Feest van de vrijheid

Soms denk ik wel eens: waar doe ik het voor? In de periode oktober tot en met december 2016 heb ik proberen aan te tonen dat die eerste vrije statenvergadering niet de eerste en ook niet een vrije statenvergadering was. Hij was ook niet bedoeld om de Nederlandse vrijheid te doen uitbreken en het was zeker niet de bedoeling dat er na afloop een nieuwe staat zou ontstaan. Er moesten maatregelen genomen worden om de Spanjaarden, als ze terugkwamen om de rebellie van de Hollandse en andere steden te bestraffen, van repliek te dienen. Daarvoor moest aan de prins van Oranje, die klaar stond om een inval in de zuidelijke Nederlanden te doen, veel geld overgemaakt worden. Daarvoor ook moesten in Holland zelf de nodige defensieve maatregelen genomen worden. En, oh ja, er moest nog wat met de katholieken, maar dat had geen haast.

Er kwam allemaal niks van terecht. Het geld was weggegooid want de prins werd teruggeslagen en zijn troepen plunderden, zonder dat hij ze tegenhield, van de weeromstuit de nodige steden en dorpen omdat ze niet genoeg geld kregen. Alva kwam terug en moordde vier steden uit voor zijn leger bij Alkmaar op zijn donder kreeg. De voor de Hollandse verdediging aangestelde generaal was een wrede machtswellusteling die zich niet ontzag katholieken te martelen en af te maken. En de andere katholieken? Tja. Abten en gardiaans werden opgesloten, monniken werden weggejaagd of vermoord en nonnen verkracht door de geuzen, kerken werden leeggeruimd en geplunderd en in beslag genomen door calvinistische dominees die de katholieken binnen een paar jaar uitsloten van deelname aan het maatschappelijk leven en van hen tweederangs burgers maakten.

Hoe bedoel u: In 1572 begon de vrijheid in het Hof van Dordrecht?

Als je met ‘hindsight’ terugkijkt op die gebeurtenissen kun je zeggen dat de inname van Brielle op 1 april 1572 het nodige in beweging heeft gezet: een opstand tegen het bevoegd gezag. Op den duur leidde die opstand  tot een oorlog die na een hoop ellende na 80 jaar gewonnen werd. Het was ook de oorzaak van het afzweren van de wettige vorst, Filips II van Spanje, in 1581 en het uitroepen van een Republiek in 1588, maar dat de basis daarvan in Dordrecht werd gelegd: nee. Het was als het gefladder van een mot om een kaars dat op den duur, naast allerlei ander gefladder, deel uitmaakte van een stuk geschiedenis. Er is daar niks begonnen, behalve een mislukking. Zeker voor de vrijheid van meningsuiting en religie van het grootste deel van de bevolking, dat nog gewoon katholiek was, werd het een totale afgang. Pas in de loop van de 17e eeuw zouden de zwarte dominees de nodige burgers dwingen het Ware Geloof aan te nemen, met veel dreigementen over hel en verdoemenis, en zijn we een min of meer protestant land geworden. Het is dat het in de Gouden Eeuw verdiende geld een hoop goed maakte (maar niet voor iedereen!), maar dat de Nederlanden een open en vrije samenleving werden waar de rechten van iedereen vastlagen, nee. Pas in 1839 ontstond er hier een tamelijk  geordend land dat in 1848 een grondwet kreeg. Wel moesten gewone mensen en vrouwen nog een hele tijd wachten voor ze democratisch mochten stemmen en dan nog… Hoe groot is de opkomst bij moderne verkiezingen? Hoe vrij zijn we met onze werkdwang, verzekeringen en hypotheken?

feest vrijheid
De Stem van Dordt, 5.7.2017

Ik heb destijds ook mijn afkeer en schaamte geuit over de toestand in 2015 toen de koning en koningin een onzin tekst ondertekenden. Dat werd me niet in dank afgenomen. Diverse cultuurbobo’s hier in de stad voelden ziich nogal op hun lange tenen getrapt. Van enkelen van hen kreeg ik onomwonden te horen dat ze niks aan de huidige opstelling van het museum in het Hof zouden doen; te duur, te moeilijk en ik had toch ongelijk. En dan gaat er nu dus een jaarlijks terugkerende herdenking van start. Het ‘feest van de vrijheid’ wordt het in de krant genoemd en het gaat op woensdag 19 juli gebeuren. In en om het Hof. Het programma liegt er niet om: de burgemeester in sede vacante opent het feest dat om 5 uur begint met een picknick en een barbecue in de Kloostertuin (zie foto bovenaan; de Statenzaal ziet u rechts naast de boom). En dan komt het: “bezoekers krijgen de vrijheid (!) om met kleden bezit te nemen van de tuin, te luisteren naar muziek, liederen en voordrachtskunst”. Is het dat waar 80 jaar (nou ja…) voor is gevochten? Dat je op een kleed al etend en  drinkend naar muziek kan luisteren? Wie verzint zoiets?

Maar dat is nog niet alles: ook Herman Pleij zal “het woord richten tot het publiek” . Onze nationale historische hofnar zal “plei(j)tbezorgen” voor het belang van Het Hof van … (ik kan het niet uit mijn toetsenbord krijgen!).  Bovendien zal vanuit het Platform Dordtse Kerken in het kader van “de geloofswaarden en onze vrijheid van nu” op het plein een hagepreek gehouden worden. Een wat? Een hagepreek! U weet wel: een preek in de open lucht uit de tijd van de vervolging van protestanten (met name in 1566 en een paar jaar erna), zoals er in of bij Dordrecht nooit één heeft plaatsgevonden. Daar is in 2015, toen die plannen er ook al waren, nogal wat protest tegen gekomen. Maar het ging toch door. En nu dus ook. De grote verrassing is echter dat degene die de preek houdt de rooms-katholiek pastoor Tjeerd Visser is. In het eerste krantenstukje van 5 juli jl en op de website stond die naam nog niet. Gisteren 12 juli dus wel  en mijn broek zakte af. 

Een katholiek gaat voor tijdens een hagepreek waarbij, historisch gesproken, door de calvinistische dominees de ‘roomse santenkraam’ als afgodendienst werd neergezet en in alle openheid de paus tot afgezant van de duivel werd benoemd. Ik weet dat het aanleren van historisch besef met de manier waarop in Nederland geschiedenis wordt onderwezen het zwaar heeft, maar dit geloof je toch niet. Moet kunnen, zal Pleij ongetwijfeld zeggen. Ik vraag me echt af of men een gaatje in zijn hoofd heeft, hier in Dordrecht.

Voorzitter van genoemde Platform, mijn goede kennis Hans Berrevoets, becommentariseerde in het laatste krantenartikel nog even de hagepreek. “Toen op de eerste Vrije Statenvergadering van 19 juli 1572 werd door twaalf Hollandse steden in Dordrecht gekozen voor een strijd voor de vrijheid van geloof en vrijheid van geweten”. Dat is niet waar, maar Hans heeft waarschijnlijk mijn blogs niet (goed) gelezen. Hij vervolgt: “Stadhouder Willem van Oranje kreeg de leiding (dat kreeg hij niet, die had hij al; hij werd er alleen in bevestigd). De hagenpreek anno 2017 is daarom kerkelijk breed van opzet zijn (! Ik citeer letterlijk…). In juli 1572 werd de katholieken het zwijgen opgelegd (dat was inderdaad het waarschijnlijk niet bedoelde effect…). Daarom zal het thema van de hagenpreek ook vrijheid van godsdienst zijn.”  Met andere woorden: de roomsen krijgen de kans om wat terug te zeggen?

