Historie-blues

Het is niet makkelijk om een historicus te zijn. Begrijp me goed: ik klaag niet, want ik was gewaarschuwd. Maar je hebt er een hoop werk aan om je te verdedigen tegen mensen die je van van alles en nog wat beschuldigen. En dat terwijl we het zo goed bedoelen! Want ga maar na: wij proberen te achterhalen hoe het er vroeger aan toeging en waarom bepaalde gebeurtenissen plaatsvonden en dat schrijven we op zodat iedereen het kan lezen. Of we geven er lezingen over. Of we komen op radio en tv om het, als deskundigen, uit te leggen aan de bevolking in interviews of documentaires. Of we werken mee aan tentoonstellingen of vaste opstellingen in musea. Of we helpen om begrijpelijke teksten te schrijven bij de routes door erfgoedinstellingen. Het enige waar we, gek genoeg, niet echt aan de bak komen is in het onderwijs. Dat is gedeeltelijk, en historisch, onze eigen schuld, maar er zijn ook verzachtende omstandigheden die ons dat moeilijk maken.

Één van de problemen waar we mee te maken hadden was namelijk dat we moesten concurreren met niet-historici die denken ook wel wat over vroeger te weten. En dat is al heel lang zo. In het verre verleden waren er geen als zodanig opgeleide historici maar alleen zogenaamde ‘historieschrijvers’. Geleerde mannen uit de 16e, 17e en 18e eeuw, vooral dominees, dokters en juristen, die boeken vol schreven over hoe ze dachten dat een stad was ontstaan of een oorlog, of wat hun voorouders en vorsten allemaal gedaan hadden. En dat alles meestal gebaseerd op veel te weinig bronnen en daarom voor een groot deel uit de duim gezogen. Daarna kwam de 19e eeuw waarin de onderdanen van het koninkrijk der Nederlanden het wij-gevoel aangepraat moest worden, want al die provincies waren daarvoor min of meer zelfstandig geweest en de steden erin nog zelfstandiger. Daar moest een overkoepelend verhaal voor ontwikkeld worden zodat iedereen zich Nederlander zou gaan voelen in plaats van bijvoorbeeld Brabander of Enkhuizenaar. Het is ook de periode waarin aan universiteiten de opleiding tot historicus ontstond.

Er waren in die tijd ook echt geschiedkundigen die zich voor dat karretje lieten  spannen. Zij bedachten dat de Opstand tegen de Spanjaarden en de daarop volgende vrijheidsstrijd wel eens een effectief samenbindend vermogen zou hebben. Andere landen hebben hun middeleeuwse geschiedenis om tegenop te kijken: wij hebben dus de Tachtigjarige Oorlog. Ik heb hier al eens een recensie gewijd aan een boek over deze problematiek.

Ze vergaten daar wel een beetje bij dat het rooms-katholieke deel der natie nou niet zulke leuke herinneringen aan die tijd en wat erna kwam had. Natuurlijk hadden de protestanten ook geleden, maar zij, de katholieken, hadden een paar eeuwen niet in het openbaar naar de mis gemogen, hadden geen mogelijkheid gehad om in overheidsdienst te komen en hun katholiek gebleven regio’s en provincies waren een soort wingewesten onder calvinistische regenten en dominees geworden. Tot de Fransen kwamen.

Voor het grotere doel werd wel de geschiedenis van die periode tussen 1568 en 1648 een beetje mooier en lelijker gemaakt dan verantwoord was. Met andere woorden: hij werd gemanipuleerd. De Spanjaarden en met name koning Filips II en de hertog van Alva werden de ‘slechten’ en de watergeuzen en Willem van Oranje waren de ‘goeien’. NIet dat daar geen kern van waarheid in stak, maar veel zaken werden wel heel erg zwart-wit neergezet. En dat is niet wat echte, verantwoordelijke historici zouden moeten doen. Intussen werd die herschreven geschiedenis op elke school onderwezen uit speciaal geschreven schoolboekjes die bepaald geen voorbeelden van nuancering waren. Dat had grote invloed op het volk. De ouderen onder ons zullen zich de jaartallenlijstjes en de heldenverhalen nog wel herinneren. Wijlen mijn schoonmoeder had nog steeds een hekel aan Spanje en Spanjaarden vanwege de Tachtigjarige Oorlog en zou daar ook nooit naar op vakantie zijn gegaan. Ze was van gereformeerde huize…

De geschiedenisles was namelijk ook nogal verzuild. Openbare scholen hadden andere lesboekjes dan scholen met de bijbel, waardoor de nadruk op gebeurtenissen soms behoorlijk verschillend lag. En op rooms-katholieke scholen was dat wéér anders, zeker als het paters- en nonnenscholen waren. Pas na de jaren ’50 van de 20e eeuw begon dat wat te veranderen. Maar ook nu, nu de zuilen weg zijn, kom je in de geschiedenis-lesmethoden de resten van het 19e eeuwse onderwijs tegen. En dat houdt in dat naast de oudere generaties die het ouderwetse geschiedenisonderwijs hebben genoten ook de jongeren nog steeds geen genuanceerde, op modern onderzoek gebaseerde kennis in huis hebben over hun verleden. De bezoekers in Archeon of op historische evenementen, die ik 25 jaar lang te woord heb gestaan, hebben nog steeds die rare denkbeelden over vroeger. Re-enacters en levende geschiedenis spelers proberen uit alle macht het beeld te veranderen en betere informatie te geven, maar het is een lang en moeizaam proces.

Schoolboekenuitgevers, de scholen zelf en de erfgoedinstellingen werken er ook niet echt van harte aan mee. Want niet iedereen van die instituten neemt een bonafide historicus in de arm om hen te vertellen hoe het zat. Dat is voor de historicus die in musea, kastelen, buitenplaatsen en andere monumenten rondloopt maar al te duidelijk. Om maar te zwijgen over historische romans, strips en games en wat er in films en op radio, tv en het internet allemaal over de geschiedenis beweerd wordt.

Dus als je als historicus probeert om die soms al bijna 200 jaar vastliggende patronen te doorbreken, stuit je dikwijls op weerstand. Zeker als een instantie als een stad, bijvoorbeeld, al flink wat jaren heeft geïnvesteerd in een stuk geschiedenis dat moet zorgen dat toeristen hier wat te beleven hebben. En dat geldt vooral als je dat in de openbaarheid brengt, zodat in principe iedereen het kan lezen of horen. Er kunnen dan twee dingen gebeuren: je wordt óf doodgezwegen óf er wordt een openbare scheldpartij georganiseerd. Het gekke is dat de autoriteiten dikwijls naar de eerste methode grijpen en de media, bij monde van bijvoorbeeld columnisten, en het daarbij horende reageervolk naar de tweede. Voor radio en tv en de krant is iemand die tegen de gevestigde orde ingaat gewoon nieuws en zeker in de komkommertijd (of als het om lokaal of regionaal nieuws gaat) pak je elke oprisping aan, want zoveel interessants gebeurt er nou ook weer niet in de provincie.

Zeker als het gaat over feestelijkheden als historische herdenkingen moet je uitkijken wat je zegt. Je kunt zomaar beschuldigd worden van verraad aan je stad. Of je bent op z’n minst een spelbreker of azijnpisser, iemand die zijn medeburgers geen feestje gunt. Maar dat is natuurlijk oorzaak en gevolg door elkaar halen. Je kunt geen feestje vieren naar aanleiding van een herdenking van iets dat niet heeft plaatstgevonden. Of: je moet geen standbeeld oprichten voor iemand die niets met je stad te maken had. Als je daar dan toch een evenement van maakt dan blaas je een fictie op tot een lege huls die door een kenner heel makkelijk is door te prikken. Dan ben je dus bezig met een non-event gebaseerd op geschiedvervalsing. Of geschied-manipulatie.

