Kolonialisme en het ‘empire-syndroom’

dwangarbeiders Indonesië

Op vrijdag 4 mei 2018 plaatste Trouw op zijn opiniepagina een stuk van Marjolein van Pagee. Het ging over haar verontwaardiging dat niet meer aandacht geschonken is en wordt aan de 4 miljoen dode ‘onderdanen’ in het zich bevrijdende Indonesië van na de Tweede Wereldoorlog. Het is hier te lezen voor wie niet op die krant geabonneerd is.  Ze heeft al eerder over de visie van Nederland op haar koloniën en koloniale oorlogen geschreven in Trouw, maar ook in andere media.  Ze is verder geschiedenis master (Leiden) in koloniale en wereldgeschiedenis (2016) en daarbij professioneel fotograaf en filmer.

Zoals gewoonlijk bij dit soort opiniestukken werd ook dit niet met open armen onthaald. Verwijten over ongenuanceerdheid (hoeveel nuance kan je in 300-400 woorden stoppen), selectieve keuzes (zie ongenuanceerdheid), het is een complottheorie, onze “jongens waren op een missie gestuurd waarvoor ze niet opgeleid waren” en  ”erg jammer dat Trouw de opiniepagina op 4 mei openstelt voor zo’n ‘weg met ons’ activiste, die geen ander doel heeft dan in een bijzonder rammelend betoog Nederland als de boeman neer te zetten”. Nu is niet elke historicus een begaafd stilist, maar Van Pagee kan best een opiniestuk schrijven. Ik ken haar master thesis niet, maar aan ondeskundigheid kan de strekking van die artikelen niet liggen. Vandaar dat sommige types maar ‘op de vrouw’ gingen spelen.

Één reactie viel me op. Ene T. Meijers schrijft namelijk: “Natuurlijk is het schandalig dat er zo weinig aandacht is voor het Nederlandse koloniale verleden. Er wordt op school bijna geen aandacht aan geschonken”. Hier komt weer een addertje uit het gras. Met andere woorden: Nederlanders reageren verkeerd op dergelijke onderwerpen omdat ze ze nooit gehad hebben in de geschiedenisles. En dat terwijl ik de laatste tijd doodgegooid wordt met verhalen over ons slavernijverleden, J.P. Coen en de genocide op Banda en andere verrichtingen van de VOC. Nog niet lang geleden in een goedbekeken TV-serie over de zogenaamde Gouden Eeuw zelfs.

Ook is het al jaren traditie dat omstreeks het begin van mei naast de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog ook die van de Japanse bezetting van ‘ons Indië’ en de nasleep daarvan in de media de ronde doen. Inclusief de bij ons ‘politionele acties’ genoemde Indonesische Vrijheidsoorlog, die nog steeds wat gevoelig liggen. De Nederlandse samenleving kennende zal het nog een jaar of tien duren dat iedereen die dat meegemaakt heeft en verantwoordelijkheid droeg dood is en dan kan de ‘ware geschiedenis’ geschreven worden. Al is er sinds de jaren ’80 een behoorlijk indrukwekkende hoeveelheid boeken en artikelen van gerenommeerde historici over verschenen. Nu staat er trouwens al een aardige samenvatting op Wikipedia.

Maar daar heeft men het weer: we hadden dat moeten weten. We hadden er les in gekregen moeten hebben. Ik heb het wel eens gehad over het stukje geschiedenis dat nog wel op bijna alle schooltypen voorbij komt: 1940 tot nu. Daar hoort ons verlies van Insulinde toch bij, zou je denken. Ik heb het even opgezocht aan de hand van de lesmethode MeMo. Ik heb daar twee uitgaven van vergeleken. Mijn zoons kregen les uit de eerste druk uit 1995 en ik heb van de uitgever zelf de derde druk, tweede oplage uit 2009 gekregen.  De beide dikke boeken tellen ongeveer 400 pagina’s. In 1995 zijn er daar vier (283-286) van gewijd aan de Indonesische Vrijheidsoorlog, in 2009 stond er alleen op 306-308 wat over. Waren het in 1995 nog 12 volle tekstkolommen,  6 tamelijk kleine foto’s en een kaart van Indonesië (dus bij elkaar ter grootte van 1 pagina) en een wat grotere foto op de voorafgaande pagina (zie bovenaan dit blog). In 2009 stonden er in 5 kolommen 2 foto’s van 1/3 pagina hoogte en twee kaarten (Afrika, Maleisië/Indonesië) die een halve pagina in beslag namen. Ik heb berekend dat in de laatste MeMo de tekst bij elkaar 2,5 kolom besloeg, waarvan niet meer dan één kolom echt aan Nederland-Indonesië gewijd was, de andere ruimte ging over India en de bemoeienis van de USA en de USSR met het vrijheidsstreven van diverse Afrikaanse en Aziatische koloniën. In 1995 ging het echter nog  in 9 van de 12 kolommen over de Nederlandse reactie op de Indonesische onafhankelijheidswens. Dat is nogal een verschil en het is tekenend voor hoe ons geschiedenisonderwijs verarmd is in minder dan 15 jaar tijd. En niet alleen bij MeMo (uitgeverij Malmberg).

Is het een wonder dat mensen die kritiek op ons koloniale verleden niet kunnen velen? Ze wisten het niet en voelen zich aangevallen door al die intellectuelen die hun mooie sprookje over het tolerante Nederland verstoren dat zo goed voor z’n koelies zorgde en er stinkend rijk van werd. In dezelfde Trouw van vandaag 4 mei 2018 staat op de voorpagina een stuk dat de kop heeft: ‘Onveilige wereld schept behoefte om te herdenken”.  De wereld van vandaag wordt onveiliger door het oplopen van internationale spanningen en dan is het lekker om samen te herdenken dat we ‘dat nooit weer’ willen.  Oorlog en zo… Na een dip in de late jaren 60 en de jaren 70, waarin de noodzaak niet meer zo gezien werd, is men daarna steeds meer en steeds grootser gaan herdenken. Het hoort volgens de moderne mediadeskundigen inmiddels ook tot onze identiteit om gezellig, maar beheerst, met z’n allen onze vrijheid  te vieren. En Koningsdag.

Marjolein van Pagee onderkent zelf ook wat ze veroorzaakt: “Het is begrijpelijk dat als je de continuïteit over het hoofd ziet en algemene kennis over het koloniale verleden ontbeert, je de kritiek op de dodenherdenking niet kunt plaatsen”.  Ze noemt dat het ongeloof over wat zij en anderen aan de kaak stellen, over de post-koloniale oorlogen dus, ligt aan wat zij het ‘empire-syndroom’ noemt.  “Het verblindende effect dat optreedt als je te lang deel uitmaakt van de veilige cocon van het centrum van de wereldmacht”. Ik had daar nog nooit van gehoord en heb dus proberen op te zoeken wat erover gezegd wordt. Het internet laat het een beetje afweten in deze en ik ben geen psycholoog die het in de vakliteratuur op kan zoeken. Maar ik vermoed dat het lijkt op wat de Britten nu aan het doen zijn met hun Brexit: als ze zelf alle touwtjes maar weer in handen hebben dan wordt het weer net als vroeger toen ze nog een wereldrijk (empire) waren. Behalve dat er nu veel meer darkies en Polen in de UK wonen dan voor de zon over alle roze gebieden op de wereldkaart onderging. Tja, de wereld is een beetje veranderd sindsdien: er zijn nogal wat ingrijpende zaken gebeurd die maken dat het nooit meer zo wordt als vroeger. En hoe bedoel je: nooit meer oorlog, als er over de hele wereld wapens ingezet worden om groepen te onderdrukken of de macht ergens te grijpen. Het militair-industrieel complex wrijft in zijn handen en telt zijn ducaten. De zaken gaan goed…

Ik begrijp de reacties op Van Pagee, maar ook haar boosheid over de schijnheiligheid van de politici die hun hoofden schudden over iemand die de twee minuten stilte wilde verstoren omdat hij aandacht wilde vragen voor wat er in 1946-47 in ‘ons Indië’ gebeurde. Ik wil echt niet dat de wereld aan begrip ten onder gaat, maar ik wijs er wel op dat veel van dat gekissebis over ons koloniaal verleden te voorkomen was geweest (en nog is) met beter geschiedenisonderwijs.

