Tollen en Dordrecht (2)

Geervliet (zie hierboven: foto Koos Prooi) komt in dit tweede blog over tollen nu echt aan de beurt. Op Dordrecht moet u nog een paar dagen wachten. Ik probeer hier te bewijzen dat er vanaf ca 700 een zo goed als ononderbroken traditie van tolheffing aan de Maas-Merwedemonding bestond.

Ik had het in het vorige blog over een koninklijke/keizerlijke tol bij of in Witla aan de Maasmonding. De geleerden zijn het erover eens die locatie aan de zuidelijke oever moet hebben gelegen, ergens op Voorne of Putten, schuin tegenover Maassluis-Vlaardingen. Het komt als Witle al voor aan het eind van de zevende eeuw in Vlaamse kloosterarchieven en wordt in de annalen van het klooster Fulda (Duitsland) Witlam genoemd, nadat het in 836 door Noormannen is verwoest. Meer dan 300 jaar later blijkt bijna op dezelfde plaats nog steeds een tol te bestaan die in 1179 als vorstelijk leen aan de Hollandse graaf Floris III (graaf 1157-1190) wordt geschonken door de Duitse keizer Frederik I (koning 1152, keizer 1155-1190). Maar die ligt dan bij het plaatsje Geervliet. En dat ligt weer aan de Bernisse, die ‘vroeger’ Widele werd genoemd. De overeenkomst Witla-Widele zegt eigenlijk al dat de tol van Geervliet een latere versie was van die originele tol van Witla. Dat zou inhouden dat er vanaf ongeveer het begin van de achtste eeuw daar door de koning of keizer invoerrechten werden geïnd die in zijn schatkist terecht kwamen.

keizer frederik I
Keizer Frederik I, bijgenaamd Barbarossa (Roodbaard) in een manuscript uit 1188 (Vaticaanse Bibliotheek)

De Westfriese graaf gooide echter roet in het eten. In 985 had graaf Dirk II van keizer Otto II al het land tussen de Lier (een water in het Westland) en (Hollandse) IJssel, dus het Maasland, ten noorden van de Maas, en ten zuiden ervan tot aan Zonnemaire op Schouwen (waaronder Voorne) in allodiaal, dus persoonlijk bezit gekregen. Plus nog gebied rond Medemblik, in Texel en in Kennemerland. Dirk II had het genoemde gebied al eerder in leen, maar waarschijnlijk had hij het in de praktijk al als een zelfstandig vorst bestuurd. Of daarbij de tolheffing inbegrepen was is niet duidelijk, maar het is onwaarschijnlijk, want de tol krijgen de graven pas in 1179 in leen. Dat houdt dus in dat de tol daarvoor altijd keizerlijk bezit was gebleven.  De keizer zat erg ver weg en had te veel andere zaken aan zijn hoofd om zich intensief met deze uithoek van zijn rijk te bemoeien. Sinds 985 was het gebied dus van de Westfriese graaf en hij had, toen hij zelf in Vlaardingen neerstreek, volgens de bronnen ook gelijk het regaal (koninklijk privilege) van het heffen van tol maar geannexeerd. Hoewel dat dus onterecht was en hij er bestraffing voor riskeerde, was het niet onlogisch. Hij had alleen de keizer erin moeten laten delen.

slag 1018 2008
Heropvoering van de slag bij Vlaardingen in 2008. Het geeft een betrouwbaar beeld van de wapenrusting uit 1018 (Foto: Rene Kuysten).

Graaf Dirk III (graaf 993-1039) hief tussen 1005, toen hij zich in Vlaardingen vestigde, en 1018 niet alleen tol, maar ontzag zich ook niet om kooplui te beroven als ze hem tegenwerkten. Klachten daarover, o.a. van Tielenaren, bereikten de keizer. Die stuurde in 1018 een vloot met een leger onder aanvoering van de hertog van Lotharingen op hem af om die praktijk af te straffen. Dat liep voor de keizer en de hertog fout af, want Dirk wist het leger door een mengsel van listen en gebruik maken van het drassige terrein te verslaan. Dat was dus de bekende slag bij Vlaardingen.

Ook na 1018 bleven de graven hier tol heffen. Misschien hebben ze vanaf die tijd in ieder geval wel een deel van de opbrengst naar de keizer doorgestuurd, want er zijn tot 1158 geen berichten meer over moeilijkheden over de tol. Die kwamen in dat laatste jaar echter uit een andere richting. In 1158 kreeg de toenmalige graaf, Floris III, namelijk de Vlamingen op zijn nek. Die vonden dat hij een te hoge tol hief en allerlei extra heffingen introduceerde die zij als roof beschouwden. Ze verbrandden bezittingen van de graaf in het land van Waas en keerden met veel buit naar huis terug. Floris schijnt daarna ingebonden te hebben, maar in 1166 was het weer raak. De Vlamingen kwamen nu met een vloot naar Holland, versloegen de graaf en namen hem gevangen. Hij kwam pas vrij toen hij in 1167 in het verdrag van Brugge erkende dat Vlaamse kooplui niet meer dan normaal hoefden te betalen over hun vracht.

Dat de originele naam van de tolplaats Witla in later tijd, ondanks die verwoesting, nog wel bekend was blijkt uit de namen van twee volgelingen van diezelfde graaf Floris III. In 1167 worden er namelijk als getuigen van het verdrag van Brugge twee lieden in zijn gevolg genoemd die Costin en Willemmus de Witla heetten. Waar ze vandaan kwamen staat er niet bij, maar het zouden best eens inwoners van Voorne geweest zijn. Hun heer, Floris van Voorne, komt namelijk ook in dat document voor. Geervliet lag toen aan de Widele. Het lag daarom of op de plek van het oude Witla, of aan de andere kant van die rivierarm.

relief milaan
Relief van de terugkeer van de inwoners van Milaan in 1167, na de verwoesting van 1162 (1171, Castello Sforzesco, Milaan, Foto Giovanni Dall’Orto 2008).

Graaf Floris III  kreeg in 1179 de tol in leen en kon er de inkomsten van (voor het grootste deel?) in eigen zak steken. Er wordt gespeculeerd dat dit misschien als dank voor geleverde diensten aan keizer Frederik I  gebeurde. Hij was in het gevolg van de keizer toen die in 1176-78 op krijgstocht was in Italië.  De bewuste oorkonde is echter niet bewaard gebleven. Er wordt alleen aan de schenking gerefereerd in een vernieuwing ervan in 1195 voor Floris’ zoon Dirk VII. Bovendien is de datum wat verdacht. Oppermann heeft die datum gekozen omdat er in januari 1179 een hofdag in Worms was, waar Floris als getuige bij een oorkonde genoemd wordt.  Dergelijke privileges werden meestal op de hof- of rijksdagen gegeven en het is waarschijnlijk dat Floris niet op latere dagen aanwezig was.  Wel geeft hij wat verderop in 1179 een tolvrijstelling voor een abdij in Antwerpen. Je zou kunnen concluderen dat hij dat pas kon doen toen hij de tol bezat (in leen dan…) en dat daarvoor alleen de keizer dat had kunnen doen. Het is allemaal nogal vaag dus, maar in de geschiedschrijving over Holland wordt in ieder geval gedaan alsof het zo vast als een huis staat.

 (Wordt vervolgd)

Gesneuveld of vermoord?

huis hollant

In mijn eerste blog schreef ik dat Wikipedia het mis had toen ze schreven dat Dirk IV in 1049 bij Dordrecht werd vermoord. Volgens mij sneuvelde hij in een oorlogssituatie omdat hij in een hinderlaag was gelokt door een leger. Ik kreeg daar wat kritiek op. Men wees mij erop dat de woorden victum occidunt, die Herman van Reichenau in zijn kroniek voor deze handeling gebruikt, als mogelijke interpretatie hebben dat de bisschoppen het vooropgezette plan hadden om de graaf “om te leggen”. Het was dus van begin af aan de bedoeling, volgens de criticus, dat hij niet gevangen genomen zou worden, maar bewust zou worden vermoord.

Ik antwoordde dat een leger van toch wel een aantal honderden gewapende mannen niet echt te vergelijken valt met een persoon met slechte bedoelingen die zijn slachtoffer stiekem opwacht met de bedoeling hem om te brengen. Dat noem je een moord. Zoiets als Balthasar Gerardts die voor geld en de eer in 1584 Willem van Oranje doodschoot, de edelen die graaf Floris V in 1296 vermoordden (al kun je daar van een moord voortgekomen uit paniek spreken) of Volkert van der Graaf die in 2002 met voorbedachten rade Pim Fortuyn vermoordde. Een leger doodt meestal een heleboel mensen in een oorlogssituatie, maar je noemt een oorlog geen moord. Al wordt in beschrijvingen van oorlogen natuurlijk wel het woord (uit)moorden regelmatig gebruikt.

Ik werd ook nog gewezen op een vroege vermelding van het woord ‘vermoord’ voor deze daad in een kroniek. Het komt namelijk al voor in de zogenaamde Rijmkroniek uit het eind van de dertiende eeuw en daar staat:

Tot Dordrecht indie poert
Wart hi belaghet ende vermoert

rijmkroniek
Detail van een pagina uit de vroeg veertiende-eeuwse versie van de Rijmkroniek. Hier kun je goed zien hoe het rijmschema in elkaar zit.