Hagenpreken waren stiekem in de open lucht gehouden kerkdiensten van vervolgde protestanten. Katholieken hebben zich, bij mijn weten, in de tijd dat hun geloof verboden was er nooit aan gewaagd. Zij trokken zich terug in schuren en op zolders om daar in het verborgene missen op te dragen. Dat heeft nog heel lang geduurd. Pas halverwege de 19e eeuw kregen ze echte godsdienstvrijheid, dus nadat we hier in 1848 een grondwet hadden gekregen. Daarna is er in Nederland een soort vrijheid van geweten en religie gekomen, waar we nu nog van profiteren. Eh… sommigen van ons dan, want de heren populisten weten nog wel een paar religieuze uitingen die eigenlijk verboden zouden moeten worden.

Begrijp me goed: ik ga echt niet zitten roepen dat dat Feest van de Vrijheid verboden zou moeten worden. Men doet maar. Maar ik zou willen dat de historische context geen geweld wordt aangedaan, want van de motivatie deugt geen steek. En hoe bobo’s  als Pleij en Visser zullen gaan draaien om het toch een glimp van relevantie te geven wil ik ook niet horen. U zult me die woensdag dan ook niet in de buurt van het Hof zien. Maar als u dan toch wel  gaat houdt dan in de gaten dat de vrijheid van godsdienstbeoefening en die van het democratische Nederland niet in 1572 in Dordrecht zijn begonnen

Dordts mysterie

Dit blog moet er even tussendoor…

Toen ik iets meer dan een jaar geleden begon met het Apud Thuredrech blog nam ik als eerste onderwerp het lemma over de geschiedenis van Dordrecht in Wikipedia. U vindt het hier. Ik pakte gelijk maar de slordigheden aan die door de loop der jaren (misschien wel eeuwen) in de geschiedschrijving over het ontstaan van Dordrecht  waren verspreid. De reacties waren toen enthousiast. Ook had ik binnen een paar maanden een groep van meer dan 100 abonnee’s die me trouw volgden in mijn uitleg over Dordtse geschiedenis. Ik had niet de verwachting dat ik hiermee heel de Dordtse bevolking zou bereiken, maar hoopte toch op een soort uitstraling naar familie en vrienden van de abonnee’s.  Er zou een soort bestuiving kunnen ontstaan die langzaam wortel zou kunnen schieten.

Gedurende dat jaar heb ik ook enkele nogal controversiële zaken aangepakt die wel degelijk wat verder reikende gevolgen hadden dan alleen welwillende reacties van liefhebbers. Zo had mijn serie over Dordrecht en de gewetensvrijheid het effect dat ik met de wethouder in gesprek raakt en ik op 16 maart a.s. een gesprek heb met de directeur van de musea. Ook had mijn serie over wat nou de oudste stad van Holland was de nodige gevolgen in de lokale media. Daarentegen werd mijn stukje kritiek op een artikel in het huis-aan-huis-blad De Stem van Dordt niet door iedereen gewaardeerd. Men vond dat ik de schrijver en de geciteerde historicus te streng aanpakte. De historicus en de journalist reageerden beide en ik gaf hen wat gedachten terug die hun reacties bij me opriepen. Ik besloot het geheel met de aanbeveling aan de redacteur van de krant:

Ik denk ook dat als ze nog eens zo’n vraag krijgt over een middeleeuws onderwerp geen modern historicus om hulp moet vragen. Ze kan dan beter naar het archief stappen of bellen, een mediëvist raadplegen of mijn blog lezen.

Helaas; het was aan dovemansoren gericht.

Er bestaat een serie websites die zich richt op buurten in Nederlandse steden. Indebuurt.nl  heten ze en Dordrecht is één van die steden. De websites bevatten allerlei klein nieuws, zoals een kapotte trein die voor vertraging zorgt, een parkiet die is weggevlogen, de opening van een nieuwe ijswinkel, jubilerende marktkooplui, aankondigingen van straatopbrekingen, etc. Zoiets als die huis-aan-huis-bladen dus, maar dan digitaal. Ze werken zelfs samen met De Stem van Dordt. Niemand minder dan hoofdredacteur Karlijn Goorts van De Stem heeft er een soort column in, die Dordtse Mysteries heet. Daarin worden zulke onderwerpen behandeld als “waarom het Dolhuis Dolhuis heet”(het was een krankzinnigengesticht) of “hoe de Blindeliedengasthuissteeg aan haar naam komt” (er stond een gasthuis voor blinden) of “waar zijn de sporen 6 tot en met 14 op station Dordrecht” (historisch zo gegroeid).  Wat daar mysterieus aan is heb ik nog niet kunnen ontdekken, maar zo’n titel zal wel lekker bekken. De stukjes op de website verschijnen trouwens een paar dagen tot weken later ook in De Stem. En daar las ik gisteren het laatste artikel: “hoe Dordrecht aan haar naam komt”.

In de inleiding wordt weer gesproken over dat de naam in 1120 voor het eerst voorkomt toen geschreven werd over de dood van graaf Dirk IV in 1049. Tot zover OK. Misschien is dit zelfs wel ontleend aan mijn blog. Je kan toch hopen? Maar in de volgende zin gaat het al verkeerd, want:

“Of ze toen spraken over de rivier of over een zogenaamde nederzetting is niet duidelijk.  Daarom weten we eigenlijk tot op de dag van vandaag niet honderd percent zeker of de ‘stad’ Dordrecht (of moeten we zeggen Thuredrech) toen al bestond.”

Dan zijn we dus weer bij het falsum van 1064 (of ca 1145), u allen wel bekend, en niet bij het gedeelte van de Annalen van Egmond dat in 1120 door ‘hand C’ werd geschreven. Een ‘zogenaamde’ nederzetting? Niet duidelijk? En dat terwijl ik toch echt, vanuit de vertaling, had geschreven dat daaruit blijkt dat het zowel de naam van het water als het plaatsje was. Hoe duidelijk wil je het hebben? Dat het toen nog geen stad was is wel duidelijk, maar je kunt er wel degelijk van uitgaan dat er in 1049 een plaatsje van die naam lag op de plaats waar nu Dordrecht ligt. En in 1120 en 1145 was dat zeker het geval.

Wie beschrijft mijn verbazing dat daarna weer de historicus van modern Griekenland,  Kees Klok, aan het woord kwam.  Hij bracht in dat de bronnen uit die tijd erg ‘spaarzaam’ zijn (bedoelt hij zeldzaam?) en dat er veel veranderingen in het gebied zijn geweest. Daarom is het, volgens Klok, “niet precies duidelijk hoe Dordrecht aan haar naam komt”. In de krant is nog een ‘grapje’ dat historicus op de website maakte weggelaten: “Ze hadden toen helaas geen cassetterecorder (!) ofzo…” Waarschijnlijk ging dat voor het langzamere medium dat de krant is wat te ver of was het wat te oneerbiedig (of was het gewoon gebrek aan ruimte?).

