Tollen en Dordrecht (3)

Het derde deel van dit blog over tollen, waarin de uitbreiding van het stelsel aan de orde komt en hoe Dordrecht daarvan profiteerde, ondanks een ramp die de nederzetting van de Zwijndrechtse waard losscheurde.

Gedurende de twaalfde eeuw heeft Holland minstens drie maal te maken gehad met ernstige overstromingen die voor ingrijpende veranderingen in het landschap hebben gezorgd. In 1134, 1163-64 en 1170 zijn er stormvloeden geweest die onder andere op den duur een doorbraak van rivierwater ten noordwesten van Thuredrecht hebben veroorzaakt. Het water scheurde de nederzetting als het ware los van de Zwijndrechtse Waard. Tegenwoordig wordt die doorbraak de Oude Maas genoemd, maar tot ver in de achttiende eeuw heette het daar de Merwede, die dus vanaf ca 1170 zowel naar het noordwesten als het zuidwesten stroomde. Ergens onder Rhoon maakte deze nieuwe Merwedetak contact met de daar naar het noordwesten stromende Maas, die zich op zijn beurt tegenover Vlaardingen weer verenigde met de oude, noordelijke tak van de Merwede.

kaart doorbraak
Kaart van hoe de doorbraak boven Dordrecht de rivierenloop in zuidelijk Holland veranderde (naar L. Pons 1992-1997).

Een ander gevolg was dat je nu van de Merwede boven Dordrecht via de nieuwe aftakking in de Striene kon komen. Dat was een rivier die oorspronkelijk vanuit de Schelde in Zeeland naar de Maas stroomde, maar nu in de combinatie Maas-Merwede uitmondde. En dat hield weer in dat je vanuit Dordrecht heel gemakkelijk via de Striene naar de Schelde kon varen en zo naar Vlaanderen kon komen, zonder dat je de moeilijke reis buitenom, over zee, hoefde te maken. En andersom, vanuit Vlaanderen,  gold dat natuurlijk ook. Vandaar dat je 30 jaar na de doorbraak ook Vlaamse lakenkopers in Dordrecht aan kon treffen. En niet alleen hen. Dordrecht lag nu op een knooppunt van rivieren waardoor je niet alleen gemakkelijk in Vlaanderen kon komen, maar waar het voor Engelse, Scandinavische en Duitse kooplieden voordelig was om daar goederen op de markt te brengen en onderling te verhandelen. Het maakte de eenvoudige poldernederzetting  tot een emporium, een internationale handelsmarkt, ten koste van Vlaardingen dat daarna terugviel in belangrijkheid. Dordrecht heeft zijn eerste groei tot belangrijkste stad van Holland dus te danken aan een stormramp (of een paar stormrampen).

Dat was ook de Hollandse graaf niet ontgaan. Onder Floris III, de ontvanger van het leen van de tol, werd Dordrecht in de bronnen niet één keer genoemd, maar zijn zoon Dirk III (graaf 1190-1203) oorkondde niet minder dan vier keer in die plaats en er zijn ook nog twee oorkonden van hem die elders zijn uitgegeven, maar die over Dordtse zaken gaan. Bovendien overleed Dirk op 4 november 1203 in zijn huis in Dordrecht. De oudste nog bestaande oorkonde i n het Dordtse archief, van februari 1200, is ook de vroegst bekende die de graaf en zijn vrouw daar gaven. Hetzelfde jaar  nog, in november, verloor Dirk VII de stad en omgeving, die oorspronkelijk eigen bezit lijkt te zijn geweest, en moest hem in leen aanvaarden van hertog Hendrik I van Brabant. Daarna vaardigt hij nog drie keer daar oorkonden uit en kondigt hij aan dat hij de Dordtse kerk, “zodra die vrij komt” aan de abdij van Heisterbach zal schenken die een uithof buiten de stad zal stichten. De kerk zat dus ook in het bezittingenpakket van de Hollandse graaf.

tollenkrans
Kaart van Zuid-Holland na de diverse doorbraken en veranderingen in het landschap na 1163-70 en de plaatsen waar graaf Dirk VII zijn tollen plaatste om alle handelsverkeer in de gaten te houden.

Graaf Dirk VII erfde natuurlijk het leen van de tol van Geervliet van zijn vader, maar kreeg het bezit ervan nog eens van keizer Hendrik VI (keizer 1191-1197) extra bevestigd in oktober 1195, met extra bescherming door de keizer en boetes van 30 pond (een fortuin!) voor ontwijkers. Nee, hij verhoogde het percentage van 5 % van de lading niet (inde de keizer nog steeds de andere 5 %?: niemand heeft het erover…), maar breidde het aantal tollen uit tot een krans rondom Dordrecht. Naast Geervliet aan de Maasmonding kwamen er Strienemonde bij, Almsvoet, Niemandsvriend, Ammers en Moordrecht. Die lagen respectievelijk aan de Striene, de vaarroute naar Vlaanderen, de Maas die door de Grote Waard stroomde, de Merwede, de Lek en de Hollandse IJssel. De doorbraak van 1170 had het mogelijk gemaakt dat er allerlei nieuwe routes voor de steeds intensievere handel kwamen. Holland werd door die tollen hermetisch afgesloten: niemand kwam ongezien en zonder voor de tolbare handelsgoederen te betalen het graafschap meer in. Dordrecht maakte hij tot een spin in het web, waar, net als vroeger in Dorestad en Tiel, de draadjes samenkwamen. Het was ook een prima plek om de Dordrechtsewaard van daaruit naar het oosten uit te breiden, wat waarschijnlijk ook gebeurde.

