vraag op waarom het gebied dan ‘waard’ heette. Volgens de etymologische woordenboeken is dat een door water omgeven, bedijkt gebied. Of zou hier de oudere betekenis van ‘eiland’ toepasbaar zijn? Dan kan het een gebied zijn dat wel ontgonnen is, maar waar men nog op oeverwallen, al of niet op terpen, langs de omringende rivieren woonde. Dat zou dus overeen komen met de andere ontginningen in dit gebied, die pas in de loop van de 12e eeuw last kregen van hoog water en vanaf die tijd omdijkt werden. In het artikel uit 1997 komt dit zinnetje over de afwezigheid van dijken trouwens niet meer voor.

kaart doorbraak
Kaart van hoe de doorbraak boven Dordrecht de rivierenloop in zuidelijk Holland veranderde (naar L. Pons 1992-1997).

De grotere stormvloeden van de 12e eeuw waren, volgens Pons, een gevolg van het doordringen van de zee in de brede riviermonding van de Maas-Merwede die gepaard gingen met het afbreken van waterscheidingen, het wegruimen van ondieptes als slikken en schorren en het verbreden van rivierbeddingen. Dat had hij al in een artikel uit 1992 geschreven. Er kwam meer verschil tussen eb en vloed en extremere weersomstandigheden plus de afwezigheid van stevige dijken gaven stormvloeden vrij spel. Die in 1134, 1163 en 1170 en 1174 hebben grote veranderingen in het landschap veroorzaakt. Waaronder de doorbraak van de Merwede die de rivieren de Thuredrecht en de Dubbel in tweeën splitsten. En die Dordrecht dus definitief van de Zwijndrechtse Waard scheidde. Bovenaan het blog ziet u de situatie voor die doorbraak en hierbij de reconstructie van de doorbraak zelf. Ik heb de beide tekeningen gebaseerd op de originele van Leen Pons uit 1997.

Aan beide zijden van deze nieuwe Merwede-tak zijn  voorbeelden gevonden van ophogingen, een soort terpen, uit het laatste kwart van de 12e eeuw. Ook werden die terpen al door dijkjes met elkaar verbonden, die zo een doorgaande dijk langs de omringende rivieren ging vormen. Een echte waard, zoals wij die kennen dus. Deze fase wordt bevestigd door de meest recente archeologische boringen rond de Grote Kerk die op kunstmatige ophogingen met klei en rietmatten op een oeverwal  wijzen. Maar ook al eerder waren hier terpen, die volgens de archeologen wel terug kunnen gaan tot voor het jaar 1000. En die in de 12e eeuw moeten zijn afgeslagen door overstromingen, waarna weer nieuwe ophogingen gedaan zijn die tot in de 14e eeuw door zouden lopen.

GvD1
Omslag van de laatst verschenen geschiedenis van Dordrecht, deel 1 tot 1572 (1996)

In de Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 uit 1996 staat het artikel van Pons uit 1994 wel in de literatuurlijst, dat uit 1997 natuurlijk niet. In het eerste deel van het boek wordt echter de theorie van Easton beschreven, een beetje vermengd met wat invloeden uit Van Dalen en zijn overstromings theorieën:

Omstreeks 1150 werd de Dordtse veenkreek (de Thuredrecht dus…) als gevolg van zware overstromingen een doorvaartroute en ontstond er bij de nederzetting een nieuwe rivierbocht.

Dit gedeelte werd geschreven door de ons al bekende Jan van Herwaarden. Het boek werd echter door een viertal  historici samengesteld en dan kan er toch wel eens verschil van mening geweest zijn over bepaalde aspecten van de geschiedenis. Het hoofdstuk over de kerkelijke geschiedenis van Dordrecht was bijvoorbeeld van de hand van Gerrit Verhoeven. Die schreef wel degelijk over het van de Zwijndrechtse waard afgescheiden parochiegebied, dat niet meer dan het stukje Dordrecht ten noorden van de Thuredrecht omvatte. Hij meldde ook nog dat voor het oprichten van een kapel voor de Begijnen in 1265 toestemming aan de Sliedrechtse pastoor moest worden gevraagd. Dat houdt in dat het gebied ten zuiden van de Thuredrecht onder de parochie Sliedrecht hoorde (evenals Merwede en Crayestein, dus). Hij schreef ook letterlijk:

Bij de herinrichting van de Waard (de Zwijndrechtse dus… HtJ) lag het niet voor de hand over het water heen de oude banden te herstellen en werden daar nieuwe parochies gevormd.

Verhoeven ging dus in tegenstelling tot Van Herwaarden, in hetzelfde boek, wel degelijk van een doorbraak van de Merwede uit. Hij gebruikte de kleine, door het water van de oorspronkelijke voorganger gescheiden parochie als bewijs.

Wordt vervolgd

Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard 2

ramaer
Ir. J.C. Ramaer. Portret uit 1912.

Jan van Dalen was na het plaatsen van het artikel uit 1912 door de historisch geograaf Ir. J.C. Ramaer (1852-1932) aangevallen. Die had in 1899 in zijn boek Geographische geschiedenis van Holland bezuiden de Lek en Nieuwe Maas in de Middeleeuwen de situatie van de rivieren rondom Dordrecht behandeld. Hij had daarin geschreven dat de Thuredrecht in het westen tussen de Dordrechtse en Zwijndrechtse Waard stroomde, een grensrivier dus, die hij situeerde op de plaats van de Oude Maas. De Oude Haven was maar een ‘sprant’ van die rivier die op den duur doodliep. De Devel was volgens hem een tak van de Dubbel die bij Heerjansdam zich weer met de Dubbel verenigde. Hij geloofde dus niet in een doorbraak, want dat was, volgens hem als ingenieur bij Rijkswaterstaat, waterstaatkundig niet mogelijk.

Van Dalen zag de Thuredrecht echter als een zijtak van de Dubbel, die op den duur de  Oude Haven vormde. Hij herinnerde aan de oorkonde van 1200 waarin over Dordrecht aan beide  zijden van het water wordt gesproken: dat water was dus de Thuredrecht. Allerlei bewijzen die Ramaer aandroeg werden door Van Dalen ontkracht. Dat leverde een vinnige pennestrijd op die in 1917 door Dr. C. Easton in het kort werd samengevat in het voor de Dordtse geschiedenis belangrijke artikel  ‘Het Dordtsche probleem. De vroegere loop der rivieren bij Dordrecht’ in het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap.

easton
Dr. C. Easton. Beeldbank Regionaalarchief Dordrecht.

Easton beschouwde het “niet mogelijk” van Ramaer als een “waterstaatkundig veto” van een zeer bevoegd deskundige en wilde er daarom niet aan twijfelen. Hij beschuldigde Van Dalen van het blijven vasthouden aan verouderde theoriën. Hierbij noemde hij de ideeën van Van Oudenhoven (1654 en 1666) en Smits en Schotel (1844). Hijzelf stelde een langzaam vollopen van een basin van riviertakken (zie de kaart die hij hierover publiceerde bovenaan dit blog), die voor en door Dordrecht stroomden, voor. Dit zou voor een nieuwe brede Merwedetak naar het zuidwesten gezorgd hebben. Één van die rivierlopen was dan de Thuredrecht. Easton verwierp dus net als Ramaer de gedachten van Van Dalen (en Smits en Schotel) dat er een enorme katastrophe geweest was met het argument dat die niet in de kronieken voorkwam. Ook de trajecten van de dijken wezen volgens hem (en Ramaer) niet op een aansluiting tussen de systemen in de Zwjndrechtse en Dordtse Waarden. Dit volstromen van het gebied zou dan ergens in het midden van de 13e eeuw hebben plaatsgevonden. Het probleem is dat daarover net zomin iets geschreven staat in de bekende kronieken, dus zijn eerdere redenatie doet wat komisch aan.