Het volgende citaat van Klok luidt:

“Ja, we (!) gaan er ook wel vanuit dat het daar van afgeleid is. Maar of ze in die tijd al over de nederzetting spraken, blijft onduidelijk.”

Ik zou hier bijna cynisch van worden. Maar ik houd me in en schrijf hier alleen maar dat als men het in 1120 en in 1145 zo opschreef en daarmee suggereerde dat het respectievelijk in 1049 en 1064 al zo genoemd werd, je er wel van uit kunt gaan dat er ergens aan de Thuredrecht en de Merwede een plaatsje van die naam lag. Hoever moet je gaan om het nog beter te kunnen bewijzen?

Het artikel is dan ongeveer op de helft en dan is er nog steeds niet gesproken over hoe Dordrecht aan haar naam kwam, wat de titel toch aankondigt. Het dorp heet Thuredrech(t) maar waarom het zo genoemd wordt: niets. De naamsverklaring van Van Osta uit 1996 komt niet ter sprake en die staat nog wel in het Wikipedia lemma. Nee, dan begint een volkomen nieuw stuk dat het gaat hebben over “ wie nou de oudste stad van Holland heeft” (!). Vervolgens gaat het over de loco-burgemeester van Geertruidenberg die in 2014 (moet zijn 2012) Dordrecht voor de Rijdende Rechter  zou slepen omdat zijn stad oudere stadsrechten had dan wij. Beide steden hadden daar echter geen zin in. Afijn, u heeft er alles over kunnen lezen in het gelijknamige blog.

Mr. Frank Visser las in 2014 in een ander blog van mij dat het anders zat en zag wel in dat Geertruidenberg zou hebben verloren, maar had een wat flauwe uitspraak achter de hand gehad als Dordrecht onverhoopt toch bakzeil had gehaald. Geertruidenberg ligt tegenwoordig immers in Noord-Brabant en zo kwam hij uit op:

“Dordrecht is de oudste stad IN Holland, maar Geertruidenberg is de oudste stad VAN Holland.”

Wat natuurlijk van geen kanten klopt, want Dordrecht was al voor 1200 een stad met zijn eigen rechten etc. En we weten nu allemaal dat het krijgen van stadsrechten, hoe lang of hoe kort ook, niets zegt over het ontstaan van een stad. Wat doet dit onderwerp verder eigenlijk bij een artikel waarin de herkomst van de naam van Dordrecht aan de orde is? Het slaat nergens op.

Intussen is een ‘Dordts Mysterie’ nog steeds niet opgelost want er wordt niet eens op de in de kop gestelde vraag ingegaan, wordt er weer verwarring gewekt over het oudste voorkomen van de naam en doet een modern historicus foute uitspraken over een periode waar hij geen verstand van heeft. Soms vraag ik me wel eens af waarom ik dit eigenlijk doe…

“Hoe Dordrecht een eiland werd” (vervolg)

Kees Klok beantwoordde in zijn reactie op mijn laatste blog, zoals u allemaal heeft kunnen lezen,  mijn vraag waarom het korte stukje over de St. Elisabethsvloed  in de Stem van Dordt stond: het was een reactie op een lezersvraag. De journalist die het schreef, eindredacteur Karlijn Goorts, was blij met mijn kritiek, maar verontschuldigde zich tegelijk voor die beknoptheid.  Ze bevestigde dat Kloks antwoord uitgebreider was geweest, maar dat het nogal ingekort was:

“Als ik zijn hele verhaal zou moeten opschrijven, haken lezers helaas af halverwege omdat het te lang is.”

Ik vraag me dat af. U weet allemaal hoe die huis-aan-huis-bladen eruit zien. 24-32 pagina’s op tabloid formaat, waarvan meer dan de helft uit advertenties bestaat. De rest is tekst met veel, in verhouding, grote foto’s, inclusief hele fotopagina’s met huisdieren, besneeuwde parken, zonsondergangen en  dekselse kleinkinderen. Je moet je ook nog afvragen of veel van die tekst niet van commerciële oorsprong is, met zijn nieuws over auto’s en gezondheid. Ook wordt er wel aandacht besteed aan de (her)opening van een nieuwe winkel of herstartend bedrijf, welke advertorials (want het is toch ook reclame?)  dikwijls meer dan die 170 woorden bevatten. Er staan altijd wel een paar interviews met plaatsgenoten in, die eveneens beduidend langer zijn dan 170 woorden, maar waarvan dus wel verwacht wordt dat ze gelezen worden. Verder zijn het vooral veel aankondigingen van evenementen en  andere publiekstrekkers als cursussen, lezingen, workshops, open dagen en uitnodigingen om wilgen te komen knotten, etc. En een enkele column.

Ik denk dat het om wat anders dan de korte aandachtspanne van de gemiddelde krantenlezer gaat. Ik denk dat de eindredacteur denkt dat stukjes over de vroege geschiedenis van Dordrecht gewoon niet interessant genoeg zijn voor de gemiddelde lezer van haar krant en daarom maar zo weinig mogelijk plaats in mogen nemen. De nostalgische foto’s worden niet zelden (ook in de andere krant Dordt Centraal) begeleid door het dubbele aantal woorden. Maar dit was toch een antwoord op een lezersvraag? Dus er was interesse. En misschien wilden nog wel meer Dordtenaren weten hoe hun stad een eiland was geworden? Dus waarom die mensen het complete verhaal onthouden? Ik wil helemaal niet paranoïde overkomen en klagen dat de middeleeuwse geschiedenis van Dordrecht in dit soort krantjes achtergesteld wordt, maar je zou het zo wel gaan denken.

Bovendien: heeft een vragensteller over een historisch onderwerp niet ook het recht om correcte informatie te ontvangen? Kees Klok geeft toe dat hij niet over de meest recente informatie beschikt en put daarom maar uit iets dat hij zelf 30 jaar geleden heeft geschreven. En wat hij zich herinnert van een bezoek aan een tentoonstelling in 2006. Hij schrijft ook dat hij meer van de recente geschiedenis is (en de Griekse) en dat wat hij over Dordrecht in het verleden schrijft van “literaire aard” is en geen geschiedschrijving. Daar valt mijns inziens wel over te twisten: historie kan heel goed  literair verantwoord opgeschreven worden. Het ontslaat echter niemand, en zeker een afgestudeerd historicus niet, van de plicht iets kloppends neer te schrijven als er aan hem informatie gevraagd wordt, vooral als het over een onderwerp gaat dat buiten zijn comfort-zone valt. Klok verdedigt zich nog met:

“Kern van de vraag was: hoe is het eiland onstaan, niet wat de oorzaken van de St. Elizabethsvloed waren.”

Maar als je die vraag wilt beantwoorden kom je niet onder de oorzaken van de vloed uit. Hij noemt er zelfs één (foutief weliswaar, maar toch…), want hij wordt in het artikeltje geciteerd:

“Men ging daar turf steken voor brandstof en daardoor werden de dijken verzwakt.”

