Waarom geschiedenis? 2

In het vorige blog, waar dit een onvoorzien vervolg van is, heb ik het over de gevaren van het misbruik van de geschiedenis gehad. Ik heb al eerder geschreven over het manipuleren ervan voor ideële , meestal politieke, doeleinden. Of voor naamsbekendheid, zoals in Dordrecht. Overigens stond er vorig weekend een stukje over een bezoek aan mijn stad in de Trouw waarin verbaasd werd geconstateerd dat het op een zonnige dag tijdens de vakante zo stil was in het oude centrum. Zelf heb ik de indruk dat we elk jaar meer toeristen zien en de terrassen bij mooi weer steeds vol zitten. Ook komen er elk jaar nieuwe horeca gelegenheden bij, zodat je je afvraagt of die zaakjes en zaken buiten de vakanties om wel voldoende bezoek krijgen om te overleven. Ik heb ook geen idee of het museum in het Hof goed loopt; ik kom er tegenwoordig nog zelden in de buurt. De journalist van Trouw kwam er in ieder geval vandaan met een volkomen verkeerd, en door mij al voorspeld, idee van de geschiedenis van Dordrecht. Hij schreef letterlijk:

Op 23 juli 1572 werd hier een soort onafhankelijkheidsverklaring getekend.

Om daarna (bewust?) Herman Pleij te citeren die zei dat in de VS of Frankrijk

…iedereen zo’n datum zou kunnen opdreunen en de historische locatie zou worden platgelopen.

Waarna hij het aan ons gebrek aan nationalisme weet dat wij dat niet doen. Om te vervolgen met dat het jammer was want

… de idealen die toen werden vastgelegd zijn alles behalve eng en bovendien heel actueel. “In dit gebouw werd de basis gelegd voor een onafhankelijk land waar je vrij bent om te denken wat je denkt, te geloven wat je gelooft en te zijn wie je bent” staat op het toegangskaartje van het klooster…

Hij is er dus ingestonken, want niets van het bovenstaande is waar. Afijn, als u niet weet waarom het niet waar is kunt u het vanaf hier nog eens nalezen. Zo verspreidt de boodschap zich dus over het land. Het is niet te hopen, en daar lijkt het ook niet echt op, dat dit idee nu duizenden (Nederlandse) toeristen naar Dordrecht trekt om te offeren op de altaren van de zogenaamde vrijheid. De ontwikkeling blijft niet minder zorgelijk.

Intussen lopen de kwesties van de controversiële standbeelden en nu ook de straatnamen  van ‘foute’ Nederlanders, zoals de 17e eeuwse admiraal Witte de With (zie boven een foto van de uitgaansstraat van die naam in Rotterdam). Historicus Sander van Walsum weidde in de Volkskrant een column aan met name dat laatste fenomeen. Protesten, aangezwengeld door de usual suspects, tegen (straat)naambordjes en beelden van zeehelden die op één of andere manier met de slavenhandel te maken hebben gehad lopen inmiddels de spuigaten uit.

Van Walsum verwoordt kernachtig wat hier aan de hand is:

… wie zich onder verwijzing naar het Nederlands verleden gekwetst zegt te voelen, vindt gehoor. Want anders dan vaak wordt gesuggereerd, vormt de nationale geschiedenis voor meer mensen een bron van gêne dan van trots. Of het nu – van achteren naar voren – gaat om de dekolonisatie van Indonesië, de Tweede Wereldoorlog, de ‘ethische politiek’ van het Indisch gouvernement, het Cultuurstelsel, de Gouden Eeuw – die steeds vaker tussen aanhalingstekens wordt geplaatst: de teneur van de historiografie is zelfkritisch. Dat is geen modegril van de laatste jaren, dat is al decennia het geval.

En dat klopt. Tijdens de colleges historiografie van de geschiedenis kregen we daar voorbeelden van te horen en te zien/lezen. Wat het recente verleden betreft, de Oorlog dus, hebben we eerst de heldenverering van de verzetsstrijders gehad, toen de volkomen  afbraak en ontmaskering van die zogenaamde ‘goede’ Nederlanders en pas de laatste tijd ontstaat er wat nuance. Verder terug gelegen historie is ook allemaal door die fases gegaan. We hadden eigenlijk mogen hopen dat de nuance over het verleden is blijven hangen, maar dat is helaas niet het geval. Sterker nog: hoe verder terug in de tijd hoe meer zwart-wit denken over goed en kwaad, beschaafd en barbaars, vroom en bijgelovig er over is gebleven. Tenminste: bij de bevolking, die in de gemanipuleerde geschiedenisboekjes dit beeld op zijn bord kreeg, zoals ik het vorige blog heb uitgelegd.

Historici zien die nuances wel degelijk, maar doen er eigenlijk veel te weinig aan om die aan scholieren over te brengen. Dat en het terugbrengen van geschiedenisonderwijs tot zo goed als niks en dan nog verouderd en clchématig ook zal in de toekomst geen helderder licht op ons verleden  doen schijnen. Natuurlijk blijven er altijd mensen die gewoon willen weten hoe het vroeger was en waarom de mensen toen deden wat ze deden. Dat worden (amateur)historici.  Er is, en dat weet ik zeker, genoeg belangstelling onder de Nederlanders voor hun eigen geschiedenis. Er wordt ook genoeg min of meer populaire literatuur uitgebracht over ons verleden, maar of dat voldoende zoden aan de dijk zet is de vraag.

Ik denk dat geschiedenis geen vrijblijvende vrijetijdsbesteding meer is of een beroep waarbij je zoveel mogelijk moet publiceren om gewaardeerd te worden en blijven. Historici moeten de  moderne communicatiemiddelen aangrijpen om hun kennis te verspreiden, want scholen doen het binnenkort niet meer. We moeten eigenlijk de straat op en ons losmaken van universiteiten die inhalige leerfabrieken dreigen te worden, van musea die toeristentrekkers zijn geworden en van erfgoedlocaties die de kinderen een spannend  dagje moeten bezorgen om te kunnen overleven. Ik vind het tijd worden dat we gaan uitleggen ‘hoe het eigenlijk geweest’ is. En dat we alle sprookjes, legenden en sagen moeten gaan ontkrachten om te laten zien hoe onze voorouders waren en wat ze deden en waarom.

Ik zie in programma’s als Verborgen Verleden hoe de ‘slachtoffers’ omgaan met hun eigen opa’s en oma’s en wat voor conclusies ze trekken uit wat ze horen. Dat vind ik soms zelfs al zorgwekkend. Aan de ene kant zijn ze dikwijls trots op een voorouder die zich door hard werken, creativiteit en doorzettingsvermogen aan zijn of haar droevig lot heeft onttrokken, maar aan de andere kant is er zo weinig bewustzijn over de leefsituatie van die mensen dat ze echt geschokt zijn over wat ze in de bronnen tegenkomen. Begrip over het leven in vroeger tijd is volkomen afwezig en zeker de kennis over hoe het zo gekomen is. Ook begrijpt men niet hoe mensen in de tijd zelf tegen hun eigen situatie aankeken. Men reageert met de kennis en ervaring van nu en beoordeelt geschiedenis ook daarnaar. Plaats voor de nuance lijkt er niet te zijn. Kortom presentisme

De gemeenteraden die in het verleden beslisten over welke ‘held’ een standbeeld kreeg of waar een straat naar werd genoemd, bestonden uit kinderen van hun tijd. De Staatslieden- en Zeeheldenbuurten, laat staan de Indische en Zuidafrikaanse buurten werden in de late 19e en vroeg 20e eeuw gebouwd en genoemd naar wat men toen  als voorbeelden van patriottisme beschouwde. Die mensen wisten dikwijls ook niet beter. Het is al erg genoeg dat er in die tijd historici waren die dat wel wisten maar niks zeiden. Moeten daarom die standbeelden weg en de straten andere namen krijgen? Nee. Het zijn voorbeelden uit een andere tijd, uit onze eigen geschiedenis, en ze zeggen iets over hoe het ‘toen’ was. Dat is historie. We hebben nu de mogelijkheden en kennis om er een betere uitleg van te geven. Laten we dat dan ook doen, en onze oren niet laten hangen naar mensen die geen historisch besef hebben (kunnen ze ook niet helpen; hebben ze nooit geleerd) en die maar wat roepen omdat ze zogenaamd gekwetst zijn.