Het heet natuurlijk niet voor niets de Rijmkroniek. Het hele boek is helemaal opgebouwd uit het rijmschema AA, BB, CC, etc. en dat levert me toch een hoop kreupelrijm op… Als het daarin over steden gaat is het al heel gauw ‘in die poert(e)’ omdat je daar lekker makkelijk mee kunt dichten. Nu het hier over een graaf gaat die in de ‘stad’ Dordrecht sneuvelde is het rijm ‘moert’ al snel gevonden. Men moet er verder niet van uitgaan dat men zo rond 1280 nog wist wat er in januari 1049 nou precies was voorgevallen. De rijmer kende de Egmondse annalen – hij had er het meeste materiaal van voor 1205 uitgehaald –  en hij was misschien nog verontwaardigd over de dood van een verre oudoom van graaf Floris V. Dan klinkt zo’n berijmde dood als moord lekker pittig. Maar het is in de ogen van een historicus geen bewijs dat graaf Dirk echt vermoord werd. De kroniekschrijver wist ook dat het voorval te Dordrecht had plaatsgevonden, maar had er geen idee van dat er 250 jaar geleden nog lang niet de bloeiende handelsstad uit zijn tijd was. Want dat betekent poerte: een havenstad (zie ook Engels port = haven(stad), van Latijn: portus = haven).

Dat het een makkelijk zinnetje was om het eind van de graaf te beschrijven blijkt uit het feit dat Jacob van Maerlant het bijna letterlijk in zijn Spiegel Historiael (ca 1286) gebruikte. Van Maerlant kende de Rijmkroniek en heeft er veel  voor zijn geschiedenis van Holland aan ontleend. Hij schreef:

Wart ghebrocht des levens ave
Tote Dordrecht in die port
Van sinen viande ende vermort.

Ook dat is zo’n Sinterklaasrijm-werk, waarin op dezelfde nogal gemakzuchtige manier werd gedicht. Het was niet ongebruikelijk in die tijd om zulke kronieken in de volkstaal zo te componeren. Ze werden dikwijls voorgelezen – er waren nog weinig mensen die konden lezen –  en het rijm maakte dat je een lekkere cadans kreeg die ook nog makkelijk te onthouden was. Om er diepgravende historische conclusies uit te trekken gaat echter te ver.

Ik ben geen latinist dus ik kon bevestigen noch ontkennen dat die twee woorden die Manke Herman opschreef dat betekenden wat de criticus dacht. Dus besloot ik het probleem voor te leggen aan een aantal mediëvisten die middeleeuws latijn kennen en kunnen interpreteren. Ik vroeg hen of victum occidunt echt betekende dat Dirk gedood werd om hem te overwinnen. Nee, zeiden de geleerden. Letterlijk staat er volgens hen:

… en nadat hij in een ontstaan gevecht overwonnen was, doodden ze hem.

Dus precies andersom. Het doden was dus een gevolg van het overwinnen. Hier blijkt dus uit dat ze zich niet inhielden en de graaf, in plaats van hem gevangen te nemen, doodden. En daarom tegen die erecode ingingen waar ik het in het vorige blog over had. Dat is echter nog steeds geen moord, maar gewoon het gevolg van de bestraffing na bijna onvergefelijke misdaden en het vervolgens verliezen van een gevecht. Een ander omschreef het iets anders, maar het betekende hetzelfde:

… en toen het gevecht was aangegaan doodden ze hem nadat hij was overwonnen.

Men ontkende met klem dat er staat:

…om (hem) te overwinnen, doodden ze hem.

Trouwens: als Dirk, lafhartig, was vermoord, had de Egmondse kroniekenschrijver dan niet verontwaardigder gereageerd? De graaf was een begunstiger van de abdij, hij is er ook begraven en er werden zielemissen voor hem opgedragen. Wesfrisia was in wezen tamelijk onafhankelijk geworden van de goedkeuring van de keizer en trok zich ook niet veel aan van de buurbisschoppen. Een door die vijanden gepleegde stiekeme moord  zou voor oproer gezorgd hebben met beschuldigingen zowel naar de keizer als de bisschoppen toe. Nu staat er alleen dat de graaf niet voldoende op zijn hoede was en sneuvelde. Hij was te ver gegaan in zijn provocaties van de keizer en de bisschoppen en dat was het resultaat. Jammer. Graaf Dirk is dood, leve graaf Floris. Die hierdoor overigens wel een vete erfde; want zo’n dood moest wel gewroken worden.

huis hollant 2
Nogmaals het Huys genaemt Hollant tegenover de Gravenstraat in Dordrecht, de legendarische moordlocatie.

Opgelost? Nou, zo makkelijk gaat dat niet. Dat Dirk IV is vermoord is nogal een hardnekkig thema in de geschiedschrijving van Dordrecht. Dat komt voornamelijk omdat er in later eeuwen een hele sage om die gebeurtenis is ontstaan. Allerlei romantische en heldhaftige fantasieën zijn er op losgelaten en die zitten nog steeds vast verankerd in het brein van veel Dordtenaren. Niet in het minst omdat het nog eens van stal werd gehaald door Ruben Koman in zijn Groot Dordts Verhalenboek (Bedum 2005) p. 69-74. Ik ga dat verhaal uit principe niet in mijn blog herhalen; er wordt volgens mij al veel te veel gefabuleerd in de meer populaire geschiedenissen over de middeleeuwen. Neem van mij aan dat het Gravenstraatje in de Dordtse binnenstad niet naar de dood van Dirk IV is genoemd en dat het huis Genaemt Hollant aan de Wijnstraat, van waaruit Dirk zou zijn doodgeschoten, er in 1049 nog lang niet stond.

Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (4)

bayeux borduurwerk

Het vierde en laatste blog in een serie van vier over de dood van graaf Dirk IV bij Dordrecht.

Was dat normaal dat een graaf tijdens een strafexpeditie werd gedood? Nee, dat was het niet. Iedereen weet dat de middeleeuwen soms een behoorlijk gewelddadige tijd kon zijn, waarin mensen elkaar met allerlei scherpe wapens afmaakten, maar het zomaar doden van een hoge edelman was zeker tamelijk zeldzaam. Natuurlijk sneuvelden edelen regelmatig op een toernooi of in een oorlog, maar dat zo iemand door of op bevel van zijn leenheer werd gedood was niet gebruikelijk. Het geval van de aanstichter van de opstand tegen keizer Hendrik III waar Dirk ook aan meedeed, de Opper-Lotharingse hertog (en dat is nog wel wat hoger dan een graaf) Godfried met de Baard, toont dat duidelijk. Hij werd gedurende zijn opstanden regelmatig gevangen genomen, na een tijdje weer vrijgelaten en als onderdaan aangenomen om dan weer te rebelleren, etc.  Ondanks dat hij steeds weer verraad pleegde tegen de keizer werd hij ook steeds weer vergeven.  Ook de andere samenzweerders werden zo behandeld. Het land van de Vlaamse graaf, bijvoorbeeld, werd verwoest, maar de graaf kon weer gewoon terugkomen.

De adel ging namelijk van een soort erecode uit die zei dat je collega-edelen niet zomaar dood maakte. Het was beter de verliezer van een gewapend conflict te vragen zich over te geven, hem gevangen te nemen en losgeld voor hem te vragen. Dat was een stuk voordeliger. Niet dat er nooit edelen sneuvelden, maar dat was  zelden de opzet. Dat hield overigens tegelijkertijd in dat het niet-adellijke voetvolk min of meer vogelvrij was en door de zwaar gewapende ruiters zonder probleem gedood mocht worden. Boeren vielen natuurlijk niet onder de erecode. En dat gold ook voor de boeren die de pech hadden dat ze het land van de vijand bewerkten zoals die in Vlaanderen. Het in brand steken van hun boerderijen en oogst was een soort economische oorlogsvoering die zo de vijandelijke welvaart trof.

Waarom bestond die ‘erecode’? Veel lieden van Europese adel waren  aan elkaar verwant en je ging niet zomaar je eigen familie uitroeien, ook al was hij toevallig even elkaars vijand. Een jaar later kon de situatie politiek weer heel anders liggen en vocht je weer aan dezelfde kant. Dat ging heel snel in de middeleeuwen (en later). Het hield ook in dat je je opeens kon realiseren dat je er de schuld van was dat je het land en de dorpen van je nieuwe vrienden had verwoest en dat die de opbrengst daarvan nu moesten missen. En dat ze nu misschien wel een beroep op je moesten doen om toch te kunnen eten en drinken. En soldaten betalen. Dan boette je op die manier dus voor je eigen misdaden. Over de boeren werd echter verder niet gepraat. Tenminste: daar wordt door historici van uitgegaan. Ik kan me echter niet voorstellen dat edelen op den duur niet in de gaten hadden dat ze door hun gedrag zichzelf benadeelden. Maar dat is een onderwerp waar al het nodige over is geschreven en nog heel wat over te zeggen valt.

guldensporenslag
Scene uit de Guldensporenslag uit 1302 waarin bij Kortrijk een Frans ridderleger door Vlaamse burgers gewapend met o.a. ‘goedendags’ (zware knotsen met een ijzeren punt) werd verslagen. Honderden edelen werden gedood en hun vergulde sporen werden daarna in één van de stedelijke kerken opgehangen. Houtsnijwerk van vlak na de slag op de zogenaamde kist van Oxford.