Wel was Easton het met Van Dalen eens dat de Thuredrecht het water was waar Dordrecht aan beide kanten naast lag. Hij zei wel dat het dan geen haven, de Oude Haven dus, geweest kon zijn. Waarom hij dat vond legde hij niet uit. Hij concludeert in ieder geval:

Zeker heeft Dordt toch nooit voor de helft ter plaatse van het tegenwoordige Zwijndrecht  gelegen!

geert renting
Geert Renting, foto uit één van zijn reisgidsen.

Het artikel van Easton heeft bijna 75 jaar woord- en wederwoord opgeleverd. Diverse historici en geografen hebben boeken en artikelen geschreven met oplossingen voor het Dordtse Probleem. Dat ging trouwens over nog meer dan het al of niet doorbreken van de Merwede ten noordwesten van Dordrecht. Het betrof ook de omdraaiing van de stroomrichtingen tussen Merwede en Maas.  Diverse afdammingen en het al of niet leggen van spui- en schutsluizen in en om de stad waren daar de oorzaken en ook de gevolgen van.

Geert Renting, historisch geograaf en toen medewerker van het Dordtse archief, schreef in 1991 in het  Historisch-geografischTijdschrift  en in Kwartaal & Teken, het toenmalige Dordtse archieftijdschrift, een op onderzoek en opgravingen gebaseerd voorlopig eindoordeel. Ook de loop van de Thuredrecht nam hij hierin mee. Hij concludeerde namelijk dat de Voorstraathaven van de Visbrug tot de Leuvebrug een in 1284 gegraven gracht was en dus geen grensrivier tussen de Zwijndrechtse en Dordtse Waard. De Thuredrecht zou in die theorie vanuit de Dubbel langs de Dubbeldamseweg, Blekersdijk, tussen het Begijnhof en de Vriesestraat en dan met een scherpe bocht naar rechts naar de monding van de Wijnhaven hebben gestroomd. Die theorie is sinds die tijd de meest bekende geweest. Ook ik heb dikwijls gedacht dat er wel wat inzat. Of Dordrecht al of niet in de Zwijndrechtse Waard had gelegen raakte zo een beetje op de achtergrond. Maar dat zou niet lang zo blijven.

Wordt vervolgd

Dordrecht in de Zwijndrechtse Waard 1      

Na drie weken stilte, begin ik het nieuwe jaar weer met een serietje blogs over de oorsprong van Dordrecht. In Apud Thuredrech heeft u al diverse keren gelezen over de doorbraak van de Merwede die ervoor zorgde dat Dordrecht werd afgescheiden van de Zwijndrechtse Waard. Inmiddels wordt dit idee redelijk breed aanvaard door hen die over de geschiedenis van de stad wat beter zijn ingelicht. Het is echter nog helemaal niet zo lang geleden dat er heel anders over de oorsprong van Dordrecht werd gedacht. Ik wil in dit en de komende blogs hier wat aandacht aan schenken, omdat ik me afvraag waarom die heel waarschijnlijke theorie nog steeds niet algemeen erkend of gekend wordt. In ieder geval wens ik voor al mijn lezers dat ze een goed en gelukkig 2017 zullen krijgen. Apud Thuredrech heeft inmiddels meer dan 10.000 weergaves gehad en 101 abonnee’s; niet gek voor een nogal lokaal en regionaal geörienteerd blog.

Dat Dordrecht oorspronkelijk in de Zwijndrechtse Waard lag werd voor het eerst al gemeld in 1654 door dominee Jacob van Oudenhoven. Hij had in zijn Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt, vervangende een generale beschrijving bij de behandeling van de riviertjes de Dubbel en de Devel geconcludeerd dat die oorspronkelijk één rivier moesten zijn geweest. Dat ze nu aan weerszijden van de Oude Maas stroomden betekende dat deze op een bepaald moment een “Inbreuck van Water” geweest moest zijn. Hij schreef dan ook:

Aen de Noort-zijde, daer de stadt nu gantsch op het Water leydt, placht ze ten meerendeel aen het vaste Landt vast te liggen.

(Zie de afbeelding van een detail uit p. 45 van het bovengenoemde boek.)

Hij ging hier en in latere boeken over de historie van Dordrecht niet echt in op de oorzaak van de doorbraak. Maar het was gezegd en gedrukt.

matthijs balen
Matthijs Balen, van een portret in zijn boek, 1677. Gravure door Romein de Hooge.

Matthijs Balen, de historieschrijver die in 1677 zijn bekende tweedelige Beschryvinge der stad Dordrecht uitgaf, schreef dat hij veel van zijn materiaal aan dokter Van Beverwijk (een andere 17e eeuwse stadshistoricus) en aan Van Oudenhoven had ontleend. Dat Dordrecht aan een rivierdoorbraak lag nam hij niet van de laatste over. Hij ging er, zoals eerder hier gezegd onder invloed van Herman Oem, van uit dat de stad Dordrecht ontstond op een eiland omgeven door rivieren als een langwerpig dorp van boeren en vissers die in houten huizen langs de Oudendijk (Voorstraat) woonden. Voor die dijk liep volgens hem een water, waar bij de Tolbrug en Toltoren tol werd geheven van voorbij varende schepen. Die rivier zou langzaam verland zijn. Bovendien ontstond er aan de noordwestkant een Nieuwe Aanwas. Daar zou men op den duur het tweede deel van de stad zijn gaan bouwen. Tegelijk werd tussen de Oudendijk en de Nieuwendijk op die nieuwe aanwas een haven gegraven, die, nadat in 1410 de Nieuwe Haven was ‘gegraven’, de Oude Haven werd genoemd. Dat is nu dus de Wijnhaven.

De rest is historie want dat smalle dorp aan weerszijden van die haven groeide uit tot de stad die Balen kende door een reeks van keurig genummerde en gedateerde kunstmatige vergrotingen. Nergens spreekt hij over de Oude Maas, die hij kende als de Merwede, want het deel dat voor Dordrecht naar het noorden stroomde heette inmiddels het Noorderdiep of de Noord en niet meer Merwede zoals in de middeleeuwen. Waarom Balen de theorie van Van Oudenhoven niet overnam is niet bekend.

jan smits
Jan Smits (1775-1857), naar een litho door H.F. Hanselaar naar een schilderij van G.A. Schmidt.

Latere geschiedschrijvers hebben Balens versie lang voor lief aangenomen tot Jan Smits en Gilles Schotel, bekende Dordtse geschiedschrijvers uit de 19e eeuw, rond 1844 Van Oudenhoven  citeerden. Het idee trok hen wel aan. Zij vroegen zich wel af wanneer die ramp had plaatsgevonden en suggereerden ergens tussen 1170 en 1176. Van Oudenhoven had die jaartallen al in een lijst van stormvloeden staan, maar had die connectie niet gemaakt. Smits en Schotel dachten dat het in ieder geval vóór 1200 gebeurd was en zochten gewoon de dichtstbijzijnde rampen op. Daarbij zaten ze dus, zoals wij inmiddels weten, behoorlijk in de buurt.

gillis schotel
G.D. J. Schotel (1807-1892), litho door F.A. Heyman, 1859.