Van Walsum eindigt zijn column met:

Geschiedenis moet niet worden misbruikt voor morele chantage. Laten we niet doen alsof we ons diep schamen voor de daden van in vergetelheid geraakte vlootvoogden.

En daar kan ik het alleen maar hartgrondig mee eens zijn.

Waarom geschiedenis? 1

Ik zit al 20 jaar, als één van de twee Nederlanders, op een e-mail-forum voor mediëvisten, dus ver voor ik zelf een echte historicus werd. Het is een internationaal forum en je komt er mensen op tegen uit de hele wereld, van New Zeeland tot Noorwegen, van de USA tot Zuid-Afrika en van eenvoudige amateurs tot university professors. Soms hebben we dagenlang durende discussies over Amerikaans geschiedenisonderwijs, dan weer over Robin Hood in de film of een portret van Eleanor van Aquitanië dat haar niet bleek te zijn. We stellen de lijst ook vragen over literatuur, waar bepaalde boeken te vinden zijn (als Google ze niet heeft gescand) of wat een bepaalde oud-franse zin betekent. Er worden congressen aangekondigd en papers gevraagd, boeken en artikelen besproken en films bekritiseerd.

Met de komst en bredere verspreiding van het internet zag het er even naar uit dat de list leeg zou lopen, maar we zijn er nog steeds. We zitten ook op Facebook en diverse leden hebben eigen blogs of websites. En nog steeds hebben we diepgaande discussies over het vak en het onderwijs erin, waar ik, gelukkig, sinds 2009 regelmatig ook als echte collega mijn steentje aan bijdraag. We hebben het nog niet over de standbeeldenkwestie gehad, maar wel over het gebruik van geschiedenis (en dan natuurlijk voornamelijk de middeleeuwse) voor dubieuze doeleinden, zoals hier in Dordrecht door de gemeente gebeurt. Ik heb het daar niet zo erg over, want dan moet ik veel te veel vertalen en daar heb ik geen tijd voor, maar het onderwerp komt aan bod.

Afgelopen week, 31. 8.2017, kwam Kurt Sherry, een docent geschiedenis op een Amerikaans college, met de vraag of de list hem kon helpen aan begrijpelijke literatuur voor highschool kids die nu, eigenlijk voor het eerst, iets over Europese middeleeuwse geschiedenis zouden gaan horen. Maak niet de vergissing dat in de USA de middeleeuwen niet leven; dat doen ze wel. Maar wel dikwijls, net als hier, in een nogal verwrongen, door Hollywood geïnspireerde  versie. Scholen en universiteiten zijn, net als hier, door bezuinigingen hun docentenbestanden en faculteiten aan het inkrimpen en de geesteswetenschappen zijn daar, net als hier, de eerste slachtoffers van. Kurt kreeg veel hulp en tips, maar er werd ook doorgedacht over wat de leerlingen nou eigenlijk moesten weten en hoe die stof het beste aan hen aangeboden kon worden. Skip Knox, een andere Amerikaan en professor in Boisie, Idaho, zag het wat somber in en poneerde dat je nou eenmaal kinderen hebt die goed of slecht zijn in maths, net zoals kinderen die aanleg hebben voor geschiedenis of niet. Maths wordt bovendien moeilijk gevonden, terwijl het denkbeeld bestaat dat geschiedenis een eitje is. Maar dat gewoon niet iedereen het leuk of interessant vindt. Jammer dan…

Hij kreeg direct weerwoord van Karen Schousboe, een voormalige assistent professor aan de Deense universiteit van Aarhus. Zij kon niet begrijpen dat Amerikaanse kids zo weinig over hun eigen geschiedenis weten en dus niet door hebben wat er in Charlottesville met het beeld van general Lee aan de hand was. Dat had niet veel met de middeleeuwen te maken, maar het is de trend in de USA om, net als bij ons, steeds minder eisen aan de kennis van het eigen verleden te stellen, zodat kinderen opgroeien tot volwassenen die geen idee meer hebben waarom ze, bijvoorbeeld, in een democratie leven en wat dat inhoudt. Waarom ze moeten stemmen en wat hun rol in de maatschappij is, behalve die van consument en gebruiker van infrastructuur. Zij gaf voorbeelden uit het Deense aanbod van lessen zoals die aan de scholen en universiteiten worden onderwezen en dat loog er niet om. Daar kunnen ook wij nog een puntje aan zuigen. Niks leuk of niet leuk: iedereen moet gewoon de geschiedenis van zijn land, zijn continent en zijn wereld kennen. Want anders…

Deze mail werd een uur of vier later gevolgd door een reactie van emeritus professor Bernie Bachrach (1939), de bekende Amerikaanse historicus van de Karolingische oorlogsvoering, het Jodendom in de middeleeuwen en het adellijke huis van Anjou. Hij benadrukte het gevaar van de moderne geschiedenis bestudering als politiek en sociaal smeermiddel. Ik wil mijn bloglezers deze zeer interessante mail niet onthouden en heb hem dus vertaald. Hij sluit aan bij mijn beschuldigingen aan het adres van de Dordtse cultuurbobo’s, maar legt nog duidelijker dan ik uit wat het gevaar daarvan is en wat er in het verleden met deze manier van geschiedenis bedrijven is gebeurd.

Sommige mensen bestuderen het verleden om de vraag te kunnen beantwoorden: hoe zijn we hier terecht gekomen? En ‘hier’ is dan de locatie in het heden die hen interesseert. Dit veroorzaakt een proces waarbij we feiten gaan selecteren over dingen die gebeurd zijn waarvan we geloven dat die ervoor hebben gezorgd dat we ons juist op deze plek bevinden. Tijdens dat proces worden feiten verzwegen waarvan we vinden dat die niet hebben bijgedragen aan het vorm geven van ons hier en nu. Anders gezegd: informatie uit het verleden wordt uit zijn context gehaald om onze moderne vragen te beantwoorden.

Methodologisch is deze benadering al lang geleden losgelaten en van het label ‘nuïsme’ (presentism) voorzien. Door deze benadering worden we namelijk niet geholpen het verleden op zijn eigen voorwaarden te begrijpen, maar vervormen we het tot een bron van selectieve informatie om hedendaagse politieke of sociale doelen te bereiken. Pogingen om het verleden te gebruiken voor politieke denkbeelden waren de basis van geschiedschrijving zowel in Nazi Duitsland als in de communistische Sovjet Unie. Dit principe wordt trouwens nog steeds toegepast door populisten die een bruikbaar verleden zoeken om hun doeleinden te ondersteunen.

Historici zouden van zulk gebruik van het verleden rigoreus afstand moeten nemen, net zoals we het werk van de Nazi-historici hebben verworpen die ‘historische’ rechtvaardigingen schreven voor Hitlers politiek ten opzichte van de Slaven en de Joden. Het is ons werk om het verleden op zijn eigen voorwaarden te leren begrijpen, zodat we toegang krijgen tot het denken van mensen die we anders niet zouden leren kennen. Juist dat verbreedt ons begrip over wat het betekent mens te zijn.

We zien allemaal om ons heen hoe politici de Nederlandse geschiedenis manipuleren om een punt te scoren of hun aanhang te vergroten en dan heb ik het niet alleen over de populisten. Of hoe gemeenten, en niet alleen Dordrecht, hun eigen geschiedenis misbruiken om toeristen te trekken. Het is een gevaarlijke weg, zeker omdat het ‘gewone volk’ steeds minder bagage krijgt om tegengas te bieden (als het die al had…) en bepaald niet wordt klaargestoomd om te leren denken over hoe ze gemanipuleerd (dreigen te) worden. Het is een verontrustend idee dat plannen voor het onderwijs in het vak geschiedenis alleen maar minder inhoud en steeds meer vervlakking van die inhoud laten zien, tot er in 2032, zoals gepland, niets meer van geschiedenisonderwijs over is.

Denk er maar eens over na.

Wordt vervolgd

Hoe oud is Dordrecht nou eigenlijk?

