De oudste stad van Holland (3)

Dordrecht bezit dus een oorkonde uit 1220 waarin, volgens historieschrijvers en historici, de oudste stadsrechten van de stad vermeld staan. Er zijn er zelfs twee uit de dertiende eeuw, want in 1252 werd er nog één gegeven. Ik zal daar in latere blogs uitgebreid op ingaan. Het is zelfs zo dat de versie uit 1220 onderwerp van nieuw onderzoek gaat worden, maar ook daar zal ik later over berichten.

brandeler
Mr. Pieter van den Brandeler (1816-1908), stadssecretaris en eerste stadsarchivaris. Naar een portret door H. Windhausen (Dordracum Illustratum 551-50651)

Het had trouwens niks gescheeld of die oorkonde was verdwenen. Het is aan de oplettendheid van Mr. P. van den Brandeler, gemeentesecretaris van Dordrecht (1847-1870), te danken dat we het document nog hebben. Bij het bekijken van de inhoud van de IJzeren Kast, de veertiende-eeuwse en nog steeds bestaande archiefkist van de stad, in 1867 vielen hem in een laatje enkele verschroeide snippers beschreven perkament op. Met wat puzzelen kon hij daar een gedeeltelijke reconstructie van een oorkonde van maken. Bij vergelijking met de versie uit 1252 bleek hij bijna woordelijk hetzelfde te zijn.  De snippers zijn op een stuk karton geplakt en je kunt nu een indruk krijgen van hoe het er in oorsprong heeft uitgezien. Het ligt overigens in een vitrine in het nieuwe historisch museum in het Hof, zodat elke toerist het kan komen bekijken. En u ziet hem hier bovenaan de pagina afgebeeld staan.

ijzeren kast
De IJzeren Kast.

Ik wil echter aandacht vragen voor een nog ouder stuk, waaruit ook veel te leren is over het al of niet stad zijn van Dordrecht. Hiermee gaan we dus echt in het diepe. Het dateert van februari 1200, uitgegeven door graaf Dirk VII en zijn vrouw Aleid en het is daarnaast het oudste document in het Dordtse stadsarchief. Ik weet dat het fysieke en digitale gebouw tegenwoordig regionaal archief wordt genoemd, maar deze oorkonde zat en zit dus al ruim 816 jaar in het zogenaamde oud archief van de stad.  Het werd ook, net als het stadsrecht, bewaard in de IJzeren Kast, maar heeft duidelijk minder te lijden gehad van de branden in het verleden, al is het niet onbeschadigd. Het wassen zegel van de graaf is bijvoorbeeld door de hitte van zijn groen-zijden staart gesmolten. Het zegel en de zegelstaart van de gravin zijn helemaal verdwenen. Het sneetje in de plica of pliek (latijn voor vouw: het omgevouwen onderste randje van de oorkonde wordt zo genoemd) zit er nog wel, dus ze heeft inderdaad ook mee bezegeld.

zegel dirk vii
Het zegel van graaf Dirk VII (CSN 503-504).

Het is eigenlijk een onooglijk stukje perkament. Het is niet meer dan 14 bij 22 cm groot, een half A4-tje. Er staan ook maar 9,5 regel tekst op in een laat twaalfde-eeuws kanselarijschrift. De tekst is ook voorzien van heel veel afkortingen om zoveel mogelijk inhoud in de kleine ruimte te krijgen. We weten inmiddels al een tijdje dat graaf Dirk VII de eerste was die er een aparte kanselarij, oftewel schrijfkantoor, op na hield, dus daar kwam het vandaan. Daar moet je je niet te veel van voorstellen. Er zat waarschijnlijk maar één schrijver, of klerk, die best niet veel te doen gehad zal hebben. Onderaan de oorkonde van februari 1200 staat wie hem heeft geschreven: per Willelmum notarium. Oftewel: door Willem de notaris. Dat is dus niet de notaris die wij kennen van het passeren van onze koop- of hypotheekactes, maar het is latijn voor noteerder, opschrijver, zelfs snelschrijver.

charter 1200
Het privilege van februari 1200 (GAD-0001-0123)