Met name de hertog van Brabant was daar niet blij mee. De tollen hielden de Brabantse kooplui, net als vele andere, in een fikse greep omdat vanuit het westen gezien Brabant de volgende stop op de route was. Hij had ook last van die uitbreiding van Hollands grondgebied die botste met zijn eigen expansie in noordwestelijke richting. Hij was daarnaast ook zelf bezig zijn land in de richting van de Betuwe uit te breiden en kwam zo in conflict met Otto I, de graaf van Gelre. Dirk en Otto vonden elkaar en vielen Brabant aan. In eerste instantie ging dat voorspoedig en werd o.a. het net gestichte ‘s-Hertogen Bosch verwoest. Bij een veldslag in de buurt van Heusden verloor Dirk echter en werd gevangen genomen. Om vrij te komen moest hij verregaande concessies doen en zo raakte hij in een verdrag van eind 1200 het beheer over Dordrecht en de Dordrechtwaard kwijt.

Zo kwam het stichten van tollen langs alle vaarwegen de graaf duur te staan, maar Dordrecht merkte daar weinig van. De graaf, nu leenman van Brabant, en zijn vrouw bleven in de stad komen. De tollen (die dus in bezit van de graaf bleven) brachten veel geld op, wat op een bloeiende handel duidt. Bovendien lag Dordrecht comfortabel in het midden en ontving met allerlei handige en voordelige regelingen de vreemde kooplieden. In wezen ontstond toen al de stapelmarkt van de stad, die in 1299 nog eens extra benadrukt zou worden. Het zorgde voor veel bedrijvigheid en de stad groeide en werd rijker en rijker. Niet alleen een stormramp had dat mogelijk gemaakt, maar ook de tollen. Ondanks dat de stad nu in naam Brabants was, maakte dat niks uit voor de gunstige positie die hij innam als centrum van de internationale handel.

(Wordt vervolgd)

Tollen en Dordrecht (2)

Geervliet (zie hierboven: foto Koos Prooi) komt in dit tweede blog over tollen nu echt aan de beurt. Op Dordrecht moet u nog een paar dagen wachten. Ik probeer hier te bewijzen dat er vanaf ca 700 een zo goed als ononderbroken traditie van tolheffing aan de Maas-Merwedemonding bestond.

Ik had het in het vorige blog over een koninklijke/keizerlijke tol bij of in Witla aan de Maasmonding. De geleerden zijn het erover eens die locatie aan de zuidelijke oever moet hebben gelegen, ergens op Voorne of Putten, schuin tegenover Maassluis-Vlaardingen. Het komt als Witle al voor aan het eind van de zevende eeuw in Vlaamse kloosterarchieven en wordt in de annalen van het klooster Fulda (Duitsland) Witlam genoemd, nadat het in 836 door Noormannen is verwoest. Meer dan 300 jaar later blijkt bijna op dezelfde plaats nog steeds een tol te bestaan die in 1179 als vorstelijk leen aan de Hollandse graaf Floris III (graaf 1157-1190) wordt geschonken door de Duitse keizer Frederik I (koning 1152, keizer 1155-1190). Maar die ligt dan bij het plaatsje Geervliet. En dat ligt weer aan de Bernisse, die ‘vroeger’ Widele werd genoemd. De overeenkomst Witla-Widele zegt eigenlijk al dat de tol van Geervliet een latere versie was van die originele tol van Witla. Dat zou inhouden dat er vanaf ongeveer het begin van de achtste eeuw daar door de koning of keizer invoerrechten werden geïnd die in zijn schatkist terecht kwamen.

keizer frederik I
Keizer Frederik I, bijgenaamd Barbarossa (Roodbaard) in een manuscript uit 1188 (Vaticaanse Bibliotheek)

De Westfriese graaf gooide echter roet in het eten. In 985 had graaf Dirk II van keizer Otto II al het land tussen de Lier (een water in het Westland) en (Hollandse) IJssel, dus het Maasland, ten noorden van de Maas, en ten zuiden ervan tot aan Zonnemaire op Schouwen (waaronder Voorne) in allodiaal, dus persoonlijk bezit gekregen. Plus nog gebied rond Medemblik, in Texel en in Kennemerland. Dirk II had het genoemde gebied al eerder in leen, maar waarschijnlijk had hij het in de praktijk al als een zelfstandig vorst bestuurd. Of daarbij de tolheffing inbegrepen was is niet duidelijk, maar het is onwaarschijnlijk, want de tol krijgen de graven pas in 1179 in leen. Dat houdt dus in dat de tol daarvoor altijd keizerlijk bezit was gebleven.  De keizer zat erg ver weg en had te veel andere zaken aan zijn hoofd om zich intensief met deze uithoek van zijn rijk te bemoeien. Sinds 985 was het gebied dus van de Westfriese graaf en hij had, toen hij zelf in Vlaardingen neerstreek, volgens de bronnen ook gelijk het regaal (koninklijk privilege) van het heffen van tol maar geannexeerd. Hoewel dat dus onterecht was en hij er bestraffing voor riskeerde, was het niet onlogisch. Hij had alleen de keizer erin moeten laten delen.

slag 1018 2008
Heropvoering van de slag bij Vlaardingen in 2008. Het geeft een betrouwbaar beeld van de wapenrusting uit 1018 (Foto: Rene Kuysten).

Graaf Dirk III (graaf 993-1039) hief tussen 1005, toen hij zich in Vlaardingen vestigde, en 1018 niet alleen tol, maar ontzag zich ook niet om kooplui te beroven als ze hem tegenwerkten. Klachten daarover, o.a. van Tielenaren, bereikten de keizer. Die stuurde in 1018 een vloot met een leger onder aanvoering van de hertog van Lotharingen op hem af om die praktijk af te straffen. Dat liep voor de keizer en de hertog fout af, want Dirk wist het leger door een mengsel van listen en gebruik maken van het drassige terrein te verslaan. Dat was dus de bekende slag bij Vlaardingen.