Je verborgen verleden

Het patroon is eigenlijk steeds hetzelfde bij Verborgen Verleden. Op de enkele uitzondering na die ergens in een ver weg liggende zijlijn via bastaardij van adel of zelfs een koninklijk huis  afstamt, hebben de meeste mensen behoorlijk laag op de maatschappelijk ladder staande voorouders. Na het lezen over de eeuwen durende ellende van hun familie is er dan die na-oorlogse opleving van de voorvaders en –moeders, die zich ontworstelden aan de armoede en zich opwerkten tot arbeiders met een cao of middenstanders die hun kinderen konden laten studeren. In de ene famiie was dat moment er wat eerder dan bij andere, maar het blijkt inmiddels dat de laatste generaties in Engeland, Schotland, Ierland, de USA en in Nederland het niet zo slecht doen.

Wel zijn de, uiteraard meestal bekende, slachtoffers van Who do you think you are of Verborgen Verleden steeds geschokt als ze horen over de zware omstandigheden waaronder hun voorouders overleefden. Des te meer zijn ze onder de indruk van de creativiteit en het koppige doorzettingsvermogen waarmee men zich opwerkte tot een beter bestaan. Ze zijn dan ook standaard zeer trots op (bet)(over)grootvader of –moeder. Bij vrouwen (en dan probeer ik niet te discrimineren) gaat dat meestal gepaard met wat tranen. Al zijn er natuurlijk ook mannen die het soms niet droog houden.

Wat mij hierin zo treft is dat het die mensen zo verrast dat hun voorouders zo’n zwaar leven hadden. Slechte woonomstandigheden, zwaar werk of werkloos, ongezonde, slechte of te weinig voeding, rampen als overstromingen, misoogsten, hongersnood, besmettelijke ziekten en oorlog met alle gevolgen vandien. Hoe verder terug men komt hoe meer misère men in een mensenleven meemaakte. Al was de nog tamelijk nabije negentiende eeuw wat dat betreft ook best een zware  tijd voor de Europese en Amerikaanse bevolking. Ze weten het niet of realiseerden zich dat niet. Ik wed ook dat men daarover op school niks hoorde tijdens de geschiedenisles.

Dat tekent dan ook het klassieke geschiedenisonderwijs. Men leert over koningen, hertogen en graven, de almacht van de kerk na kerstening en opstand, veldslagen en vredes, kolonisatie en de grachtengordel, maar het leven van de gewone man/vrouw blijft onderbelicht. Ik merk het bij mijn studie naar de graven van Holland gedurende de twaalfde en dertiende eeuw (en dat is natuurlijk een vroeg en slecht gedocumenteerd stukje geschiedenis) waarin je boeren en zeker burgers met een zwak lantaarntje moet zoeken. Dat geldt echter ook voor de veel beter gedocumenteerde opstand, oftewel onze eigen gezellige 80-jarige oorlog (1568-1648). Ik ken eigenlijk maar één studie die aandacht besteedt aan de gevolgen voor het volk van zo’n langdurig conflict: Ronald de Graafs, Oorlog, mijn arme schapen… (2004). Dat is wel weinig.

Er zullen ongetwijfeld mensen reageren met: ja maar, in dat en dat boek en bij die en die historicus hoor je toch ook over roof en plundering, onderdrukking en inkwartiering en kijk eens naar al die boeken over de Tweede Wereldoorlog met zijn concentratiekampen en hongerwinter. Ik weet het. Om maar een paar titels te noemen: Geert Mak, De eeuw van mijn vader (1999, twintigste eeuw), Peter Stokvis, red. Geschiedenis van het privéleven (2007, middeleeuwen tot twintigste eeuw) en Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen (2010, negentiende eeuw). Mak had er een bestseller mee omdat veel mensen zijn familiegeschiedenis heel herkenbaar vonden. En dat is dus tekenend voor dit onderwerp. Het was verrassend dat iemand op zo’n toegankelijke, journalistieke manier over een eeuw Maks schreef. Die andere boeken kostten echter tussen de 30 en 40 euro en dat is toch geen bedrag  dat de gemiddelde Nederlander snel op de toonbank zal leggen.  Die zullen dus veel minder impact hebben. En zeker niet op het onderwijs.

Bovendien is er nog steeds een voorkeur voor de modernste geschiedenis en wordt die van verder terug als minder relevant voor nu gezien. Met name de laatste oorlog roept immer weer een nostalgisch beeld op van saamhorigheid rond het met bielzen gestookte kacheltje, de fiets met houten banden, eten op de bon en het saboteren van de ‘mof’. Maar je komt pas echt wat over de geschiedenis van je opa of oma in de oorlog te weten als die een min of meer eerlijk dagboek hebben nagelaten of een serie brieven waarvan je hoopt dat die geen vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Behalve die van Anne Frank komen die echter ook niet in de geschiedenisles terecht (ik overdrijf hier natuurlijk enigszins, maar toch…).

De bestudering van de geschiedenis lijkt altijd behoefte te hebben gehad aan helden. Aan spektakel en drama met veel rook en vuur. Voor de stille ellende van alledag was weinig plaats. Die werd min of meer uit de geschiedenisboekjes gehouden, zeker in de tijd der zuilen. Alleen de socialistische zuil wilde nogal eens uithalen over het onderdrukte proletariaat en de daarom nodige opstand tegen het kapitaal. Dat was in de jaren zestig van de vorige eeuw echter geen item meer toen elke arbeider een auto voor de deur kreeg en tien dagen per jaar in Torremolinos doorbracht. Achtereenvolgende generaties hebben nationalistisch getinte en konings (of in ieder geval Oranje) gezinde geschiedenislessen ontvangen. Zelden hebben ze geleerd om kritisch naar dergelijke geschiedschrijving te kijken en hun mond open te trekken.

Vandaar dat ze nu niet beter weten te doen, nu anderen hen wijzen op zaken als het slavernijverleden en de VOC mentaliteit, dan in een stuip schieten. Of men zet de hakken in het zand en weigert te luisteren naar het beroep op ons geweten, dat inderdaad dikwijls nogal bot wordt opgedrongen. Of men wil gelijk maar alle standbeelden van zeehelden, politici en koloniale militairen omver trekken en voor van alles en nog wat zijn of haar excuses aanbieden. Historiegevoel is duidelijk nooit aangekweekt al hebben pedagogen en didactici dat altijd als ultieme doel in hun handboeken  gesteld. Er kwam niets van terecht. Scholieren werden opgescheept met heldhaftige verhalen en één en al vooruitgang sinds de donkere middeleeuwen en zij zijn de volwassenen van nu die niet beter weten. Zij worden, als ze hun familiegeschiedenis gaan uitpluizen, geconfronteerd met de armoe en ellende van hun eigen (bet)(over) opa’s en oma’s en zijn geschokt.

Cartoon door Tom in Trouw, 27.1.2018

Dat krijg je als je geschiedenis  gemanipuleerd werd en de context waarin gebeurtenissen plaatsvonden helemaal niet werden genoemd. De nuance tussen wat mensen sociaal, economisch en maatschappelijk gewend waren en wat hen overkwam is kwijt: die realiseert men zich niet. Het voorstellingsvermogen met betrekking tot levensomstandigheden in het verleden beperkt zich tot de vergelijking met nu en die is volkomen zoek. Vandaar de enorme afstand die men al met de jaren twintig of dertig van de vorige eeuw voelt, terwijl men zich tegelijkertijd realiseert dat opa en oma in die tijd leefden en kinderen op de wereld zetten die hun eigen ouders werden. De uitzendingen van Verborgen Verleden (en zijn Engelstalige origineel) leveren steeds weer van die inkijkjes in het gebrek aan historiegevoel op. Het enige dat men zich bij afloop echt realiseert is dat men het laatste, meest recente radertje in de familiemachine is en dat al die mensen die hen vooraf gegaan zijn onlosmakelijk met hen zijn verbonden. Dat is dikwijls al een hele ogenopener, vooral bij de wat jongere deelnemers die zich nog niet voldoende uit het volle leven hebben teruggetrokken om zich in hun verleden te verdiepen.