Ik heb hier geschreven over Dordrecht Marketing, dat niets ziet in 800 stadsrecht maar in 2020 een lekkerder bekkend festival wil, dat ze 1000 jaar Dordrecht gaan noemen. Ik heb ook aangeduid dat er hier in 1020 niks noemenswaardigs gebeurde. Dat is te zeggen: niet iets dat in de weinige bronnen uit die periode is opgetekend. In de Annalen van Egmond staat op de bewuste pagina 149v alleen maar: Annus M XVIIII. Annus M XX. (jaar 1019, jaar 1020), met niks erachter. In het jaar 1021 stierf aartsbisschop Heribert van Keulen en in 1022 gebeurde er weer niets. Pas in 1023 is er weer iets het vermelden waard: een zonsverduistering en de wijding van de nieuwe St Maartenskerk, de dom dus, in Utrecht. Etcetera…

utrecht 1040
Gezicht op Utrecht ca 1040. Reconstructie in 3D van de mannen van Bouwdomtoren. Links de toen nog nieuwe St Maartenskerk oftwel de Dom (https://www.facebook.com/Bouwdomtoren/photos)

Maar is Dordrecht dan wel 1000 jaar oud? Jawel. En nog wel ouder ook. Het schijnt dat onze stadsarcheologen recent aanwijzingen hebben gevonden dat we nog verder terug kunnen. Ze zullen daar binnenkort wel mee naar buiten komen. Nou is die vroege bewoning in dit gebied niet ongewoon. Al lang is bekend dat in de Alblasserwaard, de Zwijndrechtse Waard en de Sliedrechtse Biesbosch ten zuiden van de Merwede al in de Romeinse tijd werd gewoond. Na het midden van de derde eeuw moet deze streek echter verlaten zijn, waarschijnlijk vanwege te veel wateroverlast. Ook de toenemende onveiligheid door de invallen van Germaanse stammen in het Romeinse Rijk kan een oorzaak geweest zijn voor het wegtrekken van de oorspronkelijke bevolking. Tot aan de zevende eeuw is daar nauwelijks verandering ingekomen. Alleen op de geestgronden achter de duinen en in het rivierengebied van de Betuwe lijken nederzettingen te hebben overleefd. Inmiddels zijn er de laatste tijd meer bewoningssporen gevonden in onze streken, die zich vanuit het oosten naar het westen verspreiden. Gorinchem en Woudrichem en meer plaatsen in die omgeving behoren tot de vroegste nederzettingsnamen in de streek grenzend aan ons gebied. Archeologische opgravingen hebben voor de Karolingische periode (ca 750- ca 900) niet alleen bewoning aangetroffen in het geestgebied, of er net buiten (Koudekerk, Rijnsburg) maar ook ten zuiden van de Maasmond (Geervliet, Poortugaal, Spijkenisse) en ten noorden ervan langs de Gantel (Wateringen, Delft). Verder zijn Karolingische vondsten gedaan langs de Alblas in de Alblasserwaard en langs de Dubbel en de Waal (Heerjansdam) in de Zwijndrechtse Waard. Ook langs de Dubbel in de Dordtse Waard (Wolbrandskerke) moet in de negende eeuw al zijn gewoond.

archeologie 850 1000
Kaart met de vindplaatsen van Karolingische stukken in zuidelijk Zuid/Holland (850-1000)

Wat betreft de periode van de vroegste ontginningen: ten noorden van Heerjansdam is een kerkhof uit de (vroege?) elfde eeuw opgegraven, dat hoorde bij het uit overlevering bekende Serheienkerk of Heinkerk. Men neemt aan dat dit de hoofdkerk van de Zwijndrechtse Waard is geweest. Dat deze waard al in 1028 zo genoemd wordt, houdt in dat het voor die tijd al nodig was om het ontgonnen gebied te omdijken, want anders kun je het geen waard noemen. Er is ook een bron die wijst op een eerdere schenking van dit gebied, dat van de bisschop van Utrecht was,  dan die uit 1028. Beide waren gericht aan het in 1010 gestichtte klooster Hohorst bij Leusden (UT). Het gebied is dus al zeer vroeg ontgonnen, snel na 1005 toen Dirk III zich in Vlaardingen vestigde, nadat hier op de oeverwallen van de beide riviertjes in de waard, de Waal en de Dubbel, al eeuwen was gewoond.

De Dubbel en zijn beide oostelijke zijriviertjes, de pas van veel later bekende Vaart en de Thuredrecht (die misschien één riviertje waren), vormde de zuidgrens van de Zwijndrechtse Waard.  In het uiterste zuidoosten van de waard kan dan waarschijnlijk ook al gewoond zijn op de daar aanwezige oeverwallen. Het was de perfecte plaats om een soort wachtpost te plaatsen die de boel over de Thuredrecht in de gaten hield.  Ik heb al meer betoogd dat de graaf daar best een versterking kan hebben gehad. Het is een feit dat hij in de dertiende eeuw aan die kant van het water, de Thuredrecht dus, een eigen stuk van de nederzetting bezat, waar op den duur een grote stenen zaal voor hem gebouwd werd. Die staat nu nog bekend als het huis Henegouwen.

huis henegouwen
Het huis Henegouwen zoals het er ca. 1905 uitzag (foto Regionaal archief Dordrecht).

Omdat er een stad op staat en omdat in de beide straten langs de Thuredrecht niet gegraven mag worden, zullen we waarschijnlijk nooit weten of er hier in de negende eeuw al mensen woonden. Het is in ieder geval, gezien de bewoning in de naaste omgeving, niet onmogelijk. Dus hoe bedoelt u: 1000 jaar Dordrecht? In ieder geval weten we dat het vroeger dan 1020 moet zijn en misschien was de nederzetting langs het  riviertje nog veel ouder.

Voor de volledigheid moet ik hierna nog melden dat uit de bronnen niet blijkt dat er hier ooit een rivier heeft gestroomd die Thure heette. Die naam is ontstaan in het brein van mensen die ervan uitgingen dat de naam Thuredrecht betekende dat er een doorwaadbare plaats  in een Thure genoemde rivier was. Ward van Osta heeft dat idee in een zorgvuldige etymologische studie uit 1996 voorgoed ontkracht. Een ‘drecht’ is een waterloop waar schepen doorheen of langs getrokken moeten worden en ‘thure’, ‘thur’, ‘dur’, is gewoon het oude woord voor ‘door’. De Thuredrecht was dus gewoon de ‘Doortrek’ of ‘Doortocht’ en de eraan gebouwde nederzetting werd op den duur ook zo genoemd. Net zoals dat bij plaatsen als Vlaardingen gebeurde, dat naar de Vlaarding, een water, was genoemd en net als bij (Oud) Alblas, dat naar het gelijknamige water werd vernoemd. In ons gebied was dat klaarblijkelijk een normaal gebruik.

U zult begrijpen dat die nederzetting aan de Thuredrecht in het jaar 1000 nog lang geen stad was. We gingen in 2020 ook niet vieren dat Dordrecht 800 jaar stad was, maar dat er in 1220 een serie rechten en plichten werd gegeven die men al heel lang ‘stadsrecht’ noemt. Dordrecht verkeert in de uitzonderlijke positie dat de oorkonde waarin die staan nog, gedeeltelijk, bewaard is gebleven. De andere nog in het origineel bestaande stadsrechten in Holland en Zeeland dateren alle van ongeveer het midden van de dertiende eeuw en later. U begrijpt uit het feit dat ik stadsrecht tussen aanhalingstekens zet dat hier meer aan de hand is dan het op het eerste gezicht lijkt. En dat klopt. Ik ga in de volgende reeks blogs in op het fenomeen stad en de daarbij horende rechten (en plichten). Als u op de hoogte gehouden wilt worden van de verschijning ervan, denk er dan eens over om abonnee te worden. Zie de rechterkolom bovenaan.

1000 jaar Dordrecht

Even een pijnlijk blogje tussendoor. Hierna komt weer een echt historisch blog dat deze keer over ‘tollen’ gaat.

De gemeente Dordrecht heeft erkend dat er in 2020 wat te vieren valt. Dan is het namelijk 800 jaar geleden dat de stad van de toenmalige graaf Willem I een setje van 15 voorrechten en eisen ontving ter gelegenheid van zijn huwelijk met de Brabantse hertogendochter Maria in juli 1220. Één van de cadeautjes die ze bij haar trouwen kreeg was namelijk de heerschappij over de stad Dordrecht – ze werd dus stadsvrouwe –  en blijkbaar was er behoefte om bepaalde zaken wat aan te scherpen. Dit lijstje van punten staat sindsdien bekend als het oudste stadsrecht van Dordrecht. En omdat zo’n stadsrecht inmiddels een mooi aantal van honderden jaren geleden werd gegeven, wordt het tijd voor een feestje. Zoals dat al eeuwen over heel Nederland gebeurt.

stadsrecht 1220
Het Dordtse stadsrecht van 1220 (GAD-0001-0032).