In de diverse stadsgeschiedenissen, tot aan de laatste uit 1996 toe, staat dat dit een gildeprivilege is en dat het over een lakenkopers of wantsnijdersgilde gaat. Dat is dus niet waar. Ik gooi het er maar even uit… Maar waar gaat het dan wel over? Zoals u aan de foto kunt zien is het latijn. Ik heb nooit gymnasium gehad en dus ook nooit echt latijn geleerd, maar ik kan dergelijke officiële stukken, als ze niet al te detaillistisch zijn, tegenwoordig aardig lezen. Gewoon omdat ik er al zoveel heb gezien, zowel in het origineel als in vertaling. Maar dit is geen gewoon latijn. Dat bleek ook al toen ik, na jaren verschillende interpretaties van de centrale tekst te hebben gelezen, nu eindelijk wel eens wilde weten wat er nou precies stond. Ik heb het dus aan een stel geroutineerde mediëvisten gegeven, evenals aan een viertal classici. De laatste konden de aanhef, de getuigenlijst en de datering wel vertalen, maar gaven het op wat betreft de centrale boodschap. De vier mediëvisten waren het, op details na, met elkaar eens. Middeleeuws latijn is dus niet hetzelfde als klassiek latijn, dat mag duidelijk zijn. Er staat letterlijk, met alle afkortingen volledig uitgeschreven:

Ik, Dirk, door de genade van God graaf van Holland en Aleid, gravin van Holland, mijn vrouw, willen aan iedereen, zowel nu aanwezig als toekomstig, bekend maken dat wij hebben besloten dat onze burgers van Dordrecht dit voorrecht genieten in hun rechtsgebied in de genoemde stad, namelijk dat het niemand in Dordrecht is toegestaan lakens te snijden voor de verkoop, behalve diegenen die vanwege de uitoefening van hun ambacht lakensnijders genoemd worden en tenzij zij behoren tot de broederschap en het handelsgilde van de burgers van Dordrecht.

En opdat dit blad met onze beschikking vast en bestendig blijft, hebben wij het bekrachtigd met de aanhechting van ons zegel en de ondertekening door getuigen. Dit zijn in waarheid de getuigen: Boudewijn van Altena, Hugo van Voorne, Gerard van Horst, Gijsbrecht van der Lek, Siger Buth, Gillis van Wendelnesse, en de schepenen van Dordrecht. Gegeven in Dordrecht door Willem de schrijver in het jaar 1200 na de geboorte van de Heer in de maand februari.

U moet van mij aannemen dat historici hebben bepaald dat als het over oppidani en scabini gaat, want dat staat er in het origineel, men het over burgers en schepenen heeft. En dat we dan te maken hebben met een stad met zijn eigen schepenraad. Maar er staat nog meer in dat te denken geeft. Er blijkt ook een broederschap (fraternitas) en een handelsgilde (ansa) van de burgers (oppidanorum) van Dordrecht te bestaan. Dat zijn evenzoveel aanwijzingen dat hier al veel centraal geregeld was. De echte Dordtse burgers, zij die hier bezit hadden, waren georganiseerd als een broederschap, een groep door een eed verbonden (coniuratio), verantwoordelijke mannen, waaruit o.a. juist die schepenen gekozen of aangewezen konden worden. Dat werd in het latijn een communitas of commune genoemd, een gemeenschap. Dat was al in de eeuwen ervoor een normale zaak in meer zuidelijke streken. Het was nodig dat men zich zo bij elkaar aansloot om een juridisch en organisatorisch effectieve maatschappij te vormen. Het was de vroegmiddeleeuwse manier om je eigen rechtsgebied af te bakenen en dat begrip wordt, zoals u kunt lezen, eveneens in het privilege genoemd: in eorum iure. Een stad was niets anders dan een uit zijn landelijke omgeving, waar landrecht bestond, losgemaakt rechtsgebied dat zichzelf, met toestemming van de landsheer, mocht besturen.

