Historische sensatie (3)

U zult me wel gemist hebben… ūüėČ ¬†Het is meer dan twee weken geleden dat ik een blog geschreven en gepubliceerd heb. Dat komt omdat er in de tussentijd het nodige gebeurd is. Ten eerste moest ik een geheel nieuwe lezing schrijven en in een powerpoint presentatie omzetten. Die heb ik inmiddels vorige week zaterdag gegeven. Ten tweede was er een hoofdstuk over elfde-eeuwse kleding dat ik beloofd heb te schrijven voor mijn goede vriend Kees Nieuwenhuijsen. Begin mei had ik daar een deadline voor waarop ik de inhoud ervan moest weten en in schets moest opschrijven. Dat is ook gelukt. Maar wat ingrijpender was, was dat ik, ten derde, eindelijk het groene licht kreeg om een boek te gaan schrijven waarover vorig jaar al onderhandeld is. Precies een week nadat ik het vorige blog had geplaatst kwam het contract binnen. Ik heb het getekend en teruggestuurd en nu is het dus officieel.

Het boek moet 1 juni 2018 klaar zijn en dat houdt in dat ik een jaar lang, naast mijn werk, flink in de weer zal zijn met onderzoek, schrijven, kaartjes tekenen en illustraties zoeken. Het betekent ook dat ik naast het werk en het schrijven niet veel tijd over zal hebben om aan mijn blog te werken. Dat moet een beetje in de verloren uurtjes gebeuren, want ik wil ook nog wel wat tijd overhouden voor gezin, kinderen en kleinkinderen. Ik hoop dat u, als mijn lezers, daarvoor begrip zult hebben.

Omdat er geen dringende historische zaken over Dordrecht zijn (nou ja: wat moet je met de Visbrug…) ga ik hier dus even verder met een historische sensatie. Ook dit is al een ouwetje, maar hij is wel van grote invloed op mij persoonlijk geweest. Je kunt zeggen dat hij aan de basis lag van mijn bestaan als historicus nu.

wapen dordt
De wapentekening uit 1977 bedoeld voor postcards en gemeentedrukwerk.

U weet misschien dat ik, voor ik echt in de geschiedenis verder ging, heraldicus en heraldisch tekenaar ben geweest. Officieel ben ik daar omstreeks 1975 mee begonnen, toen ik dus al even in Dordrecht woonde. √Č√©n van mijn eerste opdrachten was een nieuwe tekening maken van het Dordtse gemeentewapen. Na aflevering daarvan kreeg ik een telefoontje van de stadsarchivaris, Dr. Theo Jensma, of hij de originele tekening mocht hebben voor het archief. Ik had daar geen bezwaar tegen. We maakten een afspraak om de tekening over te dragen. Dat werd een leuk gesprek. Hij ¬†merkte wel dat ik het beroep van heraldicus behoorlijk serieus nam en er inmiddels ook wel het nodige van afwist. Al pratend kwam hij met het plan om me voor het nieuw vormgegeven archieftijdschrift¬† Kwartaal & Teken een artikel te laten schrijven over het tot stand brengen van die nieuwe wapentekening, voorzien met afbeeldingen en beschrijvingen van de wapens die eraan vooraf waren gegaan.

kw & t 1977
Het omslag van het Kwartaal & Reken nummer waarin mijn artikel over het wapen van Dordrecht staat. De foto is van het gebeeldhouwde wapen op de Dordtse Groothoofdspoort uit 1618.

Ik was daar een beetje bunzig voor, want ik had nog nooit een artikel geschreven, laat staan iets historisch-heraldisch. Ik heb het voorstel echter wel aangenomen en nog steeds staat het artikel bovenaan mijn bibliografie. ‚ÄėHet wapen van Dordrecht. Een verantwoording‚Äô in het eerste nummer van het jaar 1977. Met eigen illustraties en zelf opgezochte voorbeelden van oude stadswapens. Het zag er leuk uit en ik kreeg er de nodige complimenten over. En het had de nodige gevolgen. Na verschijning belde de archivaris me namelijk weer op en stelde voor dat ik de middeleeuwse schepenzegels heraldisch ging beschrijven, want dat was nog nooit gebeurd. Er waren nooit kenners van de blazoenering geweest die dat hadden kunnen doen. Blazoeneren is de taal waarmee je een wapen kort beschrijft zodat een tekenaar zonder het plaatje te hebben gezien toch een kloppende afbeelding van het beschreven wapen kan maken.

