Wat is geschiedenis?

Op Linked-In circuleert een door Vrij Nederland verspreid filmpje waarop sociaal historicus Katie Digan het probleem van onze omgang met geschiedenis behandelt, en dan met name de politiek correcte versie daarvan. Ons VOC en slavernij-verleden dus. Ik heb er al meer over geschreven: standbeelden weghalen, straatnamen wijzigen, excuses aanbieden, u weet wel. Het filmpje komt van STUDIO De Balie, het bekende culturele centrum aan het Leidseplein in Amsterdam. VN zegt er specifiek bij:

“Wat weet jij eigenlijk over ‘onze’ geschiedenis? En hoe weet je dat? Wees kritisch, zegt historica Katie Digan. Geschiedschrijving is ook, vooral, een verhaal.”

Als ik zoiets lees, die paar zinnetjes van VN dus, gaan m’n stekels al weer overeind staan. Want waarom ‘onze’ geschiedenis tussen aanhalingstekens, alsof er ‘zogenaamd onze’ bedoeld wordt. Geschiedenis is geschiedenis, daar is niks dubbelzinnigs aan. En geschiedenis gaat over een dorp, stad, streek, provincie, land of werelddeel en de mensen daarin. Dus als we het in het Nederlands hebben over onze geschiedenis gaat dat over de Nederlandse geschiedenis. U weet wel:  de Batavieren, Bonifatius, graaf Floris V, slag bij Nieuwpoort, VOC, pruikentijd, Anne Frank en Srebrenica. Tien tijdperken en 50 vensters, dus.

Want zo weten we dat: uit de geschiedenisboeken en lesmethoden die op bovenstaande indeling zijn gebaseerd. Dat die boeken en methoden verre van volledig noch foutloos zijn maakt echter wel dat we niet bepaald een compleet of correct beeld van het verleden krijgen en ook al lang niet hebben gekregen. Je vraagt je dan wel af hoe we dan kritisch met die gegevens om moeten gaan. Want als er iets is dat je niet leert uit het geschiedenisonderwijs op basisscholen en in het voortgezet onderwijs is een kritische houding ten opzichte van het gebodene. Sterker nog: er wordt van leerlingen gewoon verwacht dat ze geloven wat ze leren en dat ze de los van elkaar hangende feitjes uit hun hoofd leren zodat ze bij het examen hun opdrachten: “schrijf in je eigen woorden op wat de invloed  van de industrialisatie op de maatschappij was” kunnen maken of een serie multiple choice vragen over de gouden eeuw kunnen beantwoorden.

En dan komt het:

“geschiedschrijving is ook, vooral, een verhaal.”

NEE, dat is het dus niet. Geschiedschrijving is het beschrijven van gebeurtenissen uit het verleden, hun oorzaken en gevolgen, gebaseerd op bronnen- en literatuuronderzoek, zonder de lege plekken op te vullen met fantasie of romantische verklaringen. Verhalen hebben die functie niet. Dat zijn maar al te vaak praatjes voor de vaak (dus om je in slaap te wiegen). En als je dan als historicus je werkmethode nog uit kunt leggen en kunt verantwoorden welke keuzes je hebt gemaakt voor het interpreteren van een stuk historie, kan je zeggen dat je vakkundig bezig bent. Dan pas kan je lezer begrijpen wat het vak inhoudt en zich gaan bedenken dat er meer achter zit dan een spannend ‘verhaal’ vertellen, waarin ‘helden’ dekselse dingen doen voor ‘hun’ volk. Dat hoort namelijk in het hoekje sagen, mythen en legenden thuis, en die hebben slechts zeer zijdelings met geschiedenis te maken. En als die leek ook nog andere interpretaties van hetzelfde kan lezen of horen kan hij pas een kritische houding ten opzichte van het gebodene gaan ontwikkelen.

De gemiddelde leek is niet toegerust (en wordt dat ook steeds minder) om kritisch met zijn verleden om te gaan want ze krijgen al honderden jaren gewoon slechte, onvolledige en dikwijls gemanipuleerde voorlichting over dat verleden. Aan historici de taak om dat te verbeteren. Maar dat gebeurt helaas veel te weinig. Lesmethoden-schrijvers schrijven gewoon van hun voorgangers over en doen geen origineel , of zelfs literatuuronderzoek, terwijl historici zich ver houden van het populariseren van de echte geschiedenis voor jongeren. Media willen alleen maar leuke en spannende historiespektakels en zien geschiedenis het liefst ‘met een knipoog’ aan de man gebracht worden; onzinverhalen dus. Historici schrijven liever voor hun collega’s in prestigieuze, achter betaalmuren verborgen tijdschriften of bij dure uitgevers gepubliceerde boeken met voetnoten, literatuurlijsten en indices in vakjargon.  Met dat laatste is trouwens niks mis, maar als de conclusies uit die boeken en tijdschriften op den duur niet naar de scholen doorsijpelen en zo het beeld van het verleden scherper maken is het verloren moeite. Men moet maar eens lezen hoeveel verouderde en verder ook dubieuze informatie er in die al genoemde lesmethoden staat.

En dan zegt Katie Digan ook nog dat wij historici (en zij dus ook) een beroepsgeheim hebben! En dat geheim is dat er geen geschiedenis is. Huh? Wat? En nou komt het: er zijn geschiedenisSEN!!!!  Ja, dat haalt je de koekoek!  Een historicus is ook maar een mens. Hij maakt fouten, vergeet wel eens wat, heeft bijvoorbeeld een bepaald boek niet goed gelezen of een artikel gemist en dan wordt zijn artikel of boek net wat anders dan dat van een collega die over hetzelfde onderwerp publiceert. Daar zijn polemieken over gehouden, ruzies door ontstaan en richtingenoorlogen over gevoerd. Meestal tot de bewuste gebrouilleerde collega’s waren overleden, waarna hun leerlingen weer wat nader tot elkaar konden komen. Ja, natuurlijk: geschiedenissen! Dat is de aard van de wetenschap. Geschiedenis is nooit af: je kunt ineens een andere interpretatie voor je zien, je kunt een nieuwe bron ontdekken die iets opheldert, je kunt twee tegengestelde oplossingen zo combineren dat er een nieuwe, waarschijnlijkere oplossing uit voorkomt. Zulke dingen gebeuren. Dat heb ik het afgelopen jaar bij het schrijven van mijn boek over de graven van Holland tussen 1100 en 1300 regelmatig meegemaakt.

We hebben namelijk helemaal geen geheim. Iedereen die twee of meer historische artikelen of boeken over welk onderwerp dan ook leest kan dat zelf ontdekken. “De historici zijn het er niet over eens…” is dan dikwijls de berustende reactie. Dat duidt op zichzelf al op een weinig kritische houding. Want waarom die historici niet ter verantwoording roepen en hen laten uitleggen hoe ze tot die specifieke conclusies kwamen. Desnoods in een publiek debat in een zaal, op de radio of op tv, dan komt er ook nog eens wat interessants op de buis in plaats van Pleij of Van Rossem die hun grappige riedel af komen draaien.

Katie Digan eindigt haar praatje met de dooddoener:

“geschiedenis is en-en, niet of-of”

Waarmee ze wil zeggen dat er verschillende interpretaties mogelijk zijn, die misschien ook wel naast elkaar kunnen bestaan. Hoe dat eerste kan heb ik hiervoor al uitgelegd, maar als je het tweede wilt kunnen realiseren moet er toch nog heel wat gebeuren met het door didactici en pedagogen zo gewenste historisch besef van de Nederlander. Ons onderwijs is daar niet (meer?) voor ingericht. Je leert tegenwoordig namelijk een stel niet bij elkaar aansluitende of uit elkaar voortkomende feitjes uit je hoofd, wordt daarover overhoord en gaat dan over tot de orde van de dag. De meesten  denken er de rest van hun leven niet meer aan. Alleen potentiële re-enacters en (amateur)historici  krijgen later de kans zich verder te ontwikkelen in het vak. De rest van de bevolking komt er alleen nog mee in aanraking bij uitjes naar erfgoederen en historische evenementen en weet vervolgens niet waar hij naar kijkt. Of in de bioscoop bij de zoveelste bloederige ridderfilm of op tv bij de zogenaamd leuke historie-met-een-knipoog programma’s. En dat worden er steeds meer en de serieuze concurrentie, zoals Andere Tijden, gaat het steeds meer afleggen tegen het platte vermaak.

Ik geloof best dat Digan het goed heeft bedoeld, maar haar hele verhaal heeft een groot open-deuren-intrappen gehalte en verwacht veel te veel van de door populisten bewerkte, Nederlandse bevolking. Die heeft niet geleerd kritisch over geschiedenis te denken en zal dat in de naaste toekomst ook niet leren als het niet snel anders gaat op school. Tot die tijd blijven ze gevoelig voor het klagen van gekleurde zielepieten die nog steeds zo lijden onder de slavernij of het juk van J.P. Coen.