Als historicus kun je dan blijven protesteren tot je blauw ziet, maar als de overheid besloten heeft deze weg in te slaan is dat niet makkelijk terug te draaien. Niet voor het geld dat het inmiddels heeft gekost, maar ook niet niet voor je stedelijke reputatie. Je gaat af als je toegeeft dat je je eigen verleden zo hebt omgewerkt dat het resultaat is dat iedereen denkt dat je aan de basis van de Nederlandse democratie en onze zogenaamde tolerantie staat. En dat kan niet: dat is slecht voor je naam en het toerisme. Dus wat moet je dan als historicus? Ik weet het niet.

Is het paarlen voor de zwijnen wat we doen? Willen mensen niet van hun heldenverering en vijandbeelden afgeholpen worden? Is het de schuld van de historici zelf die sinds de laatste oorlog dikke, dure boeken en moeilijk vindbare artikelen hebben geschreven die zeggen hoe het wel is geweest, maar dat niet hebben vertaald naar de schoolboekjes? Die worden nog steeds door niet-academisch opgeleide geschiedenisleraren samengesteld die zelf de geschiedenis uit die verouderde boekjes hebben geleerd, geen nieuw onderzoek hebben gedaan en daarom gewoon van hun voorgangers overschrijven. Waarom proberen die gestudeerde historici niet de geschiedenis voor de gewone man te verklaren zodat die eens wat nieuws hoort in plaats van die ouwerwetse troep. Of hebben ze dezelfde ervaringen gehad die ik hierboven heb beschreven? Misschien moeten historici eens bij elkaar gaan zitten en erover van gedachten wisselen, in plaats van op hun studeerkamers uit blijven zitten zoeken hoe het echt zat en daar dan veel over schrijven. Als datgene wat in de Dordrecht gebeurt het resultaat daarvan is zit je eigenlijk voor niks te werken. Of voor een klein groepje gelijkgestemden. Ik weet het nog steeds niet. Je zou er de blues van krijgen.

Wat ik wel besloten heb is dat ik vanaf nu weer terugga naar de middeleeuwen en daar weer over ga schrijven. Ook daar zal het nog genoeg over zaken die niet kloppen gaan, maar hopelijk heeft dat niet de nare gevolgen die de statenvergadering van juli 1572 of het standbeeld van de de Zwijger hadden. Houd deze plek in de gaten.

Opgedrongen herdenking

Ik word niet gauw boos, maar als ik een collega-wetenschapper onzin hoor beweren over een zaak waar ik wat van afweet, dan is het zover. Ik heb het over Herman Pleij. Pleij is een emeritus (gepensioneerd) hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, met als specialisme de hele late middeleeuwen, eigenlijk meer de vroegmodern tijd. Hij is vooral geïnteresseerd in wat genoemd wordt “de cultuurhistorische achtergronden van de nationale identiteitsvorming” en heeft daar ook diverse boeken over geschreven. Waaronder Moet kunnen dat ik hier besproken heb.

Prof. Dr. Herman Pleij.

Hij houdt zich dus ook bezig met de moderne volkscultuur en probeert te duiden waar die vandaan komt. Dat doet hij (meestal)  leuk, want hij heeft de gave van het woord, waardoor hij pakkend kan vertellen en puntig en toch komisch kan duiden. Vandaar ook dat hij veel op tv te zien is als het weer eens over onze identiteit gaat en ook een graag gezien spreker is. Je kunt hem dan ook voor zoiets huren.

De organisatoren van het Feest van de Vrijheid, afgelopen woensdag 19 juli 2017 in en om het Hof hadden dat ook gedaan. Hij heeft zijn praatje daar gehouden, neem ik aan, en werd later geïnterviewd  door Thijs Blom van RTV Rijnmond. In een later op internet te vinden artikel werd hij geciteerd met deze zin: “De Eerste Vrije Statenvergadering in 1572 in Dordrecht is zo’n belangrijk moment geweest in de Nederlandse geschiedenis, dat het een Nationale Feestdag zou moeten worden”.

In de erbij geplaatste podcast had hij nog een paar opzienbarende uitspraken. Op de vraag of het feest belangrijk was antwoordde hij: “Jawel, maar niet alleen voor Dordrecht, maar ook voor Nederland, want hier is Nederland begonnen”. En even later: “…de steden besluiten het niet meer te pikken en keren zich af van de vorst.” Om nog weer verder te beweren: “de staten van Holland dat is een soort tweede kamer… die stellen de vrijheid van godsdienst vast en dat is uniek in de wereldgeschieddenis”.

De aanhef van de Declaration of Independence, 1776.

Pleij maakte ook de vergelijking met Independence Day, the Fourth of July, waarop de USA met barbecues en vuurwerk herdenkt dat ze onafhankelijk van Groot Brittannië werden en met Quatorze Juillet wanneer  de Fransen het begin van de Revolutie herdenken met veel militaire parades en vuurwerk. En waarom zouden we dat hier niet doen met 19 juli vanwege die o zo belangrijke eerste vrije statenvergadering? Elders noemde hij nog het feit dat ze in Philadelphia het gebouw waar de ondertekening van de Declaration of Independence had plaatsgevonden in de 20e eeuw hebben moeten reconstrueren, want er was door het veranderen en bijbouwen van het originele gebouw niet veel meer over,  terwijl wij hier gewoon het Augustijnenklooster nog hebben staan waar het allemaal gebeurde. Hij weet waarschijnlijk niet dat het helemaal niet zo zeker is dat die bewuste vergaderingen (19 tot en met 23 juli) daar hebben plaatsgevonden. Er is maar één bron voor die dat zegt en die dateert van 100 jaar later. Maar dat zal wel nooit echt bewezen kunnen worden.

godsdienstvrijheid
Het godsdienstvrijheid artikel in de notulen van de statenvergadering.

Dat is echter helemaal het punt niet. De vergaderingen begonnen op 19 juli in Dordrecht, gingen op 25 juli in Rotterdam verder en waren op 28 juli afgelopen en op die dag werden in Delft, waar men inmiddels vergaderde in het stadhuis, de notulen afgesloten. Iedereen kan dat zien: ze staan gewoon op internet. De notulen van de vergaderingen in Dordrecht van 19-23 juli: hier . En die te Delft van 28 juli: hier. Het wordt een beetje vervelend, want dit is de zoveelste keer dat ik dit schrijf: wat Pleij beweert is niet waar. Volgens de notulen werd er niets beslist over de vrijheid van godsdienst (= religie). Er staat onomwonden:

Voorts heeft Marnix verklaard dat het de intentie (bedoeling) is van de prins dat er vrijheid van godsdienst zal heersen tussen gereformeerden en roomsen en dat iedereen die in het openbaar kerken of kapellen zal gebruiken (en dat zal door de overheid geordonneerd worden) dat ongehinderd zal kunnen doen zonder dat iemand zich daarmee bemoeit.  Geestelijken zullen in hun werk ontzien worden en als iemand hen vijandig behandelt of mishandelt gaat dat in tegen het advies van de Staten Generaal van deze landen dat zal worden verordonneerd. De gedeputeerden hebben zich aan deze intentie van de prins geconformeerd.

Is het zo moeilijk te begrijpen? Er is niets besloten, de Staten Generaal moet nog over die bedoeling van de prins beslissen en daar is het zelfs op de Unie van Utrecht in 1579 niet van gekomen. Lees het blog: ik heb er alle bewijzen in gezet.  Dat is toch niet zo moeilijk? De gedeputeerden willen best aan de wens van de prins tegemoet komen, maar ze hebben voorlopig andere, dringender zaken aan hun hoofd. Eerst Alva en zijn troepen eruit en dan zien we weer verder.

alva
De hertog van Alva, geschilderd door Titiaan, ca 1575.