Het ging pas mis met de adel toen mensen zich niet meer aan die code hielden. En dat waren rond 1300 vooral de steeds belangrijker wordende steden en hun zelfverzekerde, rijke, burgers. Er zijn zo tussen 1280 en 1350 diverse momenten geweest dat ridderlegers, vol edelen en ridders (er is verschil; ik kom daar nog wel eens op terug), volledig in de pan werden gehakt door gewone burgers. Er werd geen kwartier gegeven, geen gevangenen gemaakt  ook. Ze werden gewoon gedood. Op den duur kregen de stedelingen wel door dat losgeld vragen van gevangen genomen adellijke tegenstanders ook voor hen best voordelig kon zijn. Maar dan zitten we nog later in de middeleeuwen.

Rond 1040-50 was je als edelman, pech, veldslag, ongelukken of moord uitgezonderd, redelijk veilig. Maar het in opstand komen tegen je heer kon toch ook wel fataal uitpakken. Zeker als je je bij een andere heer aansloot en tegen je eerdere heer ging vechten. Felonie werd dat genoemd. Er stonden allerlei straffen op dat gedrag. De belangrijkste was natuurlijk dat je het risico liep dat je heer je af kwam straffen met een leger en je land ging verwoesten. De graaf van Vlaanderen, bijvoorbeeld, sloot zich voor zijn Duitse landen aan bij de Lotharingse hertog, waardoor hij zijn echte leenheer de keizer in de steek liet, en werd zo afgestraft.

Hendrik III en bisschoppen
Keizer Hendrik III tussen enkele bisschoppen. Miniatuur uit het midden van de elfde eeuw die de consecratie van de abdij van Stavelot in 1140 voorstelt.

Keizer Hendrik III had een goede band met de kerk. Hij vertrouwde meer op de bisschoppen in zijn rijk (die hij zelf aanstelde) dan op de hoge adel. Bisschoppen bouwden geen erfelijke macht op zoals de adel, al verzamelden ze wel land. Na een tijdje kwam er gewoon een nieuwe, die geen familie van de vorige was. De hoge adel vond dat niet leuk en daarom zijn er zijn hele regering (1039-1056) opstanden van edelen tegen Hendrik III geweest. Zoöok die waaraan Dirk IV meedeed. De Westfriese graaf plunderde en brandde bovendien in de landen die de betreffende bisschoppen van de keizer of zijn voorgangers hadden gekregen. Hij speelde nogal met vuur. Daarom werd het graafschap van Dirk in 1046 en 1047 zo gestraft.

Graaf Dirk heeft in 1048 misschien gedacht dat het zo’n vaart niet zou lopen met zijn opstand en plundertochten, net zoals bij de beide vorige keren. De keizer nam de opstandelingen die hij kon overwinnen meestal gevangen, zoals gebeurde met Godfried met de Baard. Gezien wat ik hierboven heb geschreven zal het waarschijnlijk niet de bedoeling zijn geweest dat hij werd gedood. Van bisschoppen mag je zelfs verwachten dat ze niet zo moorddadig zijn en nog eerder vergeven dan een keizer dat zou doen. Dirk  had echter pech. Hij was te weinig op zijn hoede voor zijn vijanden en sneuvelde in een hinderlaag.

Hierna komt nog een blog over het misverstand of Dirk nu vermoord werd of sneuvelde. Houd deze plaats in de gaten.

Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (3)

Het derde blog in een serie van vier over de dood van graaf Dirk IV bij Dordrecht.

Maar waarom kwam dat leger hem dan mores leren? In eerste instantie kwam dat door de al genoemde ontginningen. Ik heb het al gehad over de bisschop van Utrecht die in ieder geval een flink deel van het gebied, waar de Dirken aan het graven waren, als het zijne beschouwde. Maar ook de bisschop van Luik had last van hen. Dat bisdom reikte in het noorden tot de Oude Maas, die dus niet meer dan een kilometer of vijf onder wat nu Dordrecht is, stroomde. Een restje van die Maas is nog te vinden in de huidige Hoeksche Waard, waar het de Binnenbedijkte Maas heet. Trek die waterloop, met de nodige bochten erin, naar het oosten door en je hebt een idee waar hij ongeveer liep. De ontginners staken de Maas over en veroorzaakten daar dezelfde moeilijkheden als in het Utrechtse gebied. Dat moet allemaal al tussen 1039 en 1045 zijn gebeurd, maar misschien was Dirk III zelfs al met die zaak begonnen.

vita st aubin
Een schip met zwaarbewapende soldaten uit het laatste kwart van de elfde eeuw. Miniatuur in het heiligenleven van St Aubin (Vita S. Albini, Angers, FR).

In 1046 kwam de koning, Hendrik III (1017-1056, koning sinds 1028 naast zijn vader en na 1039 alleen) naar Utrecht om pasen te vieren. Na de feestelijkheden voer de vloot waarmee hij naar het westen was gevaren, door naar de Maasmond en dwong daar Dirk tot teruggave van de ontgonnen gebieden. Welke de teruggegeven gebieden waren staat nergens beschreven, maar het zal zeker niet zijn eigen Maasland oftewel het graafschap Vlaardingen zijn geweest. Waarschijnlijk moest hij de ontginningen in het Merwedewoud, de Zwijndrechtse waard en die langs de Merwede en Oude Maas aan de respectieve bisschoppen teruggeven.

Zodra de koning en zijn troepen verdwenen waren trok hij zich niets meer aan van die nederlaag. Hij begon nu zelfs te plunderen in de beide bisdommen.  Bovendien verbond hij zich met een aantal edelen die al in opstand waren gekomen tegen de koning. Daar waren de hertog van Opper Lotharingen (tussen Duitsland, Zwitserland en Frankrijk) en de graven van Vlaanderen en Henegouwen, in wat nu België is, bij. Bronnen suggereren dat hij met zijn mede-opstandelingen aanwezig was bij het platbranden van keizerlijke palts van Nijmegen, het latere Valkhof, en het omliggende dorp. Dat was natuurlijk vragen om moeilijkheden: keizerlijk bezit aantasten mocht niet.

nicolaaskapel valkhof
De St Nicolaaskapel is het enige stukje van het Valkhof in Nijmegen dat nog dateert van voor de aanval van 1047. Het origineel in ca 1030 gebouwd (de portaaltoren vertoont nog stenen uit die tijd) maar later veel verbouwd en uitgebreid.

De inmiddels eind 1046 tot keizer gekroonde Hendrik III rustte weer een expeditie uit en trok in september 1047 met een vloot langs de Rijn naar Frisia. Waarmee in dit geval het hele Westfriese graafschap van Texel tot en met Zeeland werd bedoeld. Deze keer kwam Dirk er niet genadig af. De keizer veroverde de ‘versterkte nederzettingen’ Vlaardingen en Rijnsburg, waarbij hij de laatste verwoestte. Auteurs over de graven melden dan altijd dat Dirk IV klaarblijkelijk het deel van Holland aan de oevers van de Rijn weer beheerste. Hij moet er zelfs al munten geslagen hebben.

Bij het terugtrekken van het leger naar Duitsland zaten de Friezen, in lichte bootjes, het achterna en via guerilla oorlogsvoering wisten ze de achterhoede herhaaldelijk flinke verliezen toe te brengen. Zo liep die expeditie voor de keizer niet echt goed af.

kerk aalburg
De kerk van Aalburg werd al in 1012 genoemd. Hij is in de 14e eeuw bijna geheel opnieuw gebouwd: de toren en het schip dateren van die tijd. Later is nog veel toegevoegd en de daken zijn eveneens veranderd.

Dirk was hardleers en ging daarna toch weer zijn eigen gang. Hierbij schijnt hij niet alleen de bisschoppen van Utrecht en Luik, maar ook die van Metz, in Noord-oost Frankrijk, lastig gevallen te hebben met branden en plunderen. Hoe dat kan?  De abdij van St. Truiden in Belgisch Brabant, tussen Leuven en Hasselt, was in bezit van de bisschop van Metz. Deze abdij bezat veel land in wat nu Noord-Brabant  is, onder andere Aalburg, in land van Altena een paar kilometer boven Heusden, waar de Hollandse graaf Floris II later, rond 1100, voogd bleek te zijn voor de abdij.  Daar was je, als je de Maas naar het zuidoosten volgde, zo. We weten niet welke kerken of dorpen hij daar plunderde, maar de bisschop was niet blij.

De drie bisschoppen besloten hem nu echt hard aan te pakken. Het is niet waarschijnlijk dat ze zelf de wapens opnamen, want daar hadden ze hun mannetjes voor. Er waren diverse leken in dienst van de bisschoppen die aan hun hof als dienstmannen functies hadden, onder andere die van militair. Ook  waren er edelen die als leken-voogden de kloosters in de bisdommen beschermden. De kronieken zeggen dan ook dat een leger van deze mensen naar het graafschap Vlaardingen trok. Herman van Reichenau schreef ook nog dat edelen en soldaten uit de streek zelf er aan mee deden. Waren dat ontevreden onderdanen van de graaf? Er zijn verder geen aanwijzingen, dus we zullen het niet meer te weten komen.

kaart thuredrech eo 1049
Reconstructiekaartje van de routes naar Thuredrech in 1049.