 

 

De Zwijger als beeld in Dordt! 3

Nou, ik had dus ongelijk: de meerderheid heeft gesproken en het is het ontwerp van Arie Schippers geworden. Er komt dus een traditioneel gekleid beeld van Willem de Zwijger achter de Berckepoort te staan. Ben ik nou blij? Nee, maar dat komt voornamelijk omdat ik het helemaal niet nodig vind dat er hier in Dordt een standbeeld van een Oranje komt te staan. Ik ga de argumenten niet nog eens herhalen, want ik weet dat dat helemaal geen zin heeft. Het besluit is genomen en je mag, volgens de cultuurbobo’s, een gegeven paard nou eenmaal niet in de bek kijken.

De achterkant van het huis de Berckepoort nu. Eigen foto.

Het komt volgens de gesjopte foto bovenaan het blog op een lage plint te staan, met ruimte ernaast om nog wat mee te doen (hangplek? Podium voor politieke activisten, staande komieken of straatmuzikanten? Toeristenuitrustplaats?). U ziet ook wel dat er eveneens het nodige is weggesjopt: straatnaambordje, verkeersborden, vuilnisshoot, lantaarn, electrakastjes. De kliko’s en de fietsen zijn voor de foto weggehaald. Alleen de regenpijpen en de muurankers zijn gebleven. Het is de vraag of het er ooit zo kaal uit gaat zien, want ik vermoed dat de gemeente niet echt makkelijk zijn straatmeubilair daar zal verwijderen. En waar moeten de bewoners anders hun kliko’s neerzetten of de marktbezoekers hun fietsen kwijt?

Graaf Dirk IV op de Grote Markt. Eigen foto.

En dan het beeld zelf. Zoals het op die foto staat wordt het meer dan manshoog; een meter of drie. Daarin verschilt het in ieder geval van Dirrekie die toen hij op de Roobrug stond opging tussen de voetgangers. En daar het nodige over zich heen kreeg; van emmers rode menie tot witte muurverf. Hij is niet voor niets naar de parkeerplaats die Grote Markt heet verplaatst waar hij al sinds 1983 naar visrestaurant Marktzicht staat te staren (ik heb daar nog eens een blog aan gewijd).

Fotomanipulatie Augustijnenhof.

Er zijn trouwens al stemmen opgegaan dat het met Willem ook wel zo zou gaan, nu die niet zoals andere beelden op een hoge sokkel komt te staan. Dus dat wordt dan ook verplaatsen naar een rustiger plekje. Als het maar niet naar de Museumtuin is, zoals Jan Willem Boezeman eens heeft voorgesteld, want dat zou wel  zonde van de mooiste openbare tuin van Dordrecht zijn. En dan moest Dirrekie ook maar tussen de uitlaatgassen vandaan gehaald worden…

Het beeld, man zowel als hond, is groen en heeft een zwarte Spaanse mantel aan en hoge zwarte rijlaarzen. Vooral die mantel lijkt er achteraf een beetje onhandig tegenaan geplakt te zijn. De vraag is waarom. Was het echt de bedoeling om het tweekleurig te maken? Of was die mantel eerst iets anders, een tabbaard bijvoorbeeld. Ik weet niet of mijn lezers dat weten maar er staat op het Plein in Den Haag al sinds 1848 een soortgelijk beeld van de Zwijger van de hand van Louis Royer. En raad eens hoe dat beeld eruit ziet? Een staande Willem met een naar hem opkijkend hondje naast zich. Het zit daar in tegenstelling tot het hondje van Schippers tegen zijn rechterbeen. Je zou bijna gaan denken dat de beeldkleier, om te voorkomen dat ze te veel op elkaar zouden lijken, hem achteraf die mantel en laarzen heeft aangedaan. En het hondje heeft verplaatst. Want plagiaat mag natuurlijk niet.

‘Versierd’ beeld van de Zwijger bij een school in Waalwijk in 2016 in het kader van Brabantse Onafhankelijkheid.

Het is wel te hopen dat dit nogal naturalistische beeld echt kleding uit het derde kwart van de 16e eeuw aankrijgt. Royer wist hoe die eruit zag, maar ik heb er niet zo veel vertrouwen in dat Schippers dat ook weet. Afijn; het is nog maar een ontwerp. Wie weet wordt het nog een heel gezellig en goed lijkend portret van onze ‘Vader des Vaderlands’, waar het huftergedeelte van de stadsbevolking niet eens aan durft te komen. Want je moet er toch niet aan denken dat ook Willem een pot menie over zich heen kan krijgen…

Aanvulling

Één van mijn lezers, een echte Dordtenaar,  wees me erop dat op de voor het standbeeld uitgekozen standplaats vroeger een pisbak, sorry: urinoir, stond. Hij vroeg zich af of dat toevallig was… Bijgaande het bewijs. Het stond waar nu de rechterkant van de plint komt te liggen.

Het urinoir in de Hofstraat, ca 1960-65. Dia van architect W. van den Berg. Foto Regionaal Archief Dordrecht.

De canon vernieuwd?

Het is bijna acht jaar geleden dat de Canon van Nederland, die in 2006 gepresenteerd werd, verplicht op scholen ingevoerd werd: 1 augustus 2010. Sindsdien zie je blauwe poster met de slinger van 50 vensters op elke school hangen. De website www.entoen.nu vormt er de onderbouwing van en diverse lesmaterialen, zoals de Canonclips, ondersteunen het project.

Dat ging allemaal niet zonder slag of stoot. Het duurde niet voor niets vier jaar voor het kind van de commissie Van Oostrom in het onderwijs was geaccepteerd. Ik heb tijdens mijn onderzoek, De middeleeuwen in de klas, dat in 2010-11 plaatsvond, diverse leraren en onderwijzers gesproken die me vertelden dat ze die canon de eerste tijd zeker niet serieus namen. Dikwijls vonden ze het veel te oppervlakkig en iedereen miste wel een aspect van de geschiedenis dat ze er liever in gehad hadden willen hebben. Niet voor niets zijn er daarna allerlei alternatieve, regionale en lokale canons verzonnen die op vele manieren werden gebruikt in onderwijs, erfgoeduitingen en (toeristische) cultuur.

Wat dikwijls onderbelicht bleef is het waarom van de geschiedenis terugbrengen tot 50 vensters. Tijdgebrek dus. Er werd en wordt steeds minder geschiedenisles gegeven op scholen en bij sommige onderwijstypen is het vak gewoon afgeschaft. Of opgegaan in iets wat ze vroeger maatschappijleer noemden, maar dat nu met allerlei moderne termen aan de man wordt gebracht. Minister Slob heeft het over burgerschapsonderwijs waarin ‘respect’ voor ons en ons democratisch systeem zouden moeten worden  aangeleerd. Een aardige reactie daarop is hier te lezen. Maar ook een mooie kritische column over het fenomeen canon en waar die voor bedoeld was stond in Trouw.

Ik heb in mijn blogs al enkele malen geconcludeerd dat dat gebrek aan tijd er ook voor zorgt dat er gegraasd wordt in de vensters en dikwijls maar een selectie eruit op school wordt behandeld. Het is niet vreemd om dan te concluderen dat vooral de geschiedenis van de laatste 100 jaar min of meer uitgebreid wordt behandeld en de rest er een beetje bijhangt. Recent concludeerde ik echter dat ook daarover de inhoud in de lesmethoden zienderogen kleiner, korter en oppervlakkiger is geworden.

En nu moet de canon dus op de schop. De Tweede Kamer vond afgelopen week dat hij aan een herziening toe was. Trouw nam gisteren, zaterdag 23 juni 2018, een voorschotje en interviewde enkele historici over dit voornemen. En vroeg enkele van hen ook wat eruit mocht en wat zij dan erin wilden hebben. Ook niet-historici kregen dergelijke vragen, zoals een ontwerper en een muziekwetenschapper. Dat leverde de Afsluitdijk in plaats van de Beemster op en het Concertgebouworkest in plaats van Srebrenica.  U leest het hier.

Daarnaast gingen natuurlijk al direct stemmen op voor meer vrouwen en slavernij in de canon, met lijstjes van voorbeelden, onder andere van vrouwelijke slaven die hun juk niet pikten. Elke tijd lijkt zijn eigen canon te maken en die is meestal nogal politiek correct ook. Iets waar de verdieping van al die vensters ook nogal last van heeft. Mijn vakgebied, de middeleeuwen (1000 jaar geschiedenis in maar vijf vensters),  werd zomaar gekoppeld aan moderne hangups als analfabetisme, helden en “het nut van sociale vaardigheid om iets te kunnen bereiken”. De bekendste Hollandse graaf, Floris V, kreeg in de canon een eigen venster waarin hij ten onrechte werd beschuldigd van het afknijpen van zijn edelen (machtsmisbruik!) die hem daarom maar vermoordden. En dat is niet de enige historische fout die erin gemaakt werd.

Het is nog niet bekend  wat er gaat veranderen en wie dat gaan doen, maar ik verwacht er niet veel van. Het principe blijft hetzelfde: hoe vullen we die 1 tot 2 uur geschiedenisles per week (als het tenminste nog zo heet) zodat je er aan het eind van het schooljaar een stel multiple choice vragen over kunt stellen. Het gaat al lang niet meer om het kweken van historische besef bij de leerling, zoals de jaren-negentig-onderwijskundigen wilden bereiken, maar nooit voor elkaar hebben gekregen. En dat ondanks de kerndoelen die de regering nog voor de 10 tijdperken en de 50 vensters uitgebracht werden had vastgesteld. Het is zelfs de vraag of men in de toekomst nog wat over onze geschiedenis zal leren als het aan de overheid ligt.