Meestal bestaat zo’n jubileum uit een mengsel van feestelijkheden dat, al naar gelang het belang dat eraan gehecht wordt en het geld dat men ervoor over heeft, van een week tot een heel jaar kan duren. Daarin kan van alles gebeuren: sportevenementen, klassieke en popconcerten, wijkfeesten, Bruegheliaanse maaltijden voor de hele bevolking, officële herdenkingsbijeenkomsten, een congres of een jubileumboek, maar vooral een historische dag of weekend. Bij die gelegenheid verkleden de inwoners zich als ‘middeleeuwers’, worden er aanbiedingen van stadsrechten opgevoerd, lopen er bedelaars en heksen door de gemeente en klinkt er middeleeuwse muziek en ruik je aan het spit bradende speenvarkens. Traditie dus.

Ik heb 20 jaar lang als historisch adviseur ruim dertig van dergelijke evenementen van informatie, ideeën en mensen voorzien en kan wel zeggen dat ik zo ongeveer weet hoe het er bij dergelijke feesten aantoe gaat. Niet zelden kwamen een paar jaar tot een jaar van tevoren delegaties van de op jubileren staande gemeente bij al volop feestvierende collega-dorpen of steden kijken om te zien hoe zij het deden. Daarop deden zij net zoiets. Als ik op die 20 jaar terugkijk was het eigenlijk altijd meer van hetzelfde. Een enkele zeer pittoreske gemeente had dan het voordeel dat er een mooi decor was waartegen zich alles af kon spelen. Dat kon er soms heel sfeervol uitzien, maar meestal gebeurde het op een plein omgeven door winkels. Tegenwoordig heeft elke jubileumcommissie een website en worden inwoners uitgenodigd om met ideeën te komen. En die zijn dan in wezen ook weer bijzonder traditioneel, want ook die hebben ze van het bezoek aan andere jubilea.

monnickendam 650
Deel van een optocht tijdens de viering van Monnickendam 650 jaar stad in 2005. Fotograaf onbekend.

Dordrecht heeft in 2020 dus inderdaad een reden om iets te vieren. Ik heb daarom al in 2011 aan vertegenwoordigers van het Dordtse culturele leven een plan gepresenteerd waarin ik eens van een andere dan de traditionele visie uitging. In het kort: geen congres of duur boek voor de elite, maar een aantrekkelijk educatief programma voor de gewone Dordtenaren en hun kinderen. Op moderne manier dus, met gebruik van digitale, voor iedereen toegankelijke media. Mijn bedoeling hiermee was de vragen die Dordtenaren zichzelf al generaties stellen over het verleden van hun stad nu eens te beantwoorden, zonder te vervallen in fantastische verhalen, zoals gewoonlijk gebeurde. En om via 3D technieken te laten zien hoe de stad er bijvoorbeeld in de middeleeuwen uitzag. Bovenaan deze blog ziet u een still uit een kort filmpje van wat nu de Oude Haven wordt genoemd, maar dan in ca 1220. Mijn vriend Per Bos en mijn zoon Laurens hebben dat naar mijn werktekeningen vormgegeven en geanimeerd. Toen ik het vertoonde op 12 september 2011 waren de reacties, o.a. van de mensen van het gemeentelijk erfgoedcentrum, bijzonder lovend.

Helaas: omdat het idee ondersneeuwde in allerlei evenementen in de jaren naar 2020 toe (het is nog acht jaar: we hebben nog tijd zat…) ben ik ermee gestopt. Maar gelukkig kwam eind 2014 de vraag uit de Dordtse Academie of een aantal archeologen en historici ervoor voelden te brainstormen over een Biografie van Dordrecht ter gelegenheid van het jubileum van 2020. Daar voelden we wel wat voor en ik stelde een vragen- en activiteitenlijst op, gebaseerd op de plannen die ik al in 2011 had gelanceerd. Inmiddels had ik me ook verdiept in stadsrechten en die van de Hollandse steden in het bijzonder. Er bleek veel meer te vertellen te zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er moest dus nog het nodige aan onderzoek gedaan worden. De Academie had echter niet al te veel geld en het plan werd op de lange baan geschoven. Ik stopte ook direct met mijn onderzoek naar graaf Willem I, een bijzonder kleurrijk figuur, en de redenen waarom hij die stadsrechten aan Dordrecht, maar ook aan Geertruidenberg en Middelburg (en misschien Zierikzee) toekende.

Er bestaat bij ons zoiets als Dordrecht Marketing, een samengaan van VVV en het Evenementenbureau en overgoten met een saus van new speak, zoals die in de mode is bij dit soort takken van cultureel management. Ik citeer:

“Marketing, en in het bijzonder citymarketing, is een breed begrip en een veelomvattende activiteit. Gestoeld op missie en visie en ter realisatie van een aantal overkoepelende doelstellingen wordt door Dordrecht Marketing een keur aan activiteiten ontwikkeld om Dordrecht uit te laten groeien tot een sterk merk, met toegevoegde waarde voor uiteenlopende doelgroepen.”

Afijn, u begrijpt het wel en desnoods leest u de website er maar op na.

koning ondertekent
Tijdens Koningsdag 2015 ondertekent de koning in het Hof een verdrag over verdraagzaamheid.

Het is ook de club die de onzin-naam voor het nieuwe historisch museum van Dordrecht heeft verzonnen en die daar verantwoordelijk is voor een sterk staaltje geschiedvervalsing, met als dieptepunt het ondertekenen door de koning van een zogenaamd hierop gebaseerd vrijheid-van-meningsuiting-verdrag.

Dordrecht Marketing heeft niet zoveel met 1220-2020 – 800 jaar stadsrecht  Dordrecht. Niet aansprekend genoeg. Het moet 1000 jaar Dordrecht worden in 2020. Waarom? Geen idee. Volgens de Annalen van Egmond, u inmiddels wel bekend, gebeurde er in 1020 niks dat het vermelden waar was. We hadden in 1018 net de overwinning van Dirk III op het keizerlijke leger gehad (in Vlaardingen gaat men dat uitgebreid vieren) en men vond het waarschijnlijk wel goed zo. De ontginningen waren in volle gang en rond die tijd moeten ze de Thuredrecht wel genaderd zijn. De archeologen hebben in ieder geval al resten uit die tijd gevonden en ook bewijs dat er toen toch al minstens 20 jaar, zo niet langer, gewoond werd. Dus waarom dan 1000 jaar Dordrecht? Het bekt lekkerder, was vorige week één van de antwoorden die ik kreeg toen ik er naar vroeg.

Dat deed voor mij de emmer overlopen. Ik heb daarom mijn onderzoek voor de gemeente definitief beëindigd. Ik ga echter wel door met dit blog, want het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan. En zoals Dordrecht Marketing in zijn powerpoint  over het zogenaamde Merkkader zegt:

“Dordtenaren zijn ondernemend van geest, soms eigenzinnig en koppig, met de wil om tegen stromingen in toch vooruit te komen en ze doen dat zonder opsmuk of bla-bla. Ze zijn namelijk op een nuchtere manier vindingrijk.”

Ik kan me daar heel goed in vinden en ga dus gewoon op de ingeslagen weg voort.

 

Het falsum van 1064 (5)

Eindelijk de ontknoping! Ik leg hier de (hoogstwaarschijnlijke) reden uit waarom de bisschop de kans greep om de graaf van Holland te dwingen zijn bezit terug te geven. Er hoort wel een lesje geschiedenis bij, met jaartallen, maar daarna weet je dan ook alles. 