In wat een gecoördineerde aanval over Lek en Merwede (vanuit Utrecht naar het oosten en noorden) en Maas (vanuit het zuiden) geweest moet zijn, trok men op de zuidoosthoek van het graafschap aan. Anderen zeggen trouwens dat men bij Tiel verzamelde en vandaar de Merwede afvoer, want dat gecoördineerde aanvallen over water in die tijd moeilijk te plannen waren. In ieder geval kwam men hem in Thuredrech op het lijf vallen. Hoe ze wisten dat de graaf daar zat is onduidelijk. De Egmondse kroniek zegt met zoveel woorden dat hij:

…te weinig op zijn hoede [was] voor zijn vijanden…

motteburcht
Een mottekasteel zoals dat in Lüneburg (DE) is gereconstrueerd. Het is niet gezegd dat de Vlaardingse burcht hierop leek, maar het bouwprincipe kan er ook gevolgd zijn.

Daaruit zou je op kunnen maken dat hij dacht dat hij in Dordrecht veilig was. Daar kun je direct de vraag aan verbinden: waarom voelde hij zich veilig in Dordrecht? Hij had in Rijnsburg en in Vlaardingen een soort burcht. Daar moet je je niet te veel van voorstellen. Rijnsburg (Rinasburg in de elfde eeuw) zal een soort ringwalburcht geweest zijn. Een ronde wal, met een houten palissade, waaromheen een gracht en een paar ingangen, die een stuk land van ongeveer een hectare omgeeft. Daar kun je je als bevolking terugtrekken als er kapers op de kust zijn. Vlaardingen bezat een grafelijke burcht. Dat was waarschijnlijk een houten toren binnen een palissade op een kunstmatige heuvel, een motte, met een ronde gracht eromheen, die dicht bij de uitmonding van de Vlaarding in de Merwede-Maasmonding lag.

Voor de jaren 1040-1046 was er al jaren flink ontgonnen in het gebied van de Merwede en Maas  en het is niet onwaarschijnlijk dat de graaf, vanwege de dreiging van de buren, op een strategische plaats net zo’n nogal geïmproviseerde sterkte had gebouwd. Dordrecht, op het uiterste zuidoostelijke puntje van de Zwijndrechtse Waard (let wel: de doorbraak van de Merwede naar het zuidwesten die nu de Oude Maas wordt genoemd had nog niet plaats gevonden) vormde een prima plek om zo’n soort burcht te bouwen. We hebben er alleen geen bewijs voor. Maar als Dirk zich daar veilig voelde en desondanks daar sneuvelde, is het niet geheel onwaarschijnlijk.

Het ziet er naar uit dat Dirk echt in een hinderlaag is gelopen. Hij zal best een legertje van geoefende soldaten bij zich gehad hebben als zijn lijfwacht, maar was waarschijnlijk niet voorbereid op een van beide kanten komende aanval. Het ziet er naar uit dat hij geen kans maakte. Dirk werd overwonnen en sneuvelde daarbij. Hij was nog niet echt oud, waarschijnlijk zo rond de 30, ongehuwd en kinderloos. Het is duidelijk dat hij in de abdij van Egmond werd begraven, bij zijn voorvaderen. Er wordt in alle talen gezwegen over wat er verder met zijn landen gebeurde. Zijn broer Florens volgde hem op, maar het is niet duidelijk wat die daarna deed.  Hij had natuurlijk een vete geërfd: zijn broer was gedood. Verder wordt hij ‘krijgszuchtig’ genoemd en zal de politiek van zijn broer, ontginnen en de buurbisschoppen lastig vallen, hebben voortgezet. Hij werd tenminste toen hij, van een krijgstocht terugkomend bij Hemert onder een boom een dutje deed, door bisschoppelijke troepen omgebracht. Men mocht hem daar dus niet.

Zijn zoontje, de latere Dirk V, was nog erg jong en de voogdij van zijn moeder was niet bestand tegen de macht van de bisschop, die het gebied van de Westfriese of Vlaardingse graven inlijfde. Daarmee was de rol van de graven voorlopig uitgespeeld.

Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (2)

Het tweede blog in een serietje van vier over de oorzaken van de dood van graaf Dirk IV.

Uit de Annalen van Egmond blijkt niet waarom die vijanden hem in Westfrisia kwamen aanvallen. Daarom moeten we in buitenlandse bronnen zoeken naar redenen. Er zijn namelijk wel degelijk meer verslagen van de dood van de Westfriese graaf dan de ‘Nederlandse’.  Dat maakt de gebeurtenis trouwens alleen maar betrouwbaarder, want hoe meer mensen over een gebeurtenis schrijven hoe waarschijnlijker het wordt dat hij echt plaats gevonden heeft. De vroegste vermelding, vroeger dan de Egmondse, werd geschreven door de kreupele (of lamme) Herman van Altshausen, monnik in de abdij van Reichenau. Men noemde hem later Herman van Reichenau. Hij schreef zijn kroniek tussen 1048-54, dat is dus ten tijde van de gebeurtenis zelf en niet 70 jaar later zoals monnik C deed.

abdij reichenau
De abdij van Reichenau vertoont nog veel van de Romaanse oorsprong, al is er een gotisch koor tegenaan gebouwd (foto Radurlaub.bodensee.de).

De abdij van Reichenau lag en ligt nog steeds  helemaal in het zuiden van Duitsland op een eilandje in de Bodensee, die daar de grens met Zwitserland vormt. Dat is dus een flink eind weg. Maar Herman was goed op de hoogte van wat er in het Duitse Rijk gebeurde en moet de feiten, gezien de nauwkeurigheid van de beschrijving, kort na de gebeurtenis van een betrouwbare getuige gehoord hebben.

Hij schrijft letterlijk (in vertaling):

1049 Intussen, terwijl er overal volop winters ijs lag, is een aantal soldaten en edelen van het gebied langs de zee met de bisschoppen van van Luik, Utrecht en Metz samengekomen en legden in Vlaardingen een hinderlaag voor Dirk. In het gevecht dat ontstond, overmeesterden en doodden ze hem en ze onderwierpen zijn gebied aan de keizer.

Daar staat het. De vijanden blijken drie bisschoppen te zijn, die met edelen en soldaten uit het kustgebied langs de Noordzee (Friezen? Zeeuwen?) de graaf komen belagen. Maar wat opvalt is dat Dordrecht hier niet genoemd wordt, maar wel Vlaardingen. Dat moet uitgelegd worden.

Ik heb hier al geschreven dat graaf Dirk III naar het zuiden van zijn graafschap, het Maasland, vluchtte na de dood van zijn vader Arnulf. Hij bouwde daar een sterkte in het plaatsje dat, naar het ernaast stromende riviertje, Vlaardingen werd genoemd. Zijn gewonnen slag tegen de troepen van de keizer in 1018 leverde hem flink wat prestige op. Lees hier over die slag.  De opvolger van die keizer, Koenraad II (ca 990-1039, koning vanaf 1024, keizer vanaf 1027), werd door Dirk gesteund, dus daarna had hij weinig last meer van keizerlijke bemoeienis. Hoe de tolheffing (of roof…), waar het allemaal om te doen was geweest, verder geregeld werd is niet bekend.

Dirk III zelf komt in diverse bronnen voor als de Friese graaf. Uit de titel van zijn opvolger, zijn zoon Dirk IV, blijkt dat de naam Vlaardingen, als hofcentrum, overging op dit deel van het graafschap. En zo gebeurde het dat hij in het buitenland, o.a. in Reichenau, Dirk, markgraaf van Vlaardingen (Theodericus Phladirtinga marchio), werd genoemd.

reliek herman de lamme
Relikwie van de bovenkant van de schedel van Herman van Altshausen, die bewaard wordt in de slotkerk van Altshausen. Relieken zijn resten van heiligen, maar Herman is nooit heilig verklaard, al werd hij wel lokaal vereerd.

Dat betekent dus niet dat hij graaf was van dat plaatsje, maar markgraaf van een flink gebied van die naam. Een markgraafschap is de benaming voor een graafschap aan de grenzen van het rijk, daar waar men risico loopt van vijandelijke invallen. In dit geval van overzee. Dat hield dus in dat markgraven meer verantwoordelijkheid droegen dan gewone graven.

slotkerk altshausen
Slotkerk van het kasteel van Altshausen, in het gelijknamige stadje, waar Herman begraven ligt. Het kasteel behoorde oorspronkelijk aan Hermans ouders (foto Oberschwabens Sehenswürdigkeiten, 2016).

Omdat onder Dirk III en Dirk IV de ontginningen zich langzaam (of juist misschien wel heel snel) uitbreidden naar de Zwijndrechtse Waard en de oevers van de Merwede (ook wat nu de Noord is), lag het plaatsje aan de Thuredrecht in het zuidoosten van het markgraafschap Vlaardingen. In Reichenau hadden ze waarschijnlijk geen idee dat daar een dorp van die naam lag en situeerden ze de dood van de graaf gewoon ‘ergens’ in het graafschap.