Ik heb helaas gezien de situatie binnen ons onderwijs, waarin meer over administratie en geld dan over inhoud wordt gebakkeleid, niet de hoop dat dit zal veranderen. Wat ik wel hoop is dat mensen die door deze tv-programma’s worden geïnspireerd om hun eigen stamboom uit te zoeken zullen leren dat er ook nog een andere geschiedenis is: die van de gewone man, zijn gezin, zijn werk, zijn huis en zijn omgeving. Ik hoop ook dat dagboeken en brieven meer gepubliceerd zullen worden, desnoods als blog. Ik hoop dat al die archiefgegevens die inmiddels op internet staan ervoor zullen zorgen dat iedereen zijn familiegeschiedenis kan onderzoeken en publiceren. En dat dan in de naaste toekomst historici onderzoek naar al die ‘verhalen’ kunnen doen en die in een genuanceerdere geschiedenis van het Nederlandse (maar in andere landen, die nog niet zover zijn als wij, natuurlijk ook) volk zullen verwerken. En dat dan heel veel andere Nederlanders dat zullen gaan lezen en zich eindelijk eens voor kunnen stellen hoe het vroeger nu echt was, in plaats van te geloven in een kruising tussen nostalgie en horror. Dat hoop ik.

Historisch toerisme

Zolang ik me kan herinneren heb ik op vakantie historische locaties bezocht. Eerst in Nederland met mijn ouders en zus, later ook in het buitenland, maar dan alleen of met gezin. Mijn historische belangstelling en kennis zorgden er door de jaren heen steeds beter voor dat ik wat ik zag in context kon plaatsen en erover kon vertellen tegen mijn reisgenoten. Ik vraag me wel eens af hoe mensen die die belangstelling en kennis moeten ontberen lol beleven aan zo’n historische locatie. Dat zijn dan meestal oude dorpen of stadskernen, met eventuele historische musea, kastelen of de ruïnes ervan en andere erfgoederen. Als je die inmiddels door de moderne tijd aangetaste locaties niet kunt begrijpen omdat datgene wat je op school aan geschiedenis hebt geleerd of wat je uit de populaire media kent je daar bepaald niet bij helpt dan mis je toch wat? Ik vraag me dat regelmatig af als ik naar mijn medebezoekers kijk en hun opmerkingen hoor.

Historisch erfgoed is natuurlijk al lang een aanvaard begrip, zeker in Nederland. Ik moet ook zeggen dat de diverse instellingen dikwijls hun geschiedenis adequaat presenteren in goed vormgegeven tentoonstellingen en begrijpelijke informatie, maar als er, zoals in Dordrecht, het één en ander mankeert aan de betrouwbaarheid van de informatie dan sla je toch een paar planken mis. Zonder dat de gemiddelde toerist dat merkt uiteraard, want waaraan zou hij/zij dat kunnen controleren. Gevolg: het gebodene wordt voor zoete koek aangenomen en de toerist wordt bedot, zoals de journalist van Trouw uit mijn vorig blog. Ik heb ook geleerd dat die foute kennis, zeker als hij overtuigend wordt gebracht, heel gemakkelijk wordt doorgegeven aan vrienden en familie en zich dus als een lopend vuurtje verspreidt. Met alle gevolgen van dien.

Een andere toeristentrekker is het historische evenement, dat niet zelden in een erfgoedlocatie plaatsvindt. En daar bedoel ik ook historische dorpskernen of stadscentra mee. In het verleden was zo’n evenement dikwijls vooral gekoppeld aan een stads- of dorpsjubileum, maar tegenwoordig kan het gewoon een jaarlijks (of tweejaarlijks) terugkerend festival zijn dat al of niet een commerciële opzet heeft. Het is meestal gratis toegankelijk, maar als het maar genoeg bezoek aantrekt is het in ieder geval goed voor de lokale middenstand en dan met name de horeca. Er bestaan ook door commerciële organisatoren opgezette festivals waar je entree moet betalen en ter plekke van een niet goedkoop natje en droogje kunt worden voorzien. Dat is dus minder nuttig voor de horeca.

Sinds de jaren negentig worden dergelijke evenementen dikwijls voor een deel bevolkt door mensen die aan levende geschiedenis of re-enactment doen. Zelf ben ik daar via ons historisch adviesbureau tScapreel jaren bij betrokken geweest, tot ik er in 2011 een punt achter heb gezet. De bedoeling was oorspronkelijk om bezoekers via het tonen van kleding, ambachten en entertainment een beeld te geven van de periode van het gevierde jubileum of de gebeurtenis die herdacht werd. Dat vergde van de mensen die daarvoor ingezet werden aanvankelijk een behoorlijke inzet en kosten. De Scaprelers brachten een achtergrond van opleiding en werkervaring bij Archeon of het lidmaatschap van Die Landen van Herwaerts Over mee en wisten waar ze het over hadden. In de jaren tussen 1996 en 2011 hebben we nooit anders dan complimenten van organisatoren ontvangen. Evenals van de toeristen die ons zagen en spraken.

Helaas werd de kwaliteit van genoemde evenementen door de loop van de tijd steeds minder. Ook vanwege de bankencrisis was er op den duur steeds minder geld voor subsidies en lieten sponsors het afweten. Als zo’n festival dan toch doorging zocht men liever naar goedkopere vervanging van onze tamelijk dure Scaprelers. Of men zette publiekstrekkers in die niet echt binnen de historische periode pasten maar die wel geld in het laatje brachten. Toen dat in 2011 gebeurde tijdens het Gebroeders Van Limburgfestival in Nijmegen, nadat ik het al een paar jaar had zien afglijden, heb ik het bijltje er definitief bij neergegooid.

Ik denk nog steeds dat levende geschiedenis en re-enactment perfecte middelen zijn om de gemiddelde toerist een beeld te geven van een stuk geschiedenis. Hij/zij krijgt dat nergens anders door. Maar dan moet het wel goed gebeuren, want anders ben je net zo fout bezig als bij het vervalsen van je verleden in je historische museum. De toerist is dan weer de dupe, want die kan niet (voldoende) controleren of het echt zo was. Bovendien nemen vele historische evenementen het verleden ook op andere manieren niet serieus meer.  Ze zien geen onderscheid tussen geschiedenis en fantasy, waarbij gerust draken, elfjes en heksen tussen ridders en bedelaars het beeld vervormen. Of steampunk. Of diverse soorten kelten.

Er zijn ook erfgoedinstellingen genoeg die dergelijke mixen in hun programma opnemen, niet inziende dat het een hellend vlak is. Straks gaan toeristen nog denken dat er echt heksen bestonden (als ze dat al niet denken)  of dat in de middeleeuwen muziek ook al electronisch versterkt werd. De door films, tv series (zoals Game of Thrones), strips en games verspreide alternatieve middeleeuwen worden echt al jaren door elkaar gehaald; ik hoor en zie het overal om me heen. Ik zie ook nog geen verbetering optreden. Sterker nog: ik zie een verslechtering om zich heen grijpen. Re-enactmentgroepen en ‘historische’ handelaars worden steeds minder authentiek. Of oorspronkelijk om één jaartal draaiende feesten worden overspoeld door acts die je jaren, soms eeuwen, vroeger of later moet situeren. Bovendien zien lokale marketingbureaus (ook van gemeenten zelf…) er geen been in de geschiedenis te manipuleren om maar volk te trekken.