U begrijpt dat ik dat wel wilde, zeker toen bleek dat het ook nog betaald zou worden. De archivaris had een subsidie kunnen regelen om een jaar lang één dag in de week de  zegels te beschrijven. Ik kon dat geld goed gebruiken. Dus op een woensdag in mei 1978 begon ik met mijn werk op het gemeentearchief aan het Stek. Ik kreeg een hoekje in een ruimte waarin ook enkele andere mensen archieven doorspitten, inventariseerden en beschreven. Er werd een tafel neergezet met een installatie waarin ik een fototoestel kon schuiven, want ik moest de zegels niet alleen beschrijven, maar ook fotograferen. Ook dat was nog nooit gebeurd. Nou had ik op de academie ook fotografie gedaan, dus dat was geen bezwaar. Ik kon ze ook nog zelf ontwikkelen (er bestonden nog geen digitale camera’s) en afdrukken.

archief stek
Het gebouw van het stadsarchief aan het Stek zoals het was toen ik er ging werken, met de moderne aanbouw net zichtbaar.

De depotbeheerder had al een stapeltje enveloppen klaargelegd en ik vouwde onder zijn leiding en instructie mijn eerste ‚Äėchartertje‚Äô open. Het was meen ik 15e eeuws en uit een kloosterarchief afkomstig. Een klein velletje in zessen gevouwen beschreven perkament met door de omgevouwen onderkant ervan, de plica, drie smalle strookjes perkament met aan elk een stoffig stukje was. Wat er stond kon ik nauwelijks lezen, al had ik inmiddels les in oud schrift. Daar begonnen we met 17e eeuws schrift maar dit was wel wat anders. Ook de zegels waren onduidelijk. Goed dat ik een flink vergrootglas had waarmee¬† je de niet meer dan 1,5 of 2¬† cm grote zegels wat dichterbij kon halen. En inderdaad: het waren meestal nog steeds scherpe schildjes met heraldische figuren. Heel mooi en heel fijn bewerkt; ik was zeer onder de indruk. Maar hoewel dit een verrassende ervaring was, was het nog niet de historische sensatie. Dat kwam een paar maanden later.

charter 196 1345
Het bewuste charter uit 1345.

Na het inleveren van weer een paar opgevouwen charters bij de restauratore, waar ze gevlakt en op zuurvrij karton gezet zouden worden, kreeg ik een grote enveloppe aangereikt. Het was maar één stuk, want Riny Benschop verzekerde me dat ik daar wel even mee bezig zou zijn.  Het was een charter uit het oude stadsarchief, in de grafelijke tijd, en had als inventaris nummer 196. Het was een flinke lap perkament met onderaan enkele tientallen staarten met en zonder zegeltjes eraan. En helemaal links het stadszegel. Het was een acte waarbij het stadsbestuur verklaarde dat de burgers schadeloos gesteld zouden worden voor de geleden schade na het verbannen van drie personen. Wat er precies gebeurd was was me niet erg duidelijk, maar ik kon wel lezen van wanneer de oorkonde was. De datum was 1345…

Ik heb daar een hele tijd naar zitten kijken. Ik wist niet goed wat ik voelde, maar ik merkte wel dat ik letterlijk overal kippenvel had. Ik moet een hele tijd ongewoon stil zijn geweest, want mevrouw De Wijs, die schuin achter me het archief van de Remonstrantse kerk zat te beschrijven, vroeg: ‚ÄúHenk, er is toch niks?‚ÄĚ Ik werd als het ware wakker en zei: ‚ÄúDit charter heeft de Zwarte Dood meegemaakt!‚ÄĚ Ze moest daar nogal om lachen, maar ik meende het serieus. Ik realiseerde me dat een stuk perkament met wassen zegeltjes gedurende de tijd dat in Europa tussen 1348 en 1351 een grote pestepidemie heerste ergens in het oude stadhuis van Dordrecht had gelegen.