Dat gebeurde trouwens ook in een wat latere buitenlandse kroniek, die van Bernold, geschreven tussen ca 1075-1100 (dus ook vroeger dan Egmond). Over 1049 staat er:

Enkele edelen en bisschoppen trokken Vlaardingen binnen, beroofden Dirk van het leven nadat hij in een gevecht was overmeesterd en onderwierpen zijn gebied aan de keizer.

Dat houdt dus ook niet in dat ze het plaatsje Vlaardingen binnen trokken, maar het graafschap van die naam. Bernold kwam uit dezelfde streek als Herman van Reichenau en wist ook niet beter. Ook in een paar andere kronieken komt de dood van graaf Dirk door het leger van de drie bisschoppen voor, maar daar staan geen plaats- of graafschapsnamen in. Maar waarom kwamen die bisschoppen en hun leger naar het Westfriese graafschap?

(Wordt vervolgd)

Waarom werd Dirk IV bij Dordrecht gedood? (1)

Ik ga weer verder met de geschiedenis van Dordrecht. Dit is het eerste van vier blogs over de redenen waarom de Westfriese graaf werd gedood. Ik ben zeer erkentelijk voor de toestemming van mijn goede vrienden Kees Nieuwenhuijsen en Tim de Ridder voor het citeren van de vertalingen uit buitenlandse kronieken die te vinden zijn in hun boek Ad Flaridingun. Vlaardingen in de elfde eeuw (Hilversum 2012).

Al enkele keren is de gebeurtenis uit 1049 in dit blog voorbij gekomen. Over de reden waarom de graaf bij (of in) Dordrecht gedood werd heb ik het echter nog niet gehad. Daarvoor moeten we terug naar de bron. Wat staat er precies in de Annalen van Egmond?

In de uitgave uit 2007 staan de twee zinnetjes die hierover gaan vertaald als:

Graaf Dirk IV, de zoon van Dirk en Othelhildis, was te weinig op zijn hoede voor zijn vijanden en is bij Dordrecht gedood. Zijn broer Floris I volgde hem in het graafschap op.

Omdat het origineel van de Annalen in de British Library in Londen bewaard wordt kunnen we nog zien hoe dat toen opgeschreven werd. Het zinnetje staat op een pagina (fol. 150r) die tussen ca 1110 en ca 1120 geschreven moet zijn. De schrijver was een monnik  van wie we de naam niet kennen. Professor Otto Oppermann heeft hem de saaie naam ‘hand C’ genoemd, of kortweg C.  Professor Gumbert en zijn echtgenote Dr Gumbert-Hepp, die in 2007 de meest recente uitgave van de Annalen hebben verzorgd, menen dat hij, toen hij de schrijfveer neerlegde, al een man op leeftijd geweest moet zijn. Hij kan dus zo’n 60-65 jaar daarvoor geboren zijn, dus rond 1045-50. Hij kan van oudere monniken gehoord hebben over de dood van de graaf. Dirk IV is zelfs in de abdij van Egmond begraven dus hoe, waar en wanneer hij stierf zal in de abdij goed bekend zijn geweest. Dat maakt dat deze vermelding behoorlijk betrouwbaar is.

Hieronder ziet u een scan (waarvoor mijn dank aan professor Gumbert die hem mij gratis ter beschikking stelde) van een deel van de hele pagina en van het citaat met de vermelding.

fol 150 r AvE
Scan van folium 150 recto (voorzijde) uit de Annalen van Egmond.

Natuurlijk zijn de annalen in het latijn geschreven.  C  had een prachtig helder handschrift dat in de grafische wereld, waaruit ik afkomstig ben, een late vorm van de Karolingische minuskel wordt genoemd. Van deze letter is het font afgeleid dat in datzelfde vak de schreefletter heet. Gecombineerd met hoofdletters die gebaseerd zijn op de Romeinse uitgehakte inscriptie kapitaal, de capitalis quadrata, is het de alom bekende Latijnse (Roman) drukletter geworden. Zelfs een leek kan, als hij de middeleeuwse afkortingen een beetje beheerst, lezen wat C heeft geschreven. En als hij het latijn machtig is natuurlijk.

detail AvE 150r
Detail van de zinnen waarin de dood van Dirk IV beschreven staat.

In het latijn staat er:

Theodericus IIII comes filius Theoderici et Othelhildis minus caute se custodiens, ad inimicis suis apud Thuredrech occisus est. Et Florentius I frater eius in comitatu successit.

Ik heb dat apud thuredrech eruit gelicht om als titel van deze blog te dienen. Hij zegt namelijk alles: ik schrijf over Dordrecht en alles wat er in de hoge middeleeuwen omheen plaats vond.

Waar draait het allemaal om? Om dat ene stukje tekst:

… was te weinig op zijn hoede voor zijn vijanden en is bij Dordrecht gedood…

Wat staat daar? Volgens mijn lezing staat er dat hij wel wist dat hij bedreigd werd door vijanden, maar dat hij die dreiging niet helemaal serieus nam. Hij was te weinig op zijn hoede. Waarom? Voelde hij zich veilig in Dordrecht? Hoezo? Hij verbleef in een dorpje aan de rand van de Zwijndrechtse Waard dat nauwelijks te verdedigen geweest moet zijn. Of bezat hij daar, net als in Vlaardingen, een sterkte, een burcht?

Reconstructie van Zuid-Holland tussen ca 1000 en 1025. Alle plaatsen en rivieren bestonden in die tijd, maar zijn wel in modern Nederlands weergegeven.
Reconstructie van Zuid-Holland tussen ca 1000 en 1025. Alle plaatsen en rivieren bestonden in die tijd, maar zijn wel in modern Nederlands weergegeven.

Het is ook logisch dat de graaf daar, bijna op de grens met het bisdom Luik en de zich aan de overkant van de Maas al roerende hertogen van wat eens Brabant wou worden, een verdediging opbouwde. Dordrecht was als het ware een grensplaats. De Maas stroomde maar op een kilometer of vijf ten zuiden van de nederzetting. En die stond in rechtstreekse verbinding met de Merwede via de Dubbel en de Thuredrecht.

De vraag blijft: waarom stuurden zijn vijanden een leger op hem af? Dat heeft een voorgeschiedenis en ik vrees dat als je de gebeurtenis van 1049 wilt begrijpen je die even moet lezen.

(Wordt vervolgd)

Dirrekie (2)

Tweede deel over het standbeeld van graaf Dirk IV in Dordrecht. Hierin concentreer ik me op zijn uiterlijk en waarom dat historisch niet klopt.

apud boekje
Omslag van het in 1979 uitgekomen boekje van Prof. Dr. H.P.H. Jansen over graaf Dirk IV (eigen exemplaar).

Professor H.P.H. Jansen had ten behoeve van de bank Mees en Hope en de gemeente een artikel geschreven over graaf Dirk, zijn dood en het belang ervan voor de geschiedenis van Holland. Het verhaal werd ter gelegenheid van de onthulling van het beeld ook door de bank uitgegeven als een dun boekje (32 pagina’s) dat inmiddels redelijk zeldzaam is geworden. In het originele typscript staan naast het historische deel (dat wel een beetje is achterhaald) verder nog aanwijzingen voor de beeldhouwer. Die waren vooral bedoeld om hem duidelijk te maken hoe Dirk eruit gezien kan hebben. Er zijn namelijk geen afbeeldingen uit de elfde eeuw van hem bewaard gebleven, dus moet je op zoek naar plaatjes van vergelijkbare edelen uit dezelfde periode. Aan de in de vijftiende eeuw ontstane gravenportretten, die in later eeuwen werden gereproduceerd in gravurevorm en die nog tot nu toe boeken en artikelen over die graven bevolken, heb je niks. Kunstenaars uit die tijd wisten niet hoe graven er in de elfde eeuw uitzagen en gaven ze gewoon laat-middeleeuwse of renaissance kleding of wapenrusting aan. Zie de gravure op de omslag van het genoemde boekje.

close up dirk
Close-up van de kop van het standbeeld van Dirk IV (eigen foto).

Jansen gaf aan Jan Haas door dat Dirk ten tijde van zijn dood ergens tussen de 20 en 30 jaar oud was. Als je het resultaat ziet vind ik het meer een man van rond de 50, maar dat kan persoonlijk zijn. Hij dacht ook dat hij wel een snor en een kort ringbaardje zou hebben gedragen. Hij verwees daarvoor naar hoe keizer Hendrik III, een tijdgenoot van wie wel een portret bestaat, het droeg. Nou zijn er, voorzover mij bekend, maar heel weinig portretten van de keizer en die laten allemaal een soort rode of donkerblonde puntbaard, soms met twee punten, zien. Die verwijzing is dus niet echt behulpzaam. Wie zegt trouwens dat graaf Dirk zijn baard hetzelfde droeg als zijn koning/keizer Hendrik?

drie maal hendrik III
Drie elfde-eeuwse portretten van keizer Hendrik III.