Ik heb in een blog uit 2012 nog eens opgeroepen tot anarchie en voorgesteld als lokale musea, archieven en scholen met hulp van historici lokale geschiedenismethoden te gaan maken. Ik kreeg één reactie van iemand die me steunde en me toeriep te blijven vechten. In 2015 hebben we ter gelegenheid van 950 jaar Sliedrecht zo’n lokaal lespakket gemaakt dat op alle groepen 6 van alle basisscholen in het dorp verspreid werd. Het bloedde helaas een beetje dood…

Natuurlijk kregen de krantenartikelen ook al wat reacties van de lezers. Dat waren duidelijk geen scholieren, maar de trend daarin was dat de canon maar afgeschaft moest worden. Het was toch  allemaal gemanipuleer wat de klok sloeg. Er waren ook voorstellen om het anders te gaan doen. Waarom niet, zoals Geert Mak voorstelde, een geschiedenis van eten gaan schrijven (wat overigens in verschillende landen al is gebeurd) want:  “aan de hand daarvan kun je aandacht besteden aan allerlei dingen: politiek, handelsafspraken, slavernij, de cultuur van koken. Zo zouden heel veel mensen een plek krijgen in de geschiedenis.” En daar bedoelde hij dus niet alleen de vorsten en politici mee, en wilde hij ook niet de vrouwen op de voorgrond trekken, maar al die mensen die door de eeuwen heen in de weer waren voor onze dagelijkse maaltijd. Ik vind dat een verfrissende gedachte. En als je dat uitbreidt met drinken, kleding, huizenbouw en –inrichting, vervoer te land en over water, wapens en wapenrusting en nog zowat dagelijkse dingen, dan heb je een vracht van aanknopingspunten tot je beschikking die je aan de geschiedenis van, bijvoorbeeld, je woonplaats kunt koppelen. Zo zou je een historisch kloppend beeld kunnen krijgen van het leven van je voorouders tot aan dat van jezelf. Maar of zoiets ooit van de grond komt is de vraag. Zolang een regering bepaalt welke historische feiten nu weer in de mode zijn en zolang populisten erop blijven hameren dat onze levenswijze de enige echt goede is en al die vreemdelingen hier niet horen zal er, vrees ik, niet veel veranderen. Het gaat weer om onze ‘identiteit’ en die heeft de neiging nogal eens te veranderen. Het zal wel weer “een nationale discussie zonder eind” worden.

De Zwijger als beeld in Dordt! 2

De kogel is door de kerk, het gaat er echt van komen: het ‘standbeeld’ van Willem van Oranje alias de Zwijger. Dus dat beeld waar ik eerder aandacht aan besteedde in mijn blog omdat de man dat niet heeft verdiend. Mijn donkerbruine vermoeden is bewaarheid geworden: de club van WvO bewonderaars gooit er een paar centen tegenaan en laat een beeld neerzetten ongeveer op de plek waar in bovenstaande foto Thijs Blom van RTV Rijnmond in zijn microfoon stond te praten.  U weet wel, vlak bij de vuilniszakkenshoot, voor de regenpijp met electrakastje, het eenrichtingsverkeersbord, de bordjes ‘fietsen en aanhangwagens uitgezonderd’ en het straatnaambordje Hofstraat. En voor de lappendeken van een achtermuur van de Berckepoort met die enorme muurankers. Wel voor de neo-klassieke muurlantaarn, maar regelmatig naast een stel kliko’s van de omwonenden. Niet echt een esthetisch plezierige plek met de er steeds geparkeerde fietsen tijdens marktdagen erachter, maar… moet kunnen…

Ontwerp 1 van Anne Wenzel

Ik wist ook wel dat protesteren geen zin had: Peter Schoon had al lang het besluit genomen dat het er zou komen. Daar doe je dan echt niks meer tegen. Afijn. De kunstenaars zijn bekend en hun ontwerpen zijn af en te bewonderen in het Hof. Dordtenaren mogen tot 1 juli stemmen welke ze het mooist vinden. Heel democratisch. Maar… “de stem van het publiek telt mee als één jurystem”. Dat win je dus nooit. De grootste gemene deler van de Dordtse bevolking tegen een “deskundige jury” onder leiding van Piet Sleeking; dat is doorgestoken kaart. Deskundigen op kunstgebied hebben nu eenmaal een andere smaak dan Niek en Wil uit Nieuw Krispijn of Cor en Alie uit de Wielwijk. En ik weet al welk van de vier die gaan kiezen (als ze al de weg naar het museum weten te vinden).

Ontwerp 2 van Johan Tahon

Want als afgestudeerd Academie voor Beeldende Kunsten leerling heb ik wel een beetje verstand van kunst en kijk ik door de retoriek van de vier kandidaten heen, die grif door de conservator moderne kunst van de gemeente, Gerrit Willems, werd gereproduceerd in het RTV Rijnmond filmpje.

Duitse, maar in Rotterdam werkende, Anne Wenzel (46) heeft zoals bij haar gebruikelijk van druipsteen en kaarsvet een poppetje gemaakt waar deze keer een lading stront overheen is uitgestort.  Johan Tahon (53), Belg, had er waarschijnlijk niet veel zin in en heeft een vaag gezicht gekleid en op een stapel verkreukelde dozen gezet en er een emmer gips over gegooid.

Ontwerp 3 van Pieter Mol

Pieter Laurens Mol (Breda , 71) (die vroeger gewoon Piet Mol heette) zet zo’n jaren vijftig Amerikaanse candy automaat neer op een paar treetjes; dat gaat nog voor veel verwarring zorgen als die er komt. Maar misschien was dat de bedoeling van Mol: kunstenaars ‘vervreemden’ graag. En Arie Schippers (Rotterdam, 65), de enige die echt kan tekenen en schilderen, maakte een traditioneel mannetje met een hondje.

Ontwerp 4 van Arie Schippers

Dus die wordt het als het aan de Dordtenaren zelf zou liggen. Maar dat gaat niet gebeuren, als het aan een vakjury ligt; dat weten we allemaal. Veel te traditioneel. Dus het wordt gegarandeerd het lelijkste ding, waarbij ik niet kan raden welke van de twee buitenlanders het gaat winnen. Het geintje van Mol wordt dan uiteraard veel te licht mebevonden.

Blijft het feit, zoals Herman van Duinen me vertelde, dat de Zwijger hier wel een aantal keren meer verbleef dan ik dacht, soms maanden achter elkaar. Langer dus dan ik uit oud-archivaris Jensma’s artikel kon opmaken. Hij logeerde dan in de Berckepoort (dat was zijn hof, niet het klooster dat nu zo heet) en schreef vooral in 1575 hier veel brieven. Wat hij hier toen verder deed is me niet zo duidelijk, maar in de omgeving werd nog volop oorlog gevoerd. Dordrecht kan daarom een militair hoofdkwartier geweest zijn van waaruit hij operaties leidde, maar om daar een standbeeld voor neer te zetten…

Desalniettemin heeft zijn achterkleinzoon mee geholpen bij de moord op de De Witten; niet echt een aanbeveling om je hier Oranje te herinneren. Daar vallen nog steeds heel wat Dordtenaren over, maar dat maakt geen indruk op de Dordtse cultuurbobo’s. De man verdient hier in mijn ogen geen standbeeld en die WvO appreciation society die overal zijn beeld neerplempt met (de rente van?) geërfd geld moet daar eens mee ophouden. Voor Dordrecht is het inmiddels te laat, maar alsjeblieft: niet meer!

Ik ga nog even in het echie kijken naar die ontwerpen, maar ik verwacht niet dat ik mijn recensie van de ‘beelden’ bij zal moeten stellen. Nou, dan moeten ze het zelf maar weten. Als ze zich dan ook maar wel realiseren dat ik gewoon mijn fiets daar blijf neerzetten als ik naar de Klandermuelen ga.

 

PS. De ontwerpen vielen me nog behoorlijk tegen. Alleen zag de troep over het beeld van mevrouw Wenzel er wat minder uit als poep dan op de foto, maar het bleef een glimmende druipkaars, waar je Willem echt niet in herkende. Het ding van Tahon was echter nog lelijker dan gedacht: wat een armoedige, ongeïnspireerde zooi. Het lijkt wel alsof hij persé niet wilde winnen.

Kolonialisme en het ‘empire-syndroom’

dwangarbeiders Indonesië

Op vrijdag 4 mei 2018 plaatste Trouw op zijn opiniepagina een stuk van Marjolein van Pagee. Het ging over haar verontwaardiging dat niet meer aandacht geschonken is en wordt aan de 4 miljoen dode ‘onderdanen’ in het zich bevrijdende Indonesië van na de Tweede Wereldoorlog. Het is hier te lezen voor wie niet op die krant geabonneerd is.  Ze heeft al eerder over de visie van Nederland op haar koloniën en koloniale oorlogen geschreven in Trouw, maar ook in andere media.  Ze is verder geschiedenis master (Leiden) in koloniale en wereldgeschiedenis (2016) en daarbij professioneel fotograaf en filmer.