Alle in Dordrecht, Rotterdam en Delft genomen besluiten zijn ondertekend door gehoorzame onderdanen van de Spaanse koning. Ze waren niet in opstand tegen hun vorst, maar hun punt was dat het negeren van hun privileges door de Spaanse houwdegen Alva niet meer gepikt werd. Ze hadden niet de bedoeling een eigen onafhankelijke staat te beginnen, zelfs in 1581 bij het Placcaet van Verlatinghe was dat niet aan de orde. Toen het echt niet anders kon hebben ze in 1588 Filips II afgezet wegens grove schending van hun rechten en de republiek uitgeroepen. En dat was met meer dan alleen de Staten van Holland.

Als Professor Pleij die Staten dan ook nog met een Tweede Kamer vergelijkt, misschien om het begrijpelijk te maken voor de luisteraar, dan is hij verkeerd bezig.  Dat die Staten een democratisch gekozen groep mensen was die de regering (vorst plus parlement) moet controleren is zo anachronistisch dat het belachelijk is. Vanuit de mond van iemand die zich historicus noemt is het bovendien genant.

Overigens kloppen de vergelijkingen van onze in Dordrecht begonnen onafhankelijkheid met de Amerikaanse en Franse herdenkingen ook van geen kanten. De eerste is een onafhankelijkheidsverklaring naar de Britse Kroon toe met een behoorlijk filosofische inhoud: “de onafhankelijkheid werd in de verklaring gerechtvaardigd door een aantal “waarheden” die de ondertekenaars “vanzelfsprekend” achtten: dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door hun schepper zijn uitgerust met bepaalde rechten en dat onder die rechten valt: het recht op leven, op vrijheid en op het nastreven van geluk.” Allemaal dingen die in dat land nou niet echt voor iedereen golden en gelden.

Bestorming van de Bastille, 14 juli 1789.

De Fransen vieren op 14 juli de bestorming  door revolutionair gepeupel van de Bastille, een uit de middeleeuwen daterende gevangenis, in 1789 om aan kruit voor hun gestolen wapens te komen. De officiële instelling van deze viering dateert trouwens pas uit 1880 want “de vaderlandsliefde kon na het debacle van de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) immers wel een oppepper gebruiken” zoals het op Wikipedia cynisch te lezen staat. Er waren bij elke wisseling van het soort regering in Frankrijk in de 19e eeuw al heel wat nationale feestdagen aan vooraf gegaan. Daaraan kun je al zien dat het niet bepaald een definitieve onafhankelijkheid betrof. Die is na 1789 nog diverse keren teloor gegaan en weer uitgeroepen; Frankrijk heeft notabene inmiddels al de Vijfde Republiek. Die bestorming was trouwens een volkomen toevallige keuze en is destijds alleen in 1790 maar een keer herdacht; het had net zo goed een ander wapenfeit uit die dagen kunnen zijn.

De Amerikanen hebben nog tot 1783 gevochten om van de Britten los te komen en kregen in 1782 van de Republiek, als tweede natie, de erkenning dat ze een echte staat waren. Ze zijn ons daar nog steeds kinderlijk dankbaar voor. Voor de oorspronkelijke inwoners van Noord-Amerika en de alom aanwezige zwarte slaven begon de ellende nu pas echt. Die bleken toch niet zo gelijk geschapen te zijn. En dat hebben ze geweten. In Frankrijk nam na de Jacobijnse terreur van de Revolutie eerst het Directoire de macht over en daarna Napoleon Bonaparte die het zelfs tot keizer schopte. Nadat hij in heel Europa een onvoorstelbare hoop ellende aangericht had, werd Frankrijk nog een aantal keren afwisselend weer republiek en keizerrijk. De Derde Republiek heeft dus in 1880 geprobeerd het volk mee te krijgen in een nationale feestdag op 14 juli. Daar zijn de Vierde en de Vijfde gewoon mee doorgegaan, maar eigenlijk is dat gedoe niets anders dan een poging tot het opwekken van een eng nationalistisch en chauvinistisch gevoel. Gelukkig is het voor de meeste inwoners van die landen gewoon een vrije dag, is het meestal mooi weer en kan je dus lekker buiten eten bij de barbecue. Met vuurwerk na. Je zou bijna denken dat zo’n datum daar speciaal voor is gekozen, zoals Pleij ook al opmerkte.

4th of July cookout

Als je iets vergelijkbaars, dus het afstoten van de oude orde en wat nieuws beginnen, zoekt kun je dat vinden in de Vrede van Munster uit 1648, het officiële einde van de 80-jarige oorlog. Één van de gevolgen daarvan was echter wel dat het calvinistische protestantisme daarbij officieel staatsgodsdient werd en de bezittingen van de katholieke kerk definitief aan de Republiek vervielen. Bovendien mochten de katholieken niet in het openbaar hun godsdienst belijden en waren ze tot 1795 aangewezen op schuilkerken. En werden ze buitengesloten van overheidsbetrekkingen. Dus sinds 1572 was er niets veranderd: hoe bedoelt u vrijheid van meningsuiting, religie en geweten? Bovendien hebben wij daarna ook nog diverse keren onze vrijheid verloren en weer moeten herwinnen. Die van de laatste keer, in 1945, wordt nog wel gevierd en herdacht, al gaat dat de laatste jaren steeds moeizamer. Maar als je ziet hoe die van 1813 een paar jaar geleden kunstmatig moest worden opgepompt, laat staan dat de Bataafse Revolutie van 1794-1795 nog wordt herinnerd, dan kun je niet echt zeggen dat het ‘hervinden van de vrijheid’  hier erg  leeft.

De hele roep om onze zogenaamde vrijheid van meningsuiting te vieren met een nationale herdenking, zoals onlangs in een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 17 juli jl, werd bepleit, riekt naar manipulatie van de naar een eigen identiteit op zoek zijnde burger. Zoals dat in de 19e eeuw gebeurde om het volk feestend achter God, Nederland en Oranje te krijgen. Na die rommelige en eigenwijze Republiek van door allerlei oligarchen bestuurde provincies en steden, met hun altijd naar vorstenstatus strevende stadhouders, werd de nationale geschiedenis herschreven om gehoorzame onderdanen van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden te kweken. Inclusief de katholieken, die nu niet zulke goede herinneringen hadden aan de voor dat doel speciaal aangewezen Opstand tegen Spanje als begin van onze vrijheid. Dat was ongeveer net zo pijnlijk als een RK pastoor deze week in Dordrecht met een hagepreek mee laten doen.

Pastoor Tjeerd Visser tijdens zijn hagepreek. Foto Wim van de Pol.

Om het samen te vatten, speciaal voor meneer Pleij:

  • De Nederlandse staat begon niet op 19 juli 1572 in Dordrecht.
  • De statenvergadering was ook geen opmaat voor het uitroepen van zelfstandigheid.
  • Er werd toen geen besluit over de vrijheid van godsdienst genomen.
  • De Staten van Holland keerden zich ook (nog) niet af van de koning van Spanje.
  • En diezelfde Staten waren geen ‘soort tweede kamer’.

Als u het nog eens rustig wilt nalezen kan ik u verwijzen naar mijn blog vanaf oktober 2016.