Jan van Dalen (1864-1936) was een nogal briljante schoolmeester die in 1901 stadsarchivaris van Dordrecht werd. Hij schreef in de jaren dertig de eerste moderne geschiedenis van de stad, gebaseerd op stukjes die hij jarenlang in de krant schreef. Hij was na Smits en Schotel de eerste die in het kader van een onderzoek naar het stichten of het ontstaan van Dordrecht kritisch naar de doorbraak-theorie keek.

 

 

Hij onderzocht de bronnen (die u inmiddels in deze blogs verschillende keren voorbij heeft zien komen), citeerde ze en concludeerde uit de dikwijls legendarische verhalen:

Van een stichting van Dordrecht blijkt dus niet veel.

Hij ging ervan uit dat er toch wel een nederzetting van Friezen of Franken geweest moest zijn op de plaats waar de Dubbel via twee armen in de Merwede en de Waal uitkwam (!). Met name aan de oostelijke arm zou Dordrecht ontstaan zijn. Hij vatte het samen als een echte historicus:

Maar hoe het ontstaan eigenlijk gegaan is, ligt in het duister. Het is wel sneu, zoo van het oude interessante stichtingsverhaal afstand te moeten doen, maar de waarheid moet toch voorgaan.

Een eindje verder in deel 1 van zijn Geschiedenis van Dordrecht schrijft hij een intrigerend zinnetje:

Of de plaats aan het land van Zwijndrecht paalde is niet te zeggen: mogelijk bestond de Oude Maas nog niet.

Hij verbond hier geen conclusies aan, maar meldde wel dat de Zwijndrechtse Waard al in 1006, 1028 en 1050 wordt genoemd. Uit de vermelding in de bronnen dat deze waard langs de rivier de Merwede lag en dus ook stroomde door de geul die wij tegenwoordig de Noord noemen trok hij, voorzichtig, de conclusie dat “de Oude Maas blijkbaar nog niet in wezen” was. Hij ging hier helaas niet verder op in.

jan van dalen
Jan Leendert van Dalen, ca 1930, collectie H.J. Tollens.

Toch was dit niet de eerste keer dat Van Dalen over de al of niet bestaande Oude Maas schreef. Al in 1912 had hij een artikel gepubliceerd in het tijdschrift met de lange naam Bijdragen en mededeelingen van het Historisch Genootschap over de oudste oorkonden over Dordrecht (1006-1299). In een bespreking van het ons al bekende falsum uit 1064 had hij gezien de route die daarin beschreven stond al geconcludeerd dat de Oude Maas toen nog niet bestond. En even verder:

Voorshands blijf ik dus bij mijn gevoelens, dat  de Oude Maas van Dordrecht tot Heerjansdam door doorbraak is ontstaan, waardoor  Dubbel en Devel van elkaar gescheiden werden.

Het stond er in 1931 dus flink wat minder zeker. Van Dalen was een nogal uitgesproken man en hield, volgens zijn biograaf op de site van het Regionaal Archief van Dordrecht, steeds hardnekkig vast aan zijn eigen opvattingen:

Bij tal van gelegenheden bleek hoezeer Van Dalen overtuigd was van de juistheid van eigen visie en correctie noch tegenspraak duldde. Waagde iemand het met hem van mening te verschillen, dan gaf hij hem er mondeling of schriftelijk in sarcastische bewoordingen fel van langs.

Wat was er tussen 1912 en 1931 gebeurd dat de eigenwijze archivaris niet meer zo zeker van zijn zaak was?

Wordt vervolgd

Achteraf 2

Historici hebben proberen te verklaren hoe die opstand tegen de Spaanse troepen van Alva (dus niet tegen koning Filips in Spanje, die bleef voorlopig nog buiten schot) begon en waarom. Er waren er inderdaad die schreven dat die statenvergadering in Dordrecht wel eens de aanzet voor alles heeft kunnen zijn. Anderen pleiten voor de overval op Brielle. Of de inval van de Oranjes in 1568 het jaar waarin alle tot nu toe gepubliceerde geschiedenisboekjes die 80-jarige oorlog laten beginnen. Weer anderen wijzen op het jaar 1566 toen ‘de edelen’ aan de landvoogdes een ‘smeekschrift’ aanboden om af te zien van het vermoorden van protestanten (zie plaat van deze aanbieding bovenaan de pagina) en toen diezelfde protestanten de interieurs van diverse katholieke kerken kort en klein begonnen te slaan. Nog weer anderen zien in het tegen de gebruiken van de Nederlandse provincies ingaan van de koning, via zijn landvoogden en Alva, de echte aanleiding voor de opstandige gevoelens van de steden en landen. De moderne, dikke geschiedenissen van de 80-jarige oorlog, die ik in mijn eerste blog in de serie Dordrecht en de gewetensvrijheid heb genoemd, proberen al die zaken mee te nemen, maar zien het breder.

Ingekleurde gravure van Spaanse soldaten uit het begin van de opstand. Anoniem, ca 1570.

Iedereen maakt nu gebruik van kennis die de mensen in die tijd niet hadden. Die hadden niet dat overzicht. Na Brielle op 1 april 1572 kozen de  meeste steden in Holland en Zeeland en ook een heel stel in het noorden en oosten van het land voor opstand tegen de Spanjaarden en hun tirannie. Dat zou echter niet ongestraft blijven, dat wisten ze maar al te goed. Dus moest er het nodige voorbereid worden. Holland liep voorop, daar was het begonnen (en in Zeeland, maar die gingen in 1575 pas echt meedoen). De illegaal, want zonder overleg met de Staten, aangestelde stadhouder lieten ze links liggen en sloten zich aan bij de nooit officieel ontslagen stadhouder, Willem van Oranje. Die stond klaar met een leger en had geld nodig. Zelf hadden de Staten niet echt een leger, dus alle hulp was welkom. Vandaar ook dat ze graag betaalden om de prins te helpen hen te helpen. Dat is in een notedop hoe de situatie zomer 1572 was.

En dan was er ook nog die wens van de prins om de katholieken met rust te laten en hen gewoon hun gang te laten gaan. Dat moest nog wel met de andere provincies overlegd worden, maar daar stonden de  meeste gewone Hollanders (van wie de meerderheid nog gewoon katholiek was) niet vijandig tegenover. Ze vroegen zich wel af wat ze moesten doen als die katholieken dus vijandig werden en met de Spanjaarden bleven heulen. Ook dat werd op die statenvergadering in Dordrecht besproken.

calvijn
Johannes Calvijn (1509-1564), de grondlegger van een strenge vorm van protestantisme: het calvinisme. Portret uit ca 1540.

Of de prins ook gedacht heeft dat die wens voor godsdienstvrijheid er echt door zou komen is natuurlijk niet bekend. Dat kan geen enkele historicus nog achterhalen. Dat hij voor gewetensvrijheid was is wel bekend, maar we weten ook dat het nooit een wet is geworden. De veel fanatiekere calvinisten, die toen nog maar een kleine minderheid vormden onder de protestanten in de meeste provincies, maar die in Holland en Vlaanderen snel tot een invloedrijke groep uitgroeiden, hielden elke vrijheid van religie tegen. In de latere statenvergaderingen wilden ze het katholieke geloof gewoon verbieden.