Ook na 1018 bleven de graven hier tol heffen. Misschien hebben ze vanaf die tijd in ieder geval wel een deel van de opbrengst naar de keizer doorgestuurd, want er zijn tot 1158 geen berichten meer over moeilijkheden over de tol. Die kwamen in dat laatste jaar echter uit een andere richting. In 1158 kreeg de toenmalige graaf, Floris III, namelijk de Vlamingen op zijn nek. Die vonden dat hij een te hoge tol hief en allerlei extra heffingen introduceerde die zij als roof beschouwden. Ze verbrandden bezittingen van de graaf in het land van Waas en keerden met veel buit naar huis terug. Floris schijnt daarna ingebonden te hebben, maar in 1166 was het weer raak. De Vlamingen kwamen nu met een vloot naar Holland, versloegen de graaf en namen hem gevangen. Hij kwam pas vrij toen hij in 1167 in het verdrag van Brugge erkende dat Vlaamse kooplui niet meer dan normaal hoefden te betalen over hun vracht.

Dat de originele naam van de tolplaats Witla in later tijd, ondanks die verwoesting, nog wel bekend was blijkt uit de namen van twee volgelingen van diezelfde graaf Floris III. In 1167 worden er namelijk als getuigen van het verdrag van Brugge twee lieden in zijn gevolg genoemd die Costin en Willemmus de Witla heetten. Waar ze vandaan kwamen staat er niet bij, maar het zouden best eens inwoners van Voorne geweest zijn. Hun heer, Floris van Voorne, komt namelijk ook in dat document voor. Geervliet lag toen aan de Widele. Het lag daarom of op de plek van het oude Witla, of aan de andere kant van die rivierarm.

relief milaan
Relief van de terugkeer van de inwoners van Milaan in 1167, na de verwoesting van 1162 (1171, Castello Sforzesco, Milaan, Foto Giovanni Dall’Orto 2008).

Graaf Floris III  kreeg in 1179 de tol in leen en kon er de inkomsten van (voor het grootste deel?) in eigen zak steken. Er wordt gespeculeerd dat dit misschien als dank voor geleverde diensten aan keizer Frederik I  gebeurde. Hij was in het gevolg van de keizer toen die in 1176-78 op krijgstocht was in Italië.  De bewuste oorkonde is echter niet bewaard gebleven. Er wordt alleen aan de schenking gerefereerd in een vernieuwing ervan in 1195 voor Floris’ zoon Dirk VII. Bovendien is de datum wat verdacht. Oppermann heeft die datum gekozen omdat er in januari 1179 een hofdag in Worms was, waar Floris als getuige bij een oorkonde genoemd wordt.  Dergelijke privileges werden meestal op de hof- of rijksdagen gegeven en het is waarschijnlijk dat Floris niet op latere dagen aanwezig was.  Wel geeft hij wat verderop in 1179 een tolvrijstelling voor een abdij in Antwerpen. Je zou kunnen concluderen dat hij dat pas kon doen toen hij de tol bezat (in leen dan…) en dat daarvoor alleen de keizer dat had kunnen doen. Het is allemaal nogal vaag dus, maar in de geschiedschrijving over Holland wordt in ieder geval gedaan alsof het zo vast als een huis staat.

 (Wordt vervolgd)

Tollen en Dordrecht (1)

Na het falsum van 1064, is het tijd om een belangrijke economische ontwikkeling in het vroege graafschap Holland te behandelen. Een ontwikkeling die veel invloed had op de groei en bloei van de stad Dordrecht, al was de voorwaarde daarvan geschapen door een ramp. Het is niet zo zwaar als het lijkt, maar ik moet het er even over hebben.

kiltunnel
Tarieven en toegang tot de Kiltunnel aan de Dordtse kant (foto Thymen Stolk 2010).

Sinds 1977 hoef je hier in de buurt, in Dordrecht dus, alleen als je naar en van de Hoeksche Waard door de Kiltunnel rijdt nog tol betalen. Die Kil-tol is bedoeld om de tunnel , die met geleend geld was gebouwd, af te betalen en hem te kunnen blijven onderhouden. Datzelfde gebeurt natuurlijk ook op de Franse tolwegen, waarover we nu al weer jaren naar het zuiden rijden. En het is nu weer actueel omdat men er in België ook over denkt om ze daar in te voeren. Gezien de kwaliteit van veel Belgische wegen zou dat niet zo’n slecht idee zijn. Het principe van tolwegen is echter al oeroud. Al in de oudheid werden soms aan weerszijden van een nieuw aangelegde weg slagbomen geplaatst waar je tol moest betalen aan degene die de weg had bekostigd, meestal een vorst. Nog in de 17de eeuw kwam dat ook in Nederland voor: in 1665 werd zo bijvoorbeeld de straatweg van Den Haag naar Scheveningen, naar ontwerp van Constantijn Huygens, verwezenlijkt. Vroeger hadden tollen echter ook een andere functie.

Tollen in ons deel van Europa waren oorspronkelijk niet voor het betalen voor de aanleg en het onderhoud van verkeersroutes bedoeld, maar een soort douaneposten waar je invoerrechten betaalde als je bepaalde goederen in wilde voeren. En dat ging in die tijd niet over de weg, want die waren er nauwelijks, maar over water. Er zijn voldoende aanwijzingen dat de Romeinen aan de monding van Maas en Rijn al tol hieven van kooplieden, al noemden ze dat belasting (fiscus).

romeins schip
Model van een Romeins vrachtschip zoals die aan het begin van onze jaartelling vanuit de Maasmond naar Brittannia voeren (fotograaf onbekend).

De Frankische koningen namen deze bron van inkomsten, net als zoveel andere zaken, van hun voorgangers over, maar in de loop van de zesde eeuw lijkt dat te zijn gestopt. Van der Tuuk in zijn De eerste Gouden Eeuw (Utrecht 2011) wijt dat aan het feit dat er onder de zesde- en zevende-eeuwse koningen nauwelijks handel gedreven werd. De staat was min of meer zelf voorzienend en de enige activiteit op dat gebied was die van geven en ontvangen van kostbare geschenken tussen vorsten en adel en de daarbij horende kleinschalige, maar zeer winstgevende handel.