Maar waarom werd dit document dan vervalst? Om daarover meer te weten te komen, moet je naar de politieke situatie van rond 1145 kijken. Dat vraagt om het ophalen van een stukje geschiedenis en daarvoor gaan we eerst even terug naar de laatste alinea van het eerste deel van dit blog. Daarin schreef ik dat de grafelijke familie in 1070 naar Vlaanderen moest vluchten, waar Robrecht de Fries zijn broer na wat moeilijkheden als graaf opvolgde. Rond 1076, toen hij zijn handen daar wat vrijer had en zijn stiefzoon, de jonge Dirk V, inmiddels rond de 21 was en waarschijnlijk een degelijk getraind krijgsman, was het tijd voor actie. Eerst werd hertog Godfried met de Bult tijdens een wc-bezoek vermoord (als je wilt weten hoe, lees dan het verhaal hierover van Kees Nieuwenhuijsen) en vervolgens vielen Dirk en Robrecht Holland binnen. Dat de krijgshaftige bisschop Willem in datzelfde jaar overleden was kwam daarbij goed uit. Dirk veroverde tijdens die inval een burcht van de bisschop bij IJsselmonde en nam daar de toevallig (?) aanwezige opvolger van Willem, de elect Koenraad, gevangen.

[Een elect is een gekozen, maar nog niet officieel gewijde bisschop]

Dirk kon zo de teruggave van zijn graafschap doordrukken en sloot zich direct maar aan bij de oppositie tegen de keizer, Hendrik IV, die in 1064 zijn graafschap aan de bisschop had gegeven. Over zijn verdere regering en die van zijn zoon Floris II is niet veel bekend. Er zijn geen grote, dramatische gebeurtenissen in Holland opgetekend over de periode 1076-1121. Vooral de dood van pausen en bisschoppen (en wie hen opvolgden) en weersomstandigheden (strenge winters en hete zomers) plus kometen en wonderen waren de enige zaken die in de Egmondse annalen werden opgetekend. Pas na de dood van Floris II in 1121 kwam er weer wat leven in de brouwerij. Hoewel de opvolger, Dirk VI, een volwassen man was, stond hij de eerste 10 jaar onder grote invloed van zijn moeder, gravin Petronilla, die volgens de Egmondse monniken het graafschap met vaste hand regeerde. Ook trok ze haar jongere zoon, Floris de Zwarte, voor. Hij was waarschijnlijk wat pittiger van karakter dan de wat trage Dirk. Hij is zelfs nog een paar jaar graaf van Holland geweest, maar de broers kregen op den duur toch ruzie en Floris werd afgezet. Dirk schijnt deze keer het heft echt in handen genomen te hebben. Toen Floris in 1133 in Utrecht werd vermoord, nam hij wraak door Utrecht binnen te vallen en te plunderen. Ook trouwde hij en maakte in 1140 met zijn vrouw een pelgrimstocht naar het Heilige Land. Op de terugweg droeg hij in Rome de grafelijke abdij van Egmond en het door zijn moeder gestichte klooster te Rijnsburg aan de paus op.

abdij rijnsburg
Reconstructie van de abdij van Rijnsburg 1133-1574 (verzameling museum Oud-Rijnsburg, Rijnsburg).

De bisschop van Utrecht, inmiddels Hartbert (een stijfkoppige Fries volgens de kroniekenschrijvers), was daar niet blij mee. Dirk trok zich daar niks van aan. Sterker nog: hij deed verschillende invallen in het bisschoppelijk grensgebied en plunderde en brandde daar verschillende dorpen af. Zijn zwager, Otto van Rheineck, deed daar dapper aan mee, maar werd door de bisschoppelijke troepen gevangen genomen. Dirk beantwoordde deze actie door in 1146 de stad Utrecht te belegeren. Daarmee was hij te ver gegaan. Bisschop Hartbert trok in processie de stad uit naar het Hollandse kamp en dreigde Dirk in de ban te doen. De eigenlijk wel vrome Dirk was daar zo van onder de indruk dat hij blootsvoets en geknield om vergeving smeekte. Nu had de bisschop zijn zin en kon hij zijn eisen stellen. Het is waarschijnlijk bij deze gelegenheid geweest dat de graaf de lijst van Utrechtse bezittingen in Holland voorgelegd kreeg. De bisschop moet hem even daarvoor, al in 1145 of pas in 1146, hebben laten maken, naar het voorbeeld van de oorkonde van 30 april 1064 en zal hem hem hebben ge-antedateerd op 2 mei 1064. Hij hoopte zo, nu hij de graaf op zijn knieën had, zijn claim waar te kunnen maken.

munt hartbert
Munt geslagen door bisschop Hartbert van Bierum (1139-1150) met zijn heel primitieve portret (zilver, Collectie Centraal Museum, Utrecht; foto CMU/ Joanneke Hees).

Helaas voor hem stierf bisschop Hartbert al in 1150 en kwam na hem, na veel geruzie, de kandidaat van Dirk VI op de troon: Herman van Horne. Als de bisschop langs Maas en Merwede eerder al invloed had gehad was die nu in één klap verdwenen, want bisschop Herman durfde niet meer tegen de graaf in te gaan. Latere bisschoppen hebben geen kans meer gezien hun invloed in Holland waar te maken. Ze hebben het dan op den duur ook maar opgegeven. Het falsum heeft dus maar vier jaar gefunctioneerd en is daarna vergeten. Tot het opdook in de negentiende-eeuwse lijsten van oorkonden van zowel de bisschoppen van Utrecht als de graven van Holland.

Natuurlijk had Dirk in 1146 niet in de gaten dat hij een vervalsing voorgeschoteld kreeg. Maar hij had het gemerkt als die plaatsnamen niet hadden geklopt met de werkelijkheid. Hij las een lijst van plaatsnamen (of kreeg die voorgelezen: we weten niet of Dirk kon lezen) en die moet hij gekend hebben. Misschien wist hij zelfs dat de bisschop in die plaatsen bezittingen had, want in de Annalen van Egmond was de goederenlijst van het Cartularium van Radbod gekopieerd, dus hij kon weten dat in ieder geval die plaatsen aan de kust gedeeltelijk bezit van de bisschop bevatten. De plaatsen langs de Maas en Merwede en die andere riviertjes moeten dan ook geklopt hebben, anders had hij het niet geloofd. Zo kunnen dus de plaatsen in een vervalsing toch echt bestaan hebben en kun je erop vertrouwen dat Dordrecht 15 jaar na de dood van graaf Dirk IV inderdaad langs de Thuredrecht lag en een nieuwe kapel bevatte.

Een falsum is dus wel vals, maar daarom niet onwaar. Als historicus moet je dat echter wel aannemelijk maken en ik hoop dat ik dat voor mijn lezers gedaan heb.

Het werk van de historicus (2)

Tweede en laatste deel van het blog over het gebruik van literatuur bij het overbrengen van kennis aan de leek op geschiedenisgebied. Zo’n blog is geen discussieplatform voor vakhistorici.

Één van de, afgesproken, taken van de historicus is dat hij zijn kennis op een begrijpelijk manier overbrengt aan ten eerste scholieren en studenten en daarna aan alle andere belangstellenden. Helaas gebeurt dat veel te weinig. Dat heeft verschillende oorzaken. Ten eerste is het niet makkelijk en ook veel werk een al voor de collega’s geschreven artikel of boek om te werken tot een voor iedereen begrijpelijk ‘verhaal’. Niet iedereen is daar ook goed in. Dikwijls hebben historici ook helemaal die tijd niet. Het tweede punt is namelijk dat er vooral bij aan universiteiten les gevende geschiedkundigen een flinke druk is om juist voor de collega’s te publiceren. Universiteiten worden namelijk ook afgerekend op wat hun docenten en professoren produceren over hun vak. En dan heb ik het dus niet alleen over het vak geschiedenis. Het derde punt is wat controversieel. Sommige historici hebben namelijk helemaal geen zin om hun werk te ‘populariseren’ zoals ze dat wat geringschattend noemen. Het is soms een beetje een lelijk woord binnen het vak.

Ik denk echter dat het feit dat het te weinig gebeurt de reden is – of in ieder geval één van de redenen – dat het geschiedenisonderwijs zo’n laag niveau heeft. Ik heb tussen 2009 en 2011 de Nederlandse geschiedenismethoden voor BO en VO bestudeerd om te zien wat ze over de middeleeuwen zeggen en laten zien. Daar ben ik zeer van geschrokken.  De situatie is trouwens nog niets verbeterd. Zo is er een uitgever, die vooral kinder- en kleutertijdschriften uitgeeft, in het onderwijsvak gedoken en heeft o.a. een geschiedenismethode ontwikkeld voor digitaal gebruik.