Ik heb hiervoor al betoogd dat men in 1572 niet dacht aan het vormen van een vrije staat. Pas met het vogelvrij verklaren van de prins in 1580 ging men in de noordelijke provincies denken aan het zich losmaken uit het Habsburgse rijk. Men ging op zoek naar een nieuwe vorst. Men stond ook niet negatief tegenover vrijheid van geweten of godsdienst, maar daarover werden nog niets beslist. Toen het op het laatst in 1579 in Utrecht wel op de agenda kwam, hadden de calvinisten de meeste kerken, ook buiten Holland, al in beslag genomen en de katholieken gewoon verdreven. De katholieke eredienst werd overigens in 1573 al door diezelfde Staten van Holland verboden toen de Spaanse furie in alle hevigheid losbarstte. Ze vormden een te logische vijfde colonne voor Alva.

Je kunt dus niet volhouden dat in juli 1572 in Dordrecht (en later in Rotterdam en Delft) er een nieuwe natie was geboren en dat de godsdienstvrijheid er werd gegarandeerd. Je kunt achteraf zeggen dat het een stap was op een lange weg naar nu, maar dat was Den Briel ook, of de beeldenstorm of het smeekschrift der edelen. Om maar in die periode te blijven. In de vergadering in Dordrecht werd bevestigd dat de prins de Hollandse (!) stadhouder was, dat hij geld zou krijgen om de oorlog tegen Alva en zijn troepen te voeren en er werden maatregelen genomen om de Spanjaarden, als ze terugkwamen, te weerstaan. Hiervoor werd, op voorspraak van Oranje, een soort generaal aangesteld, Lumey. En als er nog eens een Staten Generaal vergadering zou komen zou de vrijheid van religie op de agenda komen. Meer niet. Je kunt het zelf nalezen; het staat in de notulen.

hegel
Portret van Georg Hegel (1770-1831), een 19e eeuwse Duitse filosoof, die de theorie van het historicisme bedacht.

Achteraf kun je alles verklaren of in ieder geval proberen een verklaring te vinden, maar je moet wel nuchter blijven. In Dordrecht werd onderhandeld over de rechten en plichten van de Staten en hun stadhouder en over geld. Meer niet. Die godsdienst kwam later wel; nu kwamen de Spanjaarden er aan. Als je nu een lijn ziet in een serie oorzaken en gevolgen in de 16e eeuw die uitmonden in het Nederland van nu, ben je verkeerd bezig. Dat heet historicisme en dat is een methode die door historici al lang geleden is los gelaten. We proberen nu te verklaren wat men vroeger deed en waarom, waar dat vandaan kwam (oorzaak) en wat er vervolgens daarna gebeurde (gevolg). We houden ons niet bezig met hoe die gebeurtenissen hun invloed op nu hebben. Dan kun je de houtvuurtjes van de jagers-verzamelaars in de pre-historie wel de schuld geven van de opwarming van de aarde en het geven van stadsrechten in de middeleeuwen aanwijzen als de oorzaak van het parkeerprobleem in binnensteden.

Achteraf 1

kwartje
Kwartje, voor de aanpassing aan de moderne tijd. Zoals mijn ouders (en ik) het gekend hebben.

Achteraf kijk je een koe in z’n (haar?) kont. Dat was bij ons thuis een uitdrukking die gebruikt werd als het ging over iets dat je niet van tevoren had zien aankomen, maar dat achteraf gezien onvermijdelijk was. Maar ja: dan was het te laat… Direct daarbij aansluitend is het zinnetje: als je alles van tevoren wist kan je met een kwartje de wereld rond. Waarbij voor jongeren verduidelijkt moet worden dat een kwartje voor de overgang naar de euro 25 cent was, een kwart gulden. Die uitdrukking betekent ook zoiets: het heeft geen zin je na afloop te beklagen over gebrek aan voorkennis. Historici hebben veel met deze  zinnetjes te maken. Het is hun vak om uit te zoeken wat er vroeger gebeurd is en dan moeten ze proberen te achterhalen waarom het zo gebeurd is. En hoe precies, als dat onduidelijk is tenminste. Daarna kunnen ze een reconstructie maken als: er gebeurde dit, en toen deed die en die dat, en dat had weer tot gevolg dat zus en zo gebeurde. Daarmee is dan iets verklaard, wat na, bijvoorbeeld, 500 jaar niet meer zo duidelijk was.

peer vries
Dr. Peer Vries in een karakteristieke houding.

De mensen over wie zo’n verklaring gaat, zagen dat eindresultaat in hun tijd natuurlijk zelden aankomen. Die konden ook alleen maar zeggen: als we dat en dat toen anders gedaan hadden, was alles anders verlopen. Ja, jammer dan: dat is achteraf geredeneer. Je kunt niet in de toekomst kijken want “in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst”.  Historici mogen zich ook niet met de toekomst bezig houden. Ook iets dat dr. Peer Vries ons tijdens de colleges historiografie inpeperde: “Als een journalist je vraagt hoe de volgende verkiezingen zullen gaan verlopen gezien de historie van het zittende kabinet, moet je hard weglopen.” We doen niet aan ‘wat als…’ of koffiedik kijken. We houden ons met het verleden bezig en proberen daar wat van te leren. Wat overigens niet betekent dat de geschiedenis veel invloed op de toekomst heeft, want als er iets is dat je van geschiedenis leert is dat die zich regelmatig lijkt te herhalen. Ik zeg er ‘lijkt’ bij, want als je beter oplet is het nooit helemaal hetzelfde, maar je kunt er van uitgaan dat de mens de neiging heeft in de koeienkont te blijven kijken.

Dit hele stuk dient als inleiding op een blog in 2 delen dat ik aan enkele reacties wijd die op mijn Dordrecht en de gewetensvrijheid blogs volgden. Jawel, ik heb een reactie van het museum binnen. Ik ga die niet hier behandelen, want dat doe ik wel met de directie zelf. Ik wil wel een trend daaruit aankaarten, omdat ik die al meer tegen gekomen ben in mijn leven. Zowel voor als na mijn afstuderen als historicus trouwens. Dat is namelijk de trend om in een resultaat van een historisch proces meer te zien dan er eigenlijk inzat. Zoals:

het resultaat van de ‘eerste vrije’ statenvergadering was dat de republiek ontstond waarin iedereen vrij was de denken wat hij wilde en elke godsdienst te belijden die hij wilde. Uiteindelijk had dit het vrije en tolerante Nederland tot gevolg.

Dat is de link die onder andere het museum in het Hof wil leggen. Dat is echter een foute denkwijze. Zo kun je namelijk alles van nu uit vroeger verklaren als je maar genoeg (dubieuze) verbanden legt. De opwarming van de aarde die voortkomt uit de kampvuurtjes van jager-verzamelaars, of het parkeerprobleem in binnensteden doordat de graven van Holland sommige steden bepaalde rechten gaven.

omslag 1
Omslag Tachtigjarige Oorlog onder redactie van Petra Groen (2013).