Met de doorstart van de zogenaamde Friese handel veranderde dat. Die handel in meer gewone gebruiksgoederen maakte eigenlijk onderdeel uit van een cultuur die langs de randen van de Noordzee, inclusief het zuiden van Scandinavië, heerste. Men was al gewend een klein bedrag voor het afmeren in havens, het passeren van bruggen (voor het onderhoud) en het ‘jagen’ (trekken)  van schepen of het onderhoud van jaagpaden geld te vragen en te betalen. Door de opkomst van de handel in bulkgoederen in de zevende eeuw zagen de Merovingische koningen (ca 450-ca 750) in dat daaraan wat te verdienen viel. Ze voerden het heffen van invoerbelasting dus weer in. Ze concentreerden de inning van het geld in een centrale plaats, waar iedereen naar toe moest komen, zodat ze goed toezicht konden houden op de handel. Later in de middeleeuwen zouden dat stapelplaatsen genoemd worden. Logischerwijs concentreerden ze die aan de grenzen van hun rijk, het liefst bij een samenkomst van rivieren waarover handelsschepen voeren en richtten daar markten in. Ze installeerden er een ambtenaar (prefectus, procurator) die een bepaald percentage van de lading van een schipper/koopman inde. Dat was geen klein bedrag: meestal betrof het een tiende van de waarde van de vracht.

Omdat er in die periode langzaamaan ook weer geld werd gemunt ging dat makkelijker dan in de periode van ruilhandel die na de val van het Romeinse rijk heerste. Overigens hoefden niet over alle lading tol (teloneum, zoals die inmiddels genoemd werd) betaald te worden.  Wel werden zout, graan, wijn, haring, huiden, teer, wol (en wollen stoffen, zoals de beroemde Friese mantels), honing en hout aangeslagen.

dorestad
Reconstructie van de handelshuizen (hier op palen) en de landhoofden van Dorestad (copyright Luit van der Tuuk).

In ons deel van het Merovingische, en later Karolingische (ca 750-ca 900), rijk was de centrale markt, en daarom tolplaats, Dorestad. Die plaats lag aan de Rijn even buiten het huidige Wijk bij Duurstede, bij een voormalig Romeins fort, Levefanum. Hij groeide al aan het eind van de zevende, en zeker in de achtste eeuw uit tot een emporium of handelsmetropool van betekenis en trok kooplieden van overal in Europa aan. Helaas verliep die handel toen Dorestad in de negende eeuw, tussen ongeveer 840 en 863, diverse malen door Noormannen werd geplunderd. Vandaar dat de tol werd verplaatst naar Tiel aan de Waal, dat beter beschermd was, en vanaf ca 900 uitgroeide tot de belangrijkste handelsplaats van dit deel van het Karolingische rijk. En van zijn opvolger het vroege Duitse rijk.

De historicus Cees Verkerk (dus niet de schaatser!) heeft een theorie ontwikkeld die Dorestad, en later Tiel, als een spin in een web van tollen aan de mondingen van de grote rivieren van Holland en Zeeland plaatst. Gebaseerd op achtste- en negende-eeuwse bronnen en vergeleken met andere gebieden in het Frankische rijk, ziet hij tolplaatsen aan de mond van het Almere, dus wat later het Vlie tussen Westfriesland en Middenfriesland zou worden, de Rijn, de Maas en de Schelde. Dat zijn dan respectievelijk Medemblik, Koudekerk, Witla (al vroeg door de Noormannen verwoest) en Domburg. Vanwege het verzanden van de Rijnmond bij Katwijk, verdween de tol bij Koudekerk al ergens rond 1000. Die van Domburg werd verplaatst naar Strienemonde (waarvan niet echt bekend is waar het lag omdat het in de Elizabethsvloed is overstroomd) en de betere vaarroute door het Vlie maakte een verplaatsting van de tol van Medemblik naar de mond van de Vecht bij Muiden noodzakelijk.

kaart tollen 650-1018
Kaart van de plaatsen van tollen in Frisia gebaseerd op de artikelen van C.L. Verkerk uit 1992, 1997 en 1998. De kaart zelf is een bewerking door de blogger van een kaart uit Strijd om West-Frisia (Utrecht 2016) van Kees Nieuwenhuijsen.

Verkerk neemt aan dat de prefect vanuit Dorestad, en later Tiel, rondreisde naar bovengenoemde plaatsen en daar het geld ophaalde dat de schippers/kooplieden hadden betaald als tol. Waarna hij het terugbracht naar zijn basis en het, ongetwijfeld na aftrek van de kosten, doorstuurde naar de koning. En na 800 ook naar de keizer.

U zult zeggen: maar wat heeft dit met de graven van Holland en Dordrecht te maken? Alles, maar dat leg ik uit in het volgende blog van dit reeksje.

De plaat bovenaan het blog is een gezicht in het dorp Geervliet, waar we nog over te spreken komen. Ik weet inmiddels dat de foto van Koos Prooi is, zie zijn website voor meer van dergelijke sfeervolle platen.

(Wordt vervolgd)

1000 jaar Dordrecht

Even een pijnlijk blogje tussendoor. Hierna komt weer een echt historisch blog dat deze keer over ‘tollen’ gaat.

De gemeente Dordrecht heeft erkend dat er in 2020 wat te vieren valt. Dan is het namelijk 800 jaar geleden dat de stad van de toenmalige graaf Willem I een setje van 15 voorrechten en eisen ontving ter gelegenheid van zijn huwelijk met de Brabantse hertogendochter Maria in juli 1220. Één van de cadeautjes die ze bij haar trouwen kreeg was namelijk de heerschappij over de stad Dordrecht – ze werd dus stadsvrouwe –  en blijkbaar was er behoefte om bepaalde zaken wat aan te scherpen. Dit lijstje van punten staat sindsdien bekend als het oudste stadsrecht van Dordrecht. En omdat zo’n stadsrecht inmiddels een mooi aantal van honderden jaren geleden werd gegeven, wordt het tijd voor een feestje. Zoals dat al eeuwen over heel Nederland gebeurt.

stadsrecht 1220
Het Dordtse stadsrecht van 1220 (GAD-0001-0032).