Ik merk verder dat ik helemaal geen behoefte heb aan een op fout begrepen en misschien wel vervalste historische gegevens gebaseerde nationale feestdag, waarbij Dordrecht als braafste jongetje van de klas fungeert. Als ik behoefte heb aan een eigen identiteit probeer ik wel te kijken naar en leren van wat ik zelf gepresteerd heb. Daar hoeft mijn gemeente, mijn land en zeker de kerk niet voor te zorgen. Ik zou willen dat mijn stadsgenoten hun spreekwoordelijke nuchterheid terugkrijgen en zich niet mee laten slepen door cultuurbobo’s, dominees en pastoors, maar gewoon de feiten tot zich nemen en daar zelf hun conclusies uit trekken. Ik vrees alleen dat er vanaf nu een van bovenaf opgedrongen, naar nationalistisch sentiment riekend  feest zal worden gepromoot. Afijn… als het dan maar met een leuke picknick, een barbecue en vuurwerk opgeluisterd wordt. Naar de toespraken hoeft u niet, dat doet de Dordtse fine fleur wel.

Achteraf 2

Historici hebben proberen te verklaren hoe die opstand tegen de Spaanse troepen van Alva (dus niet tegen koning Filips in Spanje, die bleef voorlopig nog buiten schot) begon en waarom. Er waren er inderdaad die schreven dat die statenvergadering in Dordrecht wel eens de aanzet voor alles heeft kunnen zijn. Anderen pleiten voor de overval op Brielle. Of de inval van de Oranjes in 1568 het jaar waarin alle tot nu toe gepubliceerde geschiedenisboekjes die 80-jarige oorlog laten beginnen. Weer anderen wijzen op het jaar 1566 toen ‘de edelen’ aan de landvoogdes een ‘smeekschrift’ aanboden om af te zien van het vermoorden van protestanten (zie plaat van deze aanbieding bovenaan de pagina) en toen diezelfde protestanten de interieurs van diverse katholieke kerken kort en klein begonnen te slaan. Nog weer anderen zien in het tegen de gebruiken van de Nederlandse provincies ingaan van de koning, via zijn landvoogden en Alva, de echte aanleiding voor de opstandige gevoelens van de steden en landen. De moderne, dikke geschiedenissen van de 80-jarige oorlog, die ik in mijn eerste blog in de serie Dordrecht en de gewetensvrijheid heb genoemd, proberen al die zaken mee te nemen, maar zien het breder.

Ingekleurde gravure van Spaanse soldaten uit het begin van de opstand. Anoniem, ca 1570.

Iedereen maakt nu gebruik van kennis die de mensen in die tijd niet hadden. Die hadden niet dat overzicht. Na Brielle op 1 april 1572 kozen de  meeste steden in Holland en Zeeland en ook een heel stel in het noorden en oosten van het land voor opstand tegen de Spanjaarden en hun tirannie. Dat zou echter niet ongestraft blijven, dat wisten ze maar al te goed. Dus moest er het nodige voorbereid worden. Holland liep voorop, daar was het begonnen (en in Zeeland, maar die gingen in 1575 pas echt meedoen). De illegaal, want zonder overleg met de Staten, aangestelde stadhouder lieten ze links liggen en sloten zich aan bij de nooit officieel ontslagen stadhouder, Willem van Oranje. Die stond klaar met een leger en had geld nodig. Zelf hadden de Staten niet echt een leger, dus alle hulp was welkom. Vandaar ook dat ze graag betaalden om de prins te helpen hen te helpen. Dat is in een notedop hoe de situatie zomer 1572 was.

En dan was er ook nog die wens van de prins om de katholieken met rust te laten en hen gewoon hun gang te laten gaan. Dat moest nog wel met de andere provincies overlegd worden, maar daar stonden de  meeste gewone Hollanders (van wie de meerderheid nog gewoon katholiek was) niet vijandig tegenover. Ze vroegen zich wel af wat ze moesten doen als die katholieken dus vijandig werden en met de Spanjaarden bleven heulen. Ook dat werd op die statenvergadering in Dordrecht besproken.

calvijn
Johannes Calvijn (1509-1564), de grondlegger van een strenge vorm van protestantisme: het calvinisme. Portret uit ca 1540.

Of de prins ook gedacht heeft dat die wens voor godsdienstvrijheid er echt door zou komen is natuurlijk niet bekend. Dat kan geen enkele historicus nog achterhalen. Dat hij voor gewetensvrijheid was is wel bekend, maar we weten ook dat het nooit een wet is geworden. De veel fanatiekere calvinisten, die toen nog maar een kleine minderheid vormden onder de protestanten in de meeste provincies, maar die in Holland en Vlaanderen snel tot een invloedrijke groep uitgroeiden, hielden elke vrijheid van religie tegen. In de latere statenvergaderingen wilden ze het katholieke geloof gewoon verbieden.

Ik heb hiervoor al betoogd dat men in 1572 niet dacht aan het vormen van een vrije staat. Pas met het vogelvrij verklaren van de prins in 1580 ging men in de noordelijke provincies denken aan het zich losmaken uit het Habsburgse rijk. Men ging op zoek naar een nieuwe vorst. Men stond ook niet negatief tegenover vrijheid van geweten of godsdienst, maar daarover werden nog niets beslist. Toen het op het laatst in 1579 in Utrecht wel op de agenda kwam, hadden de calvinisten de meeste kerken, ook buiten Holland, al in beslag genomen en de katholieken gewoon verdreven. De katholieke eredienst werd overigens in 1573 al door diezelfde Staten van Holland verboden toen de Spaanse furie in alle hevigheid losbarstte. Ze vormden een te logische vijfde colonne voor Alva.

Je kunt dus niet volhouden dat in juli 1572 in Dordrecht (en later in Rotterdam en Delft) er een nieuwe natie was geboren en dat de godsdienstvrijheid er werd gegarandeerd. Je kunt achteraf zeggen dat het een stap was op een lange weg naar nu, maar dat was Den Briel ook, of de beeldenstorm of het smeekschrift der edelen. Om maar in die periode te blijven. In de vergadering in Dordrecht werd bevestigd dat de prins de Hollandse (!) stadhouder was, dat hij geld zou krijgen om de oorlog tegen Alva en zijn troepen te voeren en er werden maatregelen genomen om de Spanjaarden, als ze terugkwamen, te weerstaan. Hiervoor werd, op voorspraak van Oranje, een soort generaal aangesteld, Lumey. En als er nog eens een Staten Generaal vergadering zou komen zou de vrijheid van religie op de agenda komen. Meer niet. Je kunt het zelf nalezen; het staat in de notulen.

hegel
Portret van Georg Hegel (1770-1831), een 19e eeuwse Duitse filosoof, die de theorie van het historicisme bedacht.

Achteraf kun je alles verklaren of in ieder geval proberen een verklaring te vinden, maar je moet wel nuchter blijven. In Dordrecht werd onderhandeld over de rechten en plichten van de Staten en hun stadhouder en over geld. Meer niet. Die godsdienst kwam later wel; nu kwamen de Spanjaarden er aan. Als je nu een lijn ziet in een serie oorzaken en gevolgen in de 16e eeuw die uitmonden in het Nederland van nu, ben je verkeerd bezig. Dat heet historicisme en dat is een methode die door historici al lang geleden is los gelaten. We proberen nu te verklaren wat men vroeger deed en waarom, waar dat vandaan kwam (oorzaak) en wat er vervolgens daarna gebeurde (gevolg). We houden ons niet bezig met hoe die gebeurtenissen hun invloed op nu hebben. Dan kun je de houtvuurtjes van de jagers-verzamelaars in de pre-historie wel de schuld geven van de opwarming van de aarde en het geven van stadsrechten in de middeleeuwen aanwijzen als de oorzaak van het parkeerprobleem in binnensteden.

Wat nu?