Maar dat was ook mijn kritiek niet. Ik vind dat je vragenstellers geen sprookjes mag vertellen over wat echt gebeurd is. Zeker niet over zaken die zo’n enorme invloed hebben gehad voor een stad als Dordrecht. Degenen die dit blog volgen weten inmiddels wel dat er in het verleden, tot zeer recent, de nodige onzin is geschreven over aspecten van onze geschiedenis. Ik heb duidelijk gemaakt dat men hier zelfs op hoog niveau kort geleden nog geschiedvervalsing heeft gepleegd. Maar waarom zou je je dan druk maken over zo’n klein artikeltje in een huis-aan-huis-blad, zult u zich afvragen? Nou, dat doe ik omdat het een principieel probleem is.

Zo’n verhaaltje in de Stem van Dordt kan namelijk best flinke gevolgen hebben. Het begint als klein weetje, verspreidt zich op verjaardagen, wordt overgenomen door een geïnteresseerde leek en voor je het weet staat het op papier in een schoolwerkstuk of een lesbrief en wordt het aan de lokale ‘canon’ toegevoegd. Ik zou alleen al voor de vaderlandse geschiedenis honderden voorbeelden van dit soort mis-informatie kunnen noemen. De leek heeft immers niet de mogelijkheid om de dikke dure boeken over zulke onderwerpen te lezen of de vaktijdschriften te vinden (dikwijls achter betaalmuren) waarin de geleerde artikelen over de laatste ontwikkelingen binnen historisch onderzoek staan.

Karlijn Goorts liet merken dat zij wel anders zou willen. Naast dat ze denkt dat mensen geen lange antwoorden op een vraag willen hebben, geeft zij ook de drukte binnen de redactie de schuld. Er is volgens haar gewoon geen tijd voor het verifiëren van beweringen. Zij trekt het verder breder en schrijft:

“Dat is meteen een belangrijk deel waar het grootste gedeelte van de media faalt. Onderzoeken, correct weergeven, context en achtergrond vermelden en niet alleen kijken naar wat men wil lezen, maar kijken naar wat nodig is om te vermelden.”

Ik denk dat ze wat de zogenaamde ‘kwaliteitskranten’ betreft, de bekende landelijke dagbladen, een beetje overdrijft, want ik lees daarin genoeg lange artikelen die een grondig onderzochte herkomst verraden. Al hoor ik van oudere journalisten wel dat het vroeger allemaal veel beter was en dat de jongelui van tegenwoordig niet meer weten wat goede journalistiek is. Ik vind het in ieder geval wel verfrissend dat Goorts, die nog jong is, dat wel zou willen, maar ik denk dat een huis-aan-huis-blad daar niet echt het goede platform voor is. Ik gun haar meer ruimte voor het uitoefenen van haar beroep volgens de eisen van hoor en wederhoor en het checken van bronnen. Ik denk wel dat ze dan niet op die plaats moet blijven zitten.

Ik denk ook dat als ze nog eens zo’n vraag krijgt over een middeleeuws onderwerp geen modern historicus om hulp moet vragen. Ze kan dan beter naar het archief stappen of bellen, een mediëvist raadplegen of mijn blog lezen. Lijkt me.

“Hoe Dordrecht een eiland werd”

artikel svd
Het bewuste artikeltje uit de Stem van Dordt, 11.1.2017.

De beide gratis huis-aan-huis bladen in Dordrecht pronken elk met een historisch rubriekje. Dikwijls gaat het om een oud beeld van onze zo fotogenieke stad en wordt er wat verteld hoe het daar vroeger was. Meestal gaat het ook niet zo ver terug: hoogstens tot de tweede helft van de 19e eeuw. Afgelopen week, woensdag 11 januari 2017, naderde de rubriek in de Stem van Dordt echter angstig dicht mijn periode: die van het ontstaan en de bloei van Dordrecht. Zoals u aan de titel van dit blog kunt zien ging het over de St. Elisabethsvloed, want iedereen weet dat daarna de stad volledig omgeven was door water. Dat wordt ook min of meer bevestigd door de beide illustraties bij het artikeltje (het telt niet meer dan 170 woorden) die Dordrecht als een eilandje met wat aangroeisel tonen. Maar was dat wel zo?

Waarom de journalist Karlijn Goorts, die eindredacteur van de Stem van Dordt is, dit stukje in haar krant gezet heeft is niet duidelijk. Ze noemt het ook nergens. Er is ook geen historische aanleiding voor. Pas in 2021 gaan we de St Elisabethsvloed ‘vieren  (of in 2024?) en in januari 1417 gebeurde er ook niet veel in en rond Dordrecht. Pas volgend jaar, 2018, kunnen we wat ‘doen’ met het beleg van de stad in juli-augustus 1418. Dus er is niet echt een reden om aan die ramp te denken. Maar misschien kwam het omdat ze Kees Klok heeft gesproken. Hij wordt tenminste in het artikel in drie zinnetjes geciteerd.  En daar viel mijn oog dus op. Waarna ik me het nodige afvroeg.

verdronken dorpen
Omslag van het boek Verdronken dorpen boven water (Dordrecht 2007).

Het eerste dat ik me afvroeg was hoe het komt dat lokale historici en leraren geschiedenis, want Klok is beide, niet op de hoogte zijn van het meer recente denken over de St. Elisabethsvloed. In 2007 kwam namelijk als speciaal jubileumboek van de vereniging Oud Dordrecht uit onder de titel Verdronken dorpen boven water. Het bevatte zo’n beetje alles wat er in het verleden over de ramp is geschreven. Er stond ook een zeer interessant artikel in van de voormalige stadsarcheoloog Johan Hendriks met de toen meest recente conclusies over die gebeurtenis en zijn oorzaken en gevolgen onder de titel ‘De watersnoodrampen van 1421 en 1424’.

Helaas is de neerslag van dat jubileumboek, en met name die van het artikel van Hendriks, niet in de krant terug te vinden. Het lijkt zelfs wel of de historicus Klok het helemaal niet gelezen heeft. En dat is toch wel kwalijk voor iemand die altijd zo met oud Dordrecht bezig is. Hij is dan wel een historicus van de moderne tijd, maar als je dan geïnterviewd wordt (?) over een wat ‘ouder’ onderwerp bereid je je toch een beetje voor? Wat hij tussen dubbele aanhalingstekens (dus uit zijn mond opgetekend) beweerde stoorde me namelijk nogal. Ik geef hieronder de drie citaten met mijn commentaar.

  • “Dordrecht lag in de Groote Waard; ook wel een enorme polder met een dikke veenlaag. Men ging daar turf steken voor brandstof en daardoor werden de dijken verzwakt.”

grote waard 1421
Schematische situatieschets van de Grote Waard in 1421. Noordelijk van de Maas werd het land ook de Kleizijde genoemd en het zuidelijk deel de Veenzijde.