Even bedacht ik me dat er misschien nog wel yersinia pestis bacteri√ęen ergens tussen die verfrommelde staarten zou kunnen zitten en dat ze me alsnog zouden besmetten, maar dat was natuurlijk onzin. Zonder voedingsbodem verdwijnen dat soort ziektekiemen al heel snel. Maar intussen had ik wel een baas van een historische sensatie gehad. Het je realiseren dat je iets in je handen houdt dat ‚Äėgetuige‚Äô is geweest van een ingrijpende historische gebeurtenis is niet zomaar iets. Later realiseerde ik me dat dat voor heel mijn omgeving geldt. Ik loop, zit, sta en leef in een omgeving die een en al geschiedenis is. Dordrecht is oud en voor wie er oog voor heeft zijn overal zaken, gebouwen, straten en waterlopen zichtbaar die de Romeinen hebben zien komen, waar graven van Holland hebben gelopen, waar Spaanse soldaten hebben gevochten tegen Staatse troepen, etc. Duitse soldaten hebben zelfs een mitrailleur in het portiek van mijn huis opgesteld in de ochtend van 10 mei 1940 en daarmee over de spoorlijn geschoten.

Intussen is die historische sensatie door archiefstuk GAD 0001-0196 er de oorzaak van geweest dat ik toen, tussen de bedrijven door, mijn eerste historische onderzoek ben gaan doen. Mijn vraag was: hoe ingrijpend was de invloed van de pestepidemie van 1348-51 in Dordrecht, of in Holland. Uit de kronieken en politieke gebeurtenissen bleek daar niet veel van. De eerste problemen van wat later de Hoekse en Kabeljauwse Twisten zouden worden staken de kop op, er was oorlog tussen Holland en Utrecht, en tussen de jonge graaf en zijn moeder, etc. Niks wees erop dat een epidemie het dagelijks leven had verstoord. Ook eerder onderzoek van echte historici en dokters had dat voor Holland niet aangetoond. Ik was ge√Įntrigeerd en dat ben ik nog. Het was het begin van mijn historische loopbaan en na bijna 40 jaar ben ik er nog steeds mee bezig.

Historische sensaties kunnen langdurige gevolgen hebben.

Wordt vervolgd

Historische sensatie (2)

Ik vervolg deze serie met een kort voorbeeld van één van mijn eerste historische sensaties in Dordrecht.

In november 1973 betrok ik mijn eerste Dordtse woning. Het was (en is) een piepklein huisje op de Nieuwbrug van dan even iets meer dan 3 meter breed en 6 meter diep. Het had een zeer hoge begane grond, een verdieping en een zolder. En een kelder. Die liep een paar keer per jaar onder en dan stond er een laag water in van ongeveer 10-20 cm. Niet bevorderlijk voor eventueel voor water gevoelige spullen die daar stonden, maar ja: het huisje staat buitendijks, dus er was toen weinig aan te doen. Ik merkte dat overigens pas in het voorjaar van 1974 en besloot de rommel in de kelder, die voor het grootste deel was achtergelaten door een vorige eigenaar, te onderzoeken op wat weg moest en wat kon blijven staan. Mijn eigen, tijdelijk daar opgeslagen spullen waren weliswaar nat geworden, maar gelukkig was er niets bij wat niet, na drogen, weer bruikbaar was.

nieuwbrug
De Nieuwbrug aan de Wijnstraat, mijn huisje was het derde van rechts (Google Maps)

Tussen de rest van de spullen (in een paar kistjes) vond ik een aardewerken potje. Ik was toen nog lang niet zo op de hoogte van archeologische voorwerpen als nu, maar ik herkende het wel als ‚Äėoud‚Äô. Ik weet nog dat ik met dat potje in mijn handen stond en dacht: dit heeft iemand lang geleden gebruikt en toen het ene oor afgebroken was, in de kelder gezet. Tenminste‚Ķ dat was √©√©n mogelijkheid. Wie weet wat er daarna nog allemaal mee gebeurd is. Het was een beetje raar gevoel. Het was donker in de kelder, maar door het open luik viel licht binnen via het glas in de voordeur en het raam, en dat weerkaatste tegen de gewitte muur van de kelder. Dat zorgde voor een heel eigenaardig licht: een beetje zoals op een 17e eeuws schilderij van Vermeer of De Hoogh. Ik voelde me even heel erg verbonden met het verleden.

kachelpan 1
De inhoud van het kachelpannetje.

