Lachen om ons stadsrecht

Een paar weken geleden woonde ik in mijn alma mater Leiden een symposium bij over de geboorte en groei van het graafschap Holland. De laatste lezing van die dag werd gegeven door professor Rudi van Maanen en zou gaan over de oudste stadsrechten. We zijn hem al eens eerder in een van mijn blogs tegengekomen . Hij herhaalde nog eens dat een stadsrechtverlening geen geboorteacte van een stad was. Maar toen hij over Dordrecht en Geertruidenberg te spreken kwam (waarbij hij de ruzie over wie nou de oudste was nog noemde) vertoonde hij er ook een dia bij van ons oudste stadsrecht-exemplaar. U ziet het hierboven. Er ging een klaterend gelach door de collegezaal met ruim 250 aanwezigen. Ik wist niet wat ik hoorde en voelde me eigenlijk een beetje geïrriteerd: wat dachten die mensen wel! Ik heb alleen al in de eerste week van mijn studie (september 2003) afgeleerd om tijdens een hoorcollege mijn hand op te steken en de professor een vraag te stellen: zoiets  doet men niet!

prof van maanen
Professor Rudi van Maanen.

Nou is een lezing niet echt een college en ik heb het echt wel meegemaakt dat mensen mij tijdens lezingen onderbraken. Dat is dus hinderlijk. Ik heb na dat gelach echter niks van me laten horen. Tijdens het vragenrondje na afloop was het zo druk dat ik me ook toen stil gehouden heb. Zelfs in een kort gesprek tijdens de borrel heb ik het er met Van Maanen niet over gehad. Het was trouwens zijn schuld niet dat de mensen lachten. Ik heb me die avond op weg naar huis wel af zitten vragen waarom er gelachen werd. En eigenlijk vraag ik het me nog steeds af.

Het is natuurlijk een onooglijk ding, ons ‘stadsrecht’: vijf snippers beschreven perkament op een kartonnetje geplakt. Stukken van de tekst zijn verbleekt en de randen lijken wel door de muizen aangevreten. We weten zelfs niet hoe hoog het origineel was want de bovenrand is weg. Het is dat we de heruitgave van 1252 hebben die, op een paar aanvullingen na, letterlijk dezelfde tekst bevat, want anders zou de inhoud ons ook nog eens niks gezegd hebben. We weten zo tenminste wat er kwijt is. Het ziet er inderdaad niet uit. Maar om er nou om te gaan zitten lachen…

Het komt natuurlijk omdat de mensen in de zaal geen idee hadden hoe uniek dat stukje perkament is, ondanks dat er de nodige historici onder hen waren. Zij zijn trouwens de enigen niet. Ook Dordtenaren weten dat niet.  Ik moet het toch maar eens (nog een keer) uitleggen. Weet u, als lezer van dit blog, hoeveel  bronnen in de vorm van oorkonden, brieven, charters, kortom stukken beschreven perkament we voor Holland en Zeeland tussen het vroegst bekende van ca. 700 en 5.2.1222 (de dood van graaf Willem I) kennen?  423. Weet u hoeveel er van dit aantal nog fysiek ergens aanwezig zijn? 147. De rest is alleen bekend van afschriften. Weet u nog hoe dat komt? Juist, omdat ze door geestelijke instellingen als het bisdom Utrecht, kapittels, kloosters en abdijen zorgvuldig bewaard zijn door de eeuwen. Weliswaar zijn er bij die instituten ook wel stukken verdwenen, tot de draad versleten of gewoon verbrand en gestolen, maar ze lagen er relatief veilig. We zullen wel nooit weten hoeveel van die oorkonden er ooit echt geweest zijn.