Zoals gewoonlijk bij dit soort opiniestukken werd ook dit niet met open armen onthaald. Verwijten over ongenuanceerdheid (hoeveel nuance kan je in 300-400 woorden stoppen), selectieve keuzes (zie ongenuanceerdheid), het is een complottheorie, onze “jongens waren op een missie gestuurd waarvoor ze niet opgeleid waren” en  ”erg jammer dat Trouw de opiniepagina op 4 mei openstelt voor zo’n ‘weg met ons’ activiste, die geen ander doel heeft dan in een bijzonder rammelend betoog Nederland als de boeman neer te zetten”. Nu is niet elke historicus een begaafd stilist, maar Van Pagee kan best een opiniestuk schrijven. Ik ken haar master thesis niet, maar aan ondeskundigheid kan de strekking van die artikelen niet liggen. Vandaar dat sommige types maar ‘op de vrouw’ gingen spelen.

Één reactie viel me op. Ene T. Meijers schrijft namelijk: “Natuurlijk is het schandalig dat er zo weinig aandacht is voor het Nederlandse koloniale verleden. Er wordt op school bijna geen aandacht aan geschonken”. Hier komt weer een addertje uit het gras. Met andere woorden: Nederlanders reageren verkeerd op dergelijke onderwerpen omdat ze ze nooit gehad hebben in de geschiedenisles. En dat terwijl ik de laatste tijd doodgegooid wordt met verhalen over ons slavernijverleden, J.P. Coen en de genocide op Banda en andere verrichtingen van de VOC. Nog niet lang geleden in een goedbekeken TV-serie over de zogenaamde Gouden Eeuw zelfs.

Ook is het al jaren traditie dat omstreeks het begin van mei naast de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog ook die van de Japanse bezetting van ‘ons Indië’ en de nasleep daarvan in de media de ronde doen. Inclusief de bij ons ‘politionele acties’ genoemde Indonesische Vrijheidsoorlog, die nog steeds wat gevoelig liggen. De Nederlandse samenleving kennende zal het nog een jaar of tien duren dat iedereen die dat meegemaakt heeft en verantwoordelijkheid droeg dood is en dan kan de ‘ware geschiedenis’ geschreven worden. Al is er sinds de jaren ’80 een behoorlijk indrukwekkende hoeveelheid boeken en artikelen van gerenommeerde historici over verschenen. Nu staat er trouwens al een aardige samenvatting op Wikipedia.

Maar daar heeft men het weer: we hadden dat moeten weten. We hadden er les in gekregen moeten hebben. Ik heb het wel eens gehad over het stukje geschiedenis dat nog wel op bijna alle schooltypen voorbij komt: 1940 tot nu. Daar hoort ons verlies van Insulinde toch bij, zou je denken. Ik heb het even opgezocht aan de hand van de lesmethode MeMo. Ik heb daar twee uitgaven van vergeleken. Mijn zoons kregen les uit de eerste druk uit 1995 en ik heb van de uitgever zelf de derde druk, tweede oplage uit 2009 gekregen.  De beide dikke boeken tellen ongeveer 400 pagina’s. In 1995 zijn er daar vier (283-286) van gewijd aan de Indonesische Vrijheidsoorlog, in 2009 stond er alleen op 306-308 wat over. Waren het in 1995 nog 12 volle tekstkolommen,  6 tamelijk kleine foto’s en een kaart van Indonesië (dus bij elkaar ter grootte van 1 pagina) en een wat grotere foto op de voorafgaande pagina (zie bovenaan dit blog). In 2009 stonden er in 5 kolommen 2 foto’s van 1/3 pagina hoogte en twee kaarten (Afrika, Maleisië/Indonesië) die een halve pagina in beslag namen. Ik heb berekend dat in de laatste MeMo de tekst bij elkaar 2,5 kolom besloeg, waarvan niet meer dan één kolom echt aan Nederland-Indonesië gewijd was, de andere ruimte ging over India en de bemoeienis van de USA en de USSR met het vrijheidsstreven van diverse Afrikaanse en Aziatische koloniën. In 1995 ging het echter nog  in 9 van de 12 kolommen over de Nederlandse reactie op de Indonesische onafhankelijheidswens. Dat is nogal een verschil en het is tekenend voor hoe ons geschiedenisonderwijs verarmd is in minder dan 15 jaar tijd. En niet alleen bij MeMo (uitgeverij Malmberg).

Is het een wonder dat mensen die kritiek op ons koloniale verleden niet kunnen velen? Ze wisten het niet en voelen zich aangevallen door al die intellectuelen die hun mooie sprookje over het tolerante Nederland verstoren dat zo goed voor z’n koelies zorgde en er stinkend rijk van werd. In dezelfde Trouw van vandaag 4 mei 2018 staat op de voorpagina een stuk dat de kop heeft: ‘Onveilige wereld schept behoefte om te herdenken”.  De wereld van vandaag wordt onveiliger door het oplopen van internationale spanningen en dan is het lekker om samen te herdenken dat we ‘dat nooit weer’ willen.  Oorlog en zo… Na een dip in de late jaren 60 en de jaren 70, waarin de noodzaak niet meer zo gezien werd, is men daarna steeds meer en steeds grootser gaan herdenken. Het hoort volgens de moderne mediadeskundigen inmiddels ook tot onze identiteit om gezellig, maar beheerst, met z’n allen onze vrijheid  te vieren. En Koningsdag.

Marjolein van Pagee onderkent zelf ook wat ze veroorzaakt: “Het is begrijpelijk dat als je de continuïteit over het hoofd ziet en algemene kennis over het koloniale verleden ontbeert, je de kritiek op de dodenherdenking niet kunt plaatsen”.  Ze noemt dat het ongeloof over wat zij en anderen aan de kaak stellen, over de post-koloniale oorlogen dus, ligt aan wat zij het ‘empire-syndroom’ noemt.  “Het verblindende effect dat optreedt als je te lang deel uitmaakt van de veilige cocon van het centrum van de wereldmacht”. Ik had daar nog nooit van gehoord en heb dus proberen op te zoeken wat erover gezegd wordt. Het internet laat het een beetje afweten in deze en ik ben geen psycholoog die het in de vakliteratuur op kan zoeken. Maar ik vermoed dat het lijkt op wat de Britten nu aan het doen zijn met hun Brexit: als ze zelf alle touwtjes maar weer in handen hebben dan wordt het weer net als vroeger toen ze nog een wereldrijk (empire) waren. Behalve dat er nu veel meer darkies en Polen in de UK wonen dan voor de zon over alle roze gebieden op de wereldkaart onderging. Tja, de wereld is een beetje veranderd sindsdien: er zijn nogal wat ingrijpende zaken gebeurd die maken dat het nooit meer zo wordt als vroeger. En hoe bedoel je: nooit meer oorlog, als er over de hele wereld wapens ingezet worden om groepen te onderdrukken of de macht ergens te grijpen. Het militair-industrieel complex wrijft in zijn handen en telt zijn ducaten. De zaken gaan goed…

Ik begrijp de reacties op Van Pagee, maar ook haar boosheid over de schijnheiligheid van de politici die hun hoofden schudden over iemand die de twee minuten stilte wilde verstoren omdat hij aandacht wilde vragen voor wat er in 1946-47 in ‘ons Indië’ gebeurde. Ik wil echt niet dat de wereld aan begrip ten onder gaat, maar ik wijs er wel op dat veel van dat gekissebis over ons koloniaal verleden te voorkomen was geweest (en nog is) met beter geschiedenisonderwijs.

Je verborgen verleden

Het patroon is eigenlijk steeds hetzelfde bij Verborgen Verleden. Op de enkele uitzondering na die ergens in een ver weg liggende zijlijn via bastaardij van adel of zelfs een koninklijk huis  afstamt, hebben de meeste mensen behoorlijk laag op de maatschappelijk ladder staande voorouders. Na het lezen over de eeuwen durende ellende van hun familie is er dan die na-oorlogse opleving van de voorvaders en –moeders, die zich ontworstelden aan de armoede en zich opwerkten tot arbeiders met een cao of middenstanders die hun kinderen konden laten studeren. In de ene famiie was dat moment er wat eerder dan bij andere, maar het blijkt inmiddels dat de laatste generaties in Engeland, Schotland, Ierland, de USA en in Nederland het niet zo slecht doen.

Wel zijn de, uiteraard meestal bekende, slachtoffers van Who do you think you are of Verborgen Verleden steeds geschokt als ze horen over de zware omstandigheden waaronder hun voorouders overleefden. Des te meer zijn ze onder de indruk van de creativiteit en het koppige doorzettingsvermogen waarmee men zich opwerkte tot een beter bestaan. Ze zijn dan ook standaard zeer trots op (bet)(over)grootvader of –moeder. Bij vrouwen (en dan probeer ik niet te discrimineren) gaat dat meestal gepaard met wat tranen. Al zijn er natuurlijk ook mannen die het soms niet droog houden.

Wat mij hierin zo treft is dat het die mensen zo verrast dat hun voorouders zo’n zwaar leven hadden. Slechte woonomstandigheden, zwaar werk of werkloos, ongezonde, slechte of te weinig voeding, rampen als overstromingen, misoogsten, hongersnood, besmettelijke ziekten en oorlog met alle gevolgen vandien. Hoe verder terug men komt hoe meer misère men in een mensenleven meemaakte. Al was de nog tamelijk nabije negentiende eeuw wat dat betreft ook best een zware  tijd voor de Europese en Amerikaanse bevolking. Ze weten het niet of realiseerden zich dat niet. Ik wed ook dat men daarover op school niks hoorde tijdens de geschiedenisles.