Juist het gedeelte van de Grote Waard (die tweede O is wat overdreven) waar Dordrecht in ligt, dus ten noorden van de Maas, was niet louter veen. Men woonde er al sinds de 8e-9e eeuw op de oeverwallen langs de rivieren, waar men graan verbouwde. Men ontdekte ook dat het elzenbroekbos in het veen op een dunne klei-op-veenlaag stond, waar je, na het ontginnen, ook goed graan kon verbouwen. Vandaar dat juist dit gedeelte, door Hendriks, de graanschuur van Holland werd genoemd. Er zal best turf gestoken zijn op stukken die niet bebouwd konden worden, maar de meeste turf kwam toch van bezuiden de Maas. Daar werd ook buiten de dijk in het zuidwesten zout-houdende turf gedolven, de zogenaamde darink. Daaruit werd zout gewonnen, dat voor goed geld verhandeld kon worden. Dat darink-delven gebeurde dus buitendijks, uit steeds met een tijdelijk eigen dijkje, een moerdijk, omgeven poldertjes. Op den duur kwam men te dicht bij de dijk van de Grote Waard, zodat die, na het verdwijnen van de darink, open kwam te liggen voor sterke golfslag bij zware stormen. De dijk bij Broek, aan de zuidwestkant van de waard (nu in de buurt van Wieldrecht) brak hierdoor in de tweede helft van de 14e eeuw steeds weer door. En dat ging in de vroege 15e ook door, ondanks verboden om te dicht bij de dijken te delven. Wel werd de dijk steeds weer gerepareerd of  teruggelegd. Het ligt dus klaarblijkelijk genuanceerder.

“Het water stond tegen de stadsmuren aan.”

sluyter 1560
Detail uit de kaart van Sluyter uit 1560, waarop het opkomende land achter Dordrecht goed zichtbaar is.

Hendriks heeft bij zijn opgravingen juist gevonden dat dat niet het geval was. Wel hebben in november 1421 de storm en de golven schade veroorzaakt aan de houten onderdelen van de stadsverdediging, de staketten,  en er zijn buiten de vesten wat wielen ontstaan, maar dat was allemaal snel gerepareerd. Opgegraven schelpjes en andere maritieme fauna hebben aangetoond dat er inderdaad een korte tijd een met brak water overstroomd gebied onder de muren van Dordrecht heeft gelegen, maar dat het eerder tot een waterig landschap van slikken (onbegroeide klei-zandplaten) en schorren (begroeide idem) uitgroeide, met op hogere gedeelten de resten van dorpen en boerderijen. En bomen. De enorme watervlakte die je op oude kaarten ziet is voor een groot deel fantasie (op de kaart van sGrooten uit ca 1570, boven aan het blog, ziet u een realistischer beeld). Waarschijnlijk berustte die op de nogal bewegelijke situatie van de landresten die afkalfden en aangroeiden. Er moet al heel snel een soort Biesbosch-landschap zijn ontstaan op resten van de vroegere waard. Dat was ook een voorwaarde voor het vanaf het eind van de 16e eeuw opnieuw beginnen met inpolderen: je moest wel van al wat aangegroeid land uitgaan.

“Later was het natuurlijk vooral modder en begonnen ze langzaam aan het droogleggen.”

Er zal veel modder geweest zijn en er tussendoor waterlopen, maar ook begroeide delen, waarin al snel eendenkooien en griendketen te vinden waren. En er stonden veel wilgen, waarvan de pollen ook teruggevonden zijn. En niet te vergeten: er lagen tussen de oevers zalmsteken in de bredere kreken, resten van de oude veenriviertjes.

detail kaart 1520
Detail uit een kaart van ca 1520, met een huis op een hoogte en al begroeide gorzen. De maker heeft met wat vervaagde groene verf aangegeven  dat er veel ondiepten waren.

Er gaan nog veel meer van dit soort verhalen over de St. Elisabethsvloed en de Biesbosch, maar het bovengenoemde boek en artikel, plus meer recentere literatuur over Dordrecht en het eiland en zijn omgeving, heeft die voor het grootste deel ontkracht. Kees Klok heeft die literatuur duidelijk niet paraat gehad en Karlijn Goorts heeft zijn uitspraken niet daaraan geverifiëerd. Bovendien wordt er beweerd dat er drie St. Elisabethsvloeden geweest zijn. Dat is wel zo, maar die van 1404 had vooral Zeeland te pakken en heeft zo goed als geen invloed op de Grote Waard gehad. Dus die telt hier echt niet mee.

Luchtfoto van de doorbraak van de Ringdijk te Wilnis op 26 augustus 2003 (foto www.deltaproof.nl).

De St. Elisabethsvloed van 1424 is daarbij nogal bijzonder, want een nieuwe theorie van Johan Hendriks luidt dat deze niet zozeer door stormvloeden zou zijn ontstaan, maar juist doordat droogte in de zomer van dat jaar de op veen aangelegde dijken heeft ondermijnd. Zoiets als de veendijk bij Wilnis in de zeer warme zomer van 2003, die door uitdroging instabiel was geworden en doorbrak. Een gat in een gewone doorgebroken dijk kun je dichten.  Bij een door droogte verzakte dijk helpt dat niet; die kun je niet meer repareren. In onze tijd zet je er een damwand in en dan moet je maar hopen dat het verval niet doorzet. Die luxe had men in 1424 niet en vandaar dat het Merwedewater bij het gat van Werkendam ruim 150 jaar ongehinderd over de Grote Waard kon stromen en er twee meter klei en zand kon afzetten.

Intussen worden dit soort achterhaalde ‘feiten’ voor zoete koek genuttigd door het lezerspubliek en blijven dergelijke sagen voortwoekeren onder de Dordtenaren. Jammer hoor.

(De kaart bovenaan het blog is een deel van de kaart van Holland die Christiaan sGrooten ergens tussen 1568 en 1573 maakte voor koning Filips II. De afbeelding komt uit Valentine Wikaart, e.a., ‘Nijet dan water ende wolken’ (Tilburg 2009) 110. Het is duidelijk dat niet iedereen zich er met een enorme watervlakte vanaf maakte…) 

In de media…

Sommige van mijn bloglezers zullen wel weten dat de serie over wie de oudste stad van Holland is nogal wat gevolgen heeft gehad.  Anderen hebben waarschijnlijk die, gematigde, ophef gemist. Ik praat ze hier even bij.

In het kader van het rondkijken in de media over dat onderwerp, kwam ik terecht op het blog van mr. Frank Visser, de voormalige Rijdende Rechter. Zoals u weet hebben zowel Dordrecht als Geertruidenberg afgezien van het voor deze rechter brengen van de kwestie, hoewel de vorige burgemeester van Geertruidenberg die uitdaging aan de onze had gedaan. Mr. Frank had inmiddels mijn stukje uit 2014 in mijn ander blog gelezen en dat had hem ervan overtuigd dat Dordrecht, als ze op de uitdaging was ingegaan, had gewonnen en de oudste stad van Holland was geworden.

frank visser
Mr. Frank Visser (foto ANP).

Om beide steden zich niet al te triomfantelijk of zielig te laten voelen, had hij een beetje vergoelijkende uitspraak verzonnen:  

“Dordrecht is de oudste stad van Holland, maar Geertruidenberg is er niet minder mooi om.”