Als je trouwens naar de weinige elfde-eeuwse beeldbronnen kijkt (o.a. het ‘tapijt’ van Bayeux) dan zie je maar weinig baarden bij de daarop voorkomende mannen. Duidelijk oudere mannen en vorsten hebben inderdaad baarden, maar verder niemand. Het is ook onlogisch om aangezichtshaar te hebben als krijgsman, want dit was de tijd van de maliënkolders, de ringetjespantsers, die ook over je hoofd heengingen. Geloof me: je wilt niet dat je (baard)haar tussen die ringetjes komt. Men zal zich waarschijnlijk niet elke dag geschoren hebben, maar ik betwijfel of actieve mannen echt hun baard lieten staan. Maar Dirks bronzen beeltenis heeft dus een volle baard en snor en tamelijk lang haar. Dat is één…

Gjermundbu mailien
Het Gjermundbu maliehemd of byrnie (Kulturhistorisk Museum, Oslo).

Professor Jansen beschreef ook de wapenrusting van ridders uit die tijd. Hij noemde “een leren hemd en een tot de knie reikende broek, beide bestikt met  metalen plaatjes zoals op het tapijt van Bayeux”. En hier gleed hij uit! Het is al heel lang bekend dat de wapenrustingen die op dat stuk borduurwerk uit ca 1080 voorkomen gewoon maliënkolders vertonen. De veel te grote ringen moeten niet gezien worden als realistische weergave van de werkelijkheid. Ze staan meer  symbolisch voor de in het echt veel kleinere ringetjes. Uit  opgravingen in Gjermundbu (Noorwegen 1943) is een zeer zeldzaam maliënkolder bekend uit ca 970. De ringetjes zijn tussen de 7 en 8,5 mm in doorsnee.

detail gjermundbu malien
Close-up van de maliën van het Gjermundbu maliekolder. De meeste van die ca 7,5 à 8 mm grote ringetjes zijn geklonken.

De beschreven opgenaaide plaatjes zou je als een schubbenpantser kunnen zien, maar uit de elfde eeuw zijn die in Noordwest Europa niet bekend. Het was van de Romeinen overgebleven bepantsering die in de vroege middeleeuwen nog wel voorkwam, maar die na 900 snel verdween. Hier werd de beeldhouwer dus op het verkeerde been gezet.

Jansen noemt ook nog de “konische helm”, maar het eenvoudige exemplaar dat het beeld op heeft was al verleden tijd in 1050. Er hoorde minstens een nasal aan, een ijzeren strip middenvoor die de neus beschermde.  Op de foto van het ontwerp voor het beeld in was is trouwens nog een rudimentair stukje nasal te zien. Waarom het verdwenen is, is niet meer bekend. De kap van de ringetjespantser paste nog onder de helm. Daar weer onder zat een gewatteerde kap die de haren van de ringetjes weg moest houden en klappen op de helm moest dempen.

normandische ridder
Reconstructie van een gewapende man in de tweede helft van de elfde eeuw. De stijl is Normandisch, maar week niet tot nauwelijks af van de andere Europese krijgers uit die tijd.

Kortom: wat bepantsering betreft ziet Dirk er behoorlijk ouderwets uit: een beetje als een Noorman van ruim anderhalve eeuw vroeger. Hij zal er, in volle wapenrusting, eerder hebben uitgezien als bijgaande foto van een moderne jongeman, Patrick Kelly, die een Normandisch krijgsman van ca 1060 voorstelt.  En zijn haar en baard zullen veel korter geweest zijn, als je die al zag. Ook de banden om de onderbenen, de schoenen en de kruisvormige banden op de zwaardschede zijn niet  historisch. Die gaan terug op romantische voorstellingen van vroege middeleeuwers zoals men in de negentiende eeuw dacht dat die eruit zagen.

19e eeuwse kruisridders
Deels gefantaseerde reconstructies van laat elfde-eeuwse krijgslieden uit Braun & Schneider, Zur Geschichte der Kostüme (München 1861-1890) plaat 13.

Van het zwaard is trouwens te weinig te zien of het met de periode klopt. Het schild daarentegen lijkt niet op wat men in de elfde eeuw gebruikte. De foto van de Normandische ridder laat een langwerpig ruiterschild zien. Soldaten uit andere landen, die zelden te paard vochten, hadden ronde schilden die meestal wel een stuk groter waren dan het exemplaar van Dirk, maar die vooral ook die schildknop hadden. De mantel die het standbeeld draagt komt wel overeen met typen die men in zijn tijd droeg, maar dat is dus eigenlijk het enige dat historisch klopt aan het beeld.

rond schild
Rondschild met schildknop, 10e-11e eeuw. De ijzeren strips zijn modern; die houden de planken bij elkaar.

Jan Haas heeft daar geen schuld aan. Die ging af op wat professor Jansen hem schreef. Als een historicus het al niet wist, wie dan wel? Op die gedachte is echter nogal wat af te dingen. Uit eigen ervaring weet ik dat je op de universiteit niet leert hoe mensen er in het verleden uitzagen en waarom. Uiteraard zijn historici (en kunsthistorici) op de hoogte van eigentijdse beeldbronnen zoals standbeelden, wandschilderingen en miniaturen, maar dat betekent nog niet dat ze weten wat ze daarop zien. Of dat ze het in de juiste historische context kunnen plaatsen. Daar heb je meer specialistische studies voor nodig. En dan helpt het ook nog als je zelf die kleding en verdere uitrusting reproduceert en ook nog draagt. Zoals ondergetekende en veel van zijn collega-re-enacters dat hebben gedaan. Maar ik moet toegeven: dat was in 1979 in Nederland nog helemaal niet aan de orde.

Dirrekie (1)

Een blog over een stukje veel recentere geschiedenis, maar toch relevant, want het gaat over de graaf die hier in 1049 sneuvelde. Dit is het eerste van een serietje van twee.

Op de voor Dordrecht karakteristieke manier – van buitenaf – is de stad verrijkt met een standbeeld van de in 1049 apud Thuredrech gesneuvelde Dirk IV. Het beeld staat al weer  33 jaar aan het oostelijk eind van de Varkenmarkt, met zijn rug naar de parkeerplaats die de plaats heeft ingenomen van de niet meer als zodanig in gebruik zijnde Grote Markt. Geen echt sfeervolle locatie, maar hij heeft in ieder geval uitzicht op een aardig rijtje panden. Door de Dordtenaren die hem weten te vinden wordt hij, bijna liefkozend, Dirrekie genoemd. Zijn komst was echter niet onomstreden.

varkenmarkt
Varkenmarkt, Dordrecht, schuin tegenover Dirk IV (Google Maps)

Het beeld is een cadeautje van de bank Mees & Hope (in 1991 opgegaan in ABN AMRO) die zich ook in Dordrecht zou gaan vestigen.  De bank had al op eigen houtje contact opgenomen met de stadsarchivaris Dr. Th.E. Jensma en de mediëvist Prof. Dr. H.P.H. Jansen en men was gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat een beeltenis van de graaf die bij de stad was overleden een goede keus zou zijn. Hij zou “een belangrijke aanzet hebben gegeven tot het ontstaan van de stad Dordrecht”. Hoe men dat zag is niet langer bekend, maar de lezers van deze blog weten inmiddels dat graaf Dirk hier niet echt een stad heeft gesticht en dat het sneuvelen bij Thuredrecht ook geen echt dwingende voorwaarde voor zoiets is.

ontwerp standbeeld Dirk IV
Ontwerp in was voor het standbeeld van Dirk IV door Jan Haas (augustus 1979).

De bank ging voortvarend te werk: men had al vast een beeldhouwer, Jan Haas uit Vlissingen, opdracht gegeven een ontwerp te maken. Foto’s van dat ontwerp en een korte omschrijving van het belang van graaf Dirk door professor Jansen gingen eind augustus 1979 naar burgemeester en wethouders. Of de gemeente het geschenk wilde aanvaarden. De bank suggereerde ook alvast een locatie: het Statenplein. Ze vroeg b&w om voor eind augustus te reageren, om de beeldhouwer gelegenheid te geven het beeld op tijd te kunnen onthullen. Dat zou namelijk eind oktober moeten gebeuren.

Helaas maalden ambtelijke molens toen ook al langzaam en duurde het tot 19 oktober 1979 (!) voor b&w officieel het cadeau accepteerden. Jan Haas herinnert zich nog dat het daarna “nogal een haastwerk” was. Lokale kranten pikten de volgende dag het nieuws op en meldden dat het beeld op de Roobrug, tussen de vier havens, zou komen te staan. Uit het Vrije Volk van diezelfde dag blijkt dat de Commissie Stedelijk Leefmilieu al op 4 oktober een andere locatie had geadviseerd: de Varkenmarkt of de Houttuinen. De Roobrug leek hen ongeschikt, maar ze waren te laat geweest want het voetstuk was al gestort. De Commissie was, begrijpelijk, niet blij met het  “terzijde schuiven” van hun advies.

onthulling standbeeld Dirk IV
Onthulling van het standbeeld van Dirk IV in het Hof door (links) minister G. van Aardenne en loco-burgemeester P. Janse op 29.10.1979 (De Dordtenaar)

Op 29 oktober werd het bijna nog warme, bronzen beeld dan ook in het Hof onthuld door de toenmalige minister van economische zaken, de Dordtenaar Gijs van Aardenne, in het bijzijn van loco-burgemeester Piet Janse.

