Waarom geschiedenis? 1

Ik zit al 20 jaar, als één van de twee Nederlanders, op een e-mail-forum voor mediëvisten, dus ver voor ik zelf een echte historicus werd. Het is een internationaal forum en je komt er mensen op tegen uit de hele wereld, van New Zeeland tot Noorwegen, van de USA tot Zuid-Afrika en van eenvoudige amateurs tot university professors. Soms hebben we dagenlang durende discussies over Amerikaans geschiedenisonderwijs, dan weer over Robin Hood in de film of een portret van Eleanor van Aquitanië dat haar niet bleek te zijn. We stellen de lijst ook vragen over literatuur, waar bepaalde boeken te vinden zijn (als Google ze niet heeft gescand) of wat een bepaalde oud-franse zin betekent. Er worden congressen aangekondigd en papers gevraagd, boeken en artikelen besproken en films bekritiseerd.

Met de komst en bredere verspreiding van het internet zag het er even naar uit dat de list leeg zou lopen, maar we zijn er nog steeds. We zitten ook op Facebook en diverse leden hebben eigen blogs of websites. En nog steeds hebben we diepgaande discussies over het vak en het onderwijs erin, waar ik, gelukkig, sinds 2009 regelmatig ook als echte collega mijn steentje aan bijdraag. We hebben het nog niet over de standbeeldenkwestie gehad, maar wel over het gebruik van geschiedenis (en dan natuurlijk voornamelijk de middeleeuwse) voor dubieuze doeleinden, zoals hier in Dordrecht door de gemeente gebeurt. Ik heb het daar niet zo erg over, want dan moet ik veel te veel vertalen en daar heb ik geen tijd voor, maar het onderwerp komt aan bod.

Afgelopen week, 31. 8.2017, kwam Kurt Sherry, een docent geschiedenis op een Amerikaans college, met de vraag of de list hem kon helpen aan begrijpelijke literatuur voor highschool kids die nu, eigenlijk voor het eerst, iets over Europese middeleeuwse geschiedenis zouden gaan horen. Maak niet de vergissing dat in de USA de middeleeuwen niet leven; dat doen ze wel. Maar wel dikwijls, net als hier, in een nogal verwrongen, door Hollywood geïnspireerde  versie. Scholen en universiteiten zijn, net als hier, door bezuinigingen hun docentenbestanden en faculteiten aan het inkrimpen en de geesteswetenschappen zijn daar, net als hier, de eerste slachtoffers van. Kurt kreeg veel hulp en tips, maar er werd ook doorgedacht over wat de leerlingen nou eigenlijk moesten weten en hoe die stof het beste aan hen aangeboden kon worden. Skip Knox, een andere Amerikaan en professor in Boisie, Idaho, zag het wat somber in en poneerde dat je nou eenmaal kinderen hebt die goed of slecht zijn in maths, net zoals kinderen die aanleg hebben voor geschiedenis of niet. Maths wordt bovendien moeilijk gevonden, terwijl het denkbeeld bestaat dat geschiedenis een eitje is. Maar dat gewoon niet iedereen het leuk of interessant vindt. Jammer dan…

Hij kreeg direct weerwoord van Karen Schousboe, een voormalige assistent professor aan de Deense universiteit van Aarhus. Zij kon niet begrijpen dat Amerikaanse kids zo weinig over hun eigen geschiedenis weten en dus niet door hebben wat er in Charlottesville met het beeld van general Lee aan de hand was. Dat had niet veel met de middeleeuwen te maken, maar het is de trend in de USA om, net als bij ons, steeds minder eisen aan de kennis van het eigen verleden te stellen, zodat kinderen opgroeien tot volwassenen die geen idee meer hebben waarom ze, bijvoorbeeld, in een democratie leven en wat dat inhoudt. Waarom ze moeten stemmen en wat hun rol in de maatschappij is, behalve die van consument en gebruiker van infrastructuur. Zij gaf voorbeelden uit het Deense aanbod van lessen zoals die aan de scholen en universiteiten worden onderwezen en dat loog er niet om. Daar kunnen ook wij nog een puntje aan zuigen. Niks leuk of niet leuk: iedereen moet gewoon de geschiedenis van zijn land, zijn continent en zijn wereld kennen. Want anders…

Deze mail werd een uur of vier later gevolgd door een reactie van emeritus professor Bernie Bachrach (1939), de bekende Amerikaanse historicus van de Karolingische oorlogsvoering, het Jodendom in de middeleeuwen en het adellijke huis van Anjou. Hij benadrukte het gevaar van de moderne geschiedenis bestudering als politiek en sociaal smeermiddel. Ik wil mijn bloglezers deze zeer interessante mail niet onthouden en heb hem dus vertaald. Hij sluit aan bij mijn beschuldigingen aan het adres van de Dordtse cultuurbobo’s, maar legt nog duidelijker dan ik uit wat het gevaar daarvan is en wat er in het verleden met deze manier van geschiedenis bedrijven is gebeurd.