Dat tekent dan ook het klassieke geschiedenisonderwijs. Men leert over koningen, hertogen en graven, de almacht van de kerk na kerstening en opstand, veldslagen en vredes, kolonisatie en de grachtengordel, maar het leven van de gewone man/vrouw blijft onderbelicht. Ik merk het bij mijn studie naar de graven van Holland gedurende de twaalfde en dertiende eeuw (en dat is natuurlijk een vroeg en slecht gedocumenteerd stukje geschiedenis) waarin je boeren en zeker burgers met een zwak lantaarntje moet zoeken. Dat geldt echter ook voor de veel beter gedocumenteerde opstand, oftewel onze eigen gezellige 80-jarige oorlog (1568-1648). Ik ken eigenlijk maar één studie die aandacht besteedt aan de gevolgen voor het volk van zo’n langdurig conflict: Ronald de Graafs, Oorlog, mijn arme schapen… (2004). Dat is wel weinig.

Er zullen ongetwijfeld mensen reageren met: ja maar, in dat en dat boek en bij die en die historicus hoor je toch ook over roof en plundering, onderdrukking en inkwartiering en kijk eens naar al die boeken over de Tweede Wereldoorlog met zijn concentratiekampen en hongerwinter. Ik weet het. Om maar een paar titels te noemen: Geert Mak, De eeuw van mijn vader (1999, twintigste eeuw), Peter Stokvis, red. Geschiedenis van het privéleven (2007, middeleeuwen tot twintigste eeuw) en Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen (2010, negentiende eeuw). Mak had er een bestseller mee omdat veel mensen zijn familiegeschiedenis heel herkenbaar vonden. En dat is dus tekenend voor dit onderwerp. Het was verrassend dat iemand op zo’n toegankelijke, journalistieke manier over een eeuw Maks schreef. Die andere boeken kostten echter tussen de 30 en 40 euro en dat is toch geen bedrag  dat de gemiddelde Nederlander snel op de toonbank zal leggen.  Die zullen dus veel minder impact hebben. En zeker niet op het onderwijs.

Bovendien is er nog steeds een voorkeur voor de modernste geschiedenis en wordt die van verder terug als minder relevant voor nu gezien. Met name de laatste oorlog roept immer weer een nostalgisch beeld op van saamhorigheid rond het met bielzen gestookte kacheltje, de fiets met houten banden, eten op de bon en het saboteren van de ‘mof’. Maar je komt pas echt wat over de geschiedenis van je opa of oma in de oorlog te weten als die een min of meer eerlijk dagboek hebben nagelaten of een serie brieven waarvan je hoopt dat die geen vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Behalve die van Anne Frank komen die echter ook niet in de geschiedenisles terecht (ik overdrijf hier natuurlijk enigszins, maar toch…).

De bestudering van de geschiedenis lijkt altijd behoefte te hebben gehad aan helden. Aan spektakel en drama met veel rook en vuur. Voor de stille ellende van alledag was weinig plaats. Die werd min of meer uit de geschiedenisboekjes gehouden, zeker in de tijd der zuilen. Alleen de socialistische zuil wilde nogal eens uithalen over het onderdrukte proletariaat en de daarom nodige opstand tegen het kapitaal. Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw echter geen item meer toen elke arbeider een auto voor de deur kreeg en tien dagen per jaar in Torremolinos doorbracht. Achtereenvolgende generaties hebben nationalistisch getinte en konings (of in ieder geval Oranje) gezinde geschiedenislessen ontvangen. Zelden hebben ze geleerd om kritisch naar dergelijke geschiedschrijving te kijken en hun mond open te trekken.

Vandaar dat ze nu niet beter weten te doen, nu anderen hen wijzen op zaken als het slavernijverleden en de VOC mentaliteit, dan in een stuip schieten. Of men zet de hakken in het zand en weigert te luisteren naar het beroep op ons geweten, dat inderdaad dikwijls nogal bot wordt opgedrongen. Of men wil gelijk maar alle standbeelden van zeehelden, politici en koloniale militairen omver trekken en voor van alles en nog wat zijn of haar excuses aanbieden. Historiegevoel is duidelijk nooit aangekweekt al hebben pedagogen en didactici dat altijd als ultieme doel in hun handboeken  gesteld. Er kwam niets van terecht. Scholieren werden opgescheept met heldhaftige verhalen en één en al vooruitgang sinds de donkere middeleeuwen en zij zijn de volwassenen van nu die niet beter weten. Zij worden, als ze hun familiegeschiedenis gaan uitpluizen, geconfronteerd met de armoe en ellende van hun eigen (bet)(over) opa’s en oma’s en zijn geschokt.

Cartoon door Tom in Trouw, 27.1.2018

Dat krijg je als je geschiedenis  gemanipuleerd werd en de context waarin gebeurtenissen plaatsvonden helemaal niet werden genoemd. De nuance tussen wat mensen sociaal, economisch en maatschappelijk gewend waren en wat hen overkwam is kwijt: die realiseert men zich niet. Het voorstellingsvermogen met betrekking tot levensomstandigheden in het verleden beperkt zich tot de vergelijking met nu en die is volkomen zoek. Vandaar de enorme afstand die men al met de jaren twintig of dertig van de vorige eeuw voelt, terwijl men zich tegelijkertijd realiseert dat opa en oma in die tijd leefden en kinderen op de wereld zetten die hun eigen ouders werden. De uitzendingen van Verborgen Verleden (en zijn Engelstalige origineel) leveren steeds weer van die inkijkjes in het gebrek aan historiegevoel op. Het enige dat men zich bij afloop echt realiseert is dat men het laatste, meest recente radertje in de familiemachine is en dat al die mensen die hen vooraf gegaan zijn onlosmakelijk met hen zijn verbonden. Dat is dikwijls al een hele ogenopener, vooral bij de wat jongere deelnemers die zich nog niet voldoende uit het volle leven hebben teruggetrokken om zich in hun verleden te verdiepen.

Ik heb helaas gezien de situatie binnen ons onderwijs, waarin meer over administratie en geld dan over inhoud wordt gebakkeleid, niet de hoop dat dit zal veranderen. Wat ik wel hoop is dat mensen die door deze tv-programma’s worden geïnspireerd om hun eigen stamboom uit te zoeken zullen leren dat er ook nog een andere geschiedenis is: die van de gewone man, zijn gezin, zijn werk, zijn huis en zijn omgeving. Ik hoop ook dat dagboeken en brieven meer gepubliceerd zullen worden, desnoods als blog. Ik hoop dat al die archiefgegevens die inmiddels op internet staan ervoor zullen zorgen dat iedereen zijn familiegeschiedenis kan onderzoeken en publiceren. En dat dan in de naaste toekomst historici onderzoek naar al die ‘verhalen’ kunnen doen en die in een genuanceerdere geschiedenis van het Nederlandse (maar in andere landen, die nog niet zover zijn als wij, natuurlijk ook) volk zullen verwerken. En dat dan heel veel andere Nederlanders dat zullen gaan lezen en zich eindelijk eens voor kunnen stellen hoe het vroeger nu echt was, in plaats van te geloven in een kruising tussen nostalgie en horror. Dat hoop ik.

Historie teruggeven

Ik zit de laatste tijd met mijn hoofd diep in de dertiende eeuw en merk eigenlijk weinig op van wat er zich rondom me heen afspeelt. Het heeft ervoor gezorgd dat ik mijn Apud Thuredrech blog niet meer kan bijhouden, want de tijd ontbreekt me gewoon. Toch werd ik afgelopen week, woensdag 17 januari 2018, ruw uit mijn historische isolement gerukt. Op pagina 4 van het lokale huis-aan-huisblad De stem van Dordt (ik noem het Ons Sufferdje) knalde namelijk een kop op me af die me even deed schrikken. Er stond, inclusief de aanhalingstekens, namelijk:

 ‘Geef Joodse historie terug aan Dordt’

 

Daar keek ik toch wel even van op. Wanneer en hoe was Dordrecht zijn joodse historie dan kwijtgeraakt? Even niet opgelet? Of had iemand hem meegenomen? En hoe zou je hem dan weer terug moeten krijgen? Dat soort vragen kwam er bij me op.

Het blijkt een uitspraak van ene Eduard Huisman te zijn. Die vette kop wordt direct in de eerste zin van het artikel verduidelijkt:

‘De Joodse geschiedenis in Dordrecht, die driehonderd jaar omvat, willen we (?) weer teruggeven aan de stad. De verloren leegte – vooral door de tweede wereldoorlog – verdient het om aangepakt en weer ingevuld te worden.’

Als ik het goed begrijp wordt hier gesuggereerd dat door het verdwijnen van “circa 100 (moet zijn 285 HtJ) Joodse Dordtenaren”, zoals ook in dit artikel staat, de geschiedenis van deze bevolkingsgroep is uitgewist. Toch staat even verder:

‘In Dordrecht is gelukkig nog iets zichtbaar van Joods cultureel erfgoed: de begraafplaats …. Een plaquette met een plattegrond aan een muur van een flat is de enige (met de begraafplaats dus) herinnering aan de Joodse omgeving van Dordt, die door de tweede wereldoorlog en de sanering van de binnenstad in de jaren zestig van de vorige eeuw werd gesloopt.’