Ik vind dat verontrustend. Ik ben al een jaar bezig om Dordrecht te wijzen op de foute aannames die men rondom de zogenaamde eerste vrije statenvergadering doet, maar men luistert niet en gaat ijzerenheinig door. Zelfs in het tweejaarlijkse Dordt in Stoom festival, dat altijd een oase van verantwoorde nostalgie was, zijn al dieselmotoren gesignaleerd en op elektriciteit lopende kermisattracties. Wat is dat toch? Wordt daar wel eens onderzoek naar gedaan. Ik heb ik de tijd dat ik met dit soort werk bezig was, diverse kleine en leuk begonnen evenementen  zien uitgroeien tot enorme publiekstrekkers en vervolgens zien afglijden naar anachronistische schaduwen van zichzelf en vervolgens zien verdwijnen. Is dat een natuurlijk proces? Is een periode van 5 à 10 jaar een natuurlijke levensspanne voor zo’n festival en moet er dan wat anders komen? Waren de late jaren negentig en de vroege jaren nul een hoogtepunt voor historische feesten en zitten we nu in een dal voor er een nieuwe opleving komt? Ik weet het niet.

Ik heb soms oubollige oudheidskamers zien opbloeien tot volwaardige en leuke musea. Ik heb gedreven amateurs daar prachtige exposities over het verleden van hun dorp of stad zien maken, maar nu zie ik afgestudeerde conservatoren en andere museummedewerkers pretentieuze tentoonstellingen met speurtochten en multimedia presentaties neerzetten die er esthetisch prima uitzien, maar waar historisch weinig van klopt.  Mensen die de recensies van deze flops op mijn andere blog hebben gelezen kennen mijn mening daarover. Gaat dat nog verbeteren? Of moet de toch al van weinig historisch besef of kennis voorziene toerist het zelf maar uitzoeken? Ik houd mijn hart vast.

Waarom geschiedenis? 2

In het vorige blog, waar dit een onvoorzien vervolg van is, heb ik het over de gevaren van het misbruik van de geschiedenis gehad. Ik heb al eerder geschreven over het manipuleren ervan voor ideële , meestal politieke, doeleinden. Of voor naamsbekendheid, zoals in Dordrecht. Overigens stond er vorig weekend een stukje over een bezoek aan mijn stad in de Trouw waarin verbaasd werd geconstateerd dat het op een zonnige dag tijdens de vakante zo stil was in het oude centrum. Zelf heb ik de indruk dat we elk jaar meer toeristen zien en de terrassen bij mooi weer steeds vol zitten. Ook komen er elk jaar nieuwe horeca gelegenheden bij, zodat je je afvraagt of die zaakjes en zaken buiten de vakanties om wel voldoende bezoek krijgen om te overleven. Ik heb ook geen idee of het museum in het Hof goed loopt; ik kom er tegenwoordig nog zelden in de buurt. De journalist van Trouw kwam er in ieder geval vandaan met een volkomen verkeerd, en door mij al voorspeld, idee van de geschiedenis van Dordrecht. Hij schreef letterlijk:

Op 23 juli 1572 werd hier een soort onafhankelijkheidsverklaring getekend.

Om daarna (bewust?) Herman Pleij te citeren die zei dat in de VS of Frankrijk

…iedereen zo’n datum zou kunnen opdreunen en de historische locatie zou worden platgelopen.

Waarna hij het aan ons gebrek aan nationalisme weet dat wij dat niet doen. Om te vervolgen met dat het jammer was want

… de idealen die toen werden vastgelegd zijn alles behalve eng en bovendien heel actueel. “In dit gebouw werd de basis gelegd voor een onafhankelijk land waar je vrij bent om te denken wat je denkt, te geloven wat je gelooft en te zijn wie je bent” staat op het toegangskaartje van het klooster…

Hij is er dus ingestonken, want niets van het bovenstaande is waar. Afijn, als u niet weet waarom het niet waar is kunt u het vanaf hier nog eens nalezen. Zo verspreidt de boodschap zich dus over het land. Het is niet te hopen, en daar lijkt het ook niet echt op, dat dit idee nu duizenden (Nederlandse) toeristen naar Dordrecht trekt om te offeren op de altaren van de zogenaamde vrijheid. De ontwikkeling blijft niet minder zorgelijk.

Intussen lopen de kwesties van de controversiële standbeelden en nu ook de straatnamen  van ‘foute’ Nederlanders, zoals de 17e eeuwse admiraal Witte de With (zie boven een foto van de uitgaansstraat van die naam in Rotterdam). Historicus Sander van Walsum weidde in de Volkskrant een column aan met name dat laatste fenomeen. Protesten, aangezwengeld door de usual suspects, tegen (straat)naambordjes en beelden van zeehelden die op één of andere manier met de slavenhandel te maken hebben gehad lopen inmiddels de spuigaten uit.

Van Walsum verwoordt kernachtig wat hier aan de hand is:

… wie zich onder verwijzing naar het Nederlands verleden gekwetst zegt te voelen, vindt gehoor. Want anders dan vaak wordt gesuggereerd, vormt de nationale geschiedenis voor meer mensen een bron van gêne dan van trots. Of het nu – van achteren naar voren – gaat om de dekolonisatie van Indonesië, de Tweede Wereldoorlog, de ‘ethische politiek’ van het Indisch gouvernement, het Cultuurstelsel, de Gouden Eeuw – die steeds vaker tussen aanhalingstekens wordt geplaatst: de teneur van de historiografie is zelfkritisch. Dat is geen modegril van de laatste jaren, dat is al decennia het geval.

En dat klopt. Tijdens de colleges historiografie van de geschiedenis kregen we daar voorbeelden van te horen en te zien/lezen. Wat het recente verleden betreft, de Oorlog dus, hebben we eerst de heldenverering van de verzetsstrijders gehad, toen de volkomen  afbraak en ontmaskering van die zogenaamde ‘goede’ Nederlanders en pas de laatste tijd ontstaat er wat nuance. Verder terug gelegen historie is ook allemaal door die fases gegaan. We hadden eigenlijk mogen hopen dat de nuance over het verleden is blijven hangen, maar dat is helaas niet het geval. Sterker nog: hoe verder terug in de tijd hoe meer zwart-wit denken over goed en kwaad, beschaafd en barbaars, vroom en bijgelovig er over is gebleven. Tenminste: bij de bevolking, die in de gemanipuleerde geschiedenisboekjes dit beeld op zijn bord kreeg, zoals ik het vorige blog heb uitgelegd.

Historici zien die nuances wel degelijk, maar doen er eigenlijk veel te weinig aan om die aan scholieren over te brengen. Dat en het terugbrengen van geschiedenisonderwijs tot zo goed als niks en dan nog verouderd en clchématig ook zal in de toekomst geen helderder licht op ons verleden  doen schijnen. Natuurlijk blijven er altijd mensen die gewoon willen weten hoe het vroeger was en waarom de mensen toen deden wat ze deden. Dat worden (amateur)historici.  Er is, en dat weet ik zeker, genoeg belangstelling onder de Nederlanders voor hun eigen geschiedenis. Er wordt ook genoeg min of meer populaire literatuur uitgebracht over ons verleden, maar of dat voldoende zoden aan de dijk zet is de vraag.

Ik denk dat geschiedenis geen vrijblijvende vrijetijdsbesteding meer is of een beroep waarbij je zoveel mogelijk moet publiceren om gewaardeerd te worden en blijven. Historici moeten de  moderne communicatiemiddelen aangrijpen om hun kennis te verspreiden, want scholen doen het binnenkort niet meer. We moeten eigenlijk de straat op en ons losmaken van universiteiten die inhalige leerfabrieken dreigen te worden, van musea die toeristentrekkers zijn geworden en van erfgoedlocaties die de kinderen een spannend  dagje moeten bezorgen om te kunnen overleven. Ik vind het tijd worden dat we gaan uitleggen ‘hoe het eigenlijk geweest’ is. En dat we alle sprookjes, legenden en sagen moeten gaan ontkrachten om te laten zien hoe onze voorouders waren en wat ze deden en waarom.