Sommige mensen bestuderen het verleden om de vraag te kunnen beantwoorden: hoe zijn we hier terecht gekomen? En ‘hier’ is dan de locatie in het heden die hen interesseert. Dit veroorzaakt een proces waarbij we feiten gaan selecteren over dingen die gebeurd zijn waarvan we geloven dat die ervoor hebben gezorgd dat we ons juist op deze plek bevinden. Tijdens dat proces worden feiten verzwegen waarvan we vinden dat die niet hebben bijgedragen aan het vorm geven van ons hier en nu. Anders gezegd: informatie uit het verleden wordt uit zijn context gehaald om onze moderne vragen te beantwoorden.

Methodologisch is deze benadering al lang geleden losgelaten en van het label ‘nuïsme’ (presentism) voorzien. Door deze benadering worden we namelijk niet geholpen het verleden op zijn eigen voorwaarden te begrijpen, maar vervormen we het tot een bron van selectieve informatie om hedendaagse politieke of sociale doelen te bereiken. Pogingen om het verleden te gebruiken voor politieke denkbeelden waren de basis van geschiedschrijving zowel in Nazi Duitsland als in de communistische Sovjet Unie. Dit principe wordt trouwens nog steeds toegepast door populisten die een bruikbaar verleden zoeken om hun doeleinden te ondersteunen.

Historici zouden van zulk gebruik van het verleden rigoreus afstand moeten nemen, net zoals we het werk van de Nazi-historici hebben verworpen die ‘historische’ rechtvaardigingen schreven voor Hitlers politiek ten opzichte van de Slaven en de Joden. Het is ons werk om het verleden op zijn eigen voorwaarden te leren begrijpen, zodat we toegang krijgen tot het denken van mensen die we anders niet zouden leren kennen. Juist dat verbreedt ons begrip over wat het betekent mens te zijn.

We zien allemaal om ons heen hoe politici de Nederlandse geschiedenis manipuleren om een punt te scoren of hun aanhang te vergroten en dan heb ik het niet alleen over de populisten. Of hoe gemeenten, en niet alleen Dordrecht, hun eigen geschiedenis misbruiken om toeristen te trekken. Het is een gevaarlijke weg, zeker omdat het ‘gewone volk’ steeds minder bagage krijgt om tegengas te bieden (als het die al had…) en bepaald niet wordt klaargestoomd om te leren denken over hoe ze gemanipuleerd (dreigen te) worden. Het is een verontrustend idee dat plannen voor het onderwijs in het vak geschiedenis alleen maar minder inhoud en steeds meer vervlakking van die inhoud laten zien, tot er in 2032, zoals gepland, niets meer van geschiedenisonderwijs over is.

Denk er maar eens over na.

Wordt vervolgd

Het werk van de historicus (1)

Dit blog in twee delen gaat over de verantwoordelijkheid die historici hebben ten opzichte van hun publiek als dat leken zijn op het gebied van de geschiedeniswetenschap. En met name wat ik daar via dit blog aan bij wil dragen. Maar dan moet men wel begrijpen dat dit soort blog geen platform is voor controverses tussen historici onderling.

Toen ik studeerde in de gebouwen die u hierboven op de foto ziet (eind van de Doelenstraat in Leiden, met recht voor gebouw Lipsius met de grote collegezalen en links gebouw Huizinga, waar de geschiedenisfaculteit zit, en in het midden de koffiehoek) werd ik er door al mijn docenten van doordrongen dat ik een zekere verantwoordelijkheid had ten opzichte van de maatschappij. Wij zijn er om het verleden te verklaren voor de niet-gestudeerde belangstellende, bijvoorbeeld als geschiedenisleraren. En misschien ook wel voor de niet zo belangstellende. De universiteit draait gedeeltelijk op belastinggeld dat door alle inwoners van ons land wordt opgebracht. De inwoners mogen daar wat voor terug verwachten. Wetenschappers, en dus ook historici, worden geacht hun vak te leren van andere, eerder opgeleide collega’s. Ze worden geacht onderzoek te doen naar stukken uit het verleden die of nog niet onderzocht zijn of die een nieuwe, frisse blik vergen omdat, bijvoorbeeld, nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen. In ons geval kunnen dat nieuw ontdekte bronnen zijn of een studie naar een al eerder behandeld onderwerp dat nieuwe vragen oproept. Vervolgens moeten ze hier verslag van uitbrengen.