Hij vergeet het Joodse monument aan het Dordtse stadhuis maar even  . Over de Joodse gemeente in Dordrecht is trouwens, ook op internet, het nodige terug te vinden.   Bovendien worden hier al sinds 2014 de zogenaamde Stolperstenen hier in de trottoirs gelegd, een initiatief van Ary Boogerman, journalist Gert van Engelen, Harriët Hartog, Maarten Heijkoop en historicus Kees Weltevrede. Het zijn er inmiddels al zo’n stuk of 80. Er is zelfs een werkgroep met een eigen website. En op die website kun je niet minder dan 171 Dordtse Joodse verhalen lezen. Daarnaast hebben we sinds 2012 hier notabene een Ivrietkoor Al Naharot dat zeer succesvol  Joodse liederen ten gehore brengt en nauw verbonden is met diverse herdenkingen. Dus: hoezo verdwenen Joodse geschiedenis?  Die is nog wel degelijk te vinden in Dordrecht.

Huisman lijkt het wiel nog eens te willen uitvinden en is bezig in diverse gemeenten een ‘breed overleg’ over dit onderwerp op gang te brengen en wil met ‘mensen die betrokken zijn bij Joods cultureel erfgoed’ afspraken maken. Hij wil Joodse geschiedenis teruggeven aan Dordrecht en de inwoners. Maar dat hoeft toch helemaal niet?

Trouwens: kan je geschiedenis wel teruggeven? Geschiedenis is er gewoon. Hij is niet altijd zichtbaar, maar zijn gevolgen wel. Mensen vergeten hun geschiedenis nogal eens, maar dat wil niet zeggen dat hij verdwijnt. Historie is gewoon niet zo opdringerig, behalve als hij door een bepaald soort mensen voor hun eigen doelen gebruikt wordt. Dan wordt er luidkeels beweerd dat iets in het verleden mis is gegaan en dat we er hier en nu wat aan moeten doen, wat natuurlijk helemaal niet kan. Politieke populisten hebben er een handje van om op die manier historische gebeurtenissen, dikwijls behoorlijk verminkt, voor hun eigen karretje te spannen om aandacht te trekken. Mensen die hun geschiedenis  een beetje vergeten zijn en de feiten niet allemaal op een rijtje hebben zijn daar dikwijls nogal van onder de indruk. Ze zijn zelfs bereid om mee te huilen met dat soort volksmenners. Dat vind ik een kwalijke zaak. Mensen hebben recht op verantwoorde, eerlijke voorlichting over het, hun eigen, verleden. Ze horen niet opgepord te worden om onzinnige acties te ondernemen om hun stad een stukje van zijn geschiedenis terug te geven. Onze stad bezit dat verleden al en iedereen die er een beetje moeite voor wil doen kan dat controleren. En er meer over te weten komen.

Het lijkt me dat de heer Huisman, die voor het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) de Joodse begraafplaatsen in ons land beheert, hier bezig is aan een persoonlijke actie en dat hij zich daarmee nogal opvallend in het spotlight wil zetten. Hij is daarmee in mijn ogen verkeerd bezig; wij kunnen hier zelf onze boontjes wel doppen. De Joodse historie is hier in goede handen en zo levend als in het huidige klimaat maar mogelijk is. Onze Joodse historie is nooit weggeweest.  Dat kan ook helemaal niet.

En nu ga ik weer terug naar de dertiende eeuw…

Historisch toerisme

Zolang ik me kan herinneren heb ik op vakantie historische locaties bezocht. Eerst in Nederland met mijn ouders en zus, later ook in het buitenland, maar dan alleen of met gezin. Mijn historische belangstelling en kennis zorgden er door de jaren heen steeds beter voor dat ik wat ik zag in context kon plaatsen en erover kon vertellen tegen mijn reisgenoten. Ik vraag me wel eens af hoe mensen die die belangstelling en kennis moeten ontberen lol beleven aan zo’n historische locatie. Dat zijn dan meestal oude dorpen of stadskernen, met eventuele historische musea, kastelen of de ruïnes ervan en andere erfgoederen. Als je die inmiddels door de moderne tijd aangetaste locaties niet kunt begrijpen omdat datgene wat je op school aan geschiedenis hebt geleerd of wat je uit de populaire media kent je daar bepaald niet bij helpt dan mis je toch wat? Ik vraag me dat regelmatig af als ik naar mijn medebezoekers kijk en hun opmerkingen hoor.

Historisch erfgoed is natuurlijk al lang een aanvaard begrip, zeker in Nederland. Ik moet ook zeggen dat de diverse instellingen dikwijls hun geschiedenis adequaat presenteren in goed vormgegeven tentoonstellingen en begrijpelijke informatie, maar als er, zoals in Dordrecht, het één en ander mankeert aan de betrouwbaarheid van de informatie dan sla je toch een paar planken mis. Zonder dat de gemiddelde toerist dat merkt uiteraard, want waaraan zou hij/zij dat kunnen controleren. Gevolg: het gebodene wordt voor zoete koek aangenomen en de toerist wordt bedot, zoals de journalist van Trouw uit mijn vorig blog. Ik heb ook geleerd dat die foute kennis, zeker als hij overtuigend wordt gebracht, heel gemakkelijk wordt doorgegeven aan vrienden en familie en zich dus als een lopend vuurtje verspreidt. Met alle gevolgen van dien.

Een andere toeristentrekker is het historische evenement, dat niet zelden in een erfgoedlocatie plaatsvindt. En daar bedoel ik ook historische dorpskernen of stadscentra mee. In het verleden was zo’n evenement dikwijls vooral gekoppeld aan een stads- of dorpsjubileum, maar tegenwoordig kan het gewoon een jaarlijks (of tweejaarlijks) terugkerend festival zijn dat al of niet een commerciële opzet heeft. Het is meestal gratis toegankelijk, maar als het maar genoeg bezoek aantrekt is het in ieder geval goed voor de lokale middenstand en dan met name de horeca. Er bestaan ook door commerciële organisatoren opgezette festivals waar je entree moet betalen en ter plekke van een niet goedkoop natje en droogje kunt worden voorzien. Dat is dus minder nuttig voor de horeca.

Sinds de jaren negentig worden dergelijke evenementen dikwijls voor een deel bevolkt door mensen die aan levende geschiedenis of re-enactment doen. Zelf ben ik daar via ons historisch adviesbureau tScapreel jaren bij betrokken geweest, tot ik er in 2011 een punt achter heb gezet. De bedoeling was oorspronkelijk om bezoekers via het tonen van kleding, ambachten en entertainment een beeld te geven van de periode van het gevierde jubileum of de gebeurtenis die herdacht werd. Dat vergde van de mensen die daarvoor ingezet werden aanvankelijk een behoorlijke inzet en kosten. De Scaprelers brachten een achtergrond van opleiding en werkervaring bij Archeon of het lidmaatschap van Die Landen van Herwaerts Over mee en wisten waar ze het over hadden. In de jaren tussen 1996 en 2011 hebben we nooit anders dan complimenten van organisatoren ontvangen. Evenals van de toeristen die ons zagen en spraken.

Helaas werd de kwaliteit van genoemde evenementen door de loop van de tijd steeds minder. Ook vanwege de bankencrisis was er op den duur steeds minder geld voor subsidies en lieten sponsors het afweten. Als zo’n festival dan toch doorging zocht men liever naar goedkopere vervanging van onze tamelijk dure Scaprelers. Of men zette publiekstrekkers in die niet echt binnen de historische periode pasten maar die wel geld in het laatje brachten. Toen dat in 2011 gebeurde tijdens het Gebroeders Van Limburgfestival in Nijmegen, nadat ik het al een paar jaar had zien afglijden, heb ik het bijltje er definitief bij neergegooid.

Ik denk nog steeds dat levende geschiedenis en re-enactment perfecte middelen zijn om de gemiddelde toerist een beeld te geven van een stuk geschiedenis. Hij/zij krijgt dat nergens anders door. Maar dan moet het wel goed gebeuren, want anders ben je net zo fout bezig als bij het vervalsen van je verleden in je historische museum. De toerist is dan weer de dupe, want die kan niet (voldoende) controleren of het echt zo was. Bovendien nemen vele historische evenementen het verleden ook op andere manieren niet serieus meer.  Ze zien geen onderscheid tussen geschiedenis en fantasy, waarbij gerust draken, elfjes en heksen tussen ridders en bedelaars het beeld vervormen. Of steampunk. Of diverse soorten kelten.

Er zijn ook erfgoedinstellingen genoeg die dergelijke mixen in hun programma opnemen, niet inziende dat het een hellend vlak is. Straks gaan toeristen nog denken dat er echt heksen bestonden (als ze dat al niet denken)  of dat in de middeleeuwen muziek ook al electronisch versterkt werd. De door films, tv series (zoals Game of Thrones), strips en games verspreide alternatieve middeleeuwen worden echt al jaren door elkaar gehaald; ik hoor en zie het overal om me heen. Ik zie ook nog geen verbetering optreden. Sterker nog: ik zie een verslechtering om zich heen grijpen. Re-enactmentgroepen en ‘historische’ handelaars worden steeds minder authentiek. Of oorspronkelijk om één jaartal draaiende feesten worden overspoeld door acts die je jaren, soms eeuwen, vroeger of later moet situeren. Bovendien zien lokale marketingbureaus (ook van gemeenten zelf…) er geen been in de geschiedenis te manipuleren om maar volk te trekken.