Ik zie in programma’s als Verborgen Verleden hoe de ‘slachtoffers’ omgaan met hun eigen opa’s en oma’s en wat voor conclusies ze trekken uit wat ze horen. Dat vind ik soms zelfs al zorgwekkend. Aan de ene kant zijn ze dikwijls trots op een voorouder die zich door hard werken, creativiteit en doorzettingsvermogen aan zijn of haar droevig lot heeft onttrokken, maar aan de andere kant is er zo weinig bewustzijn over de leefsituatie van die mensen dat ze echt geschokt zijn over wat ze in de bronnen tegenkomen. Begrip over het leven in vroeger tijd is volkomen afwezig en zeker de kennis over hoe het zo gekomen is. Ook begrijpt men niet hoe mensen in de tijd zelf tegen hun eigen situatie aankeken. Men reageert met de kennis en ervaring van nu en beoordeelt geschiedenis ook daarnaar. Plaats voor de nuance lijkt er niet te zijn. Kortom presentisme

De gemeenteraden die in het verleden beslisten over welke ‘held’ een standbeeld kreeg of waar een straat naar werd genoemd, bestonden uit kinderen van hun tijd. De Staatslieden- en Zeeheldenbuurten, laat staan de Indische en Zuidafrikaanse buurten werden in de late 19e en vroeg 20e eeuw gebouwd en genoemd naar wat men toen  als voorbeelden van patriottisme beschouwde. Die mensen wisten dikwijls ook niet beter. Het is al erg genoeg dat er in die tijd historici waren die dat wel wisten maar niks zeiden. Moeten daarom die standbeelden weg en de straten andere namen krijgen? Nee. Het zijn voorbeelden uit een andere tijd, uit onze eigen geschiedenis, en ze zeggen iets over hoe het ‘toen’ was. Dat is historie. We hebben nu de mogelijkheden en kennis om er een betere uitleg van te geven. Laten we dat dan ook doen, en onze oren niet laten hangen naar mensen die geen historisch besef hebben (kunnen ze ook niet helpen; hebben ze nooit geleerd) en die maar wat roepen omdat ze zogenaamd gekwetst zijn.

Van Walsum eindigt zijn column met:

Geschiedenis moet niet worden misbruikt voor morele chantage. Laten we niet doen alsof we ons diep schamen voor de daden van in vergetelheid geraakte vlootvoogden.

En daar kan ik het alleen maar hartgrondig mee eens zijn.

Waarom geschiedenis? 1

Ik zit al 20 jaar, als één van de twee Nederlanders, op een e-mail-forum voor mediëvisten, dus ver voor ik zelf een echte historicus werd. Het is een internationaal forum en je komt er mensen op tegen uit de hele wereld, van New Zeeland tot Noorwegen, van de USA tot Zuid-Afrika en van eenvoudige amateurs tot university professors. Soms hebben we dagenlang durende discussies over Amerikaans geschiedenisonderwijs, dan weer over Robin Hood in de film of een portret van Eleanor van Aquitanië dat haar niet bleek te zijn. We stellen de lijst ook vragen over literatuur, waar bepaalde boeken te vinden zijn (als Google ze niet heeft gescand) of wat een bepaalde oud-franse zin betekent. Er worden congressen aangekondigd en papers gevraagd, boeken en artikelen besproken en films bekritiseerd.

Met de komst en bredere verspreiding van het internet zag het er even naar uit dat de list leeg zou lopen, maar we zijn er nog steeds. We zitten ook op Facebook en diverse leden hebben eigen blogs of websites. En nog steeds hebben we diepgaande discussies over het vak en het onderwijs erin, waar ik, gelukkig, sinds 2009 regelmatig ook als echte collega mijn steentje aan bijdraag. We hebben het nog niet over de standbeeldenkwestie gehad, maar wel over het gebruik van geschiedenis (en dan natuurlijk voornamelijk de middeleeuwse) voor dubieuze doeleinden, zoals hier in Dordrecht door de gemeente gebeurt. Ik heb het daar niet zo erg over, want dan moet ik veel te veel vertalen en daar heb ik geen tijd voor, maar het onderwerp komt aan bod.

Afgelopen week, 31. 8.2017, kwam Kurt Sherry, een docent geschiedenis op een Amerikaans college, met de vraag of de list hem kon helpen aan begrijpelijke literatuur voor highschool kids die nu, eigenlijk voor het eerst, iets over Europese middeleeuwse geschiedenis zouden gaan horen. Maak niet de vergissing dat in de USA de middeleeuwen niet leven; dat doen ze wel. Maar wel dikwijls, net als hier, in een nogal verwrongen, door Hollywood geïnspireerde  versie. Scholen en universiteiten zijn, net als hier, door bezuinigingen hun docentenbestanden en faculteiten aan het inkrimpen en de geesteswetenschappen zijn daar, net als hier, de eerste slachtoffers van. Kurt kreeg veel hulp en tips, maar er werd ook doorgedacht over wat de leerlingen nou eigenlijk moesten weten en hoe die stof het beste aan hen aangeboden kon worden. Skip Knox, een andere Amerikaan en professor in Boisie, Idaho, zag het wat somber in en poneerde dat je nou eenmaal kinderen hebt die goed of slecht zijn in maths, net zoals kinderen die aanleg hebben voor geschiedenis of niet. Maths wordt bovendien moeilijk gevonden, terwijl het denkbeeld bestaat dat geschiedenis een eitje is. Maar dat gewoon niet iedereen het leuk of interessant vindt. Jammer dan…

Hij kreeg direct weerwoord van Karen Schousboe, een voormalige assistent professor aan de Deense universiteit van Aarhus. Zij kon niet begrijpen dat Amerikaanse kids zo weinig over hun eigen geschiedenis weten en dus niet door hebben wat er in Charlottesville met het beeld van general Lee aan de hand was. Dat had niet veel met de middeleeuwen te maken, maar het is de trend in de USA om, net als bij ons, steeds minder eisen aan de kennis van het eigen verleden te stellen, zodat kinderen opgroeien tot volwassenen die geen idee meer hebben waarom ze, bijvoorbeeld, in een democratie leven en wat dat inhoudt. Waarom ze moeten stemmen en wat hun rol in de maatschappij is, behalve die van consument en gebruiker van infrastructuur. Zij gaf voorbeelden uit het Deense aanbod van lessen zoals die aan de scholen en universiteiten worden onderwezen en dat loog er niet om. Daar kunnen ook wij nog een puntje aan zuigen. Niks leuk of niet leuk: iedereen moet gewoon de geschiedenis van zijn land, zijn continent en zijn wereld kennen. Want anders…

Deze mail werd een uur of vier later gevolgd door een reactie van emeritus professor Bernie Bachrach (1939), de bekende Amerikaanse historicus van de Karolingische oorlogsvoering, het Jodendom in de middeleeuwen en het adellijke huis van Anjou. Hij benadrukte het gevaar van de moderne geschiedenis bestudering als politiek en sociaal smeermiddel. Ik wil mijn bloglezers deze zeer interessante mail niet onthouden en heb hem dus vertaald. Hij sluit aan bij mijn beschuldigingen aan het adres van de Dordtse cultuurbobo’s, maar legt nog duidelijker dan ik uit wat het gevaar daarvan is en wat er in het verleden met deze manier van geschiedenis bedrijven is gebeurd.

Sommige mensen bestuderen het verleden om de vraag te kunnen beantwoorden: hoe zijn we hier terecht gekomen? En ‘hier’ is dan de locatie in het heden die hen interesseert. Dit veroorzaakt een proces waarbij we feiten gaan selecteren over dingen die gebeurd zijn waarvan we geloven dat die ervoor hebben gezorgd dat we ons juist op deze plek bevinden. Tijdens dat proces worden feiten verzwegen waarvan we vinden dat die niet hebben bijgedragen aan het vorm geven van ons hier en nu. Anders gezegd: informatie uit het verleden wordt uit zijn context gehaald om onze moderne vragen te beantwoorden.