Het stond nog geen dag op de Roobrug, gewoon op het trottoir tussen de voorbijgangers, of er werd een blik rode menie over uitgestort. Een dag later volgde een pot witte verf en er werd met diezelfde verf een hakenkruis op de helm geschilderd. Dirk stond op een  drukke plaats, op de route tussen enkele uitgaansgelegenheden (clubs en disco’s). De volgende weken en maanden zou het regelmatig raak zijn met het besmeuren van het kunstwerk. De gemeentewerklui vroegen zich elke maandag af wat ze nu weer van het beeld zouden moeten schrobben.

helm met hakenkruis
Hakenkruis op de helm en een pot witte verf over het standbeeld (De Dordtenaar 2.11.1979)

Intussen was de adviescommissie in de pen geklommen en had een protestbrief aan b&w en de Culturele Raad gestuurd over de wijze waarop de plaatsing van het standbeeld was gegaan. Als voor die taak opgericht gemeentelijk adviesorgaan, met architecten en kunstenaars als Andries Lugten, Henk Dicke en Henri van Nes als deskundigen in de gelederen, hadden ze verwacht eerder ingeschakeld te worden.  Ook de Culturele Raad was op 15 november “ernstig teleurgesteld” en vroeg zich af of b&w vond dat dit een correcte procedure was.  De gemeente verdedigde zich door te zeggen dat tijdgebrek de oorzaak van het niet of te laat inschakelen van de commissie was en dat men “voornemens [was zich] voortaan wel door de commissie te laten adviseren”. Dit bericht kwam trouwens pas 4 januari 1980 bij de Culturele Raad aan…

handen af van Dirk IV
Artikeltje in Dichter bij Dordt van 15.11.1979.

De buurt begon ook te klagen. De bewoners van de aanpalende havens, verenigd in de buurtvereniging ‘Stockholm-Bordeaux’ (genoemd naar twee tegenover elkaar aan de Wolwevershaven-Kuipershaven staande pakhuizen) vonden het besmeurde beeld “een aanfluiting”. In een brief aan b&w van eind september 1981 schreven ze dat het in die toestand veel door (buitenlandse) toeristen werd gefotografeerd. Dat leek hen niet echt een  reclame voor de stad. De voorzitter stelde voor het maar binnen te zetten, in het Stadskantoor bijvoorbeeld, om te voorkomen dat de “jeugdige nachtclubbezoekers” het “Dordrechts Lieverdje” bleven aanvallen. Daarnaast hadden diverse Dordtse kunstenaars al laten weten dat ze het beeld maar niks vonden. Via een kennis in Dordrecht waren die protesten trouwens ook bij de beeldhouwer terecht gekomen. Maar die werd pas ingeschakeld  toen men het schild van het beeld zaagde en liet verdwijnen.

beproevingen van Dirk IV
Artikel in Dichter bij Dordt nadat het schild van het beeld was afgezaagd (20.2.1981)

Intussen werd in november 1981 al vergaderd over het verplaatsen van het beeld en de bank verklaarde zich bereid de kosten daarvoor gedeeltelijk te betalen. De rest zou moeten komen uit het budget van Openbare Werken. De restauratie zou ook door de bank betaald worden. Het standbeeld werd van zijn plaats gehaald en Jan Haas maakte het schoon, bevestigde er een nieuw schild tegenaan en patineerde het beeld opnieuw.  De bewonersvereniging kreeg eind november bericht dat Dirk naar de Varkenmarkt zou gaan verhuizen. Maar zover was het nog lang niet. Het verdween na de schoonmaakbeurt en restauratie een hele tijd uit het zicht. Tot de directeur van Openbare Werken in augustus 1983 een briefje aan de secretarie schreef over wat hij met dat standbeeld, dat al een paar jaar op een opslagterrein lag, moest. Hij werd een paar weken van het kastje naar de muur gestuurd, tot er een beslissing van b&w kwam. Op korte termijn zou graaf Dirk herplaatst worden op zijn nieuwe locatie. De kranten meldden dat het op 25 september 1983 zover was.

Dirk Iv op locatie
Dirk IV op zijn nieuwe plek aan de Varkenmarkt, foto van ca september 1983. Het muurtje achter het standbeeld is inmiddels verdwenen (zie de banner bovenaan de blog).

Sinds die tijd heeft Dirrekie aan de rand van de Grote Markt gestaan. In het begin kreeg hij nog wel eens een gekleurde helm of baard en op zijn schild verschenen nog een tijdje allerlei symbolen, o.a. het anarchistenteken. Inmiddels is hij echter ingeburgerd en kan iedereen die hem tegen het lijf loopt (en dat valt niet mee, want de locatie is niet echt een toeristentrekker) lezen dat Dirk IV, graaf van Holland, vermoord is bij Dordrecht in 1049. Het is alleen jammer dat de beeldhouwer oorspronkelijk op de plaquette stond gebeiteld als Jan Maas en dat die M een beetje knullig is bijgewerkt tot een H.

Detail van de plaquette met de aanvankelijk fout gegraveerde achternaam van de beeldhouwer (eigen foto).
Detail van de plaquette met de aanvankelijk fout gegraveerde achternaam van de beeldhouwer (eigen foto).

 

 

 

 

 

 

(Wordt vervolgd)

Wij waren Duitsers (3)

Dit is de derde en laatste blog over wat u van ‘graven’ moet weten en met name over die van Holland, dat voor 1100 Westfrisia heette.

Wat de graven, zeker in onze streken, ook deden, was de wildernis ontginnen. Ons gebied, aan de mondingen van Rijn, Merwede en Maas,  had een eigen graaf die aanvankelijk de Westfriese graaf werd genoemd omdat zijn graafschap Westfrisia heette. Het huidige Friesland en Groningen was toen Midden Frisia en over de Dollard begon Oostfrisia. In wezen waren alle mensen die daar woonden Friezen, die een vergelijkbaar dialect spraken, en die pas langzaam uit elkaar groeiden.

elzenbroekbos
Voorbeeld van een nat elzenbroekbos met laag struikgewas. Zo zagen de oeverwallen en het land erachter in zuidelijk Holland er voor 1100 meestal uit.

Het was hier aan de grote riviermondingen, tussen Zwin en Vlie, waterrijk met veel veenmoeras en uitgebreide moerasbossen en hoge veenkussens. Je kon eigenlijk alleen in de duinstreek en de geestgronden erachter comfortabel wonen en voor een gedeelte op de oeverwallen van die grotere rivieren. Toen de noormannen aan het einde van de tiende eeuw hier waren verdwenen konden de boeren weer ongehinderd landbouw bedrijven en trok de internationale handel weer aan. Dat had tot gevolg dat de bevolking groeide en dat veroorzaakte een gebrek aan land om iedereen een bestaan te bieden. De Westfriese graven van even voor en omstreeks 1000 begonnen daarop vanuit de geestgronden en via de oeverwallen de hoog- en laagveenmoerassen te ontginnen, om meer bebouwbaar land te winnen. Al voor het jaar 1000 was zo al een flink stuk land aan weerszijden van de Rijn ten oosten van Leiden in cultuur gebracht.

bisschop 12e eeuw
Een bisschop zoals die er ca 1175 uitzag als hij in vol ornaat was. British Library, Yates Thompson MS 26, f. 1v. Aan zijn voeten knielt een Benedictijner monnik.

Tegelijk was al sinds de zevende eeuw in Utrecht een bisschop gevestigd die, in naam, al het land van zijn bisdom bezat. In principe was dat eigenlijk heel modern Nederland boven de Maas. Dat had hij van de Duitse koning/keizer bevestigd gekregen. Daar hoorde ook de wildernis bij, het veenmoeras. Toen de graaf dat rond 1000 geschikt ging maken voor landbouw en de inkomsten daarvan zelf op ging strijken, ontstond er een conflict. Die ruzie heeft ongeveer 150 jaar geduurd. Toen gaf de bisschop het verzet tegen de inbeslagneming van zijn land pas op. De graaf was te machtig geworden in zijn eigen gebied. Dat kwam ook omdat de koningen en keizers te veel met hun eigen politiek en in hun eigen gebied in Duitsland bezig waren. Ze kregen ook steeds minder over de bisschoppen te zeggen. De bisschoppen waren dus op zichzelf aangewezen. Als kerkelijke (en wereldlijke) leiders moesten ze het tegen de agressie van de wereldlijke graven in hun bisdom opnemen en dat lukte steeds minder goed.  Oorspronkelijk, in de tijd van Karel de Grote, waren graven gewoon een soort hoge ambtenaren die aangesteld en afgezet konden worden. Rond het jaar 1000 waren ze echter zelfstandige potentaatjes die hun gebied aan hun oudste zoon nalieten en zo een dynastie stichtten.

Het waren echter geen wetteloze krijgsheren, zoals ze in het verleden wel werden weggezet. De Westfriese graven konden wijzen op koningsoorkonden waarbij ze gebieden in Texel en Kennemerland, rond de mond van de Rijn in de buurt van Rijnsburg en Leiden en in het Maasland ten zuiden van Den Haag toegewezen kregen als eigen bezittingen. Ze voelden zich daar, terecht, heer en meester. Dat de aangrenzende wildernis onder beheer van de bisschop stond, het zogenaamde wildernisregaal, kon hen blijkbaar niet zoveel schelen. Bovendien hadden ze land nodig en schoven zo met de ontginningen hun grenzen steeds verder op naar het oosten en zuiden.