Ik had na mijn laatste serie blogs over Dordrecht en de gewetensvrijheid wel het een en ander aan reacties verwacht.  Herman van Duinen heeft inderdaad een aantal aanvullingen gegeven, die mooi aansloten bij de stof, er waren wat vragen over Vlaanderen en Limburg en Mr. Frank Visser was weer een illusie armer, maar dat was het wel. Het op één na laatste blog (7) had ik ook naar het college en de gemeenteraad van Dordrecht gestuurd en het laatste blog (8), naast die groep, ook naar alle medewerkers van het museum in het Hof. Uit de gemeenteraad kwam een complimenteuze mail van een fractievoorzitter en een uitnodiging voor een gesprek van een wethouder. Uit het museum kwam niks. Dus ik vond het allemaal nogal mager. En dat nadat ik best een pittig stuk kritiek heb geschreven. Met name kritiek op het museum…

ingang museum
Ingang van het museum in het Hof, links de studiezalen van het Regionaal Archief.

Nou heeft gebrek aan reacties me nooit belet om gewoon door te gaan met wat ik doe, maar ik vond het wel tekenend. Ik begrijp het ook wel. Want wat moet je als gemeente Dordrecht en museum in het Hof (ik weiger de officiële naam op te schrijven, want die is al net zo onhistorisch als een deel van de inhoud van het museum) met zulke kritiek? Ik heb natuurlijk wel het een en ander overhoop gehaald. Als Dordrecht Marketing kun je gemakkelijk op internet een slogan aanpassen, in het museum zijn opstellingen gemaakt, teksten geschreven en dingen vastgelegd die niet zo makkelijk of goedkoop aan te passen zijn. Toch hebben ze het aan zichzelf te wijten: hadden ze niet eerst een historicus naar hun teksten kunnen laten kijken?

fonkeling
Gezicht in de kelder, waar de middeleeuwse opstelling, de Fonkeling, zich bevindt. Rechts in de doorgang ziet u een glimp van heraldische wandkleden.

In 2013 werd ik door toenmalige directie en inrichters gevraagd om een plan in te dienen voor de tussenruimte in de kelder, waarin het middeleeuwse deel van de tentoonstelling (de Fonkeling) in de keldergewelven  overgaat naar de trap naar de begane grond. Men vond mijn ontwerp voor de zaal van het 14e eeuwse huis Te Merwe geschikt om er op die plek een indruk van te geven. En dat is ook gebeurd, maar wel aangepast. Ook heb ik de basisgegevens, zoals kaarten en afbeeldingen van gebouwen, voor de animatie van de groei van middeleeuws Dordrecht aangeleverd, die mijn vriend Per Bos in een zeer interessant filmpje heeft verwezenlijkt. Zeer de moeite waard om te bekijken. Omdat ik daar toch bezig was, heb ik me tegelijk bemoeid met de bijschriften van die middeleeuwse afdeling. Daar klopte namelijk het een en ander niet van. Het is inmiddels allemaal netjes rechtgetrokken. Zo kwam ik dus te weten dat er geen historici naar die teksten en bijschriften had gekeken. Dat is toch raar? Of heb ik dat mis?

overtuiging
De dormter van het klooster met de opstelling over godsdienst, de Overtuiging, waar zich ook de foutieve uitspraak over gewetensvrijheid als effect van de statenvergadering bevindt.

Uit de hieraan vooraf gaande blogs blijkt dan ook wat er met name bij het gedeelte over de Hollandse statenvergadering in 1572 verkeerd is gegaan. Dat had door het inschakelen van een historicus, die meer gespecialiseerd was in de periode dan ik, mooi vermeden kunnen worden. Niet dat hij of zij dat gemakkelijk had kunnen doen. In ieder geval sinds 1972, maar waarschijnlijk al veel eerder, is de rol van Dordrecht in het ontstaan van de Republiek en het van onze stad uit verspreiden van godsdienst- en gewetensvrijheid er hier behoorlijk ingesleten. Zoals ik heb proberen te bewijzen: ten onrechte. Herman van Duinen had nota bene al in 2013 deze ‘fictie’ aangekaart in het hier behoorlijk bekende internet tijdschrift Dordrecht Monumenteel. Er kwam geen enkele  reactie op. En toen stond nog lang niet vast wat er in de opstelling allemaal over 1572 gezegd zou worden. Aan de fictie werd dus klaarblijkelijk vastgehouden. Toen in 2015 het Hof museum officieel door de koning werd geopend, werd er ten overstaan van heel Nederland nog eens mooi weer gespeeld met deze, in mijn ogen, geschiedvervalsing. En kon iedereen het niet kloppende manifest ondertekenen. Ik heb me echt zitten verbijten en schaamde me rot.

madurodam
De zogenaamd historische inrichting in het ‘Hof’ in Madurodam. Zoek de fouten.

Aan de andere kant: ga er maar aanstaan. Dan heb je een mooi museum dat veel geld gekost heeft en dan blijkt dat je fabeltjes staat te vertellen. Hoe ga je daar mee om? Nog eens een hoop geld uitgeven aan een aanpassing van de zalen? Om maar niet te spreken over het overdoen van de film, die eigenlijk helemaal een historische aanfluiting is, al is het idee erachter (van deze tijd overgaan naar 1572) best goed gedaan.  En dan moet je je ook nog eens realiseren dat die hele vergadering waarschijnlijk helemaal niet gehouden is in de refter van het Augustijnenklooster, die al sinds mensenheugenis de Statenzaal wordt genoemd. Ik zou van minder wakker liggen. En dan moet Dordrecht Marketing aan de slag om de toeristische schade te beperken van mensen die zich belazerd voelen omdat ze vals voorgelicht zijn. Meneer Davides zal niet de eerste toerist zijn die deze foute informatie aan de goegemeente doorgeeft.  En dan heb ik het nog maar niet over die frutsel die in Madurodam is neergezet.

overstroming
Opstelling in het museum over de overstroming van de Elisabethsvloed in 1421.

Ik realiseer me wel degelijk dat ik het de gemeente Dordrecht niet makkelijk maak. Dat is jammer, maar het kan niet anders. Het is de taak van een historicus in te grijpen als de geschiedenis geweld aangedaan wordt: waar dan ook en door wie dan ook. Dat hoort bij het vak. Dat dat dikwijls niet leuk is om aan te horen, nemen we op de koop toe. Mijn docent historiografie aan de universiteit van Leiden, dr. Peer Vries, waarschuwde ons al dat historici niet populair zijn op verjaardagen en in de disco, want wij zijn die vervelende mensen die altijd zeggen: ja, maar… En dan komt er weer iets dat de leek verkeerd heeft begrepen. Of geleerd. Dat moet dan maar. Maar de gemeente Dordrecht moet hier ook echt wat mee, want als dit in bredere kring bekend wordt, zal onze mooie stad bekend staan als de risee van de Nederlandse geschiedenis. En dat zou zonde zijn.

Dordrecht en de gewetensvrijheid 5

godsdienstvrijheid

Collega Van Duinen schreef in de samenvatting van zijn artikel uit 2013 dat de prins ook nog godsdienstvrijheid ‘gelastte’. Dat idee was al heel lang in de hoofden van de Dordtse cultuurbobo’s aanwezig en wordt nog steeds, zoals u in deel  1 van dit blog hebt kunnen lezen, breed uitgedragen. Gelastte Willem van Oranje dat echt? In de instructie die Marnix mee kreeg wordt helemaal niet gesproken over godsdienstvrijheid. In artikel 24, het allerlaatste, staat alleen:

Sal oick met hen verhandelen hoe men op het alderbeste ende bequaemste sal moegen met den geestelickheyt ende anderen, dye sich van deze zaecke openbaer vianden vercleert hebben, sal moegen handelen, soo wel aengaende hare goederen als de personen.

augustijn
Afbeelding van een Augustijner broeder in koorhabijt, ca 1600.