Bovenaan dit blog ziet u de uit deze methode afkomstige afbeelding van wat een middeleeuwse stad ten tijd van graaf Floris V (1254-1296) moet voorstellen. Ik heb eind vorig jaar bij de uitgever geklaagd dat er werkelijk niks van klopte en noemde zonder probleem 20 fouten op. Ziet u ze ook? En dat waren ze nog lang niet allemaal. De reactie op mijn kritiek was doorspekt van smoezen en uitvluchten: dat het zo moeilijk was goede bronnen voor dergelijke illustraties  te vinden. En dat ze toch gerenommeerde mediëvisten in de arm hadden genomen om het te controleren. Voor mij was dat geen excuus. Ik weet uit eigen ervaring maar al te goed dat als het op de kennis van de dagelijkse omgeving of het dagelijks leven aankomt ze dat niet op de universiteit leren. Ik zal daar nog wel eens een blog over schrijven.

Het komt erop neer dat uitgevers geen probleem zien in het verkeerd weergeven van het verleden en dat ze het ook helemaal niet erg vinden dat de geschiedenis zo versimpeld wordt dat het eerder geschiedvervalsing is. Je kunt hoog en laag springen: ze gaan gewoon gewetenloos hun eigen gang.

eindadvies onderwijs 2032
Het uiteindelijke rapport over hoe ons onderwijs tot 2032 zou moeten gaan worden. Lees en huiver.

Bovendien zijn er allerlei krachten aan het werk om dat wat nog aan geschiedenisonderwijs gegeven wordt terug te brengen tot  het ‘lesgeven’ over enkele kale feiten die niet bepaald zorgen voor ‘historisch besef’ bij leerlingen. Die feiten hebben per onderwerp (de tien tijdperken en de 50 canon-vensters) nauwelijks diepgang en er is geen verband onderling te ontdekken. En als in de nieuwe plannen voor Ons Onderwijs 2032  allemaal doorgaan, verdwijnt geschiedenis als vak gewoon uit de school, voor zover dat al niet het geval is. Op diverse VMBO opleidingen bestaat  het vak namelijk in het geheel niet meer of alleen het stuk vanaf ca 1900. Geen wonder dat jeugd al jaren niets meer weet van een wat verder verleden, behalve wat kreten en sensationele feitjes.

Ik heb in dit blog al geschreven over het schokkende gebrek aan voorkennis  van mijn Dordtologie cursisten over het ontstaan van onze stad en omgeving. Het is één van de redenen geweest om met dit blog te beginnen.  Ik wil mensen over het verleden van hun eigen omgeving onderwijzen, want ik weet dat je daarmee moet beginnen om belangstelling voor geschiedenis op te wekken. Maar ik wil ook laten ziet hoe historici aan hun kennis gekomen zijn  en begrip wekken voor het belang van het vak. Ik hoop dan ook op reacties van mijn lezers. Wat echter niet opschiet zijn reacties van historici.

Daar bedoel ik het volgende mee. Ik schrijf mijn blogs zonder noten met literatuurverwijzingen, want niet alleen is daar geen ruimte voor, maar de meeste niet-historici willen dat gewoon niet lezen. Natuurlijk heb ik voor elk blog wel zelf mijn huiswerk gedaan. De bronnen ken ik en kan ik gewoon, zoals gezegd, op de pc raadplegen. De literatuur staat bij me in de kast en desnoods zoek ik er ook naar op het internet. Of ik ga naar ons rijke regionale archief,  zoals bibliothecaris Alleblas vorige maand nog suggereerde. Ik gebruik zelfs Wikipedia wel als het om niet controversiële zaken gaan, zoals bijv. de biografieën van de Duitse keizers (in het Nederlands, Duits, Engels en desnoods Frans of Italiaans), al is dat voor sommige historici vloeken in de kerk.

Ik beweer dus nooit zomaar iets. Over alles is nagedacht, soms al heel lang. Natuurlijk kunnen er, met zo weinig bronnen voor, bijvoorbeeld, de Nederlandse elfde eeuw, verschillen van mening heersen over bepaalde conclusies. In het verleden hebben historici dingen beweerd die inmiddels achterhaald zijn, maar die niet iedereen kent. Ook ik soms niet. Ook kunnen er nog ongepubliceerde meningen circuleren en die dus nog niemand onder ogen heeft gekregen. Dus aanvullingen op die kennis zijn altijd welkom, maar ik zie ze liever niet in de reacties. Mail me erover, spreek me erover aan of spendeer er een bezoek aan. Dan kom ik er later in een blog nog wel eens op terug. De historische leek raakt er alleen maar van in verwarring en zou zelfs de indruk kunnen krijgen dat we vechtend over straat rollen. Terwijl de verschillen van mening eigenlijk heel miniem zijn.

Beschouw mijn blogs daarom als geconcentreerde samenvattingen van een lading door mij opgedane kennis die ik graag wil doorgeven om aan iedereen die dat leuk vindt een idee te geven wat hier 1000 jaar en korter geleden gebeurde. Wil je meer weten, reageer met een vraag en ik mail je met een antwoord, een boek- of artikeltitel of een andere verwijzing naar een plek waar je meer over het bewuste onderwerp kunt lezen.

Vanaf morgen ben ik ruim een week weg, dus een volgend blog is pas in week 21 te verwachten.

Het werk van de historicus (1)

Dit blog in twee delen gaat over de verantwoordelijkheid die historici hebben ten opzichte van hun publiek als dat leken zijn op het gebied van de geschiedeniswetenschap. En met name wat ik daar via dit blog aan bij wil dragen. Maar dan moet men wel begrijpen dat dit soort blog geen platform is voor controverses tussen historici onderling.

Toen ik studeerde in de gebouwen die u hierboven op de foto ziet (eind van de Doelenstraat in Leiden, met recht voor gebouw Lipsius met de grote collegezalen en links gebouw Huizinga, waar de geschiedenisfaculteit zit, en in het midden de koffiehoek) werd ik er door al mijn docenten van doordrongen dat ik een zekere verantwoordelijkheid had ten opzichte van de maatschappij. Wij zijn er om het verleden te verklaren voor de niet-gestudeerde belangstellende, bijvoorbeeld als geschiedenisleraren. En misschien ook wel voor de niet zo belangstellende. De universiteit draait gedeeltelijk op belastinggeld dat door alle inwoners van ons land wordt opgebracht. De inwoners mogen daar wat voor terug verwachten. Wetenschappers, en dus ook historici, worden geacht hun vak te leren van andere, eerder opgeleide collega’s. Ze worden geacht onderzoek te doen naar stukken uit het verleden die of nog niet onderzocht zijn of die een nieuwe, frisse blik vergen omdat, bijvoorbeeld, nieuwe gegevens beschikbaar zijn gekomen. In ons geval kunnen dat nieuw ontdekte bronnen zijn of een studie naar een al eerder behandeld onderwerp dat nieuwe vragen oproept. Vervolgens moeten ze hier verslag van uitbrengen.

Op de universiteit hebben ze geleerd hoe ze dat aan moeten pakken. Ze leerden om een vraag (of meerdere)  te stellen aan die (nieuwe) gegevens, een probleem te benoemen en een methode te verzinnen voor de aanpak van het beantwoorden van die vraag of het oplossen van het probleem. Ze moeten dat verantwoorden door te laten zien wat ze daarover gelezen hebben (bibliografie, noten) en als het eindrapport een zekere dikte heeft er ook nog eens een index op maken (of meerdere) om het zoeken in het werkstuk, de scriptie, het artikel, het proefschrift, etc. makkelijker te maken. Het stuk moet een zekere structuur hebben. Het moet beginnen met die probleemstelling, daarna de te volgen zoekprocedure duidelijk maken, daaruit een verhaal destilleren dat alle argumenten meeneemt (het betoog) en tot slot moet er een conclusie komen te staan.

robert fruin
Portret van professor Robert Fruin, de eerste hoogleraar in de geschiedenis in Nederland (Foto Jan Goedeljee, 1879).