De 80-jarige oorlog is voor veel Nederlanders een belangrijke ‘gebeurtenis’ (beetje verkeerd woord voor zo’n lange periode, maar u begrijpt, gezien de inleiding, wat ik hiermee bedoel) in hun vaderlandse geschiedenis. Historici worden niet moe te benadrukken dat die periode onze natie heeft gevormd en misschien zelfs wel ons volkskarakter. Dat deden ze zelfs al in de tijd dat die oorlog nog bezig was. Sinds de 19de eeuw was het ook het onderwerp waardoor de onder één koning verenigde zeven zelfstandige provincies (die er 11 werden) en hun nog zelfstandiger steden zich Nederlanders moest gaan voelen. De nog steeds aanwezige katholieken hadden het daar wat moeilijk mee, zoals u zult begrijpen. Nederland heeft nooit zoveel met zijn middeleeuwse wortels gehad, maar die Opstand; dat was het wel. Daardoor zijn wij gevormd. Daardoor zijn wij dat eigenwijze en slimme volk van dominees en kooplui geworden, dat iedereen wel eens zal laten voelen hoe tolerant ze zijn.

Het gevolg was dat veel recentere historici zich daar ook mee bezig gingen houden en er steeds meer onderzoek naar de oorzaken, gebeurtenissen en gevolgen van die Opstand werd gedaan. Daarbij zijn nogal eens wat verouderde opvattingen gesneuveld. Maar veel zijn ook blijven bestaan, vooral bij degenen die dat op hun school geleerd hebben. Want in de geschiedenisboekjes bleven de 19de eeuwse opvattingen nog lang nasudderen. En dan heb ik het hier vooral over de opvatting van Dordrecht, welke stad denkt dat bij hen de vrijheid van meningsuiting en het huidige Nederland zijn begonnen.

Wordt vervolgd.

Wat nu?

Ik had na mijn laatste serie blogs over Dordrecht en de gewetensvrijheid wel het een en ander aan reacties verwacht.  Herman van Duinen heeft inderdaad een aantal aanvullingen gegeven, die mooi aansloten bij de stof, er waren wat vragen over Vlaanderen en Limburg en Mr. Frank Visser was weer een illusie armer, maar dat was het wel. Het op één na laatste blog (7) had ik ook naar het college en de gemeenteraad van Dordrecht gestuurd en het laatste blog (8), naast die groep, ook naar alle medewerkers van het museum in het Hof. Uit de gemeenteraad kwam een complimenteuze mail van een fractievoorzitter en een uitnodiging voor een gesprek van een wethouder. Uit het museum kwam niks. Dus ik vond het allemaal nogal mager. En dat nadat ik best een pittig stuk kritiek heb geschreven. Met name kritiek op het museum…

ingang museum
Ingang van het museum in het Hof, links de studiezalen van het Regionaal Archief.

Nou heeft gebrek aan reacties me nooit belet om gewoon door te gaan met wat ik doe, maar ik vond het wel tekenend. Ik begrijp het ook wel. Want wat moet je als gemeente Dordrecht en museum in het Hof (ik weiger de officiële naam op te schrijven, want die is al net zo onhistorisch als een deel van de inhoud van het museum) met zulke kritiek? Ik heb natuurlijk wel het een en ander overhoop gehaald. Als Dordrecht Marketing kun je gemakkelijk op internet een slogan aanpassen, in het museum zijn opstellingen gemaakt, teksten geschreven en dingen vastgelegd die niet zo makkelijk of goedkoop aan te passen zijn. Toch hebben ze het aan zichzelf te wijten: hadden ze niet eerst een historicus naar hun teksten kunnen laten kijken?

fonkeling
Gezicht in de kelder, waar de middeleeuwse opstelling, de Fonkeling, zich bevindt. Rechts in de doorgang ziet u een glimp van heraldische wandkleden.

In 2013 werd ik door toenmalige directie en inrichters gevraagd om een plan in te dienen voor de tussenruimte in de kelder, waarin het middeleeuwse deel van de tentoonstelling (de Fonkeling) in de keldergewelven  overgaat naar de trap naar de begane grond. Men vond mijn ontwerp voor de zaal van het 14e eeuwse huis Te Merwe geschikt om er op die plek een indruk van te geven. En dat is ook gebeurd, maar wel aangepast. Ook heb ik de basisgegevens, zoals kaarten en afbeeldingen van gebouwen, voor de animatie van de groei van middeleeuws Dordrecht aangeleverd, die mijn vriend Per Bos in een zeer interessant filmpje heeft verwezenlijkt. Zeer de moeite waard om te bekijken. Omdat ik daar toch bezig was, heb ik me tegelijk bemoeid met de bijschriften van die middeleeuwse afdeling. Daar klopte namelijk het een en ander niet van. Het is inmiddels allemaal netjes rechtgetrokken. Zo kwam ik dus te weten dat er geen historici naar die teksten en bijschriften had gekeken. Dat is toch raar? Of heb ik dat mis?

overtuiging
De dormter van het klooster met de opstelling over godsdienst, de Overtuiging, waar zich ook de foutieve uitspraak over gewetensvrijheid als effect van de statenvergadering bevindt.

Uit de hieraan vooraf gaande blogs blijkt dan ook wat er met name bij het gedeelte over de Hollandse statenvergadering in 1572 verkeerd is gegaan. Dat had door het inschakelen van een historicus, die meer gespecialiseerd was in de periode dan ik, mooi vermeden kunnen worden. Niet dat hij of zij dat gemakkelijk had kunnen doen. In ieder geval sinds 1972, maar waarschijnlijk al veel eerder, is de rol van Dordrecht in het ontstaan van de Republiek en het van onze stad uit verspreiden van godsdienst- en gewetensvrijheid er hier behoorlijk ingesleten. Zoals ik heb proberen te bewijzen: ten onrechte. Herman van Duinen had nota bene al in 2013 deze ‘fictie’ aangekaart in het hier behoorlijk bekende internet tijdschrift Dordrecht Monumenteel. Er kwam geen enkele  reactie op. En toen stond nog lang niet vast wat er in de opstelling allemaal over 1572 gezegd zou worden. Aan de fictie werd dus klaarblijkelijk vastgehouden. Toen in 2015 het Hof museum officieel door de koning werd geopend, werd er ten overstaan van heel Nederland nog eens mooi weer gespeeld met deze, in mijn ogen, geschiedvervalsing. En kon iedereen het niet kloppende manifest ondertekenen. Ik heb me echt zitten verbijten en schaamde me rot.

madurodam
De zogenaamd historische inrichting in het ‘Hof’ in Madurodam. Zoek de fouten.

Aan de andere kant: ga er maar aanstaan. Dan heb je een mooi museum dat veel geld gekost heeft en dan blijkt dat je fabeltjes staat te vertellen. Hoe ga je daar mee om? Nog eens een hoop geld uitgeven aan een aanpassing van de zalen? Om maar niet te spreken over het overdoen van de film, die eigenlijk helemaal een historische aanfluiting is, al is het idee erachter (van deze tijd overgaan naar 1572) best goed gedaan.  En dan moet je je ook nog eens realiseren dat die hele vergadering waarschijnlijk helemaal niet gehouden is in de refter van het Augustijnenklooster, die al sinds mensenheugenis de Statenzaal wordt genoemd. Ik zou van minder wakker liggen. En dan moet Dordrecht Marketing aan de slag om de toeristische schade te beperken van mensen die zich belazerd voelen omdat ze vals voorgelicht zijn. Meneer Davides zal niet de eerste toerist zijn die deze foute informatie aan de goegemeente doorgeeft.  En dan heb ik het nog maar niet over die frutsel die in Madurodam is neergezet.

overstroming
Opstelling in het museum over de overstroming van de Elisabethsvloed in 1421.