Er moest op de Statenvergadering dus ook over gesproken worden over hoe men met (katholieke) geestelijken en anderen die zich openlijk vijandig gedroegen moest (onder)handelen over zowel hun goederen als hun persoon. Met andere woorden: in beslagname of niet van hun goederen en het gevangen zetten of vrij laten van henzelf. Dat duidt niet echt op een van tevoren geplande vrijheid van godsdienst voor iedereen, zeker niet als de katholieken zich vijandig zouden gedragen. Er moest gewoon nog over nagedacht en gepraat worden.

In de notulen van de Statenvergadering komt echter wél een tekst voor die Marnix van de prins aan de Hollanders moest overbrengen. Die staat bijna aan het eind ervan, als het over de tweede vergaderdag gaat. Hij komt ná een voorstel om aan Denemarken te schrijven dat ze beter niet met Amsterdam, dat de koning trouw was gebleven, handel moesten drijven, maar daarvoor beter naar de Westfriese steden of Rotterdam konden varen. En hij staat vóór een besluit over de kosten voor de verdediging van het land, zoals de bevrijding van de rivieren en wegen, het onderhoud van kastelen en forten en de onkosten voor het onderhoud van soldaten etc. die al gedaan zijn en nog gedaan zullen worden door de steden en het platteland van Holland zullen worden gedragen uit de contributie (belastingen) zoals daarna zou worden geregeld. De tekst lijkt er een beetje tussen gefrommeld, zo van: oh, ja, er was ook nog iets over godsdienstvrijheid… Zo ging het natuurlijk niet, maar het komt over alsof de prins mondeling heeft opgedragen ook daar nog wat over te zeggen.

Letterlijk staat er:

Voerts heeft de voorsz. heere gecommitteerde (Marnix) verclaert d’intentie van zyne V.G. (de prins) te wesen dat gehouden zal worden vryheyt der religien zoe wel der gereformeerde als der roemsche religie, en(de) dat een yegelick Inden zynen Int openbaer en(de) in eenige kercken ofte capellen (zoodat gevouchelicste byde overicheyt zal geord(ineert) worden) zal gebruycken vrye exercitie der zelver zonder dat daer Inne yemant Empeschement hinder ofte moeyenisse gedaen zal worden. Ende dat de geestel(icke) personen in haeren staet en(de) onbecommert blyven zullen. Ten ware zyl(uyden) hem verthoenden vianden ofte hem mishandelden tegens tgundt voersz. is. Ende dit al ter tyt en wyle dat by advys van(de) gemeen generalen staten der lande van herwaerts overe anders zal zyn geord(eyt), welcker zyner V.G. intentie voersz. gedeputeerden in als hem geconfromeert hebben.

minderbroeder
Afbeelding van een Minderbroeder of Franciscaanse broeder, periode onbekend.

Bovenaan deze pagina kunt u de letterlijke tekst uit de notulen zien. De prins liet dus via Marnix weten dat (als hij inderdaad weer wordt erkend als stadhouder van Holland, etc.) het de bedoeling was dat er vrijheid van godsdienst zou heersen voor zowel protestanten als katholieken. Iedereen zou die in het openbaar of in kerken of kapellen ongehinderd mogen belijden, al moest dat besluit nog wel door de overheid vastgesteld worden.  Geestelijken zouden hun werk ook ongehinderd moeten kunnen doen. Maar als men zich vijandig opstelde en iemand mishandelde, zou dat ingaan dat tegen het nog vast te stellen advies van de Staten Generaal (dus die van alle provincies, inclusief de zuidelijke)van deze landen. Dat laatste was dus een iets  uitgebreidere versie van artikel 24 uit de Instructie van Marnix. Het punt van vrijheid om je eigen religie te belijden was nieuw.

unie van utrecht
De laatste pagina van de Unie van Utrecht uit 1579 met de handtekeningen van de afgevaardigden uit de zeven Nederlandse provincies.

De gedeputeerden (steden en adel op de vergadering) hebben daarin toegestemd. Met andere woorden: het gebod was  er nog niet, maar als het vastgelegd zou worden door alle provincies, en dus niet alleen Holland, dan zou die godsdienstvrijheid ingevoerd worden. En dan zouden er sancties op overtredingen ervan komen te staan. Het was dus nog lang niet zover en het zou ook nooit zover komen. In de Unie van Utrecht in 1579, die door Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre (maar gedeeltelijk onwettig), Friesland, Groningen en ommelanden en enkele Vlaamse en Brabantse steden ondertekend werd, staat een artikel over godsdienstvrijheid. Het luidt:

 …dat men niemandt ter cause van de Religie sal moghen achterhalen ofte ondersoecken.

Oftewel: dat men niemand mag vervolgen vanwege zijn religieuze opvattingen.

bataafse republiek
Het symbool van de Bataafse Republiek: de vrijheidsmaagd met de Nederlandse statenleeuw.

In de praktijk kwam het erop neer dat de protestantse de officiële kerk werd en dat de katholieken gedoogd werden. Bovendien werden ze zo’n beetje als tweederangs burgers behandeld en zaten overheidsbanen er niet voor ze in  En zo bleef het tot 1798 toen in de grondwet van de Bataafse Republiek inderdaad een artikel over godsdienstvrijheid opgenomen werd.

Het was dus een persoonlijk verzoek van de prins aan de Staten van Holland om dat artikel, met alle andere maatregelen, ook op de agenda te zetten als er een algemene Statenvergadering zou komen. Duidelijk geen bevel. Het was voor de gedeputeerden ook makkelijk met die intentie in te stemmen, want het echte besluit zou pas (veel) later genomen worden. De vergadering  ging over geld om oorlog te kunnen voeren. Wat er dan met goedbedoelde intenties kan gebeuren is maar al te bekend.

Wordt vervolgd

Dordrecht en de gewetensvrijheid 4

inname brielle

Herman van Duinen en ik hebben besloten onze krachten te bundelen. Hij heeft na 2013 niet stilgezeten en is verder gegaan met onderzoek rond de EVS. Hij heeft daarom meer kunnen lezen dan ik in de korte voorbereidingstijd voor dit blog en zal me bijstaan in het schrijven van de volgende delen. We gaan hier verder met wat achtergrondinformatie over de gebeurtenissen in de zomer van 1572, zonder al te veel in details te treden.

In Dordrecht wordt van dat eigenmachtige optreden van de steden en de adel een dekselse rebelse daad gemaakt en duidt het op de ‘durf’ en moed van die instanties om tegen het wettige gezag in te gaan. Dat is echter behoorlijk kort door de bocht. De situatie in Holland en Zeeland was in de zomer van 1572 nogal chaotisch. U weet allemaal (hoop ik) dat op 1 april het stadje Brielle was ingenomen door de zogenaamde Watergeuzen (zie de prent bovenaan deze blog, een gravure van Frans Hogenberg). Dat had een ontwikkeling tot gevolg die als een soort lopend vuurtje door de provincies rolde. De meeste steden lieten de geuzen binnen en hun tot dan toe bijna volledige katholieke bestuurders werden vervangen door protestanten. Slechts enkele steden bleven in Spaanse handen of werden door Spaanse troepen belegerd. Natuurlijk zag Alva dit als opstand, maar hij werd tegengehouden om er wat aan te doen, omdat hij in de zuidelijk Nederlanden doende was een mogelijke invasie van de prins van Oranje en zijn broer Lodewijk op te vangen.

bossu
Maximiliaan de Hénin-Liétard, graaf van Bossu, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht 1567-1573. Gravure door Jan Wierix.