Dit gebeurt allemaal, in het geval van het onderzoek naar het verleden, al enkele eeuwen over de hele wereld. Dus ook in Nederland, waar de eerste leerstoel voor geschiedenis in 1860 in Leiden werd geïnstalleerd. Inmiddels zijn waarschijnlijk al duizenden historici in Leiden en elders afgestudeerd en die hebben al die tijd artikelen en boeken geproduceerd over alle perioden en honderden onderwerpen van de Nederlandse en buitenlandse geschiedenis. Bovendien hebben er ook buitenlanders zich over onze geschiedenis uitgelaten.

Als je echt wilt weten wat er in een bepaalde tijd op een bepaalde plaats gebeurde en waarom dat is er een overvloed aan literatuur over. Het jammere echter is dat al die artikelen en boeken dikwijls niet makkelijk te vinden zijn. Veel boeken zijn inmiddels uitverkocht en alleen in of via speciale bibiotheken op te vragen. Ze waren en zijn ook niet goedkoop: 30 euro voor een boek is weinig en veel prijzen liggen tussen de 50 en 100 euro. Niet iets dat je als amateur-historicus even op de toonbank legt. Tenzij je natuurlijk ‘financieel onafhankelijk’ bent…

Artikelen staan meestal in soms al meer dan 100 jaar bestaande vaktijdschriften in binnen- en buitenland. Ook die zijn voor de leek alleen maar in archieven en speciale bibliotheken, zoals die van universiteiten, te vinden. Dat kost dus moeite en tijd. De buitenlandse zijn trouwens nog zeldzamer te krijgen en als ze al beschikbaar zijn moet je toch wel de betreffende taal beheersen. Die ook per land weer zijn eigen vakjargon heeft.

huygens instituut
De patio in het ultra moderne gebouw van het Huygens Instituut in Den Haag.

Gelukkig doen bepaalde groeperingen en instituten op hun websites de laatste jaren moeite om veel van die uitverkochte of moeilijk te vinden literatuur beschikbaar te stellen. Voor iedereen. Gratis. En dan noem ik in het geval van de Nederlandse geschiedenis vooral het Huygens Instituut  dat niet alleen literatuur maar ook allerlei bronnenuitgaven heeft gedigitaliseerd. Zonder hen zou een historicus of die boeken zelf moeten aanschaffen, als ze nog verkrijgbaar zouden zijn zijn, of telkens weer naar zijn alma mater moeten om onderzoek te doen. Nu kan veel gewoon thuis voor de pc gedaan worden. Heerlijk dus…

Ook de amateur en leek zouden dit kunnen doen en ik neem graag aan dat het ook regelmatig gebeurt. Al dat drukwerk is echter wel op de hierboven beschreven methode geschreven. Ik hoor veel mensen dan ook zeggen dat het wel erg veel vaktaal is en dat het voor een niet-ingewijde toch wel pittig is om te lezen en dat het niet meevalt om er zelf conclusies uit te trekken. De gewone belangstellende leek gaat daar natuurlijk helemaal niet aan beginnen. Het kost hem gewoon te veel tijd en geld en hij loopt het risico dat hij het helemaal niet begrijpt.

(Wordt vervolgd)

Gesneuveld of vermoord?

huis hollant

In mijn eerste blog schreef ik dat Wikipedia het mis had toen ze schreven dat Dirk IV in 1049 bij Dordrecht werd vermoord. Volgens mij sneuvelde hij in een oorlogssituatie omdat hij in een hinderlaag was gelokt door een leger. Ik kreeg daar wat kritiek op. Men wees mij erop dat de woorden victum occidunt, die Herman van Reichenau in zijn kroniek voor deze handeling gebruikt, als mogelijke interpretatie hebben dat de bisschoppen het vooropgezette plan hadden om de graaf “om te leggen”. Het was dus van begin af aan de bedoeling, volgens de criticus, dat hij niet gevangen genomen zou worden, maar bewust zou worden vermoord.

Ik antwoordde dat een leger van toch wel een aantal honderden gewapende mannen niet echt te vergelijken valt met een persoon met slechte bedoelingen die zijn slachtoffer stiekem opwacht met de bedoeling hem om te brengen. Dat noem je een moord. Zoiets als Balthasar Gerardts die voor geld en de eer in 1584 Willem van Oranje doodschoot, de edelen die graaf Floris V in 1296 vermoordden (al kun je daar van een moord voortgekomen uit paniek spreken) of Volkert van der Graaf die in 2002 met voorbedachten rade Pim Fortuyn vermoordde. Een leger doodt meestal een heleboel mensen in een oorlogssituatie, maar je noemt een oorlog geen moord. Al wordt in beschrijvingen van oorlogen natuurlijk wel het woord (uit)moorden regelmatig gebruikt.

Ik werd ook nog gewezen op een vroege vermelding van het woord ‘vermoord’ voor deze daad in een kroniek. Het komt namelijk al voor in de zogenaamde Rijmkroniek uit het eind van de dertiende eeuw en daar staat:

Tot Dordrecht indie poert
Wart hi belaghet ende vermoert

rijmkroniek
Detail van een pagina uit de vroeg veertiende-eeuwse versie van de Rijmkroniek. Hier kun je goed zien hoe het rijmschema in elkaar zit.

Het heet natuurlijk niet voor niets de Rijmkroniek. Het hele boek is helemaal opgebouwd uit het rijmschema AA, BB, CC, etc. en dat levert me toch een hoop kreupelrijm op… Als het daarin over steden gaat is het al heel gauw ‘in die poert(e)’ omdat je daar lekker makkelijk mee kunt dichten. Nu het hier over een graaf gaat die in de ‘stad’ Dordrecht sneuvelde is het rijm ‘moert’ al snel gevonden. Men moet er verder niet van uitgaan dat men zo rond 1280 nog wist wat er in januari 1049 nou precies was voorgevallen. De rijmer kende de Egmondse annalen – hij had er het meeste materiaal van voor 1205 uitgehaald –  en hij was misschien nog verontwaardigd over de dood van een verre oudoom van graaf Floris V. Dan klinkt zo’n berijmde dood als moord lekker pittig. Maar het is in de ogen van een historicus geen bewijs dat graaf Dirk echt vermoord werd. De kroniekschrijver wist ook dat het voorval te Dordrecht had plaatsgevonden, maar had er geen idee van dat er 250 jaar geleden nog lang niet de bloeiende handelsstad uit zijn tijd was. Want dat betekent poerte: een havenstad (zie ook Engels port = haven(stad), van Latijn: portus = haven).

Dat het een makkelijk zinnetje was om het eind van de graaf te beschrijven blijkt uit het feit dat Jacob van Maerlant het bijna letterlijk in zijn Spiegel Historiael (ca 1286) gebruikte. Van Maerlant kende de Rijmkroniek en heeft er veel  voor zijn geschiedenis van Holland aan ontleend. Hij schreef:

Wart ghebrocht des levens ave
Tote Dordrecht in die port
Van sinen viande ende vermort.

Ook dat is zo’n Sinterklaasrijm-werk, waarin op dezelfde nogal gemakzuchtige manier werd gedicht. Het was niet ongebruikelijk in die tijd om zulke kronieken in de volkstaal zo te componeren. Ze werden dikwijls voorgelezen – er waren nog weinig mensen die konden lezen –  en het rijm maakte dat je een lekkere cadans kreeg die ook nog makkelijk te onthouden was. Om er diepgravende historische conclusies uit te trekken gaat echter te ver.

Ik ben geen latinist dus ik kon bevestigen noch ontkennen dat die twee woorden die Manke Herman opschreef dat betekenden wat de criticus dacht. Dus besloot ik het probleem voor te leggen aan een aantal mediëvisten die middeleeuws latijn kennen en kunnen interpreteren. Ik vroeg hen of victum occidunt echt betekende dat Dirk gedood werd om hem te overwinnen. Nee, zeiden de geleerden. Letterlijk staat er volgens hen:

… en nadat hij in een ontstaan gevecht overwonnen was, doodden ze hem.

Dus precies andersom. Het doden was dus een gevolg van het overwinnen. Hier blijkt dus uit dat ze zich niet inhielden en de graaf, in plaats van hem gevangen te nemen, doodden. En daarom tegen die erecode ingingen waar ik het in het vorige blog over had. Dat is echter nog steeds geen moord, maar gewoon het gevolg van de bestraffing na bijna onvergefelijke misdaden en het vervolgens verliezen van een gevecht. Een ander omschreef het iets anders, maar het betekende hetzelfde:

… en toen het gevecht was aangegaan doodden ze hem nadat hij was overwonnen.