Ik realiseer me wel degelijk dat ik het de gemeente Dordrecht niet makkelijk maak. Dat is jammer, maar het kan niet anders. Het is de taak van een historicus in te grijpen als de geschiedenis geweld aangedaan wordt: waar dan ook en door wie dan ook. Dat hoort bij het vak. Dat dat dikwijls niet leuk is om aan te horen, nemen we op de koop toe. Mijn docent historiografie aan de universiteit van Leiden, dr. Peer Vries, waarschuwde ons al dat historici niet populair zijn op verjaardagen en in de disco, want wij zijn die vervelende mensen die altijd zeggen: ja, maar… En dan komt er weer iets dat de leek verkeerd heeft begrepen. Of geleerd. Dat moet dan maar. Maar de gemeente Dordrecht moet hier ook echt wat mee, want als dit in bredere kring bekend wordt, zal onze mooie stad bekend staan als de risee van de Nederlandse geschiedenis. En dat zou zonde zijn.

Dordrecht en de gewetensvrijheid 8

Dit laatste en langste blog van de serie is vooral een samenvatting van de eerdere blogs, maar ook een uitleg waarom die EVS nodig was en wat er besloten werd. En waarom Dordrecht pronkt met veren die niet eens bestaan. We moeten daarom maar eens stoppen met het de ‘eerste  vrije’ statenvergadering te noemen.

Na het mislukken van een aanval op de legers van Alva die de 17 provincies hadden bezet in 1568, trokken Willem van Oranje, als aanvoerder van die aanval, en zijn broer Lodewijk zich terug. De strijd tegen de Spaanse overheersing ging ondergronds echter door.  De anti-Spaanse propaganda werd een tandje hoger gezet, de geuzen, te water en te land, voerden een guerilla-oorlog tegen katholieke geestelijken en magistraten en de prins probeerde vanuit Duitsland een nieuw leger op de been te brengen. Het probleem was dat hij failliet was en zonder geld kon hij niets uitrichten. Vandaar dat hij al snel begon de steden en edelen van de Lage Landen te bewerken om hem geld te sturen.

alva moordt
Protestprent: Alva vermoordt de inwoners van de Nederlanden. Gravure, anoniem 1572.

Vooral toen de vervolgingen van protestanten erger werden, de inkwartieringen van Spaanse soldaten begonnen te drukken en zeker nadat Alva nieuwe belastingen had bevolen, waaronder de tiende penning op de verkoop van roerend goed (een soort BTW), werd het verzet steeds heviger. Hugo de Groot, die van de boekenkist, zou later zeggen:

Het Hollandse volk keek onbewogen toe hoe zijn burgers werden verbrand, zijn edelen onthoofd en zijn privileges en costumen verkracht, maar stond op toen iemand een aanslag op zijn beurs deed (uit De Graaf, Oorlog, mijn arme schapen, p. 158).

Er kwam, zoals men zegt, steeds meer draagvlak voor een een opstand tegen de Spaanse bezetting en die zou op 1 april 1572 met de inname van Brielle van start gaan.

carolusgulden
De zilveren Carolusgulden van 20 stuivers. Algemeen betaalmiddel in de 16e eeuw.

Inmiddels was de prins van Oranje dus naarstig bezig geld in te zamelen. Tientallen van zijn bodes, dikwijls halve spionnen, reden door de Nederlanden, Duitsland en Frankrijk (waar de Hugenoten op zijn hand waren) en bedelden bij edelen en steden om geld. Tussen 1570 en 1572 zijn dan ook honderden bedragen, van een paar honderd tot duizenden guldens, marken en ponden naar de Dillenburg vervoerd. Hiermee kon hij een begin maken met het ronselen van huurtroepen. In april was hij echter nog lang niet zover. Vandaar dat de inname van Brielle en de daaropvolgende golf steden die naar hem overliepen zo’n verrassing was. Hij kreeg hoop op een volksbeweging die hem in staat zou stellen een inval te doen. Evenals broer Lodewijk die dat met hulp van Franse Hugenoten zou doen en zijn zwager Willem van den Bergh die Oost-Nederland zou binnenvallen.

spaanse soldaten
Ingekleurde gravure van Spaanse soldaten uit het begin van de opstand. Anoniem, ca 1570.

Het bedelen om geld werd nog verder opgevoerd in mei en juni. Toen stadhouder Bossu de Staten van Holland, waar de opstand het verst reikte, voor 15 juli bij elkaar riep in Den Haag, konden ze niet meer terug. Ze moesten zelf een beslissing nemen. Al of niet onder invloed van de prins besloten ze op eigen houtje  bij elkaar te komen, dat was per slot van rekening eerder gebeurd. De situatie was zo ernstig dat deze nood wetten brak. Te meer omdat ze konden verwachten dat Alva, die in het zuiden bezig was, het er niet bij zou laten zitten nu ze zo opvallend in opstand waren gekomen. Er moest voor een landsverdediging gezorgd worden en daar was geld voor nodig. Er moesten wettige besluiten worden genomen over hoe alles  geregeld moest worden: dat was immers hun taak? Gouda, de eerste keus (de archieven van de Staten werden er bewaard), verwees naar Dordrecht als eerste stad van Holland en die begon op 3 juli de vergadering te organiseren.

schrikbewind
Nog een allegorie op het schrikbewind van Alva. Anonieme gravure, 1569.

Willem van Oranje was op de hoogte van de toekomstige vergadering en stuurde mensen met instructies naar Holland (7 juli) en later, toen de datum bekend was, op 13 juli zijn vriend Filips van Marnix, met een nieuwe en uitgebreidere instructie. Daaruit blijkt dat het de prins menens was, maar dan wilde hij wel dat iedereen hem officieel [tussen 1 april en 15 juli hadden 15 Hollandse steden individueel al voor hem gekozen] erkende als de wettige stadhouder van Holland (en Zeeland, Utrecht en Friesland), wat hij voor 1568 ook geweest was. Er was nooit overleg geweest met de Staten om hem af te zetten en daarom zat Bossu volkomen rechteloos op zijn plek. Niet overleggen met de Staten ging volledig in tegen de beloften die de, toen toekomstige, koning Filips II in 1549-50 had gedaan. Alva trok zich ook niets aan van de privileges van de Staten Generaal en de diverse steden en handelde ook bij het verbranden van ketters, het onderdrukken van steden en dorpen en het invoeren van belastingen zonder enig overleg. Dat tegen de beloften van de koning ingaan was in de instructie ook de belangrijkste reden om het tirannieke bewind van de hertog en zijn troepen af te keuren en ertegen in opstand te komen.

lumey in kleur
Kleurenafbeelding van Willem van der Marck, heer van Lumey, door Dirck van Catwijck in de kroniek van de familie Van Wassenaar, 16e eeuw, Nationaal Archief.

Er staat ook in de instructie wat er aan praktische zaken geregeld en betaald moesten worden, maar vooral vroeg hij om veel geld voor zijn leger. En dat moest snel bij hem gebracht worden. Bovendien moest men beloven dat er ook voor de komende drie maanden het nodige aan soldij voor de troepen zou komen, want anders zou hij ze niet in de hand kunnen houden. Ondanks dat er dan een generaal in Holland zou zijn, die als zijn vervanger zou fungeren: Lumey. Of die ook gelijk maar geïnstalleerd zou kunnen worden.