Meestal bestaat zo’n jubileum uit een mengsel van feestelijkheden dat, al naar gelang het belang dat eraan gehecht wordt en het geld dat men ervoor over heeft, van een week tot een heel jaar kan duren. Daarin kan van alles gebeuren: sportevenementen, klassieke en popconcerten, wijkfeesten, Bruegheliaanse maaltijden voor de hele bevolking, officële herdenkingsbijeenkomsten, een congres of een jubileumboek, maar vooral een historische dag of weekend. Bij die gelegenheid verkleden de inwoners zich als ‘middeleeuwers’, worden er aanbiedingen van stadsrechten opgevoerd, lopen er bedelaars en heksen door de gemeente en klinkt er middeleeuwse muziek en ruik je aan het spit bradende speenvarkens. Traditie dus.

Ik heb 20 jaar lang als historisch adviseur ruim dertig van dergelijke evenementen van informatie, ideeën en mensen voorzien en kan wel zeggen dat ik zo ongeveer weet hoe het er bij dergelijke feesten aantoe gaat. Niet zelden kwamen een paar jaar tot een jaar van tevoren delegaties van de op jubileren staande gemeente bij al volop feestvierende collega-dorpen of steden kijken om te zien hoe zij het deden. Daarop deden zij net zoiets. Als ik op die 20 jaar terugkijk was het eigenlijk altijd meer van hetzelfde. Een enkele zeer pittoreske gemeente had dan het voordeel dat er een mooi decor was waartegen zich alles af kon spelen. Dat kon er soms heel sfeervol uitzien, maar meestal gebeurde het op een plein omgeven door winkels. Tegenwoordig heeft elke jubileumcommissie een website en worden inwoners uitgenodigd om met ideeën te komen. En die zijn dan in wezen ook weer bijzonder traditioneel, want ook die hebben ze van het bezoek aan andere jubilea.

monnickendam 650
Deel van een optocht tijdens de viering van Monnickendam 650 jaar stad in 2005. Fotograaf onbekend.

Dordrecht heeft in 2020 dus inderdaad een reden om iets te vieren. Ik heb daarom al in 2011 aan vertegenwoordigers van het Dordtse culturele leven een plan gepresenteerd waarin ik eens van een andere dan de traditionele visie uitging. In het kort: geen congres of duur boek voor de elite, maar een aantrekkelijk educatief programma voor de gewone Dordtenaren en hun kinderen. Op moderne manier dus, met gebruik van digitale, voor iedereen toegankelijke media. Mijn bedoeling hiermee was de vragen die Dordtenaren zichzelf al generaties stellen over het verleden van hun stad nu eens te beantwoorden, zonder te vervallen in fantastische verhalen, zoals gewoonlijk gebeurde. En om via 3D technieken te laten zien hoe de stad er bijvoorbeeld in de middeleeuwen uitzag. Bovenaan deze blog ziet u een still uit een kort filmpje van wat nu de Oude Haven wordt genoemd, maar dan in ca 1220. Mijn vriend Per Bos en mijn zoon Laurens hebben dat naar mijn werktekeningen vormgegeven en geanimeerd. Toen ik het vertoonde op 12 september 2011 waren de reacties, o.a. van de mensen van het gemeentelijk erfgoedcentrum, bijzonder lovend.

Helaas: omdat het idee ondersneeuwde in allerlei evenementen in de jaren naar 2020 toe (het is nog acht jaar: we hebben nog tijd zat…) ben ik ermee gestopt. Maar gelukkig kwam eind 2014 de vraag uit de Dordtse Academie of een aantal archeologen en historici ervoor voelden te brainstormen over een Biografie van Dordrecht ter gelegenheid van het jubileum van 2020. Daar voelden we wel wat voor en ik stelde een vragen- en activiteitenlijst op, gebaseerd op de plannen die ik al in 2011 had gelanceerd. Inmiddels had ik me ook verdiept in stadsrechten en die van de Hollandse steden in het bijzonder. Er bleek veel meer te vertellen te zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er moest dus nog het nodige aan onderzoek gedaan worden. De Academie had echter niet al te veel geld en het plan werd op de lange baan geschoven. Ik stopte ook direct met mijn onderzoek naar graaf Willem I, een bijzonder kleurrijk figuur, en de redenen waarom hij die stadsrechten aan Dordrecht, maar ook aan Geertruidenberg en Middelburg (en misschien Zierikzee) toekende.

Er bestaat bij ons zoiets als Dordrecht Marketing, een samengaan van VVV en het Evenementenbureau en overgoten met een saus van new speak, zoals die in de mode is bij dit soort takken van cultureel management. Ik citeer:

“Marketing, en in het bijzonder citymarketing, is een breed begrip en een veelomvattende activiteit. Gestoeld op missie en visie en ter realisatie van een aantal overkoepelende doelstellingen wordt door Dordrecht Marketing een keur aan activiteiten ontwikkeld om Dordrecht uit te laten groeien tot een sterk merk, met toegevoegde waarde voor uiteenlopende doelgroepen.”

Afijn, u begrijpt het wel en desnoods leest u de website er maar op na.

koning ondertekent
Tijdens Koningsdag 2015 ondertekent de koning in het Hof een verdrag over verdraagzaamheid.

Het is ook de club die de onzin-naam voor het nieuwe historisch museum van Dordrecht heeft verzonnen en die daar verantwoordelijk is voor een sterk staaltje geschiedvervalsing, met als dieptepunt het ondertekenen door de koning van een zogenaamd hierop gebaseerd vrijheid-van-meningsuiting-verdrag.