Op de universiteit hebben ze geleerd hoe ze dat aan moeten pakken. Ze leerden om een vraag (of meerdere)  te stellen aan die (nieuwe) gegevens, een probleem te benoemen en een methode te verzinnen voor de aanpak van het beantwoorden van die vraag of het oplossen van het probleem. Ze moeten dat verantwoorden door te laten zien wat ze daarover gelezen hebben (bibliografie, noten) en als het eindrapport een zekere dikte heeft er ook nog eens een index op maken (of meerdere) om het zoeken in het werkstuk, de scriptie, het artikel, het proefschrift, etc. makkelijker te maken. Het stuk moet een zekere structuur hebben. Het moet beginnen met die probleemstelling, daarna de te volgen zoekprocedure duidelijk maken, daaruit een verhaal destilleren dat alle argumenten meeneemt (het betoog) en tot slot moet er een conclusie komen te staan.

robert fruin
Portret van professor Robert Fruin, de eerste hoogleraar in de geschiedenis in Nederland (Foto Jan Goedeljee, 1879).

Dit gebeurt allemaal, in het geval van het onderzoek naar het verleden, al enkele eeuwen over de hele wereld. Dus ook in Nederland, waar de eerste leerstoel voor geschiedenis in 1860 in Leiden werd geïnstalleerd. Inmiddels zijn waarschijnlijk al duizenden historici in Leiden en elders afgestudeerd en die hebben al die tijd artikelen en boeken geproduceerd over alle perioden en honderden onderwerpen van de Nederlandse en buitenlandse geschiedenis. Bovendien hebben er ook buitenlanders zich over onze geschiedenis uitgelaten.

Als je echt wilt weten wat er in een bepaalde tijd op een bepaalde plaats gebeurde en waarom dat is er een overvloed aan literatuur over. Het jammere echter is dat al die artikelen en boeken dikwijls niet makkelijk te vinden zijn. Veel boeken zijn inmiddels uitverkocht en alleen in of via speciale bibiotheken op te vragen. Ze waren en zijn ook niet goedkoop: 30 euro voor een boek is weinig en veel prijzen liggen tussen de 50 en 100 euro. Niet iets dat je als amateur-historicus even op de toonbank legt. Tenzij je natuurlijk ‘financieel onafhankelijk’ bent…

Artikelen staan meestal in soms al meer dan 100 jaar bestaande vaktijdschriften in binnen- en buitenland. Ook die zijn voor de leek alleen maar in archieven en speciale bibliotheken, zoals die van universiteiten, te vinden. Dat kost dus moeite en tijd. De buitenlandse zijn trouwens nog zeldzamer te krijgen en als ze al beschikbaar zijn moet je toch wel de betreffende taal beheersen. Die ook per land weer zijn eigen vakjargon heeft.

huygens instituut
De patio in het ultra moderne gebouw van het Huygens Instituut in Den Haag.

Gelukkig doen bepaalde groeperingen en instituten op hun websites de laatste jaren moeite om veel van die uitverkochte of moeilijk te vinden literatuur beschikbaar te stellen. Voor iedereen. Gratis. En dan noem ik in het geval van de Nederlandse geschiedenis vooral het Huygens Instituut  dat niet alleen literatuur maar ook allerlei bronnenuitgaven heeft gedigitaliseerd. Zonder hen zou een historicus of die boeken zelf moeten aanschaffen, als ze nog verkrijgbaar zouden zijn zijn, of telkens weer naar zijn alma mater moeten om onderzoek te doen. Nu kan veel gewoon thuis voor de pc gedaan worden. Heerlijk dus…

Ook de amateur en leek zouden dit kunnen doen en ik neem graag aan dat het ook regelmatig gebeurt. Al dat drukwerk is echter wel op de hierboven beschreven methode geschreven. Ik hoor veel mensen dan ook zeggen dat het wel erg veel vaktaal is en dat het voor een niet-ingewijde toch wel pittig is om te lezen en dat het niet meevalt om er zelf conclusies uit te trekken. De gewone belangstellende leek gaat daar natuurlijk helemaal niet aan beginnen. Het kost hem gewoon te veel tijd en geld en hij loopt het risico dat hij het helemaal niet begrijpt.

(Wordt vervolgd)