We kennen allemaal het woord hanze, al was het alleen al van de Duitse Hanze, waar ook allerlei Nederlandse en Vlaamse steden bij waren aangesloten (maar wij waren allen Duitsers…). Maar hanze betekent eigenlijk gewoon ‘groep’. In deze periode van de middeleeuwen, eigenlijk vanaf de elfde eeuw, maar vooral in de twaalfde eeuw, toen de internationale handel sterk opkwam, organiseerden kooplieden zich. Per plaats van herkomst vormden ze een groep, de ansa of hanze. Je moest toelatingsgeld betalen om erbij te horen, maar de bedoeling was dat je elkaar beschermde tijdens het handeldrijven en desnoods als groep op vreemde markten kon opereren. Ook konden zo ‘geleidegelden’ voor het door onveilig of gevaarlijk gebied reizen gezamenlijk opgebracht worden. Wat zo’n hanze tegelijk tot een gilde maakte, al is dat een wat later begrip. Er was veiligheid in zo’n groep. Omdat de, meestal gegoede, kooplieden ook tot de eedgenoten of broederschap van hun stad behoorden, konden zij ook, als stadsvertegenwoordigers elkaar in het buitenland (en dat begon al over de grens van Holland) beschermen. Dat was dus ook het geval met de vreemde kooplieden die in bijvoorbeeld Dordrecht handel kwamen drijven. Het is niet voor niets dat in veel stadsrechten genoteerd is dat vreemde kooplui volgens hun eigen recht behandeld zouden worden. Dat hun recht wat inhoud betreft dikwijls overeen kwam met het recht plekke maakte niets uit. In een groep kon je zoiets afdwingen of met elkaar uitwisselen, in je eentje ging dat niet.

Dat Dordrecht in 1200 dus al een hanze had van burgers, betekent dat er al zo’n grote groep kooplui in de stad gevestigd was, dat het oprichten van een hanze de moeite waard was. En ook betekent het dat ze internationaal handelden.

(Wordt vervolgd)

4 gedachten over “De oudste stad van Holland (3)”

  1. Bedankt Henk, zoals altijd weer een interessant stuk!

    Er zijn veel dingen die mij fascineren aan de oorkonde van 1200. Ik voel de behoefte er enkele te noemen:

    In de eerste plaats: Waarom de beroepsgroep lakensnijders? Waarom niet, om maar wat te noemen, de kuipers, de timmerlieden, de bakkers? Toeval? En waarom de tussenstap “niemand in Dordrecht is toegestaan lakens -te snijden- voor de verkoop” en niet gewoon “niemand in Dordrecht is toegestaan lakens te verkopen”? (dat was ook korter geweest) Of zou het echt alleen maar om het snijden/knippen zijn gegaan wat een privilege was?

    Waarom is dit een voorrecht voor de hele stad? Als we letterlijk lezen wat er staat, lijkt het me een voorrecht voor de lakensnijders, niet direct voor de hele stad.

    In de tweede, of anderhalve, plaats: was de beroepsgroep/het gilde lakensnijders (ook wel wantsnijders genoemd) het belangrijkst gilde in Dordrecht? Deelden zij de lakens uit in de stad? Van hun ‘clubhuis’ Scharlaken zijn nog de fundamenten te zien. Dat huis zou dateren van ongeveer 1225. Het moet een machtig imposant huis zijn geweest, volgens sommigen een van de eerste stenen gebouwen in Dordrecht.

    In 1383 werd een ander imposant gebouw neergezet voor de lakenhandel in Dordrecht. In 1544 kreeg dat gebouw een ander functie: stadhuis, de plek waar het stadsbestuur zetelde.
    Toeval? Of…

    Dit zal mij nog wel even bezighouden, denk ik.