Natuurlijk reageerde ik daarop, maar ik meldde het ook even op mijn Facebook pagina’s en naar een serie vrienden en kennissen in het Dordtse culturele en journalistieke leven. Met name de laatste groep ging erop in. De Dordtse media en het AD besteedden er in hun publicaties en op internet aandacht aan. In Oud Dordrecht, het tijdschrift van de historische vereniging van dezelfde naam, zou Gert van Engelen een vervolg maken op de stukken die hij daarover al had geschreven. Ben Corino, van het programma Studio De Witt van RTV Dordrecht, ging nog wat verder en mailde me of ik het zag zitten om live op de radio in discussie te gaan over het onderwerp. Met de burgemeester van Geertruidenberg. Dat zag ik inderdaad wel zitten. Zaterdagmorgen 6 augustus om half twaalf zat ik dus voor de microfoon. Maar niet tegenover de burgemeester… Die kon niet en had een wethouder afgevaardigd. Echter niet in levende lijve, maar via de telefoon.

henk op de radio
Henk op de radio (foto Leo Stolk)

Ben vroeg ons om in anderhalve minuut uit te leggen waarom onze stad de oudste van Holland was. De wethouder mocht eerst. De man had echter niets te zeggen en verwees naar de stadshistoricus Bas Zijlmans als deskundige, want hij had er zelf geen verstand van. Verder had hij het erover dat de Biesbosch een wereld natuurpark moest worden. Hij had ook geen behoefte om zelf die discussie te gaan voeren, want dat kon hij niet. Ik heb echter de u inmiddels bekende argumenten laten horen. Afijn, u kunt het hier horen. 

Vervolgens werden we gevraagd of we mee wilden doen aan een openbare discussie over dit onderwerp, maar dan op tv. De wethouder kon daar zo niet over beslissen en moest in september eerst met b&w over in gesprek, maar ik heb volmondig ja gezegd.

Toevallig was interviewer/cameraman Fokko van der Straaten van RTV Dordrecht ook aanwezig en die heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om me ook nog eens voor tv te interviewen. Dat kunt u hier zien. 

logo gberg
Het logo van de gemeente Geertruidenberg.

Omdat de radio-uitzending nogal kort was, had ik niet de primeur kunnen lanceren over dat Geertruidenberg ook al voor het verwerven van het ‘stadsrecht’ van 1213 stad was. Niet zo lang ervoor als Dordrecht weliswaar, maar toch wel een jaar of zes. Zoals u hier heeft kunnen lezen. Gek genoeg is daar door niemand verder op ingegaan. Ook niet uit Geertruidenberg en ook niet toen ik het in mijn blog had gezet. Dat vond ik wel een beetje gek.

Een paar dagen later werd op RTV Dordrecht het historisch debat aangekondigd (en de primeur nog eens genoemd: weer geen reactie), met als nieuwtje dat het in het Biesbosch museum in Werkendam gehouden zou worden. Het zal wel oktober-november worden. Zodra er meer bekend is, wordt dat ook hier doorgegeven.

Mr. Frank Visser reageerde een beetje langzamer, maar had eigenlijk wel zin om er nog eens een uitzending aan te weiden. In Dordrecht bleek men echter niet van plan hem in te schakelen (“Bangerikken” noemde Visser hen). Wat Geertruidenberg wilde bleef onduidelijk, die wachten waarschijnlijk het debat af. Maar mr. Frank Visser abonneerde zich op dit blog en ik ben eigenlijk wel benieuwd of hij nu nog meer overtuigd is van de ouderdom van Dordrecht als stad.

Het onderwerp is inmiddels afgerond en ik wacht gewoon verdere ontwikkelingen af. Wat ik hierna ga behandelen weet ik nog niet. U mag ook zelf suggesties doen over Dordtse middeleeuwse onderwerpen, dan kijk ik of daar wat mee te doen is. Het is hier nogal druk en over niet al te lange tijd ga ik op vakantie, dus ik weet niet of dat binnenkort nog gaat gebeuren. Maar ik ga verder met het blog, dat is een ding dat zeker is.

1000 jaar Dordrecht

Even een pijnlijk blogje tussendoor. Hierna komt weer een echt historisch blog dat deze keer over ‘tollen’ gaat.

De gemeente Dordrecht heeft erkend dat er in 2020 wat te vieren valt. Dan is het namelijk 800 jaar geleden dat de stad van de toenmalige graaf Willem I een setje van 15 voorrechten en eisen ontving ter gelegenheid van zijn huwelijk met de Brabantse hertogendochter Maria in juli 1220. Één van de cadeautjes die ze bij haar trouwen kreeg was namelijk de heerschappij over de stad Dordrecht – ze werd dus stadsvrouwe –  en blijkbaar was er behoefte om bepaalde zaken wat aan te scherpen. Dit lijstje van punten staat sindsdien bekend als het oudste stadsrecht van Dordrecht. En omdat zo’n stadsrecht inmiddels een mooi aantal van honderden jaren geleden werd gegeven, wordt het tijd voor een feestje. Zoals dat al eeuwen over heel Nederland gebeurt.

stadsrecht 1220
Het Dordtse stadsrecht van 1220 (GAD-0001-0032).

Meestal bestaat zo’n jubileum uit een mengsel van feestelijkheden dat, al naar gelang het belang dat eraan gehecht wordt en het geld dat men ervoor over heeft, van een week tot een heel jaar kan duren. Daarin kan van alles gebeuren: sportevenementen, klassieke en popconcerten, wijkfeesten, Bruegheliaanse maaltijden voor de hele bevolking, officële herdenkingsbijeenkomsten, een congres of een jubileumboek, maar vooral een historische dag of weekend. Bij die gelegenheid verkleden de inwoners zich als ‘middeleeuwers’, worden er aanbiedingen van stadsrechten opgevoerd, lopen er bedelaars en heksen door de gemeente en klinkt er middeleeuwse muziek en ruik je aan het spit bradende speenvarkens. Traditie dus.

Ik heb 20 jaar lang als historisch adviseur ruim dertig van dergelijke evenementen van informatie, ideeën en mensen voorzien en kan wel zeggen dat ik zo ongeveer weet hoe het er bij dergelijke feesten aantoe gaat. Niet zelden kwamen een paar jaar tot een jaar van tevoren delegaties van de op jubileren staande gemeente bij al volop feestvierende collega-dorpen of steden kijken om te zien hoe zij het deden. Daarop deden zij net zoiets. Als ik op die 20 jaar terugkijk was het eigenlijk altijd meer van hetzelfde. Een enkele zeer pittoreske gemeente had dan het voordeel dat er een mooi decor was waartegen zich alles af kon spelen. Dat kon er soms heel sfeervol uitzien, maar meestal gebeurde het op een plein omgeven door winkels. Tegenwoordig heeft elke jubileumcommissie een website en worden inwoners uitgenodigd om met ideeën te komen. En die zijn dan in wezen ook weer bijzonder traditioneel, want ook die hebben ze van het bezoek aan andere jubilea.

monnickendam 650
Deel van een optocht tijdens de viering van Monnickendam 650 jaar stad in 2005. Fotograaf onbekend.