Dikwijls zijn dergelijke verzamelingen oorkonden  voor men ergens tot de reformatie overging of voor geuzen, Spaanse of Frans-Revolutionaire troepen een klooster in brand staken nog in stedelijke archieven terecht gekomen. Zo worden de archieven van de abdijen van St Pieter en St Baafs, waar we de oudste Hollandse bronnen door kennen, in het Gentse stadsarchief  bewaard en die van de abdijen van Ter Doest en Ten Duinen in dat van Brugge. In Nederland berusten de archieven van de Utrechtse bisschop en de kapittels van de Dom en Oudmunster, van St. Jan, St. Pieter en St. Marie in het Rijksarchief van Utrecht en die van de graven van Holland en de abdijen van Egmond en Rijnsburg in het Nationaal Archief in Den Haag. In Middelburg worden in het in de oorlog zwaar beschadigde Rijksarchief van Zeeland die van de Onze Lieve Vrouwenabdij in die stad, voor zover niet verbrand, bewaard. Maar u moet niet denken dat dat er honderden zijn; het gaan meestal om niet meer dan enkele tientallen voor de genoemde periode.

Weet u hoeveel oorkonden verleend door wereldlijke heersers uit de periode ca 700-1222 die op Holland en Zeeland betrekking hebben zich in stedelijke archieven bevinden? 33. Elf daarvan zijn Duitse steden en betreft het vooral koninklijke of keizerlijke oorkonden. Zes zijn Vlaamse steden en ook daar zijn het koninklijke of grafelijke oorkonden. Dan een stel in Brabant (zeven in Brussel en één in Antwerpen), drie in Italië, één in Luxemburg, één in Parijs en één in Londen. In het huidige Nederland zijn er twee oorkonden gericht aan Utrecht: één door de stad Keulen (24.11.1203) en één van rooms koning Frederik II (19.4.1220). En dan hebben we Dordrecht. U herinnert zich het chartertje door graaf Dirk VII van februari 1200 dat het oudste stuk in het stadsarchief is en dan de in juli 1220 verleende stadskeur van graaf Willem I. Dat beide aan de stad gerichte oorkonden ook echt in het stadsarchief bewaard zijn gebleven mag gerust een klein wondertje genoemd worden. Al is de stadskeur dus zwaar beschadigd.

charter feb 1200
De tekst van het charter van februari 1200 uitgelicht.

Er zijn meer Nederlandse (en ook Hollandse) steden waar oudere stadsrechten vermoed worden. Ze worden soms zelfs genoemd in latere bewerkingen ervan, maar er is niks bewaard gebleven. En dat geldt natuurlijk ook voor het stadsrecht van vóór 1200 voor Dordrecht,  waarvan ik het bestaan heb  proberen te bewijzen. Tenminste… als dergelijke rechten inderdaad op schrift werden gesteld, want ook dat is niet bekend. Soms wordt in het nieuwe stadsrecht vermeld dat het een eerder, wel geschreven exemplaar verving dat intussen zo vervaagd of beschadigd was dat het niet meer te lezen was. Wat ook wat zegt over de bewaarmethoden in middeleeuwse steden. Er werd misschien niet al te voorzichtig mee omgesprongen of er trad beschadiging op door een brand die zegels liet smelten en perkament deed krimpen tot geplooid en gedonkerd leer.

Dat ook zo’n beschadigde stadskeur toch wel van waarde was voor de ontvangers blijkt uit het feit dat het exemplaar van Dordrecht uit 1220 in ieder geval in die vorm (“enkele verschroeide snippers”)  in een laatje van de Ijzeren Kast werd opgeborgen.  Dan bleef het in ieder geval bewaard, nadat er die vermeerderde kopie van was gemaakt in 1252. Bewaard om in de 19e eeuw door de stadssecretaris te worden teruggevonden en herkend te worden voor wat het was. Hoewel Van den Brandeler zich dat waarschijnlijk niet realiseerde, was het het tevens het oudst fysiek bewaard gebleven stadsrecht van Holland. Het volgende, dat van Haarlem, dateert van 25 jaar later; 1245. Dat is trouwens alleen maar te danken aan het feit dat het na een opstand in 1492 in beslag in genomen door de grafelijkheid en in Den Haag goed werd opgeborgen. Wie weet wat er mee was gebeurd als het in Haarlem was gebleven. Net zoiets als het zwaar beschadigde exemplaar van Delft uit 1246 waarschijnlijk.