    1. Er waren in 1200 nog geen gilden van al die andere ambachtslieden, dat kwam pas veel later. Voor Dordrecht zijn ze pas na 1350 bekend, al zullen er misschien even daarvoor al aanzetten voor zijn gegeven. Het was ook best een bijzonder privilege. De Vlamingen handelden al sinds de elfde eeuw in laken en de kooplieden die dat deden hadden in 1200 dus ruime ervaring met die verkoop: het snijden (=knippen) van lange lappen laken (tussen de 25 en 30 m lang) in handzame stukken voor het maken van kleding. Dat soort handel was aan tradities gebonden en moest op een bepaalde manier gebeuren. De Dordtenaren hadden klaarblijkelijk inmiddels ook ervaring daarmee en vroegen toestemming om dat ook te mogen doen. Die kregen ze, maar dan naast de kooplieden uit Vlaanderen, die dus als zodanig bekend moesten staan, en alleen voor leden van de broederschap der burgers of de hanze van de Dordtse kooplieden, die waarschijnlijk al tot de genoemde broederschap behoorden. Graaf Dirk gaf het privilege aan de stad, vertegenwoordigd door de schepenen (die net zo goed kooplui en broeders waren) zodat ze dat in de gaten konden houden en mensen gericht toestemming konden geven.

      Ik geef ook aan dat het hier niet over een gilde van lakenkopers en -snijders gaat, zoals lang is beweerd. Het enige groepsgebeuren is de broederschap van Dordtenaren (dus allen die een burgereed hadden afgelegd) en de hanze van kooplieden binnen die broederschap. Dat een hanze als een voorloper van een gilde gezien kan worden, doet hier verder niet ter zake.

      Het stichten en bouwen van een lakenhal om die handel een onderdak te bieden is een teken dat die handel behoorlijk belangrijk was en waarschijnlijk een boven-regionale betekenis kreeg. In een hal kon je ook beter in de gaten houden of iedereen zich aan dat privilege hield. Het is ook waarschijnlijk dat er steeds minder Vlamingen naar Holland kwamen, maar dat Dordtenaren zelf naar Vlaanderen voeren. Het is ook bekend dat Zeeuwse schippers voor Vlamingen hun goederen naar Holland (en Zeeland) vervoerden als een soort tussenpersonen. Dat zal het ‘wantsnijden’ door Dordtenaren zelf flink uitgebreid hebben. En dat was tegelijk een economisch voordeel voor de stad want die verdiende aan het verhuren van kramen in de hal en inde de belastingen op de verkoop van laken centraal. De winst ging natuurlijk naar de lakenkooplieden die de prijzen bepaalden (na aftrek van kosten voor tollen, etc.).

      De Vlaamse Hal van 1383 is inderdaad gebouwd ter vervanging van het huis Scharlaken (schaarlaken = geschoren laken), de oude lakenhal die al snel na de bouw flink verzakte, en heeft die positie met steeds minder succes behouden tot 1544, want inmiddels was Dordrecht al lang niet meer de enige plaats waar Vlaams, Brabants en Engels laken werd verkocht. Om maar niet te spreken van steden die zelf een lakenindustrie hadden opgebouwd , zoals Leiden.

      1. Bedankt voor de reactie Henk.

        Interessant ook dat je stelt dat Zeeuwen goederen vervoerden voor de Vlamingen. Dat bevestigt mijn vermoeden (het blijft vooralsnog een vermoeden) dat de Dordtse lakenhallen gebouwd en gebruikt werden om (Vlaams) laken te verhandelen. En dus niet voor Vlaamse handelaren, zoals vaak gesteld wordt. Ik ben benieuwd hoe je daarover denkt.

        1. Er zullen best Vlaamse handelaren bij geweest zijn. Tot ver in de middeleeuwen heeft Dordrecht nauwe banden met Vlaanderen, en dan vooral Brugge, onderhouden. Maar het is een feit dat de Zeeuwen al heel vroeg vrachtvaarders waren, die zowel op Vlaanderen, Engeland als Holland voeren. Pas in de loop van de 13e eeuw zie je ook Dordtenaren in de Vlaamse en Engelse bronnen voorkomen en dat zal de rest van de middeleeuwen zo blijven. Dat er in Dordrecht rond 1220, volgens Sarfatij, al een lakenhal gebouwd werd zal ook Vlaamse invloed zijn geweest. Of de Vlamingen hebben dat gesuggereerd, of Dordtenaren hebben die zelf in Vlaanderen gezien, waar ze sinds de tweede helft van de 12e eeuw werden gesticht.

Geef een reactie