Vogelvlucht van een reconstructie van Vlaardingen in ca 1018. Linksboven de omwalde grafelijke hof, onderaan bij de haveningang de ronde burcht van de graven. Schilderij van
Vogelvlucht van een reconstructie van Vlaardingen in ca 1100-1150. Linksboven de omwalde grafelijke hof, onderaan bij de haveningang de ronde burcht van de graven. Schilderij in opdracht van de gemeente Vlaardingen door Ulco Glimmerveen (copyright 2008).

Graaf Theoderik III (wij kennen hem als Dirk de Derde) verhuisde als nog zeer jonge man, na moeilijkheden met een deel van zijn onderdanen (die zijn vader hadden vermoord), naar het zuiden van zijn gebieden. Dat was het Maasland met Vlaardingen als hoofdplaats. Hij bouwde er een sterkte en hief van daaruit al tol voor eigen rekening, terwijl dat eigenlijk zoals gezegd een koninklijk recht was. De opbrengst moest naar Duitsland, maar Dirk hield hem zelf. En als kooplui niet wilden betalen roofde hij hun schepen leeg. Natuurlijk klaagden ze bij de keizer en die stuurde in 1018 een leger om de graaf een lesje te leren. Het leger raakte echter in de moerassen zijn initiatief kwijt, verloor veel mensen en moest eerloos vluchten. Dirk kon daarna voorlopig zijn gang gaan.

slag bij Vlaardingen
Heropvoering van de slag bij Vlaardingen in 2008. Het gevangen nemen van de Lotharingse hertog. Linksachter, in de zwarte pij, uw blogger als monnik. Foto copyright René Kuysten (2008).

Het Maasland was ook de basis van de ontginningen die Dirk III inzette. Zowel naar het noordoosten, het latere Delfland, als over de rivier de Merwede (die toen via Noord en Nieuwe Maas naar zee stroomde) naar het zuiden begon men met het graven van sloten en het opwerpen van kades. Het Merwedewoud, nu de Riederwaard en IJsselmonde, was kort na 1005-10 het eerst aan de beurt. Rond 1010-20 ontgonnen ze al in de Zwijndrechtse Waard, tussen  1020-40 rond Dordrecht en de oevers van de Boven Merwede en op de Zuid-Hollandse eilanden. In diezelfde periode werd er langs de Rotte, de Hollandse IJssel en de Gouwe ontgonnen. Tegen 1100 had men ongeveer de grenzen van het huidige Zuid-Holland bereikt. Tegelijk kwam men in dat gebied de ontginners van de bisschop van Utrecht tegen, die naar het westen toe werkten. Het zorgde daar nog voor de nodige moeilijkheden tussen de graaf en de bisschop, voor het ca 1150 tot een soort staakt-het-vuren kwam. De grenzen van de expansie  waren bereikt en bestaan eigenlijk nu nog als provinciegrenzen.

Wij waren Duitsers (2)

Dit is de tweede blog over het onderwerp ‘graaf’. Er volgt hierna nog een derde.

In tegenstelling tot wat dikwijls gedacht wordt werden misdaden in vroege en hoge middeleeuwen (ca 500-ca 1200) zelden met de dood gestraft. Majesteitsschennis en verraad waren in dat deel van de middeleeuwen eigenlijk de enige zaken die altijd in de doodstraf resulteerden. Voor andere ernstige misdaden werd er wel mee gedreigd, maar er werd de voorkeur aan boeten gegeven; dan bracht het ook nog wat op (al vervielen de goederen van een ter dood veroordeeld aan zijn heer). Die boeten kwamen oorspronkelijk ten goede aan de koning in het verre Duitsland, maar de graaf mocht er een deel van houden. Op den duur ‘vergaten’ de graven dat geld door te sturen en hielden ze het zelf. Er waren namelijk nogal wat perioden in de middeleeuwen waarin het gezag van de koning over zijn buitengebieden minimaal was. De graven maakten daar dankbaar gebruik van om hun eigen gang te gaan en extra inkomsten binnen te krijgen.

evangelarium Hendrik V
Keizer Hendrik IV (1050-1106) tussen zijn zonen Hendrik V (links) en Koenraad, die beide na hem koning werden. Evangelarium Heinrich V (na 1106), Krakau, Bibliotheek Domkapittel 208, f. 2v.

Bij het ontstaan en bloeien van de steden (in noordelijk Nederland pas echt na 1200) werd de samenleving ingewikkelder. Daar leefde men in grotere groepen dichter op elkaar dan in de dorpjes uit en van voor die tijd en was bewust gepleegde misdaad meer verspreid dan tijdens de eerdere plattelandssamenleving. Doodstraf, maar vooral lijfstraf, kwamen duidelijk meer voor. Bij het door vlooien van gerechtsboeken kom je verder vooral agressie-misdrijven tegen: schelden, vechten, verwonden, en dat dikwijls in dronken toestand. Een duidelijk teken van altijd aanwezige onrust in dichter bevolkte gemeenschappen. De graaf voer er wel bij, evenals de stadsregering.

En dat gold ook voor de tolopbrengsten. Als je als koopman met een wagen of schip vol goederen het Duitse rijk binnenkwam, moest je bij de grens invoerrechten of tol betalen. Er stond daar dan een versterkt gebouw, het tolhuis, waar tolgaarders het geld inden. Meestal was dat een percentage van de waarde van de lading. En dat kon ook in natura zijn. Het werd een koninklijk recht genoemd, een regaal. De graaf in het deel van het rijk waar de tol stond was verantwoordelijk voor het doorsluizen van dat geld naar de koning. Ook daarvan mocht hij een deel zelf houden. Maar ook daar kwam het steeds minder van.

Het hielp ook niet als een koning of keizer de tol aan de graaf overdeed, bijvoorbeeld omdat hij grote schulden bij zo’n graaf had of als hij wat goed had te maken. Zo kreeg graaf Floris III van Holland in 1179 de tol van Geervliet van keizer Frederik Barbarossa in handen als dank voor zijn hulp bij expedities in Italië. Iedereen die van zee de Maas-Merwedemonding opvoer moest daar langs en dus tol betalen. De Rijn was inmiddels bij Katwijk, waar hij in zee uitmondde,  dichtgeslibt dus als je naar Duitsland moest kon je niet om het zuiden van Holland heen. De keizer heeft niet meer meegemaakt hoe de Hollandse graven van die schenking hebben geprofiteerd. Het heeft ze echter ook de nodige problemen opgeleverd.

tollenkrans
De Hollandse tollen rondom Dordrecht afgezet op een reconstructie van Zuid-Holland ca 1200. De plaats- en riviernamen zijn in modern Nederlands maar de locaties zijn historisch.

De opvolger van graaf Floris III, zijn zoon Dirk VII, was namelijk zo voortvarend om naast Geervliet (schuin tegenover Vlaardingen op het eiland Putten) ook aan de andere grenzen van zijn graafschap Holland tolhuizen te bouwen en daar tol te heffen van de kooplieden die via de rivieren zijn gebied binnen kwamen. Zo was er bij Moordrecht aan de Hollandse IJssel een tol, bij Ammers aan de Lek, bij Niemandsvriend, een deel van Sliedrecht, aan de Merwede, bij Almsvoet aan de Maas en bij Strienemonde aan de Striene, de verbinding met Zeeland. En om die ‘krans’ van tollen te controleren bouwde hij een toren in Dordrecht , de jonge stad die als een spin midden in dat tollenweb lag. Dat was de Toltoren, waar de huidige Tolbrug en Tolbrugstraatjes aan weerszijden van de Dordtse Voorstraathaven nog steeds aan herinneren.

Die tollen werden Dirk niet aan dank afgenomen door zijn buren. Hij lag dan ook rond 1200 overhoop met de hertog van Brabant, in het zuiden, en de graaf van Gelre in het oosten. Maar ook de bisschop van Utrecht was er niet blij mee. De conflicten werden zoals gewoonlijk in die tijd over en weer uitgevochten tussen legertjes van die heren, met natuurlijk de nodige schade voor boeren die zich toevallig tussen de partijen bevonden. Dirk moest op den duur inbinden en verloor daarbij zelfs zijn greep op Dordrecht en omstreken (daar kom ik later nog op terug). Er werden wel afspraken gemaakt om elkaars kooplieden te ontzien en er werden ‘vrijdommen’ van tol onderling geregeld. Want ook de buren hadden de voordelen van tollen al lang ingezien.

Natuurlijk kwam er ook nog wel wat ander geld binnen. De boeren op de sinds ongeveer het jaar 1000 nieuw ontstane ontginningen moesten de graaf ook een klein bedrag per jaar betalen en pachters van grafelijke hoeven betaalden hem natuurlijk pacht. Ook was een deel van de opbrengst van zijn eigen landerijen, al dan niet in natura,  voor hem en zijn hof.  Pas toen er steden begonnen te ontstaan in het graafschap kwam daar een andere geldbron bij. Maar dan zijn we inmiddels in de dertiende eeuw.

(Wordt vervolgd)