Dordrecht heeft in 2020 dus inderdaad een reden om iets te vieren. Ik heb daarom al in 2011 aan vertegenwoordigers van het Dordtse culturele leven een plan gepresenteerd waarin ik eens van een andere dan de traditionele visie uitging. In het kort: geen congres of duur boek voor de elite, maar een aantrekkelijk educatief programma voor de gewone Dordtenaren en hun kinderen. Op moderne manier dus, met gebruik van digitale, voor iedereen toegankelijke media. Mijn bedoeling hiermee was de vragen die Dordtenaren zichzelf al generaties stellen over het verleden van hun stad nu eens te beantwoorden, zonder te vervallen in fantastische verhalen, zoals gewoonlijk gebeurde. En om via 3D technieken te laten zien hoe de stad er bijvoorbeeld in de middeleeuwen uitzag. Bovenaan deze blog ziet u een still uit een kort filmpje van wat nu de Oude Haven wordt genoemd, maar dan in ca 1220. Mijn vriend Per Bos en mijn zoon Laurens hebben dat naar mijn werktekeningen vormgegeven en geanimeerd. Toen ik het vertoonde op 12 september 2011 waren de reacties, o.a. van de mensen van het gemeentelijk erfgoedcentrum, bijzonder lovend.

Helaas: omdat het idee ondersneeuwde in allerlei evenementen in de jaren naar 2020 toe (het is nog acht jaar: we hebben nog tijd zat…) ben ik ermee gestopt. Maar gelukkig kwam eind 2014 de vraag uit de Dordtse Academie of een aantal archeologen en historici ervoor voelden te brainstormen over een Biografie van Dordrecht ter gelegenheid van het jubileum van 2020. Daar voelden we wel wat voor en ik stelde een vragen- en activiteitenlijst op, gebaseerd op de plannen die ik al in 2011 had gelanceerd. Inmiddels had ik me ook verdiept in stadsrechten en die van de Hollandse steden in het bijzonder. Er bleek veel meer te vertellen te zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er moest dus nog het nodige aan onderzoek gedaan worden. De Academie had echter niet al te veel geld en het plan werd op de lange baan geschoven. Ik stopte ook direct met mijn onderzoek naar graaf Willem I, een bijzonder kleurrijk figuur, en de redenen waarom hij die stadsrechten aan Dordrecht, maar ook aan Geertruidenberg en Middelburg (en misschien Zierikzee) toekende.

Er bestaat bij ons zoiets als Dordrecht Marketing, een samengaan van VVV en het Evenementenbureau en overgoten met een saus van new speak, zoals die in de mode is bij dit soort takken van cultureel management. Ik citeer:

“Marketing, en in het bijzonder citymarketing, is een breed begrip en een veelomvattende activiteit. Gestoeld op missie en visie en ter realisatie van een aantal overkoepelende doelstellingen wordt door Dordrecht Marketing een keur aan activiteiten ontwikkeld om Dordrecht uit te laten groeien tot een sterk merk, met toegevoegde waarde voor uiteenlopende doelgroepen.”

Afijn, u begrijpt het wel en desnoods leest u de website er maar op na.

koning ondertekent
Tijdens Koningsdag 2015 ondertekent de koning in het Hof een verdrag over verdraagzaamheid.

Het is ook de club die de onzin-naam voor het nieuwe historisch museum van Dordrecht heeft verzonnen en die daar verantwoordelijk is voor een sterk staaltje geschiedvervalsing, met als dieptepunt het ondertekenen door de koning van een zogenaamd hierop gebaseerd vrijheid-van-meningsuiting-verdrag.

Dordrecht Marketing heeft niet zoveel met 1220-2020 – 800 jaar stadsrecht  Dordrecht. Niet aansprekend genoeg. Het moet 1000 jaar Dordrecht worden in 2020. Waarom? Geen idee. Volgens de Annalen van Egmond, u inmiddels wel bekend, gebeurde er in 1020 niks dat het vermelden waar was. We hadden in 1018 net de overwinning van Dirk III op het keizerlijke leger gehad (in Vlaardingen gaat men dat uitgebreid vieren) en men vond het waarschijnlijk wel goed zo. De ontginningen waren in volle gang en rond die tijd moeten ze de Thuredrecht wel genaderd zijn. De archeologen hebben in ieder geval al resten uit die tijd gevonden en ook bewijs dat er toen toch al minstens 20 jaar, zo niet langer, gewoond werd. Dus waarom dan 1000 jaar Dordrecht? Het bekt lekkerder, was vorige week één van de antwoorden die ik kreeg toen ik er naar vroeg.

Dat deed voor mij de emmer overlopen. Ik heb daarom mijn onderzoek voor de gemeente definitief beëindigd. Ik ga echter wel door met dit blog, want het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan. En zoals Dordrecht Marketing in zijn powerpoint  over het zogenaamde Merkkader zegt:

“Dordtenaren zijn ondernemend van geest, soms eigenzinnig en koppig, met de wil om tegen stromingen in toch vooruit te komen en ze doen dat zonder opsmuk of bla-bla. Ze zijn namelijk op een nuchtere manier vindingrijk.”

Ik kan me daar heel goed in vinden en ga dus gewoon op de ingeslagen weg voort.

 

Dirrekie (1)

Een blog over een stukje veel recentere geschiedenis, maar toch relevant, want het gaat over de graaf die hier in 1049 sneuvelde. Dit is het eerste van een serietje van twee.

Op de voor Dordrecht karakteristieke manier – van buitenaf – is de stad verrijkt met een standbeeld van de in 1049 apud Thuredrech gesneuvelde Dirk IV. Het beeld staat al weer  33 jaar aan het oostelijk eind van de Varkenmarkt, met zijn rug naar de parkeerplaats die de plaats heeft ingenomen van de niet meer als zodanig in gebruik zijnde Grote Markt. Geen echt sfeervolle locatie, maar hij heeft in ieder geval uitzicht op een aardig rijtje panden. Door de Dordtenaren die hem weten te vinden wordt hij, bijna liefkozend, Dirrekie genoemd. Zijn komst was echter niet onomstreden.

varkenmarkt
Varkenmarkt, Dordrecht, schuin tegenover Dirk IV (Google Maps)

Het beeld is een cadeautje van de bank Mees & Hope (in 1991 opgegaan in ABN AMRO) die zich ook in Dordrecht zou gaan vestigen.  De bank had al op eigen houtje contact opgenomen met de stadsarchivaris Dr. Th.E. Jensma en de mediëvist Prof. Dr. H.P.H. Jansen en men was gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat een beeltenis van de graaf die bij de stad was overleden een goede keus zou zijn. Hij zou “een belangrijke aanzet hebben gegeven tot het ontstaan van de stad Dordrecht”. Hoe men dat zag is niet langer bekend, maar de lezers van deze blog weten inmiddels dat graaf Dirk hier niet echt een stad heeft gesticht en dat het sneuvelen bij Thuredrecht ook geen echt dwingende voorwaarde voor zoiets is.

ontwerp standbeeld Dirk IV
Ontwerp in was voor het standbeeld van Dirk IV door Jan Haas (augustus 1979).