Dordrecht Marketing heeft niet zoveel met 1220-2020 – 800 jaar stadsrecht  Dordrecht. Niet aansprekend genoeg. Het moet 1000 jaar Dordrecht worden in 2020. Waarom? Geen idee. Volgens de Annalen van Egmond, u inmiddels wel bekend, gebeurde er in 1020 niks dat het vermelden waar was. We hadden in 1018 net de overwinning van Dirk III op het keizerlijke leger gehad (in Vlaardingen gaat men dat uitgebreid vieren) en men vond het waarschijnlijk wel goed zo. De ontginningen waren in volle gang en rond die tijd moeten ze de Thuredrecht wel genaderd zijn. De archeologen hebben in ieder geval al resten uit die tijd gevonden en ook bewijs dat er toen toch al minstens 20 jaar, zo niet langer, gewoond werd. Dus waarom dan 1000 jaar Dordrecht? Het bekt lekkerder, was vorige week één van de antwoorden die ik kreeg toen ik er naar vroeg.

Dat deed voor mij de emmer overlopen. Ik heb daarom mijn onderzoek voor de gemeente definitief beëindigd. Ik ga echter wel door met dit blog, want het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan. En zoals Dordrecht Marketing in zijn powerpoint  over het zogenaamde Merkkader zegt:

“Dordtenaren zijn ondernemend van geest, soms eigenzinnig en koppig, met de wil om tegen stromingen in toch vooruit te komen en ze doen dat zonder opsmuk of bla-bla. Ze zijn namelijk op een nuchtere manier vindingrijk.”

Ik kan me daar heel goed in vinden en ga dus gewoon op de ingeslagen weg voort.

 

Het falsum van 1064 (5)

Eindelijk de ontknoping! Ik leg hier de (hoogstwaarschijnlijke) reden uit waarom de bisschop de kans greep om de graaf van Holland te dwingen zijn bezit terug te geven. Er hoort wel een lesje geschiedenis bij, met jaartallen, maar daarna weet je dan ook alles. 

Maar waarom werd dit document dan vervalst? Om daarover meer te weten te komen, moet je naar de politieke situatie van rond 1145 kijken. Dat vraagt om het ophalen van een stukje geschiedenis en daarvoor gaan we eerst even terug naar de laatste alinea van het eerste deel van dit blog. Daarin schreef ik dat de grafelijke familie in 1070 naar Vlaanderen moest vluchten, waar Robrecht de Fries zijn broer na wat moeilijkheden als graaf opvolgde. Rond 1076, toen hij zijn handen daar wat vrijer had en zijn stiefzoon, de jonge Dirk V, inmiddels rond de 21 was en waarschijnlijk een degelijk getraind krijgsman, was het tijd voor actie. Eerst werd hertog Godfried met de Bult tijdens een wc-bezoek vermoord (als je wilt weten hoe, lees dan het verhaal hierover van Kees Nieuwenhuijsen) en vervolgens vielen Dirk en Robrecht Holland binnen. Dat de krijgshaftige bisschop Willem in datzelfde jaar overleden was kwam daarbij goed uit. Dirk veroverde tijdens die inval een burcht van de bisschop bij IJsselmonde en nam daar de toevallig (?) aanwezige opvolger van Willem, de elect Koenraad, gevangen.

[Een elect is een gekozen, maar nog niet officieel gewijde bisschop]

Dirk kon zo de teruggave van zijn graafschap doordrukken en sloot zich direct maar aan bij de oppositie tegen de keizer, Hendrik IV, die in 1064 zijn graafschap aan de bisschop had gegeven. Over zijn verdere regering en die van zijn zoon Floris II is niet veel bekend. Er zijn geen grote, dramatische gebeurtenissen in Holland opgetekend over de periode 1076-1121. Vooral de dood van pausen en bisschoppen (en wie hen opvolgden) en weersomstandigheden (strenge winters en hete zomers) plus kometen en wonderen waren de enige zaken die in de Egmondse annalen werden opgetekend. Pas na de dood van Floris II in 1121 kwam er weer wat leven in de brouwerij. Hoewel de opvolger, Dirk VI, een volwassen man was, stond hij de eerste 10 jaar onder grote invloed van zijn moeder, gravin Petronilla, die volgens de Egmondse monniken het graafschap met vaste hand regeerde. Ook trok ze haar jongere zoon, Floris de Zwarte, voor. Hij was waarschijnlijk wat pittiger van karakter dan de wat trage Dirk. Hij is zelfs nog een paar jaar graaf van Holland geweest, maar de broers kregen op den duur toch ruzie en Floris werd afgezet. Dirk schijnt deze keer het heft echt in handen genomen te hebben. Toen Floris in 1133 in Utrecht werd vermoord, nam hij wraak door Utrecht binnen te vallen en te plunderen. Ook trouwde hij en maakte in 1140 met zijn vrouw een pelgrimstocht naar het Heilige Land. Op de terugweg droeg hij in Rome de grafelijke abdij van Egmond en het door zijn moeder gestichte klooster te Rijnsburg aan de paus op.

abdij rijnsburg
Reconstructie van de abdij van Rijnsburg 1133-1574 (verzameling museum Oud-Rijnsburg, Rijnsburg).

De bisschop van Utrecht, inmiddels Hartbert (een stijfkoppige Fries volgens de kroniekenschrijvers), was daar niet blij mee. Dirk trok zich daar niks van aan. Sterker nog: hij deed verschillende invallen in het bisschoppelijk grensgebied en plunderde en brandde daar verschillende dorpen af. Zijn zwager, Otto van Rheineck, deed daar dapper aan mee, maar werd door de bisschoppelijke troepen gevangen genomen. Dirk beantwoordde deze actie door in 1146 de stad Utrecht te belegeren. Daarmee was hij te ver gegaan. Bisschop Hartbert trok in processie de stad uit naar het Hollandse kamp en dreigde Dirk in de ban te doen. De eigenlijk wel vrome Dirk was daar zo van onder de indruk dat hij blootsvoets en geknield om vergeving smeekte. Nu had de bisschop zijn zin en kon hij zijn eisen stellen. Het is waarschijnlijk bij deze gelegenheid geweest dat de graaf de lijst van Utrechtse bezittingen in Holland voorgelegd kreeg. De bisschop moet hem even daarvoor, al in 1145 of pas in 1146, hebben laten maken, naar het voorbeeld van de oorkonde van 30 april 1064 en zal hem hem hebben ge-antedateerd op 2 mei 1064. Hij hoopte zo, nu hij de graaf op zijn knieën had, zijn claim waar te kunnen maken.

munt hartbert
Munt geslagen door bisschop Hartbert van Bierum (1139-1150) met zijn heel primitieve portret (zilver, Collectie Centraal Museum, Utrecht; foto CMU/ Joanneke Hees).