Er valt dus helemaal niks te lachen om onze wat sjofele stadskeur. En al helemaal niet om het charter van 1200. Andere steden in Holland kunnen niet tippen aan onze oudste archiefstukken; wij hebben ze tenminste nog. En daar mogen we best een beetje chauvinistisch over doen.

7 gedachten over “Lachen om ons stadsrecht”

  1. Inderdaad raar dat er om gelachen wordt. Als een archeoloog iets opgraaft al zijn het kleine stukjes, gaat ie uit zijn dak van blijdschap. Het is toch al wonderbaarlijk dat iets van papier/perkament honderden jaren goed blijft. In ieder geval weer bedankt voor je uitleg.

  2. Ik ben een van degenen die hard heeft zit te lachten in de zaal en daar ga ik me niet voor excuseren. Lachen is toch niet verboden? Ik heb heel wat afgelachen vroeger bij de colleges geschiedenis in Leiden. Als archivaris heb ik talloze charters in handen gehad, dus onbekendheid met het onderwerp kan het ook niet zijn. Er spreekt ook geen enkele oneerbiedigheid uit, Henk, zo moet je dat niet opvatten. Ik kan het me niet meer precies herinneren, maar het had niet alleen met de foto van dat charter te maken, het is ook iets wat Van Maanen zei. En de manier waarop hij dat zei, zo typisch op z’n Van Maanens. Maar ja, humor is persoonlijk natuurlijk. Ik ben blij dat er velen met mij mee lachten.

    1. Ik ben het met je eens, Bas, dat humor persoonlijk is, maar het is toch ook iets voor groepen. Hele volksstammen lachen om Paul de Leeuw, of Mont Python of monsieur Hulot. Maar ik kan de eerste niet waarderen en maak wel degelijk onderscheid tussen de laatste twee, al kan ik om beide lachen. Ik weet zeker dat Van Maanen niets grappigs zei; tenminste: ik kon er niets grappigs in ontdekken. Hij illustreerde alleen maar enkele stadsrechten. Vandaar dat het voor mij als een lichtelijk onaangename verrassing kwam. Ik kan me wel voorstellen dat iemand die het bewuste charter niet kent (en dat zullen er best veel geweest zijn die middag) het wel een gek ding kan vinden, maar dat er zoveel op die manier reageerden vond ik zo opvallend. Leedvermaak? Een moment van ontspanning tijdens een wat droge lezing? Massaontlading? Ik weet het niet, maar ik heb het aangegrepen om een stukje te maken over de zeldzaamheid van originele bronnen en hoe Dordrecht daar een vroege uitzondering op maakt. Verder even goeie vrienden.

  3. Dank voor je antwoord, Henk. Ik ben het trouwens met je eens wat betreft Paul de Leeuw, dat is aan mij ook niet besteed. Met groet.

    1. Goed dat je uitlegt dat het een wonder is dat we nog (resten) van zulke oude teksten hebben. Als je je realiseert hoe we deze stukken nu bewaren (in klimaat kamers met een gecontroleerde temperatuur en vochtigheid, in het donker, vrij van ongedierte, schimmels, enz.) en hoe de bewaar omstandigheden in het verleden geweest zullen zijn, nog los van calamiteiten, dan realiseer je je hoe uniek deze stukken zijn.
      Ook met onze huidige optimale bewaar omstandigheden kunnen stukken verloren gaan. Denk aan het instorten van het archief te Keulen of aan een simpele lekkage.

      We moeten onze archieven daarom koesteren.

      1. Ik kan het hier als oud-archiefmedewerker en historicus alleen maar hartgrondig mee eens zijn. Ik moet echter wel opmerken dat het stadsrecht van 1220 al sinds 2015 in een vitrine in de kelder van het Hof ligt en dat ik mijn hart vasthoudt. De kelder is namelijk heel vochtig en ik hoop dat de vitrine dat vocht buiten zal kunnen houden.

Geef een reactie