Methodologisch is deze benadering al lang geleden losgelaten en van het label ‘nuïsme’ (presentism) voorzien. Door deze benadering worden we namelijk niet geholpen het verleden op zijn eigen voorwaarden te begrijpen, maar vervormen we het tot een bron van selectieve informatie om hedendaagse politieke of sociale doelen te bereiken. Pogingen om het verleden te gebruiken voor politieke denkbeelden waren de basis van geschiedschrijving zowel in Nazi Duitsland als in de communistische Sovjet Unie. Dit principe wordt trouwens nog steeds toegepast door populisten die een bruikbaar verleden zoeken om hun doeleinden te ondersteunen.

Historici zouden van zulk gebruik van het verleden rigoreus afstand moeten nemen, net zoals we het werk van de Nazi-historici hebben verworpen die ‘historische’ rechtvaardigingen schreven voor Hitlers politiek ten opzichte van de Slaven en de Joden. Het is ons werk om het verleden op zijn eigen voorwaarden te leren begrijpen, zodat we toegang krijgen tot het denken van mensen die we anders niet zouden leren kennen. Juist dat verbreedt ons begrip over wat het betekent mens te zijn.

We zien allemaal om ons heen hoe politici de Nederlandse geschiedenis manipuleren om een punt te scoren of hun aanhang te vergroten en dan heb ik het niet alleen over de populisten. Of hoe gemeenten, en niet alleen Dordrecht, hun eigen geschiedenis misbruiken om toeristen te trekken. Het is een gevaarlijke weg, zeker omdat het ‘gewone volk’ steeds minder bagage krijgt om tegengas te bieden (als het die al had…) en bepaald niet wordt klaargestoomd om te leren denken over hoe ze gemanipuleerd (dreigen te) worden. Het is een verontrustend idee dat plannen voor het onderwijs in het vak geschiedenis alleen maar minder inhoud en steeds meer vervlakking van die inhoud laten zien, tot er in 2032, zoals gepland, niets meer van geschiedenisonderwijs over is.

Denk er maar eens over na.

Wordt vervolgd

Wat was Riede en waar lag het? (7)

Dit wordt een bijzonder saai stukje, met vooral tekst en plaatjes van tekst. Even doorbijten, want het is noodzakelijk voor de conclusie die in het volgende en laatste blog getrokken zal worden.

Overal waar je zoekt wordt beweerd dat de Riederwaard naar de familie Van Riede werd genoemd. Wikipedia beweert  zelfs letterlijk dat Theodericus de Riede als naamgever van de waard wordt beschouwd. Door wie of sinds wanneer staat er niet bij, maar juist vanwege zulke vage beweringen moet je met Wikipedia voorzichtig zijn. Maar ook met de vele genealogische sites op het internet. De website over de familie Van Rij(e) suggereert namelijk dat de familie haar naam niet aan dit waterrijke gebied heeft gegeven, maar eraan heeft ontleend, ondat het onder water staan van land als ‘rijdende’ of ‘riedende’ werd genoemd. Andere verklaringen zeggen dat de waard genoemd is naar de eerste bedijker die ridder of rijder was. En dat geldt ook voor Ridderkerk, dat door een ridder (of ridders) zou zijn gesticht.

Het past een historicus dat hij eens in de bronnen gaat zoeken wat de oudste vermeldingen van die namen Riederwaard en Ri(e)derkerk zijn. Van de locatie Riede zelf, zoals die in het falsum van 1064 (1145) voorkomt, heb ik in een eerder blog al proberen aan te tonen dat het helemaal niet op de plaats, die later Riederwaard werd, gelegen hoeft te hebben. Bij de naam Rederwerde kunnen we, zoals ik het vorige blog schreef, niet zeker zijn of het hier om de Riederwaard gaat. Maar hoe zit het met de echte Riederwaard zelf?

riddewart 1276
Detail uit de oorkonde van 1276 (1277) (OHZ III nr. 1773).

Het oorkondenboek van Holland en Zeeland geeft pas in 1276-77 Riddewart als naam die bewijsbaar voor het bewuste gebied is bedoeld en noemt in de zelfde oorkonde ook de kerk van Rieden. Dus niet van Riederkerke. De oorkonde is voor Dirk van Alkemade, een Noordhollands edelman, die door graaf Floris V beleend wordt met een stuk land, de Geer genoemd (waar de kerk staat), en nog wat gebied in de Riederwaard. Dat het echt om deze locatie gaat is op te maken uit het feit dat de Singelkerk, de oudste hoofdkerk van Ridderkerk, inderdaad in de Geer staat. Het gaat hier echter niet over een lid van de Van Riede familie en voor zover ik dat kan beoordelen heeft een Van Riede ook nooit iets in Ridderkerk of het ambacht Riede te maken gehad, want dat viel onder de heren van de Lecke. Wat het tamelijk onzeker maakt dat het dorp naar een Van Riede is genoemd.

riederwaard 1288
Het handvest van de Riederwaard uit 1288 volgens de tekst uit 1592 (OHZ IV nr. 2341)

Probleem met deze vroege vernoeming is dat het origneel van deze brief niet meer bestaat en dat de eerste kopie ervan uit 1329 dateert. Oftewel: toen de Riederwaard al meer dan 40 jaar zijn ‘handvest’ had (1288). De benaming Riddewart kan dus best pas toen zijn ontstaan. Dat is waarschijnlijk niet zo, maar het had gekund. Je kunt een waard  met een stad vergelijken. Zo’n handvest betekende, net als bij een stadsrecht, niet dat die waard toen pas ‘gesticht’ werd. Er zal al best een tijdje een min of meer omdijkt gebied hebben bestaan  dat al het nodige deed aan zijn waterstaat. Het handvest van 1288 is trouwens ook niet bewaard gebleven en kan niet vergeleken worden met bijvoorbeeld dat van de Alblasserwaard van 1277, waarin de hele structuur van zo’n waterschap werd geregeld. In dat van de Riederwaard staat niet meer dan vier artikelen (in het Alblasserwaardse handvest ook maar zes, maar daarin wordt veel meer geregeld door de heren van de ambachten en de heemraden) waarmee de graaf alleen maar beslist over wat er moet gebeuren als er een dijk doorbreekt, wie dat moeten repareren en wie daaraan mee moeten betalen. Meer niet. En dit vroegst bewaarde afschrift, in een 16e eeuwse versie van het middelnederlands, dateert pas uit 1592 (!).

riederwaard 1292
Bewaard gebleven oorkonde uit 1292 waarin zowel de Riederwaard als voor de eerste keer Ridderkerk in worden genoemd (OHZ IV nr. 2707)

Het eerste bewaard gebleven stuk waarin de Riederwaard zonder twijfel ter sprake komt dateert uit 1292. Hij is in echt middelnederlands gesteld in tegenstelling tot het late afschrift van het ‘handvest’. Het is toevallig ook de oorkonde waarin Ridderkerk voor het eerst genoemd wordt. De heemraden van de Riederwert beslissen, voor de baljuw van Zuid-Holland, dat iemand die zijn plicht tot dijkonderhoud in de waard ontloopt zijn land aan de ambachtsheer van Riederkerke zal kwijtraken. Er is dus een ambachtsheer in 1292, maar… dat was geen Van Riede. Tot dat adellijke huis in 1342 uitstierf behoorde de heerlijkheid aan de heren Van de Lecke die al vroeg in de 13e eeuw veel bezit hadden aan weerszijden van de Lek, in de westelijke Krimpener- en Alblasserwaard. En dus wat in de Riederwaard. De ambachtsheer van Ridderkerk in 1292 was Hendrik II van der Lecke (ca 1240-ca 1309) die het ambacht waarschijnlijk van zijn vader Hendrik I had geërfd.

Al het voorgaande zou erop kunnen wijzen dat de Riederwaard niet van oorsprong naar de Van Riedes is genoemd. In 1214 was er in ieder geval nog geen sprake van iemand uit die familie die in dit gebied een leen bezat. Als de Rederwerde dan niet naar hen genoemd is, wat betekent die naam dan wel? Misschien is deel ‘reder’ of ‘reden’ hier afkomstig van het zogenaamde ‘rijden’ van een waard, oftewel het langdurig onder water staan van zo’n polder. Maar dit is zuivere speculatie.