Helaas voor hem stierf bisschop Hartbert al in 1150 en kwam na hem, na veel geruzie, de kandidaat van Dirk VI op de troon: Herman van Horne. Als de bisschop langs Maas en Merwede eerder al invloed had gehad was die nu in één klap verdwenen, want bisschop Herman durfde niet meer tegen de graaf in te gaan. Latere bisschoppen hebben geen kans meer gezien hun invloed in Holland waar te maken. Ze hebben het dan op den duur ook maar opgegeven. Het falsum heeft dus maar vier jaar gefunctioneerd en is daarna vergeten. Tot het opdook in de negentiende-eeuwse lijsten van oorkonden van zowel de bisschoppen van Utrecht als de graven van Holland.

Natuurlijk had Dirk in 1146 niet in de gaten dat hij een vervalsing voorgeschoteld kreeg. Maar hij had het gemerkt als die plaatsnamen niet hadden geklopt met de werkelijkheid. Hij las een lijst van plaatsnamen (of kreeg die voorgelezen: we weten niet of Dirk kon lezen) en die moet hij gekend hebben. Misschien wist hij zelfs dat de bisschop in die plaatsen bezittingen had, want in de Annalen van Egmond was de goederenlijst van het Cartularium van Radbod gekopieerd, dus hij kon weten dat in ieder geval die plaatsen aan de kust gedeeltelijk bezit van de bisschop bevatten. De plaatsen langs de Maas en Merwede en die andere riviertjes moeten dan ook geklopt hebben, anders had hij het niet geloofd. Zo kunnen dus de plaatsen in een vervalsing toch echt bestaan hebben en kun je erop vertrouwen dat Dordrecht 15 jaar na de dood van graaf Dirk IV inderdaad langs de Thuredrecht lag en een nieuwe kapel bevatte.

Een falsum is dus wel vals, maar daarom niet onwaar. Als historicus moet je dat echter wel aannemelijk maken en ik hoop dat ik dat voor mijn lezers gedaan heb.

Het falsum van 1064 (4)

We zijn toe aan de ontmaskering van het falsum. Het is al 107 jaar geleden dat dat gebeurde, maar er zijn maar weinig mensen die het rapport daarover sindsdien hebben gelezen. Het is ook nogal technisch, en in wetenschappelijk Duits, maar ik haal er voor u een paar meer begrijpelijke punten uit.

Maar waarom werd dit document dan twee dagen later toegevoegd? U zult inmiddels wel begrijpen dat het helemaal niet werd toegevoegd, maar dat het van veel later dateert. Professor Otto Oppermann (1873-1946), een Duitse geleerde, die sinds 1904 als historicus aan de Utrechtse universiteit verbonden was, heeft het ontmaskerd.

otto oppermann
Prof. Dr. O. Oppermann, geschilderd ongeveer in de tijd dat hij begon met het ontmaskeren van Nederlandse oorkonden. Herkomst onbekend.

Hij schreef er in 1909 een uitgebreide studie over in een Duits historisch tijdschrift. Hij vond niet minder dan dertien punten die op een vervalsing duidden. Veel daarvan waren van schrift-technische aard. Er waren bijvoorbeeld duidelijk onderdelen van het document van 30 april gebruikt, maar er zaten fouten in die op een slordige en wat ondeskundige kopiïst duidden.

Oppermann legde ook grote nadruk op het feit dat er in de oorkonde over het graafschap Holland gesproken wordt. De eerste keer (voor zover we weten) dat een persoon zich graaf van Holland noemt was in een echte en nog bestaande oorkonde uit 1101. Florentius comes de Hollant, oftewel Floris II (ca 1083-1121) staat daar. Daarvoor was het de naam voor een gebied in de buurt van de Rijnmonding en al lang bekend. Zelfs in het Cartularium van Radbod wordt Holtland als nederzetting waar de bisschop vier hoeven bezat al in de negende eeuw genoemd. Later werd het als plaats van herkomst van enkele personen genoemd. Jan Burgers heeft al in 1999 aannemelijk gemaakt dat de naam voor het gebied om de monding van de Rijn misschien al in de tiende eeuw bestond, maar zeker in de elfde eeuw voor de streek werd gebruikt. Alleen mensen van buiten noemde het graafschap nog steeds Frisia (of Fresia) of Vlaardingen. Daar werden de graven ook nog steeds de (West)Friese graven genoemd.

holtland
Reconstructie van het gebied rondom de monding van de Rijn bij Katwijk ca. 1050. Oudere historici zochten Holtland in de buurt van Koudekerke, maar op de oeverwallen van de Rijn groeiden geen eiken en andere bosgebied bomen (holt, hout). Die stonden meer op de geestgronden achter de duinen.

Tegen 1050 moeten de graven zich echter heer van een gebied hebben beschouwd dat heel het westen van het huidige Zuid-Holland besloeg en met Holland werd aangeduid. In de praktijk zullen ze zich dan ook al wel graven van Holland genoemd hebben, al duurde het tot 1101 voor we een officiële en betrouwbare bron ervoor hebben. Dat de naam dus in 1064 al gebruikt werd was niet zo’n duidelijke fout als Oppermann dacht.