De in Dordrecht bij elkaar gekomen ‘gedeputeerden’ uit de adel en de steden erkenden dat de prins nog steeds hun stadhouder was en keurden een bedrag goed van 100.000 kronen ineens en de belofte van nog eens 500.000 wat maanden later. Hiervoor zou kerk- en kloosterzilver en –goud niet ontzien worden, maar ook rijke kooplieden en de steden zelf zouden diep in de beurs moeten tasten. Lumey werd inderdaad tot militair gouverneur van Holland benoemd. Hij kreeg wel een commissie naast zich die erop zou letten dat hij die taak naar behoren zou uitvoeren. Verder werden maatregelen genomen om de verdediging van het land op orde te brengen. De kosten daarvoor zouden uit de gewone belastingen betaald worden. Verder zou contact opgenomen worden met de Staten van de andere provincies om tot een gezamenlijke aanpak tegen Alva te komen.

Als laatste melden de notulen dat de prins graag zag dat de vrijheid van godsdienst gehandhaafd zou worden, maar dat daar pas door de Staten Generaal echt over beslist zou kunnen worden. Dat is het.

don fadrique
Don Fadrique Alvarez de Toledo, zoon van de hertog van Alva. Portret uit ca 1575-80, waarschijnlijk door een Vlaamse schilder.

Het leger van de prins liep in september echter vast in Henegouwen, zijn broer moest de hulp van de Franse Hugenoten ontberen omdat hun leiders op één bloederige nacht in augustus uitgemoord werden en de zoon van Alva, Don Fadrique, moordde tussen oktober en december de steden Mechelen, Zutphen en Naarden uit als vergelding voor de opstand. Haarlem werd sinds december belegerd en viel in juli 1573. Voor Alkmaar, dat vanaf augustus van dat jaar belegerd werd, begon 8 oktober de victorie. Ook mislukte het beleg van Leiden: op 3 oktober 1574 werd de stad ontzet. Holland was voor een groot deel bevrijd van de Spanjaarden, maar overal om hen heen was het oorlog. Die zou nog, met een onderbreking van 12 jaar, duren tot 1648.

In Dordrecht werd tussen 19 en 23 juli dus geen nieuwe staat gesticht. Er werd zelfs geen begin mee gemaakt. Een aanzet tot een democratisch systeem in Nederland was het al helemaal niet. Het was de voorbereiding op een oorlog, de erkenning van de prins als stadhouder van Holland en een belofte van het geven van heel veel geld voor een militaire actie die gedoemd bleek te mislukken. Er was zelfs geen sprake van het verlaten van het Habsburgse rijk. Pas in 1581 zegde men de gehoorzaamheid aan koning Filips II op, iets dat men in 1572 echt nog niet aan had zien komen. En hoewel Willem van Oranje graag had gezien dat iedereen de godsdienstoefeningen kon volgen die hij wilde, torpedeerde de fanatiekere protestanten die goede intentie nog voor de EVS goed en wel was begonnen.

plakkaat
Titelpagina van het Placcaert van Verlatinghe, 1581.

Daarna ging men daar onverdroten mee door. Zelfs een door een deel van de Generale Staten in 1579 genomen besluit om andersgelovigen niet te hinderen en vervolgen bleek in de praktijk niet te lukken. Godsdienstvrijheid is de vrijheid om ongehinderd deel te nemen aan een openbare kerkelijke bijeenkomst: dat zagen de protestanten, met name de strenge Calvinisten, niet zitten.  Religievrede is het in alle vrede naast elkaar tolereren van verschillende godsdiensten, iets dat minder fanatieke mensen nastreefden, maar dat in de praktijk ook onmogelijk bleek. Gewetensvrijheid is de vrijheid van iedereen om te geloven dat wat hij/zij wil: daar was Willem van Oranje een groot voorstander van. Hij geloofde niet dat een koning over het geweten van zijn onderdanen kon heersen. Koning Filips geloofde dat wel. Hij stuurde Alva en een enorm leger om dat af te dwingen. Hoewel er toen en later genoeg mensen in de Nederlanden waren die vóór gewetensvrijheid waren, heeft het nog honderden jaren geduurd voor dat in de grondwet kon worden vastgelegd.

Vrijheid van religie en godsdienst zijn door de EVS van 1572 niet in de Nederlanden ingevoerd. Het was een vergadering van maar één van de 17 provincies en de deelnemers hadden niet eens de bevoegdheden om dat te kunnen doordrijven. En net zoals een koning niet over het geweten van zijn onderdanen kan heersen, kunnen edelen en stadsbestuurders dat niet voor hun boeren en burgers. In Dordrecht is dus in 1572 niet zoiets als gewetensvrijheid voor de Nederlanders begonnen. Dat heeft de grondwet van 1848 pas geregeld. Dus als het museum in het Hof schrijft:

Ieder mens heeft gewetensvrijheid, is vrij om te geloven wat hij wil. Dat is een van de uitkomsten van de Eerste Vrije Statenvergadering.

dan is dat een foute bewering. Sterker nog: het is geschiedvervalsing. De EVS heeft niet eens de bedoeling gehad zoiets in te voeren, er waren andere zaken die geregeld moesten worden.

film evs
Scene uit de film over de EVS die in het Hof wordt vertoond. Midden links, Cees Geel die Lumey, speelt, rechts Vincent Linthorst als secretaris Pauli, rechts op de rug gezien René van Zinnicq Bergmann als Marnix. En diverse figuranten als gedeputeerden in hun hemd of met rare wapenrustingen aan en helmen op.

Het bijeenroepen van de Statenvergadering was misschien een rebelse daad, omdat het in het kader van een opstand tegen een uiting van het koninklijke gezag was. De Staten zagen de prins van Oranje echter nog steeds als hun wettige stadhouder en ze wisten dat hij bezig was om hen te helpen, dus vergaderen was verantwoord. Bovendien waren ze  al meerdere keren eerder zonder opdracht van landvoogd of stadhouder bij elkaar gekomen. Het was dus geen ‘eerste vrije’ statenvergadering, maar een noodzakelijk gebeuren om orde op zaken te stellen. Laten we voortaan dus dat ‘eerste’ en ‘vrije’ maar weglaten, zoals in andere steden, als Delft, ook gebeurt en zoals historici dat doen, die ‘vrije’ al jaren tussen aanhalingstekens zetten. Het is gewoon de statenvergadering van juli 1572 in Dordrecht, Rotterdam en Delft, meer niet. En dan zonder hoofdletters.

Dordrecht en de gewetensvrijheid 7

De wens om in ieder geval in Holland godsdienstvrijheid in te voeren was op de EVS verwoord. De prins hoopte dat de 17 Provincies dat punt tot wet zouden maken, als de vijand het land uitgewerkt was. Het is er niet van gekomen. Dordrecht had op 25 juni nog van de geuzen die de stad binnen wilden trekken geëist dat ze geen schade aan kerken, klooster en kapellen of de huizen van katholieke geestelijken mochten toebrengen en geestelijke personen niet lastig mochten vallen. Ook mochten katholieken die het garnizoen van geuzen en het  protestantse stadsbestuur niet zagen zitten, met hun roerende bezittingen, ongehinderd de stad verlaten. De stad zou daar steng op toezien. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat al voor de EVS begonnen was de gardiaan van de Minderbroeders en de prior van de Augustijnen gevangen waren genomen. De geuzen marcheerden trouwens na de verkregen toestemming van de stadsbestuurders met 200 man de stad in, gekleed in kazuifels en koorkappen die ze geroofd hadden uit door hen verwoeste kloosters en kapellen, dus hoe betrouwbaar waren ze…

geuzen
De symbolen van de geuzen: de tas, fles en nap waarmee bedelaars bedelden, met de verenigde handen.