Ik heb daar tot 1979 gewoond en het potje is daarna mee verhuisd naar mijn volgende woningen. Het staat nu op de schoorsteenmantel van mijn werkkamer, gevuld met een daar zelfgemaakt¬† vouwscheermes uit Indonesi√ę dat ik van een vriendin heb gekregen, een paar tondelzwammen, twee brokken middeleeuwse baksteen en wat stukken vuursteen. Ik zie het even rechts voor me als ik opkijk van mijn werk en het herinnert me elke keer aan die eerste bewuste historische sensatie die ik in mijn nieuwe woonplaats had.

kachelpan 2
Het kachelpannetje van opzij.

Het gekke is dat ik me al die tijd niet heb afgevraagd hoe oud dat potje is en wat het voor een type aardewerk het is. Het is 16 cm in doorsnede en maar 11,5 cm hoog. Het is rood aardewerk en heeft een gedeeltelijke glazuur van een mooi bruin-geel type, dat je niet zoveel ziet. Volgens de archeologen zou dat kunnen wijzen op Friese herkomst. Inmiddels weet ik wel dat het een zogenaamde kachelpan is. Dat kun je zien aan de vlakke bodem. Het is dus een kookpotje, maar dan voor op een platte kachel of fornuis. Vroegere kookpotten stonden in de hete as in de open haard en hadden daarom allemaal drie pootjes. Dat was op een fornuis niet nodig, dus hij kon plat worden. Het heeft daarom ook geen beroete onderkant, zoals de driepootskookpotten, want het kwam niet met het vuur en de as in aanraking. Dergelijke pannen waren een stuk goedkoper dan metalen pannen, en ze werden dan ook tot in de vroege 20e eeuw nog wel gebruikt door arme gezinnen.

kroon van denemarken
Dezelfde hoek van de Nieuwbrug-Wijnstraat met het huis De Kroon van Denemarken en de andere huisjes die na 1847 werden afgebroken (aquarel Johannes Rutten, kort voor de afbraak, GPV 552_231891).

Het huisje aan de Nieuwbrug is ca 1879 gebouwd toen na 1847 de oprit naar de brug verbreed werd en een groot hoekhuis, de Kroon van Denemarken, en een rijtje daarachter liggende huisjes werd afgebroken. Het was één van een rijtje nog minder diepe arbeidershuisjes en werd steeds bewoond door zeer eenvoudige mensen. In een adresboek vond ik als bewoner een politieagent met vrouw en wel zeven kinderen. Dat laatste vond ik trouwens in het bevolkingsregister. Waar die in dat huisje allemaal sliepen is me een volkomen raadsel, maar veel ruimte kunnen ze er niet gehad hebben. Ze hadden er in ieder geval een fornuis Рwaarschijnlijk op de begane grond Рwant anders had dat pannetje geen zin. Dergelijke fornuizen dateren in gewone huizen meestal van de tweede helft van de 19e eeuw, dus de datering van het pannetje zal daar ook wel in passen.

kachelpannen
Kachelpannen in het Dordtse Archeologische Depot (met dank aan Deborah Paalman).

Kachelpannen komen niet veel naar boven bij archeologisch onderzoek. De 19e eeuw is niet echt een periode die opgegraven hoeft te worden. In de literatuur over stadskernonderzoek komen ze nauwelijks voor; ik heb maar twee in Kampen gevonden exemplaren in mijn vele verslagen staan. Het Dordtse depot bevat ook niet veel  kachelpannen. Hierbij ziet u een foto van een paar typen. Linksachter ziet u een pan die hier is gevonden, en die een zelfde kleur glazuur heeft. Deze komt echter, volgens het stempel, uit Oosterhout. Dus op een Friese herkomst vanwege dan bruin-gele glazuur kan je ook al geen peil trekken.

Ondanks zijn beschadiging, vind ik het nog steeds een mooi pannetje. Ik moet toch eens bij Boymans kijken of ze daar ook kachelpannen in de verzameling hebben.

Wordt vervolgd