Een veel belangrijker bewijs voor de vervalsing is de plaats waar het in het register staat. Beide oorkonden uit 1064 zijn niet bewaard gebleven. We kennen ze alleen uit het al genoemde boek, het Liber donationum. Dat is een boek dat net als het cartularium een register van schenkingen aan het bisdom bevat, maar dat langer doorloopt. Tot 1145 of 1146. Het is in het laatste kwart van de twaalfde eeuw (ergens tussen 1175-1200 dus) geschreven. Het stuk van 30 april 1064 staat keurig op blad 36 verso en 37 recto,  tussen oorkonden uit 1063 en een volgende uit 1064, maar dat van 2 mei 1064, staat helemaal achteraan op blad 53 recto en verso na een afschrift van een oorkonde uit 1145.

[in de middeleeuwen beschouwde men een vel perkament waar een boekpagina van was gemaakt als een blad (folio) met een voorzijde (recto) en achterzijde (verso) en zo werden pagina’s in een boek dan ook genummerd]

Dit exemplaar van het register is dus waarschijnlijk een getrouwe kopie van een eerder register, dat niet verder dan tot 1145-46 ging en waarin het falsum in dat jaar was bijgeschreven. Dat en het feit dat het natuurlijk niet nodig is om na twee dagen al een codicil te maken met een serie niet onbelangrijke claims, gaven de doorslag dat dit een vervalsing was. Uit 1145 of 1146.

(Wordt vervolgd)

Het falsum van 1064 (3)

Het is klaarblijkelijk geen eenvoudige stof, dat falsum. Ik knip de blogs dus in wat kleinere, meer behapbare stukjes, zodat u niet overvoerd wordt met informatie. Sterkte…

Het falsum is dus gedateerd op 2 mei 1064 en is, net als dat van 30 april, zogenaamd uitgegeven in Kaiserswerth, in het document zelf weergegeven als Werede (Weerde). Ik heb al geschreven dat het vals zijn niet hoeft te betekenen dat de informatie in dat document dan ook niet klopt. Uit diverse bronnen in het bisschoppelijke archief is bekend dat het bisdom Utrecht gedurende de hele christelijke vroege middeleeuwen, dus tussen ca 700 en 1000 de nodige schenkingen ontving van met name de koning/keizer, maar ook van priesters en particuliere grondbezitters. De vroegste lijst van schenkingen van goederen aan het bisdom staat in een lang document dat het Cartularium van Radbod (een Utrechtse bisschop die tussen 899 en 917 regeerde) wordt genoemd. Het is aangelegd tijdens de ballingschap van de bisschoppen nadat de Noormannen Utrecht hadden ingenomen en al wat er stond hadden verwoest (856-857). De bedoeling was om een overzicht te hebben van het bisschoppelijk bezit voor als de Deense bezetters weer weg waren. Bisschop Balderik (918-975), de opvolger van Radbod, zou trouwens in 920 weer vanuit Deventer in Utrecht terugkeren.

Er komen veel namen van dorpen in het latere Holland, dan nog Westfrisia, in dat document voor. Ook dorpen die in 1064 genoemd worden. Het cartularium (register van oorkonden) bevat schenkingen die te dateren zijn vanaf  723 en die na 917 nog tot aan het midden van de tiende eeuw zijn bijgehouden. Mijn goede vriend Kees Nieuwenhuijsen heeft het nodige uitgezocht over deze lijst en op zijn website gepubliceerd.

liber donationum
Het Liber Donationum, zoals het nog steeds in het bisschoppelijk archief binnen het Utrechts Archief berust. Dit exemplaar werd in het laatste kwart van de twaalfde eeuw geschreven, naar eerdere exemplaren.

Het oorspronkelijke cartularium is niet bewaard gebleven maar slechts uit twee afschriften bekend. De oudste, van rond 1100, is te vinden in hetzelfde boekwerk in de British Library als waarin de al eerder besproken Annalen van Egmond zich bevinden. Het is een, waarschijnlijk, in Egmond gemaakt afschrift uit het originele Utrechtse register. Over het waarom daarvan is men het niet eens, maar het was natuurlijk handig om in Holland een lijst te hebben van de Utrechtse bezittingen aldaar. Egmond, als het centrum van schrijfcultuur ter plaatse, was de beste locatie om die te bewaren. Een latere versie van het cartularium is onderdeel van het zogenaamde Liber Donationum (boek van schenkingen) in het Utrechtse bisschoppelijke archief uit de late twaalfde eeuw. Ik kom op dit boek nog terug in latere blogs.

Er zijn dus overlappingen tussen het falsum en dit cartularium. Met name Valkenburg, Lisse, Noordwijk, Velsen en Petten komen in beide voor. Maar vanaf 885 tot 950 zijn er ook delen van de rest van Kennemerland in te vinden. Ook dorpen in het gebied tussen Den Haag en Haarlem (Rijnland dus) en het latere Westland tussen het nog niet bestaande Delft en de kust in bezit van de bisschoppen  worden genoemd. En dat zijn dikwijls de eerste vermeldingen van die plaatsen. Soms is zo’n dorp in zijn geheel ‘aan de kerk van St Maarten’ geschonken, maar dikwijls gaat het over een deel van de hoeven in het dorp en/of de kerk of de kapel met zijn toebehoren.

In ieder geval staan verder in het cartularium geen plaatsen langs de rivieren die in mei 1064 worden genoemd. Die, of het ontgonnen gebied waarin ze ontstonden, moeten dus later dan 950 aan het bisschoppelijke gebied zijn toegevoegd. Daar zijn echter geen schenkingsoorkonden van en ze staan ook niet vermeld in latere registers. We moeten er daarom van uitgaan dat ze lagen op gebied dat de bisschop, in zijn onontgonnen staat (dus als wildernis) als horend tot zijn bezit beschouwde. Met andere woorden: hij kon niet verwijzen naar oorkonden waarin het bewuste gebied geheel of gedeeltelijk aan hem geschonken was. En zoals gezegd: in de oorkonde van 30 april wordt deze hele streek niet genoemd.

(Wordt vervolgd)