Men ontkende met klem dat er staat:

…om (hem) te overwinnen, doodden ze hem.

Trouwens: als Dirk, lafhartig, was vermoord, had de Egmondse kroniekenschrijver dan niet verontwaardigder gereageerd? De graaf was een begunstiger van de abdij, hij is er ook begraven en er werden zielemissen voor hem opgedragen. Wesfrisia was in wezen tamelijk onafhankelijk geworden van de goedkeuring van de keizer en trok zich ook niet veel aan van de buurbisschoppen. Een door die vijanden gepleegde stiekeme moord  zou voor oproer gezorgd hebben met beschuldigingen zowel naar de keizer als de bisschoppen toe. Nu staat er alleen dat de graaf niet voldoende op zijn hoede was en sneuvelde. Hij was te ver gegaan in zijn provocaties van de keizer en de bisschoppen en dat was het resultaat. Jammer. Graaf Dirk is dood, leve graaf Floris. Die hierdoor overigens wel een vete erfde; want zo’n dood moest wel gewroken worden.

huis hollant 2
Nogmaals het Huys genaemt Hollant tegenover de Gravenstraat in Dordrecht, de legendarische moordlocatie.

Opgelost? Nou, zo makkelijk gaat dat niet. Dat Dirk IV is vermoord is nogal een hardnekkig thema in de geschiedschrijving van Dordrecht. Dat komt voornamelijk omdat er in later eeuwen een hele sage om die gebeurtenis is ontstaan. Allerlei romantische en heldhaftige fantasieën zijn er op losgelaten en die zitten nog steeds vast verankerd in het brein van veel Dordtenaren. Niet in het minst omdat het nog eens van stal werd gehaald door Ruben Koman in zijn Groot Dordts Verhalenboek (Bedum 2005) p. 69-74. Ik ga dat verhaal uit principe niet in mijn blog herhalen; er wordt volgens mij al veel te veel gefabuleerd in de meer populaire geschiedenissen over de middeleeuwen. Neem van mij aan dat het Gravenstraatje in de Dordtse binnenstad niet naar de dood van Dirk IV is genoemd en dat het huis Genaemt Hollant aan de Wijnstraat, van waaruit Dirk zou zijn doodgeschoten, er in 1049 nog lang niet stond.

Wat is dat: apud Thuredrech?

In mijn eerste blog staat al dat apud Thuredrech ‘bij Dordrecht’ betekent. Het is latijn. Tenminste: het eerste woord is latijn. Dat was de taal waarin iedereen voor de dertiende eeuw  in de kerk en het klooster, op de universiteit en aan de hoven schreef en die men onder elkaar sprak als men elkaar in hun moedertaal niet verstond. In onze streken werd die taal sinds het wegtrekken van de Romeinen niet meer door de bevolking verstaan of gesproken (en het is de vraag of iedereen dat voor die tijd kon…), maar het was wel en bleef nog lang de internationale taal van de geleerden en de kerk. Wat lang hetzelfde was. Studenten aan de kathedraalscholen, waar ze tot priester werden opgeleid, van voor 1100 ondergingen standaard de lage wijdingen en werden daardoor ‘clerici’ oftewel geestelijken genoemd. Het woord ‘clericus’ ligt ook aan de basis van het woord klerk oftewel schrijver. En dat kwam omdat de gestudeerde geestelijkheid (er waren ook ongestudeerde geestelijken) zo’n beetje de enige was die voor 1200 kon schrijven. Daarna pas komt in onze streken het schrijven door leken op. Ook geholpen doordat meer leken naar de uit de kathedraalscholen voortgekomen universiteiten gingen voor andere dan kerkelijke carrières.

annalen van egmond
Omslag van de publicatie Annalen van Egmond.

Dat ‘apud Thuredrech’ staat dus in een latijnse kroniek die officieel de Annales Egmundenses heet. Oftewel de Annalen van Egmond.  Hij is nog niet zo lang geleden, in 2007, opnieuw uitgegeven, samen met het Chronicon Egmundanum, dat een kortere, meer op de geschiedenis van Holland gerichte kroniek is uit de dertiende eeuw. In die uitgave staat de latijnse versie naast een moderne Nederlandse vertaling. Heel nuttig als je je latijnse lessen inmiddels een beetje vergeten bent. Of als je alleen klassiek latijn kent, want ik heb begrepen dat middeleeuws latijn voor de classici bijna onbegrijpelijk is als het een beetje technisch wordt. Of als de middeleeuwse schrijver eens een keer geen klassiek voorbeeld nadoet.

‘Apud’ heeft in het klassieke latijn twee betekenissen. Ten eerste ‘bij’ als: in het gevolg van, of ten huize van, voor, in tegenwoordigheid van, ten overstaan van. Ten tweede, maar minder regelmatig, ‘bij’ of ‘nabij’ plaatsen, of zelfs ‘bijna’. Bij namen van steden, eilanden en landen kan het ook nog ‘in’ of ‘op’ betekenen, dus in een stad of land of op een eiland. Het zou dus kunnen wezen dat het ook ‘in Dordrecht’ betekent. Navraag leerde inderdaad dat in het middeleeuws latijn apud thuredrech inderdaad voor ‘te Dordrecht’ staat (dank, Eef Dijkhof).

Thuredrech staat, zoals gezegd, natuurlijk voor Dordrecht (of de Dordrecht) en is een oud-Nederlands woord. Tot tamelijk recent heeft men die naam altijd uitgelegd als ‘oversteekplaats in de Thure’ of een soort doorwaadbare plaats in een rivier. Nog niet erg lang geleden, in 1996, heeft een Belgische filoloog (taalkundige van verdwenen talen) in de Germaanse talen, Ward van Osta, voorgesteld dat het achtervoegsel –drecht niet komt van het Latijnse trajectun, dat voorde of oversteekplaats betekent, maar dat het van dregan, dragan oftewel trekken komt. Denk aan het Engelse to drag. Thure is dan ‘door’ en het gehele woord staat dan voor ‘door trekken’.  Overigens is deze betekenis van de stadsnaam inmiddels wel tot Wikipedia doorgedrongen.

knarr vrachtschip
Binnenvaartscheepje in de elfde en twaalfde eeuw van het type Knarr. Uit: Björn Landström, Het schip (Hoofddorp 1975) 63.

Het riviertje, dat de verbinding tussen de Dubbel en de Merwede vormde, zal niet zo breed geweest zijn dat je gemakkelijk door kon zeilen. Schepen in die tijd waren wel klein, maar hadden maar één vierkant zeil, waarmee je maar moeizaam kon manouvreren. In een smalle watering of kanaal (sommigen denken dat de Thuredrecht gedeeltelijk gegraven was) is dat onmogelijk, zeker met de verkeerde wind. Dan moest je dus of roeien of bomen, of getrokken worden door mensen of paarden langs het water. Dat was hier dus het geval. Je werd vanaf de Dubbel door de Thuredrecht getrokken naar de Merwede. En er ontstond daar ook een dorp dat de nodige faciliteiten leverde voor kooplui die er langs kwamen. Dat dorp ging dus naar de doortrekvaart heten.

Dat blijkt tenminste uit een oorkonde uit 1064 waarin twee keer het riviertje/kanaal de Thuredrecht genoemd wordt en één keer de plaats van die naam waar net een nieuwe kerk is gebouwd. Alleen… die oorkonde is vals. Maar daar kom ik later op terug.

Gezien het feit dat deze gebeurtenis, de dood van de graaf, rond 1120 werd opgeschreven, omstreeks 70 jaar na dato, en dat Dirk in de abdij van Egmond werd begraven, kun je er veilig van uitgaan dat de man echt in of bij het riviertje of de gelijknamige nederzetting is gesneuveld. Er kunnen in 1120 nog best monniken in leven zij  geweest die het van hun voorgangers hadden gehoord en de tombe van Dirk IV kon aangewezen worden in de stenen kerk van het klooster. Bij de datum van zijn dood, 13 januari, werd jaarlijks een memoriemis opgedragen om hem te gedenken. Zo bleef de herinnering aan zijn overlijden ook levend en in de hoofden van de monniken aanwezig.