De graaf van Bossu was nog door de landvoogdes Margaretha van Parma als vervanger van Willem van Oranje aangesteld als stadhouder in Holland, Zeeland en Utrecht. Hij kreeg echter direct bij diens aankomst in de Lage Landen in 1567 met de hertog van Alva te maken, die Margaretha als landvoogd opvolgde toen ze, geschokt door Alva’s wreedheid, ontslag nam. De nieuwe stadhouder probeerde na de revolutionaire gebeurtenissen sinds 1 april de steden en edelen te paaien voor een Statenvergadering in Den Haag op 15 juli. De steden zagen de bui echter hangen en besloten, zo blijkt het, zelf bij elkaar te komen. De prins van Oranje had in de maanden daarvoor al vertegenwoordigers naar Holland gestuurd om de steden zover te krijgen. Aanvankelijk zou dat in Gouda gebeuren, maar die stad gaf het stokje liever aan Dordrecht door, als oudste en eerste stad van Holland. Daar gaf men, onder lichte druk van opstandige magistraten en de geuzen, toe. Vanaf 3 juli werden de Staten door Dordrecht opgeroepen om bij hen te komen vergaderen. En dat gebeurde op 6 juli nog eens, wat dringender verwoord : “alsoo dese zaicke ons gemeenlicken aengaet” en ze vermeldden erbij dat Lumey het ermee eens was. Die was op 20 juni door de prins zelf al tot zijn luitenant voor Holland benoemd en zat eigenlijk te wachten op zijn officiële aanstelling door de Staten. Zo kon de Statenvergadering in Dordrecht, na wat uitstel omdat het reizen voor de verder weg liggende steden door de onrustige situatie niet echt gemakkelijk ging, op 19 juli beginnen.

Het hedendaagse Dordrecht vindt dit een dappere daad: zomaar, zonder dat ’s konings stadhouder die bij elkaar roept, een Statenvergadering plaats laten vinden. Dat was het niet; het was gewoon noodzaak. Er moesten belangrijke zaken besproken worden en het moest snel gebeuren, want er dreigde echt oorlog met de Spanjaarden. Het was crisis, iets dat in het begin van de film die in het Hof draait terecht nog eens extra benadrukt wordt. Bovendien was het wel meer gebeurd dat de Statenvergadering op initiatief van de steden zelf bij elkaar kwam.

koopmans staten
Omslag van het boek over de Staten van Holland voor en tijdens de Opstand.

Koopmans, in zijn boek De Staten van Holland en de Opstand (1990) schrijft dat het in de jaren ’60 al diverse keren was voorgekomen dat de Hollandse Statenleden eigenmachtig vergaderingen hadden belegd. De situatie was nu echter wel anders dan toen. Door de oproep van Bossu te negeren en zelf ergens anders dan in Den Haag bij elkaar te komen was er nu “sprake van openlijke weerstand tegen het wettige gezag”. Al wilde men de koning niet openlijk afvallen, Alva en zijn ‘Spanjaarden’ (er maakten nogal wat niet-Spaanse huurlingen deel van zijn leger uit) waren wel de vijand. Het was dus niet een “Eerste vrije statenvergadering”, want er waren al eerder zelfstandige vergaderingen geweest en ‘vrij’ was Holland zeker niet. Het was wel een daad van rebellie, maar dat was het overgaan van de steden naar de geuzen en de protestantse religie ook al.

Willem van Oranje, die zelf een inval in de Zuidelijke Nederlanden aan het voorbereiden was, was niet blij geweest met die inname van Brielle: het was te vroeg. Lumey, toen officieel admiraal van de Watergeuzen, had niet met hem overlegd en was zijn eigen gang gegaan. De prins zelf was in april nog niet ver genoeg met het verzamelen van troepen, want hij had zo goed als geen geld. Dat de andere Hollandse en Zeeuwse steden (op Amsterdam, Middelburg en Goes na) ook in opstand kwamen was dan wel weer een goed bericht. Bij zijn eerdere inval, in 1568, was alles mislukt en waren zijn troepen en die van zijn broers, na wat succes in het begin, verslagen en uit elkaar gejaagd. Het had hem tevens geruïneerd. Hij weet die nederlaag toen ook aan gebrek aan medewerking van het rijke Holland en zijn steden en aan de gebrekkige communicatie tussen hen.

beleg roermond
Overzicht van het beleg van Roermond van 21-23 juli 1572 door het leger van Willem van Oranje. Na de overgave werd de stad geplunderd en verloren enkele tientallen katholieke geestelijken het leven na hevig gemarteld te zijn. De prins heeft op 25 juli nog een verbod op het doden van katholieken uitgevaardigd, maar dat hielp niet bij de rest van de veldtocht. Gravure door Frans Hogenberg.

Nu de steden hun plaats tegenover de Spanjaarden tegen wil en dank definitief hadden bepaald zag hij weer mogelijkheden, te meer omdat sommige steden hem al geld brachten. Hij had op 7 juli al een eerste instructie naar Holland gestuurd met de specifieke vraag om veel geld, want, zo dreigde hij, anders zou de vrijheid en welvaart van de provincie definitief gevaar lopen. Toen hem bekend werd dat de Staten werkelijk bij elkaar zouden komen stuurde hij zijn vertegenwoordiger, Marnix, er naar toe. Die had nog verder uitgebreide instructies bij zich. Daaraan ontbrak, zoals iedereen kan lezen, een door latere generaties erg belangrijk gevonden artikel. Daar kom ik in de volgende blogs nog op terug. Zelf was de prins op 7 juli de grens van Duitsland en Gelders Limburg overgestoken en bevond zich in zijn legerkamp in de buurt van Roermond (dat toen nog niet in Limburg lag). Wat hij wilde was geld, want hoewel hij met moeite, en door zijn familie en vrienden aan te spreken, het leger had kunnen formeren, moest hij het ook tijdens de komende expeditie blijven betalen. Vandaar dat hij de steden vroeg hem in ieder geval voor de eerste drie maanden voldoende geld te geven. En snel.

Wordt vervolgd

Waarom ik blog

Waarin ik uitleg waarom ik dit blog begonnen ben en wat ik ermee wil bereiken. Voor Dordtenaren, maar ook voor alle andere belangstellenden die wel eens de opvattingen die een mediëvist over de geschiedenis van zijn stad en omgeving heeft willen lezen.

Toen ik in 2009 afstudeerde was ik ervan doordrongen dat je als historicus een maatschappelijke taak hebt. Natuurlijk zijn en waren er veel mensen die na zo’n studie leraar worden en dat is, denk ik, wel de ultieme baan die je kunt vervullen om je nuttig te maken in de maatschappij. Het is echter niets voor mij, al heb ik best wat van de schoolmeester in me. Ik was al jaren voor ik ging studeren adviseur op het gebied van vele aspecten van het verleden en had daar ook mijn beroep van gemaakt.

index scapreel
Teasertje van de over niet al te lange tijd te verschijnen nieuwe website van tScapreel.

Daarom ging ik toen anders te werk dan de meeste historici, die, als je de carriéres van diverse mensen volgt, in allerlei beroepen terecht komen die je niet verwacht.  Ik heb, geïnspireerd door Archeon, al die jaren via ons bedrijf gezocht naar manieren om mensen voor te lichten over, met name, de middeleeuwen. Ik had namelijk al heel lang geleden gemerkt dat veel mensen daar rare ideeën over hadden. Door levende geschiedenis, voorlichting over het dagelijks leven in die tijd en het tonen van echte middeleeuwse voorwerpen of de replica’s daarvan aan mensen die dat nooit gezien hadden, heb ik heel wat AH-Erlebnissen veroorzaakt. Oh, zat dat zo… was meestal de reactie.

beeldmerk uni leiden
Beeldmerk van mijn Alma Mater: de universiteit van Leiden.