De bank ging voortvarend te werk: men had al vast een beeldhouwer, Jan Haas uit Vlissingen, opdracht gegeven een ontwerp te maken. Foto’s van dat ontwerp en een korte omschrijving van het belang van graaf Dirk door professor Jansen gingen eind augustus 1979 naar burgemeester en wethouders. Of de gemeente het geschenk wilde aanvaarden. De bank suggereerde ook alvast een locatie: het Statenplein. Ze vroeg b&w om voor eind augustus te reageren, om de beeldhouwer gelegenheid te geven het beeld op tijd te kunnen onthullen. Dat zou namelijk eind oktober moeten gebeuren.

Helaas maalden ambtelijke molens toen ook al langzaam en duurde het tot 19 oktober 1979 (!) voor b&w officieel het cadeau accepteerden. Jan Haas herinnert zich nog dat het daarna “nogal een haastwerk” was. Lokale kranten pikten de volgende dag het nieuws op en meldden dat het beeld op de Roobrug, tussen de vier havens, zou komen te staan. Uit het Vrije Volk van diezelfde dag blijkt dat de Commissie Stedelijk Leefmilieu al op 4 oktober een andere locatie had geadviseerd: de Varkenmarkt of de Houttuinen. De Roobrug leek hen ongeschikt, maar ze waren te laat geweest want het voetstuk was al gestort. De Commissie was, begrijpelijk, niet blij met het  “terzijde schuiven” van hun advies.

onthulling standbeeld Dirk IV
Onthulling van het standbeeld van Dirk IV in het Hof door (links) minister G. van Aardenne en loco-burgemeester P. Janse op 29.10.1979 (De Dordtenaar)

Op 29 oktober werd het bijna nog warme, bronzen beeld dan ook in het Hof onthuld door de toenmalige minister van economische zaken, de Dordtenaar Gijs van Aardenne, in het bijzijn van loco-burgemeester Piet Janse.

Het stond nog geen dag op de Roobrug, gewoon op het trottoir tussen de voorbijgangers, of er werd een blik rode menie over uitgestort. Een dag later volgde een pot witte verf en er werd met diezelfde verf een hakenkruis op de helm geschilderd. Dirk stond op een  drukke plaats, op de route tussen enkele uitgaansgelegenheden (clubs en disco’s). De volgende weken en maanden zou het regelmatig raak zijn met het besmeuren van het kunstwerk. De gemeentewerklui vroegen zich elke maandag af wat ze nu weer van het beeld zouden moeten schrobben.

helm met hakenkruis
Hakenkruis op de helm en een pot witte verf over het standbeeld (De Dordtenaar 2.11.1979)

Intussen was de adviescommissie in de pen geklommen en had een protestbrief aan b&w en de Culturele Raad gestuurd over de wijze waarop de plaatsing van het standbeeld was gegaan. Als voor die taak opgericht gemeentelijk adviesorgaan, met architecten en kunstenaars als Andries Lugten, Henk Dicke en Henri van Nes als deskundigen in de gelederen, hadden ze verwacht eerder ingeschakeld te worden.  Ook de Culturele Raad was op 15 november “ernstig teleurgesteld” en vroeg zich af of b&w vond dat dit een correcte procedure was.  De gemeente verdedigde zich door te zeggen dat tijdgebrek de oorzaak van het niet of te laat inschakelen van de commissie was en dat men “voornemens [was zich] voortaan wel door de commissie te laten adviseren”. Dit bericht kwam trouwens pas 4 januari 1980 bij de Culturele Raad aan…

handen af van Dirk IV
Artikeltje in Dichter bij Dordt van 15.11.1979.

De buurt begon ook te klagen. De bewoners van de aanpalende havens, verenigd in de buurtvereniging ‘Stockholm-Bordeaux’ (genoemd naar twee tegenover elkaar aan de Wolwevershaven-Kuipershaven staande pakhuizen) vonden het besmeurde beeld “een aanfluiting”. In een brief aan b&w van eind september 1981 schreven ze dat het in die toestand veel door (buitenlandse) toeristen werd gefotografeerd. Dat leek hen niet echt een  reclame voor de stad. De voorzitter stelde voor het maar binnen te zetten, in het Stadskantoor bijvoorbeeld, om te voorkomen dat de “jeugdige nachtclubbezoekers” het “Dordrechts Lieverdje” bleven aanvallen. Daarnaast hadden diverse Dordtse kunstenaars al laten weten dat ze het beeld maar niks vonden. Via een kennis in Dordrecht waren die protesten trouwens ook bij de beeldhouwer terecht gekomen. Maar die werd pas ingeschakeld  toen men het schild van het beeld zaagde en liet verdwijnen.

beproevingen van Dirk IV
Artikel in Dichter bij Dordt nadat het schild van het beeld was afgezaagd (20.2.1981)

Intussen werd in november 1981 al vergaderd over het verplaatsen van het beeld en de bank verklaarde zich bereid de kosten daarvoor gedeeltelijk te betalen. De rest zou moeten komen uit het budget van Openbare Werken. De restauratie zou ook door de bank betaald worden. Het standbeeld werd van zijn plaats gehaald en Jan Haas maakte het schoon, bevestigde er een nieuw schild tegenaan en patineerde het beeld opnieuw.  De bewonersvereniging kreeg eind november bericht dat Dirk naar de Varkenmarkt zou gaan verhuizen. Maar zover was het nog lang niet. Het verdween na de schoonmaakbeurt en restauratie een hele tijd uit het zicht. Tot de directeur van Openbare Werken in augustus 1983 een briefje aan de secretarie schreef over wat hij met dat standbeeld, dat al een paar jaar op een opslagterrein lag, moest. Hij werd een paar weken van het kastje naar de muur gestuurd, tot er een beslissing van b&w kwam. Op korte termijn zou graaf Dirk herplaatst worden op zijn nieuwe locatie. De kranten meldden dat het op 25 september 1983 zover was.

Dirk Iv op locatie
Dirk IV op zijn nieuwe plek aan de Varkenmarkt, foto van ca september 1983. Het muurtje achter het standbeeld is inmiddels verdwenen (zie de banner bovenaan de blog).

Sinds die tijd heeft Dirrekie aan de rand van de Grote Markt gestaan. In het begin kreeg hij nog wel eens een gekleurde helm of baard en op zijn schild verschenen nog een tijdje allerlei symbolen, o.a. het anarchistenteken. Inmiddels is hij echter ingeburgerd en kan iedereen die hem tegen het lijf loopt (en dat valt niet mee, want de locatie is niet echt een toeristentrekker) lezen dat Dirk IV, graaf van Holland, vermoord is bij Dordrecht in 1049. Het is alleen jammer dat de beeldhouwer oorspronkelijk op de plaquette stond gebeiteld als Jan Maas en dat die M een beetje knullig is bijgewerkt tot een H.

Detail van de plaquette met de aanvankelijk fout gegraveerde achternaam van de beeldhouwer (eigen foto).
Detail van de plaquette met de aanvankelijk fout gegraveerde achternaam van de beeldhouwer (eigen foto).

 

 

 

 

 

 

(Wordt vervolgd)