Ik vind dat verontrustend. Ik ben al een jaar bezig om Dordrecht te wijzen op de foute aannames die men rondom de zogenaamde eerste vrije statenvergadering doet, maar men luistert niet en gaat ijzerenheinig door. Zelfs in het tweejaarlijkse Dordt in Stoom festival, dat altijd een oase van verantwoorde nostalgie was, zijn al dieselmotoren gesignaleerd en op elektriciteit lopende kermisattracties. Wat is dat toch? Wordt daar wel eens onderzoek naar gedaan. Ik heb ik de tijd dat ik met dit soort werk bezig was, diverse kleine en leuk begonnen evenementen  zien uitgroeien tot enorme publiekstrekkers en vervolgens zien afglijden naar anachronistische schaduwen van zichzelf en vervolgens zien verdwijnen. Is dat een natuurlijk proces? Is een periode van 5 à 10 jaar een natuurlijke levensspanne voor zo’n festival en moet er dan wat anders komen? Waren de late jaren negentig en de vroege jaren nul een hoogtepunt voor historische feesten en zitten we nu in een dal voor er een nieuwe opleving komt? Ik weet het niet.

Ik heb soms oubollige oudheidskamers zien opbloeien tot volwaardige en leuke musea. Ik heb gedreven amateurs daar prachtige exposities over het verleden van hun dorp of stad zien maken, maar nu zie ik afgestudeerde conservatoren en andere museummedewerkers pretentieuze tentoonstellingen met speurtochten en multimedia presentaties neerzetten die er esthetisch prima uitzien, maar waar historisch weinig van klopt.  Mensen die de recensies van deze flops op mijn andere blog hebben gelezen kennen mijn mening daarover. Gaat dat nog verbeteren? Of moet de toch al van weinig historisch besef of kennis voorziene toerist het zelf maar uitzoeken? Ik houd mijn hart vast.

Waarom geschiedenis? 2

In het vorige blog, waar dit een onvoorzien vervolg van is, heb ik het over de gevaren van het misbruik van de geschiedenis gehad. Ik heb al eerder geschreven over het manipuleren ervan voor ideële , meestal politieke, doeleinden. Of voor naamsbekendheid, zoals in Dordrecht. Overigens stond er vorig weekend een stukje over een bezoek aan mijn stad in de Trouw waarin verbaasd werd geconstateerd dat het op een zonnige dag tijdens de vakante zo stil was in het oude centrum. Zelf heb ik de indruk dat we elk jaar meer toeristen zien en de terrassen bij mooi weer steeds vol zitten. Ook komen er elk jaar nieuwe horeca gelegenheden bij, zodat je je afvraagt of die zaakjes en zaken buiten de vakanties om wel voldoende bezoek krijgen om te overleven. Ik heb ook geen idee of het museum in het Hof goed loopt; ik kom er tegenwoordig nog zelden in de buurt. De journalist van Trouw kwam er in ieder geval vandaan met een volkomen verkeerd, en door mij al voorspeld, idee van de geschiedenis van Dordrecht. Hij schreef letterlijk:

Op 23 juli 1572 werd hier een soort onafhankelijkheidsverklaring getekend.

Om daarna (bewust?) Herman Pleij te citeren die zei dat in de VS of Frankrijk

…iedereen zo’n datum zou kunnen opdreunen en de historische locatie zou worden platgelopen.

Waarna hij het aan ons gebrek aan nationalisme weet dat wij dat niet doen. Om te vervolgen met dat het jammer was want

… de idealen die toen werden vastgelegd zijn alles behalve eng en bovendien heel actueel. “In dit gebouw werd de basis gelegd voor een onafhankelijk land waar je vrij bent om te denken wat je denkt, te geloven wat je gelooft en te zijn wie je bent” staat op het toegangskaartje van het klooster…

Hij is er dus ingestonken, want niets van het bovenstaande is waar. Afijn, als u niet weet waarom het niet waar is kunt u het vanaf hier nog eens nalezen. Zo verspreidt de boodschap zich dus over het land. Het is niet te hopen, en daar lijkt het ook niet echt op, dat dit idee nu duizenden (Nederlandse) toeristen naar Dordrecht trekt om te offeren op de altaren van de zogenaamde vrijheid. De ontwikkeling blijft niet minder zorgelijk.

Intussen lopen de kwesties van de controversiële standbeelden en nu ook de straatnamen  van ‘foute’ Nederlanders, zoals de 17e eeuwse admiraal Witte de With (zie boven een foto van de uitgaansstraat van die naam in Rotterdam). Historicus Sander van Walsum weidde in de Volkskrant een column aan met name dat laatste fenomeen. Protesten, aangezwengeld door de usual suspects, tegen (straat)naambordjes en beelden van zeehelden die op één of andere manier met de slavenhandel te maken hebben gehad lopen inmiddels de spuigaten uit.

Van Walsum verwoordt kernachtig wat hier aan de hand is:

… wie zich onder verwijzing naar het Nederlands verleden gekwetst zegt te voelen, vindt gehoor. Want anders dan vaak wordt gesuggereerd, vormt de nationale geschiedenis voor meer mensen een bron van gêne dan van trots. Of het nu – van achteren naar voren – gaat om de dekolonisatie van Indonesië, de Tweede Wereldoorlog, de ‘ethische politiek’ van het Indisch gouvernement, het Cultuurstelsel, de Gouden Eeuw – die steeds vaker tussen aanhalingstekens wordt geplaatst: de teneur van de historiografie is zelfkritisch. Dat is geen modegril van de laatste jaren, dat is al decennia het geval.

En dat klopt. Tijdens de colleges historiografie van de geschiedenis kregen we daar voorbeelden van te horen en te zien/lezen. Wat het recente verleden betreft, de Oorlog dus, hebben we eerst de heldenverering van de verzetsstrijders gehad, toen de volkomen  afbraak en ontmaskering van die zogenaamde ‘goede’ Nederlanders en pas de laatste tijd ontstaat er wat nuance. Verder terug gelegen historie is ook allemaal door die fases gegaan. We hadden eigenlijk mogen hopen dat de nuance over het verleden is blijven hangen, maar dat is helaas niet het geval. Sterker nog: hoe verder terug in de tijd hoe meer zwart-wit denken over goed en kwaad, beschaafd en barbaars, vroom en bijgelovig er over is gebleven. Tenminste: bij de bevolking, die in de gemanipuleerde geschiedenisboekjes dit beeld op zijn bord kreeg, zoals ik het vorige blog heb uitgelegd.

Historici zien die nuances wel degelijk, maar doen er eigenlijk veel te weinig aan om die aan scholieren over te brengen. Dat en het terugbrengen van geschiedenisonderwijs tot zo goed als niks en dan nog verouderd en clchématig ook zal in de toekomst geen helderder licht op ons verleden  doen schijnen. Natuurlijk blijven er altijd mensen die gewoon willen weten hoe het vroeger was en waarom de mensen toen deden wat ze deden. Dat worden (amateur)historici.  Er is, en dat weet ik zeker, genoeg belangstelling onder de Nederlanders voor hun eigen geschiedenis. Er wordt ook genoeg min of meer populaire literatuur uitgebracht over ons verleden, maar of dat voldoende zoden aan de dijk zet is de vraag.

Ik denk dat geschiedenis geen vrijblijvende vrijetijdsbesteding meer is of een beroep waarbij je zoveel mogelijk moet publiceren om gewaardeerd te worden en blijven. Historici moeten de  moderne communicatiemiddelen aangrijpen om hun kennis te verspreiden, want scholen doen het binnenkort niet meer. We moeten eigenlijk de straat op en ons losmaken van universiteiten die inhalige leerfabrieken dreigen te worden, van musea die toeristentrekkers zijn geworden en van erfgoedlocaties die de kinderen een spannend  dagje moeten bezorgen om te kunnen overleven. Ik vind het tijd worden dat we gaan uitleggen ‘hoe het eigenlijk geweest’ is. En dat we alle sprookjes, legenden en sagen moeten gaan ontkrachten om te laten zien hoe onze voorouders waren en wat ze deden en waarom.