Al in het eerste jaar van de universiteit werden wij, in ons kleine groepje deeltijders, ervan doordrongen dat een historicus onderzoek doet, de resultaten daarvan bekend maakt aan zijn collega’s en die daarna doorgeeft aan de buitenwacht; de gewone mensen, het volk, de Nederlandse burger. De universiteit is een nationaal instituut dat gedeeltelijk met belastinggeld onderhouden wordt. Je mag daarom verwachten dat de informatie die de daar opgeleide, al of niet van beurzen afhankelijke, geleerden door onderzoek gevonden hebben op den duur hun weg vindt naar de belastingbetaler: u en ik. Ik denk dat het aan dat laatste een beetje schort.

Mijn onderzoek naar de informatie over de middeleeuwen in Nederlandse lesmethoden geschiedenis bewees dat die voornamelijk veel verouderde gegevens en  fouten bevatten. Dat er erg slordig met ‘wat was wanneer’ omgegaan werd en wordt en dat de tekst eigenlijk heel kinderachtig en onvolledig is. Door het steeds kleiner worden van de lesperiodes die op school nog aan geschiedenis besteed worden, zijn die teksten dus steeds korter geworden, de plaatjes eromheen steeds groter (en niet erg passend) en raakt het verband tussen de onderwerpen op den duur zoek.

canon kaart
De 50 vensters van de canon op één kaart.

De canon met zijn 50 vensters is daar een goed voorbeeld van. De periode van 3000 vC tot 1500 nC wordt in zeven vensters afgehandeld. Dat kan nooit goed zijn voor het historisch besef van de leerling, want die ziet het verband niet tussen Karel de Grote en Floris V. Laat staan dat dat uitgelegd wordt. En toch is dat historisch besef het begrip waarvoor pedagogen en didactici in hun handboeken geschiedenisonderwijs pleiten. En dat in de Kerndoelen benoemd wordt, wat hier nog even wat verder uitgewerkt wordt. Vergeet het maar.

De plannen voor datzelfde geschiedenisonderwijs  tot 2032 toe, die onlangs bekend zijn gemaakt, laten een nog kaler beeld zien. Je kunt eigenlijk wel zeggen dat het vak geschiedenis het wel zo’n beetje gehad heeft. Daar waar het voor maatschappijstudies nog nodig gevonden wordt  – en dan hebben we het voornamelijk over de geschiedenis van de laatste 100 jaar – wordt er nog enige aandacht aan besteed, maar voor de rest wordt het hobby. Zowel van een leraar die nog wat dieper wil duiken in het verleden, als van de leerling die zelf dan maar wat boeken opzoekt of het internet afstruint. Dat doet mij pijn. En ik ben niet de enige, mijn goede vriend Jona Lendering denkt er ook zo over.

geerruidenberg 2013
In 2013 vierde Geertruidenberg 800 jaar stadsrechten. Ik had daar niks mee te maken, maar dat ze zich als oudste stad van Holland profileerden klopte niet.

Ik heb de laatste 20 jaar minstens met 30 historische jubilea van dorpen of steden te maken gehad die hun 600, 700, 800 of zelfs 900 jarige bestaan vierden. De kennis die bij de organiserende comité’s aanwezig was over het begin van hun gemeente was meestal zo goed als afwezig of anders vermengd met fabels en legenden. Men keek altijd verrast op als ik vertelde hoe het werkelijk bij het ontstaan, groeien en officieel stichten van hun nederzetting toe was gegaan. Ook kon men zich nauwelijks voorstellen hoe hun voorouders geleefd hadden, eruit hadden gezien en wat ze dachten en deden. De meeste ‘kennis’ was trouwens gebaseerd op het onderwijs dat die mensen zelf in hun jeugd gehad hadden, en dat was dus al niet best. Je houdt je hart vast voor hoe het over een jaar of tien zal zijn. Of in 2032.

EVS 1972
Koningin Juliana bezocht in 1972 de officiële viering van 400 jaar Eerste Vrije Statenvergadering. Typerend voorbeeld van het elitaire gedeelte van zo’n jubileum.

Ik heb er persoonlijk ook mee te maken in mijn woonplaats. Dordrecht is heel oud. De meeste, een beetje bewust levende Dordtenaren weten dat ook wel, maar hoe dat precies zat… geen idee. In het verleden heeft de stad zijn jubilea best gevierd. In de negentiende eeuw ging dat nog behoorlijk spectaculair met veel verklede mensen en erepoorten. Later werd het soberder en ging het meer om bepaalde historische gebeurtenissen waardoor Dordrecht op de historische kaart was gezet: de eerste vrije statenvergadering in 1572 en de synode van 1618-19.

Dat werden feesten voor iedereen, met altijd wel een historisch element, maar nooit te opzichtig meer. Uitvoeringen van muziekgroepen, sportverenigingen, kermis voor de burgerij en dan voor de elite een tentoonstelling, een congres en een, duur, boek, dat was het wel.

balen 1677
Titelpagina van Mathijs Balens, Beschrijvinge van Dordrecht uit 1677 in twee dikke delen.

Stadshistoriën waren ook van die elite-uitgaven. Vanaf de zeventiende eeuw verschenen die met enige regelmaat en soms in meerdere delen. Die boeken waren voor de gewone man niet te betalen, als ze ze al wilden lezen. Daar werden ze dus ook niet wijzer van. En dat had dan weer zijn invloed op het begrip van hun eigen verleden. Of eigenlijk het onbegrip.

Nog steeds is de vroege geschiedenis van Dordrecht een zorgenkindje.  Ik heb hier al geschreven dat de basiskennis bij cursisten Dordtologie, toch gemotiveerde mensen die op hun vrije zaterdagochtenden in een seizoen toch tien pittige lessen willen volgen, mij zwaar tegenviel.

vitrine hof
Bezoekers in de kelder van het Hof waar de vitrines een keuze uit vele middeleeuwse stukken tonen.

Het nieuwe historische museum in het Hof laat in zijn ‘middeleeuwse’ afdeling een esthetisch mooie presentatie zien van wat er nog aan middeleeuwse spullen in de archieven, depots en musea te vinden was, maar de informatie die erover geboden wordt is miniem. Bovendien worden hele stukken van die vroege geschiedenis overgeslagen of maar zeer schetsmatig behandeld. De tentoonstelling, die duidelijk voor toeristen is bedoeld, graaft niet diep en hoeft dat misschien ook niet. Schoolklassen kunnen er spannende speurtochten doen, maar ook daarbij is de informatie oppervlakkig en gaan leerlingen eerder weg met mooie plaatjes in hun hoofd (en dat is niet verkeerd) dan met begrip van de samenhang tussen al die beelden. En zo gaat het eigenlijk altijd. En overal.

Ik ga van het standpunt uit dat de mens belangstelling heeft voor de historie van de plaats of het gebied waar hij/zij is opgegroeid. De officiële geschiedenis daarvan moet men echter uit dikke en dure boeken halen en dat trekken de meeste mensen niet. Als ze al het geld ervoor over hebben. Bovendien is de dieper gravende informatie verborgen in speciale studies en artikelen waar de leek helemaal niet bij weet te komen. Mijn missie is om iedereen in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van wat historici en archeologen over het vroege Dordrecht en zijn omgeving  te weten zijn gekomen zonder diep in hun buidel te moeten tasten. Ik heb, sinds de voorbereidingen voor de viering van 800 jaar stadsrecht in 2020 op een laag pitje werden gezet, enkele maanden nagedacht over dit probleem en eind februari bedacht dat een blog een ideale vorm voor deze informatie zou kunnen zijn. Iedereen die op internet zit, en daar zijn veel Dordtenaren bij (en mensen uit de omgeving), kan erop en kennis nemen van dat wat in de blog gezet wordt. Vandaar…