Wordt vervolgd

Wat was Riede en waar lag het? (4)

De vraag is nu natuurlijk wel welk bewijs er is voor het localiseren van het ambacht Riede ten oosten van Dordrecht en niet in de Riederwaard. Ik zeg het maar eerlijk: niet veel. Er is bijvoorbeeld nergens een vermelding van een heer van Riede, dus je kunt er zelfs niet zeker van zijn dat ze het bewuste stuk land van iemand in leen hadden. Hoek zegt in zijn artikel dat de Van Riedes, als ze heren in Barendrecht en Pendrecht worden in de tweede helft van de 13e eeuw, duidelijk al een ‘versteende’ achternaam hadden. Dat houdt in dat ze hun naam niet meer veranderden naar die van de nieuwe heerlijkheden, zoals eerdere nieuwe heren deden. Daarom vermoedt hij dat ze al een flinke tijd over de heerlijkheid Riede regeerden voor ze, als leenmannen van de heren van Altena (die daar bezit hadden), in de Riederwaard terecht kwamen. Hij zocht die basis in de buurt van Werkendam. Misschien was, volgens hem, de naam Riede wel de oorspronkelijke naam van het plaatsje. Toen de dam even voor 1230 werd aangelegd, veranderde dus de naam. Ik kom daar nog op terug.

Eerst even de minst verdachte bewijzen voor Riede naast Dordrecht. Het zijn er vijf.

riedijk
Plattegrond Voorstraat-Riedijk (Google Maps)

1   Aan het noordoostelijke eind van de Dordtse Voorstraat gaat die straat over in de Riedijk. Er zijn nogal wat mensen die denken dat die naam afgeleid is van Rietdijk, waarbij de ‘t’ in het spraakgebruik verzacht is tot een ‘d’. Toch heet die dijk al heel lang zo. In de Dordtse stadsrekening van 1286-87 komt al ene Gilles van den Riedyke voor. De dijk maakt een scherpe bocht naar het oosten en liep in het verleden, dus voor 1421, langs de zuidoever van de Merwede richting Werkendam. Achtereenvolgens kwam hij door de ambachten Merwede, Crayenstein, Langambacht, Kortambacht, Houweningen en Werkendam, waar hij aansluit op de al genoemde dam. Dergelijke dijken werden meestal genoemd naar de plaats waar ze naar toe leiden. Dus als hij Riedijk heet, kan dat slaan op de dijk die je neemt als je vanuit de stad naar Riede gaat.

2   De oudste personen die Van Riede worden genoemd komen voor in oorkonden die in Dordrecht zijn opgesteld of die over zaken in de nabijheid van Dordrecht plaats vinden. De vroegst genoemde is Theodericus de Rithe die in 1216 in Dordrecht als getuige voor gravin-weduwe Aleid van Kleef (die we al eerder zijn tegengekomen) fungeert. Hij wordt in de genealogische literatuur ook dijkgraaf van de Grote Waard genoemd, maar dat kan niet kloppen want dijkgraven komen pas in de 14e eeuw voor. De Grote Waard werd trouwens pas na 1230 zo genoemd, toen er een aantal dammen waren aangelegd die het gebied aaneen sloten.

brun de riethen
Detail uit het zwaar beschadigde ‘stadsrecht’ van 1220. Er staat duidelijk ‘Brun de Riethen’. Het blijft natuurlijk de vraag of Riethen hetzelfde is als Riede.

3   Even later is er Brun de Riethen (ook Riden) die notabene als getuige wordt genoemd onderaan het ‘stadsrecht’ van 1220. Hij wordt ook nog in 1243 als getuige in een oorkonde van Nicolaes van Putten genoemd als die de rechten van Almsvoet regelt met het kapittel van St Pieter te Utrecht. U ziet wel dat we heel wat bekende zaken tegenkomen waar vroege Van Riedes in figureren. Ze waren in ieder geval belangrijk genoeg om in gravelijke en hoogadellijke oorkonden te getuigen. Samen met Brun wordt trouwens Daniël van de Merwede in 1243 genoemd. Volgens Lenselink is dit de eerste keer dan een Van de Merwede in de nog bewaard gebleven bronnen voorkomt. Dat zou kunnen betekenen dat Riede dan inmiddels Merwede heet, want het is redelijk duidelijk dat hij naar een heerlijkheid is genoemd. Maar wat is er dan met Riede gebeurd?

crayenstein
Gefantaseerde weergave van het in 1563-64 afgebroken kasteel Crayenstein (aquarel uit de 18e of 19e eeuw).

4   Even daarna, in 1275 en 1277, wordt ene Zigerus (Zeger) de Riede of Ryde vermeld in oorkonden waarin hij een van de mensen is die dicht betrokken zijn bij de inhoud van die documenten. In de vroegste wordt hij provisor van de Grote Waard genoemd (dat was de voorloper van de latere dijkgraaf) en in de latere is hij één van de gegoeden in de Alblasserwaard als dat waterschap zijn eerste keur krijgt. Hij is daar leenman van een stuk van Oversliedrecht aan de noordoever van de Merwede. Tegelijk was hij zelf heer van Crayenstein, het ambacht dat tussen Riede/Merwede en het Langambacht van Sliedrecht aan de zuidelijke Merwedeoever ligt (zie de kaart bovenaan dit blog). Volgens de overlevering is hij ook degene die het kasteel Crayenstein daar omstreeks 1250 heeft gebouwd.

5   Rond 1286 is er Antonis van Riede heer van het Kortambacht van Sliedrecht, tussen het Langambacht en Houweningen in. Zijn zoon en kleinzoon zijn dat ook. De laatste komt nog in 1390 in de leenregisters van Altena voor. Antonis was in 1290 ook heer van Pendrecht in de Riederwaard, evenals zijn zoon Herbaren en zijn kleinzoon die ook Herbaren heette. Beide laatsten waren ook heren van Werkendam als leenmannen van Altena.

Als u dan ook nog weet dat het Langambacht van Sliedrecht tenminste van ca 1300 tot 1421 in handen was van een tak van de familie Van de Merwede, dan kan er ondanks al deze circumstantial evidence toch wel voorzichtig geconcludeerd worden dat de zuidelijke oever van de Merwede sinds ca 1200, maar waarschijnlijk al vroeger, geheel in handen was van de Van Riedes. Het gebied over een lengte van circa 18 km werd op den duur opgedeeld in kleinere stukken, zes of zeven, waarbij de oostelijke twee of drie onder de heren Van Altena vielen en de westelijk onder de heren van Voorne, en hun leenmannen de heren Van Putten. Dat ze zowel betrokken waren bij de stad Dordrecht als bij grafelijke politiek, plus dat ze hoge functies in de Grote Waard vervulden, duidt aan dat ze belangrijke edelen waren. Ook in de 14e eeuw zijn Van Riedes nog dijkgraaf daar geweest en de Van de Merwedes hebben het zelfs tot baljuw (vertegenwoordiger van de graaf in een deel van het graafschap) van Zuid-Holland geschopt.

Kort voor 1243 kan het oorspronkelijke westelijke Riede de naam Merwede hebben gekregen en wie weet bestond er ergens rond de Werkendam een oostelijk Riede, van waaruit een tak ook naar de Riederwaard verhuisde. Of ze daar hun naam aan gaven is onbekend, maar niet onwaarschijnlijk. Dat zal dan echt niet veel later dan 1260 geweest zijn, toen Dirk van Riede Barendrecht moest gaan inpolderen en er een kerk zou gaan stichten (of heroprichten). Ik zal in het volgende en laatste blog proberen uit te leggen dat die waard voor die tijd echt niet zo heette.