De godsdienstvrijheid was in Dordrecht ook na de EVS ver te zoeken. In ieder geval werd na afloop van de vergadering, toen de gedelegeerden naar Rotterdam waren vertrokken (donderdag 24 juli), de kerk van het Augustijnenklooster van beelden en altaren ontdaan. De volgende zondag, 27 juli, vond er de eerste Dordtse protestantse kerkdienst plaats. De vraag is: waarom toen pas? Iedereen gaat ervan uit dat de EVS in de refter van het Augustijnenklooster (zie hierboven) gehouden werd. Dat staat echter niet vast. Er is maar één bron voor en dat is Matthijs Balen in zijn Beschrijvinge van Dordrecht uit 1677, meer dan 100 jaar later. Hij vertelt er jammer genoeg niet bij hoe hij dat weet. Iedereen heeft daarna voetstoots aangenomen dat het zo was en elkaar nageschreven. Met het gevolg dat al jaren de voormalige refter officieel de Statenzaal heet en het nabij gelegen plein als Statenplein bekend staat. Is het echter waarschijnlijk? Is men niet te veel afgegaan op het feit dat er in zowel het Minderbroeders- als het Augustijnenklooster gedurende de middeleeuwen regelmatig vergaderd werd door gilden en, zeg maar, stedelijke commissies? Maar niet door de  schepenen, de echte magistraten.

stadhuis dorst
Het stadhuis van Dordrecht sinds 1544, zoals het er in de 17e eeuw uitzag. Reconstructie door J. Rutten, 1856, in museum Van Gijn te Dordrecht.

Dordrecht had in 1544 de voormalige Vlaamse (laken)hal als stadhuis in gebruik genomen omdat het oude stadhuis uit 1284 te bouwvallig werd. Dat gebouw bevatte enkele grote vergaderzalen. Daar hoefde men ook niks aan paapse parafernalia te verwijderen. De schout, schepenen en secretaris verbleven dagelijks in dit gebouw en alles was er aanwezig voor het ontvangen van een flink gezelschap van 28, later 29, personen. In Rotterdam en Delft werden de statenvergaderingen ook in de respectievelijke stadhuizen gehouden. Dus waarom vergaderen in de refter, oftewel eetzaal, van een klooster (waar misschien nog monniken aanwezig waren, of waren ze na de binnenkomst van de geuzen al gevlucht?) als je daarvoor geschikte zalen in het stadhuis beschikbaar hebt? Het blijft dus onduidelijk waar die mededeling van Balen op was gebaseerd, maar een logische keuze was die refter, nu dus de Statenzaal genoemd, niet.

Ook uit de Grote Kerk werden in de volgende weken de beelden en altaren verwijderd. Een deel ervan was al door belanghebbenden (families, gilden, priesters) meegenomen en dook later in het buitenland op. Daar hebben we nog het retabel van het Elisabethsaltaar, waaruit het detail van de stad Dordrecht rond 1490 bovenaan dit blog afkomstig is, aan te danken. Begin oktober 1572 werden alle nog in de stad verblijvende geestelijken, monniken,  nonnen en begijnen uit de stad verdreven (behalve de oude en zieke personen, die nog tot hun dood een uitkering van de stad genoten) en werd de kapel buiten de Vuilpoort verwoest. Een kroniekje vertelt dat op 19 oktober nog een mis plaatsvond in de Nieuwkerk, maar dat ’s avonds de geuzen kwamen en er een mini-beeldenstorm hielden. Op 23 november vond in de Grote Kerk de eerste protestantse dienst plaats.

Tijdens de EVS werd dus niet de godsdienstvrijheid in Holland ingevoerd.

kerkschat
Kostbare laat-middeleeuwse miskelken van het type dat veel geroofd werd in de jaren na 1572.

De gedelegeerden, bestaande uit enkele Hollandse edelen en een groep burgemeester en schepenen, hebben erin toegestemd om het punt op de agenda te zetten als er een Staten Generaal vergadering kwam. Dat is in 1579 in Utrecht ook gebeurd, maar in de praktijk werd hij niet ingevoerd. Misschien was de intentie in Dordrecht goed, maar door meer fanatieke protestanten werd er anders over katholieken, en zeker over katholieke geestelijken, gedacht. Nog voor de EVS begon werden ze al vervolgd, en in andere plaatsen dan Dordrecht, gemarteld en vermoord. Het duurde niet lang voor ze volledig werden verdreven en voor hun kerken in beslag werden genomen door de volgelingen van de nieuwe religie. Altaren en beelden werden verwijderd of vernield, kostbaarheden werden geroofd of verkocht om geld voor de landsverdediging te verzamelen en het onroerend goed van de kerken werd door de staat gevorderd.

Het staat ook in de notulen van de EVS dat de geestelijke instellingen, gilden en broederschappen hun goud en zilver in zouden moeten leveren voor de oorlogsinspanning:

Ende voerts het goudt ende zilver van den kercken cloesteren en andere lichamen oft collegien zulcx hebbende meer tot chiragie dan tot nodicheyt.

Dus als het meer sieraad was dan nuttig. De vraag is natuurlijk in hoeverre deze katholieke instellingen vrijwillig mee zouden werken aan een oorlog tegen hun beschermers, de Spaanse koning en Alva. Men zag de bui natuurlijk al hangen en trouwe katholieken en geestelijken verwijderden en verborgen zelf al veel kostbaarheden. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat de rest door de geuzen, maar ook door de stedelijke, en dus nu protestante, magistraten in beslag werd genomen.  Inclusief de nuttige voorwerpen. En dat zonder “behoorlicke inventaris ende recepisse” (inventarisatie en reçu’s) zoals was beloofd. Min of meer geroofd dus. En dat had nog de nodige gevolgen voor de Dordtse samenleving.

Zoals Herman van Duinen al schreef:

Door het schenden van die vrijheid was de sfeer in Dordrecht in de jaren na de vergadering anti-Oranje en heulden magistraten met de Spanjaarden.

Dat vertellen de Dordtse cultuurbobo’s u echter niet. Maar het is wel de echte geschiedenis. En die wordt op deze manier willens en wetens behoorlijk veel geweld aangedaan. Als u wilt weten hoe dat na juli 1572 ging kunt u het best het artikel van Van Duinen lezen; het gaat een beetje te ver dit hier nog verder te behandelen.

In het museum en op de website ervan staat dus te lezen:

Ieder mens heeft gewetensvrijheid, is vrij om te geloven wat hij wil. Dat is een van de uitkomsten van de Eerste Vrije Statenvergadering.

Nee, dat is het niet. Ik hoop dat ik dat hiervoor voldoende duidelijk heb gemaakt.

Ik wil met het volgende en laatste blog in deze serie nog aandacht besteden aan waar de EVS wel over ging en waarom, dus abonneert u allen voor zover dat nog niet het geval was.

Wordt vervolgd