Ik zie in programma’s als Verborgen Verleden hoe de ‘slachtoffers’ omgaan met hun eigen opa’s en oma’s en wat voor conclusies ze trekken uit wat ze horen. Dat vind ik soms zelfs al zorgwekkend. Aan de ene kant zijn ze dikwijls trots op een voorouder die zich door hard werken, creativiteit en doorzettingsvermogen aan zijn of haar droevig lot heeft onttrokken, maar aan de andere kant is er zo weinig bewustzijn over de leefsituatie van die mensen dat ze echt geschokt zijn over wat ze in de bronnen tegenkomen. Begrip over het leven in vroeger tijd is volkomen afwezig en zeker de kennis over hoe het zo gekomen is. Ook begrijpt men niet hoe mensen in de tijd zelf tegen hun eigen situatie aankeken. Men reageert met de kennis en ervaring van nu en beoordeelt geschiedenis ook daarnaar. Plaats voor de nuance lijkt er niet te zijn. Kortom presentisme

De gemeenteraden die in het verleden beslisten over welke ‘held’ een standbeeld kreeg of waar een straat naar werd genoemd, bestonden uit kinderen van hun tijd. De Staatslieden- en Zeeheldenbuurten, laat staan de Indische en Zuidafrikaanse buurten werden in de late 19e en vroeg 20e eeuw gebouwd en genoemd naar wat men toen  als voorbeelden van patriottisme beschouwde. Die mensen wisten dikwijls ook niet beter. Het is al erg genoeg dat er in die tijd historici waren die dat wel wisten maar niks zeiden. Moeten daarom die standbeelden weg en de straten andere namen krijgen? Nee. Het zijn voorbeelden uit een andere tijd, uit onze eigen geschiedenis, en ze zeggen iets over hoe het ‘toen’ was. Dat is historie. We hebben nu de mogelijkheden en kennis om er een betere uitleg van te geven. Laten we dat dan ook doen, en onze oren niet laten hangen naar mensen die geen historisch besef hebben (kunnen ze ook niet helpen; hebben ze nooit geleerd) en die maar wat roepen omdat ze zogenaamd gekwetst zijn.

Van Walsum eindigt zijn column met:

Geschiedenis moet niet worden misbruikt voor morele chantage. Laten we niet doen alsof we ons diep schamen voor de daden van in vergetelheid geraakte vlootvoogden.

En daar kan ik het alleen maar hartgrondig mee eens zijn.

Waarom geschiedenis? 1

Ik zit al 20 jaar, als één van de twee Nederlanders, op een e-mail-forum voor mediëvisten, dus ver voor ik zelf een echte historicus werd. Het is een internationaal forum en je komt er mensen op tegen uit de hele wereld, van New Zeeland tot Noorwegen, van de USA tot Zuid-Afrika en van eenvoudige amateurs tot university professors. Soms hebben we dagenlang durende discussies over Amerikaans geschiedenisonderwijs, dan weer over Robin Hood in de film of een portret van Eleanor van Aquitanië dat haar niet bleek te zijn. We stellen de lijst ook vragen over literatuur, waar bepaalde boeken te vinden zijn (als Google ze niet heeft gescand) of wat een bepaalde oud-franse zin betekent. Er worden congressen aangekondigd en papers gevraagd, boeken en artikelen besproken en films bekritiseerd.

Met de komst en bredere verspreiding van het internet zag het er even naar uit dat de list leeg zou lopen, maar we zijn er nog steeds. We zitten ook op Facebook en diverse leden hebben eigen blogs of websites. En nog steeds hebben we diepgaande discussies over het vak en het onderwijs erin, waar ik, gelukkig, sinds 2009 regelmatig ook als echte collega mijn steentje aan bijdraag. We hebben het nog niet over de standbeeldenkwestie gehad, maar wel over het gebruik van geschiedenis (en dan natuurlijk voornamelijk de middeleeuwse) voor dubieuze doeleinden, zoals hier in Dordrecht door de gemeente gebeurt. Ik heb het daar niet zo erg over, want dan moet ik veel te veel vertalen en daar heb ik geen tijd voor, maar het onderwerp komt aan bod.

Afgelopen week, 31. 8.2017, kwam Kurt Sherry, een docent geschiedenis op een Amerikaans college, met de vraag of de list hem kon helpen aan begrijpelijke literatuur voor highschool kids die nu, eigenlijk voor het eerst, iets over Europese middeleeuwse geschiedenis zouden gaan horen. Maak niet de vergissing dat in de USA de middeleeuwen niet leven; dat doen ze wel. Maar wel dikwijls, net als hier, in een nogal verwrongen, door Hollywood geïnspireerde  versie. Scholen en universiteiten zijn, net als hier, door bezuinigingen hun docentenbestanden en faculteiten aan het inkrimpen en de geesteswetenschappen zijn daar, net als hier, de eerste slachtoffers van. Kurt kreeg veel hulp en tips, maar er werd ook doorgedacht over wat de leerlingen nou eigenlijk moesten weten en hoe die stof het beste aan hen aangeboden kon worden. Skip Knox, een andere Amerikaan en professor in Boisie, Idaho, zag het wat somber in en poneerde dat je nou eenmaal kinderen hebt die goed of slecht zijn in maths, net zoals kinderen die aanleg hebben voor geschiedenis of niet. Maths wordt bovendien moeilijk gevonden, terwijl het denkbeeld bestaat dat geschiedenis een eitje is. Maar dat gewoon niet iedereen het leuk of interessant vindt. Jammer dan…

Hij kreeg direct weerwoord van Karen Schousboe, een voormalige assistent professor aan de Deense universiteit van Aarhus. Zij kon niet begrijpen dat Amerikaanse kids zo weinig over hun eigen geschiedenis weten en dus niet door hebben wat er in Charlottesville met het beeld van general Lee aan de hand was. Dat had niet veel met de middeleeuwen te maken, maar het is de trend in de USA om, net als bij ons, steeds minder eisen aan de kennis van het eigen verleden te stellen, zodat kinderen opgroeien tot volwassenen die geen idee meer hebben waarom ze, bijvoorbeeld, in een democratie leven en wat dat inhoudt. Waarom ze moeten stemmen en wat hun rol in de maatschappij is, behalve die van consument en gebruiker van infrastructuur. Zij gaf voorbeelden uit het Deense aanbod van lessen zoals die aan de scholen en universiteiten worden onderwezen en dat loog er niet om. Daar kunnen ook wij nog een puntje aan zuigen. Niks leuk of niet leuk: iedereen moet gewoon de geschiedenis van zijn land, zijn continent en zijn wereld kennen. Want anders…

Deze mail werd een uur of vier later gevolgd door een reactie van emeritus professor Bernie Bachrach (1939), de bekende Amerikaanse historicus van de Karolingische oorlogsvoering, het Jodendom in de middeleeuwen en het adellijke huis van Anjou. Hij benadrukte het gevaar van de moderne geschiedenis bestudering als politiek en sociaal smeermiddel. Ik wil mijn bloglezers deze zeer interessante mail niet onthouden en heb hem dus vertaald. Hij sluit aan bij mijn beschuldigingen aan het adres van de Dordtse cultuurbobo’s, maar legt nog duidelijker dan ik uit wat het gevaar daarvan is en wat er in het verleden met deze manier van geschiedenis bedrijven is gebeurd.

Sommige mensen bestuderen het verleden om de vraag te kunnen beantwoorden: hoe zijn we hier terecht gekomen? En ‘hier’ is dan de locatie in het heden die hen interesseert. Dit veroorzaakt een proces waarbij we feiten gaan selecteren over dingen die gebeurd zijn waarvan we geloven dat die ervoor hebben gezorgd dat we ons juist op deze plek bevinden. Tijdens dat proces worden feiten verzwegen waarvan we vinden dat die niet hebben bijgedragen aan het vorm geven van ons hier en nu. Anders gezegd: informatie uit het verleden wordt uit zijn context gehaald om onze moderne vragen te beantwoorden.

Methodologisch is deze benadering al lang geleden losgelaten en van het label ‘nuïsme’ (presentism) voorzien. Door deze benadering worden we namelijk niet geholpen het verleden op zijn eigen voorwaarden te begrijpen, maar vervormen we het tot een bron van selectieve informatie om hedendaagse politieke of sociale doelen te bereiken. Pogingen om het verleden te gebruiken voor politieke denkbeelden waren de basis van geschiedschrijving zowel in Nazi Duitsland als in de communistische Sovjet Unie. Dit principe wordt trouwens nog steeds toegepast door populisten die een bruikbaar verleden zoeken om hun doeleinden te ondersteunen.

Historici zouden van zulk gebruik van het verleden rigoreus afstand moeten nemen, net zoals we het werk van de Nazi-historici hebben verworpen die ‘historische’ rechtvaardigingen schreven voor Hitlers politiek ten opzichte van de Slaven en de Joden. Het is ons werk om het verleden op zijn eigen voorwaarden te leren begrijpen, zodat we toegang krijgen tot het denken van mensen die we anders niet zouden leren kennen. Juist dat verbreedt ons begrip over wat het betekent mens te zijn.

We zien allemaal om ons heen hoe politici de Nederlandse geschiedenis manipuleren om een punt te scoren of hun aanhang te vergroten en dan heb ik het niet alleen over de populisten. Of hoe gemeenten, en niet alleen Dordrecht, hun eigen geschiedenis misbruiken om toeristen te trekken. Het is een gevaarlijke weg, zeker omdat het ‘gewone volk’ steeds minder bagage krijgt om tegengas te bieden (als het die al had…) en bepaald niet wordt klaargestoomd om te leren denken over hoe ze gemanipuleerd (dreigen te) worden. Het is een verontrustend idee dat plannen voor het onderwijs in het vak geschiedenis alleen maar minder inhoud en steeds meer vervlakking van die inhoud laten zien, tot er in 2032, zoals gepland, niets meer van geschiedenisonderwijs over is.

Denk er maar eens over na.

Wordt vervolgd