Wordt vervolgd

De Dordtse Waard (1)

jacobus valk
Jacobus Valk (foto Regionaal Archief Dordrecht)

Bij ons in de buurt ligt een wijkje dat het Land van Valk genoemd wordt. Oorspronkelijk was dat land namelijk van  de zoons van Jacobus Valk (1838-1923), een tuinder die langs de Reeweg was begonnen, maar die vanwege de stadsuitleg verhuisde naar land ten zuiden van de nieuwe spoorlijn (1885) naar Geldermalsen. Omdat de stad steeds verder uitbreidde kocht de gemeente ook dat land om er op den duur een nieuwe wijk op te gaan bouwen. Het ligt in de hoek tussen de twee spoorlijnen, de Dubbeldamseweg en de Twintighoevenweg. De Krommedijk, die de zuidkant van de Noordpolder vormt, loopt er dwars doorheen. De straten daar heten naar “parochiën van vóór den watervloed van 1421”, zoals wijlen archivaris Jan van Dalen dat schreef. Deze straatnamen werden voor het zuidwestelijke deel van de wijk in de jaren 1922 en 1930 vastgesteld. Later in de jaren ‘30 kwam er aan de noordoostkant nog een aanvulling bij met nog meer namen van verdwenen dorpen. Op bijna alle straatnaambordjes staat dat die ‘dorpen’ in de voormalige Dordtse Waard lagen. Dat is maar gedeeltelijk waar. Ik zal proberen uit te leggen hoe het dan wel zat en zit.

detail dordtse waard 1305
Detail uit de vidimus van de oorkonde uit 1200 waarbij het zuiden van Holland een Brabants leen werd.  Er staat: opidum Durtreth ex utraque parte aque Durtretswerde, oftewel: de stad Dordrecht aan weerszijden van het water, Dordrechtswaard (Brabantse Charters nr. 7, 1305)

Eerder heeft u in dit blog kunnen lezen dat de Durtret(s)werde al in 1200 wordt genoemd. Dat was in de oorkonde waarbij graaf Dirk VII een groot deel van wat later de Grote Waard zou worden aan de hertog van Brabant in leen opdroeg en waardoor hij zijn leenman werd. Naast Dordrecht ‘aan beide zijden van het water’ en de Dordrechtswaard (ook Dordrechtse of Dordtse Waard genoemd) komen er nog een paar andere met name genoemde gebieden in voor. Dat zijn Harredeswerde en Dusne plus al het land tussen Strine en Walwic. Inmiddels weten we dat Dordrecht en zijn waard en de Herradeswaard en Dussen ten noorden en dat land tussen de Striene en Waalwijk te zuiden van de Maas lagen.

Ik moet even wat zeggen over die dorpen. We weten allemaal dat een dorp een verzameling huizen binnen een bepaald territorium is. In de middeleeuwen lagen dorpen binnen een ambacht. Een ambacht was een juridische eenheid, bezit van de graaf of de bisschop, met een heer als leenman van die vorsten aan het hoofd. Hij regelde alles op juridisch gebied met zijn schout en heemraden (zo heetten ze in Holland, andere gewesten kennen soms andere namen) en zorgde voor de afdracht van belastingen en boeten aan de leenheer. Sommige ambachten telden meer dorpen of een dorp met meerdere buurten of gehuchten.  Meestal stond er wel een kerk in zo’n dorp. Zeker in het grootste of hoofddorp van het ambacht. Als die kerk  zelfstandig was, was het de hoofdkerk van een parochie, een geestelijk gebied. In Holland behoorden die allemaal onder het bisdom Utrecht, dat dus de geestelijke macht had in ambacht en dorp. Een parochie kon meerdere ambachten en ook meerdere dorpen bevatten, maar er waren ook parochies waarbij de grenzen van dorp en ambacht samenvielen met die van de parochie. De inwoners ervan betaalden tienden (10 % van de opbrengst van land en vee) aan de bisschop die er de kerk en de pastoor van liet onderhouden. Dat was de ideale situatie…

ramaer
Ir. J.C. Ramaer. Portret uit 1912.

Er is gek genoeg niet veel geschreven over de Dordtse Waard. De laat 19e eeuwse geografen Hingman en Ramaer en de vroege 20e eeuwers Teixeira de Mattos en Van Rheineck Leyssius hebben hem wel meegenomen als het over de Grote Waard ging, maar ze zijn het onderling nooit eens geworden over welke dorpen waar lagen en hoever die waard reikte. Inmiddels is wel bekend dat de Merwede, de Werken (bij Werkendam), de Alm, de Maas en de Dubbel plus het stukje doorgebroken Merwede oftewel de Oude Maas bij Dordrecht de grenzen waren. Behalve die laatste rivier en de Merwede zijn alle andere wateren na 1421 verdwenen dus hoe de grenzen precies liepen is niet meer na te gaan. We kunnen er wel vanuit gaan dat alle gebied daar oorspronkelijk bezit was van de graven van Holland.

teixeira de mattos
Jhr. L.F. Teixeira de Mattos (1872-1945). Civiel ingenieur en auteur op waterstaatsgebied.

In het westen, in een driehoek tussen de Dubbel en de Maas lag nog de pas rond 1270-80 polder geworden Tieselenswaard. Die waard is genoemd naar het kerkdorp Tieselenskerke dat al in 1126 wordt genoemd. Het werd toen door de bisschop van Utrecht aan het kapittel van St Pieter geschonken. De kerk moet ergens aan de Maas gestaan hebben, waarschijnlijk ongeveer op de plaats waar nu de kruising van de A16 met de N3 naar de tunnel naar ’s-Gravendeel ligt. Tieselenskerke was het hoofddorp in het ambacht Oudeland. Dat duidt al aan dat dit het oudste gedeelte was dat waarschijnlijk nog in de 11e eeuw was ontgonnen. Uit de 13e eeuw zijn andere namen van ambachten en de bijbehorende kerkdorpen in dit gebied bekend.

tieselenswaard
Handvest van de Tieselenswaard uit 1282, zoals het afgeschreven is in het werk van Matthijs Balen (1677).

Ook dit gebied moet van de graaf geweest zijn. De ambachten hadden echter hun eigen heren. Van hen zijn al uit de  13e eeuw wat namen bekend. Graaf Willem III van Henegouwen-Holland wilde na de oorlog met Vlaanderen in 1304-05 het woelige Zeeland beter aan zich onderwerpen, vandaar dat hij het grootste deel van de Tieselenswaard in 1310 ruilde met het St Pieterskapittel voor hun gebieden op diverse Zeeuwse eilanden. Tot aan de Elisabethsvloed is de Tieselenswaard dus een kerkelijke enclave geweest in de Grote Waard. Niet alleen dat, maar in 1282 had het van de graaf, Floris V, een handvest gekregen dat de waard eigenlijk los van de Grote Waard maakte (voor zover dat al niet eerder het geval was…). De bewoners en heren hoefden andere delen van het grotere geheel niet te hulp te komen als de nood aan de man was. Ze hoefden alleen hun eigen dijken, sluizen en watergangen maar te onderhouden. Ze hoefden zelfs niet mee te doen met de grafelijke heervaart. Ze hebben stijfkoppig aan die voorrechten vastgehouden, ook als ze onder grote druk werden gezet door Dordrecht of de latere graven.

Straatnaambord in het Land van Valk

Het was tevens het eerste Hollandse gebied waar niet alleen edelen als ambachtsheer voorkwamen. Vanaf 1318 hebben diverse rijke Dordtse kooplui flinke stukken van de waard bestuurd. Ze gebruikten het ook als plek om sjieke buitenplaatsen te bouwen. Latere generaties hebben de waard het ‘Troetelkind der Dordtenaren’ genoemd. Voor meer informatie over de Tieselenswaard kunt u hier terecht.

Door vergelijkend onderzoek in allerlei bronnen tussen 1200 en 1530 is redelijk duidelijk geworden  welke dorpen waar lagen. Ook de archeologen hebben de nodige resten van kerken en huizen teruggevonden. De straatnaamborden zijn hier helaas niet op gebaseerd en hebben dringend aanpassing nodig. Dat wil zeggen: ik vind dat dringend nodig. De bewoners van het Land van Valk zitten er niet zo mee, zo bleek me bij mijn foto-sessie op een koude zondagmiddag in januari. Maar ja, je bent nu eenmaal middeleeuws historicus…

Ik geef in het volgende blog de lijst van straatnamen (met bewijs) en vertel erbij waar de dorpen en ambachten liggen die ze noemen.