Opgedrongen herdenking

Ik word niet gauw boos, maar als ik een collega-wetenschapper onzin hoor beweren over een zaak waar ik wat van afweet, dan is het zover. Ik heb het over Herman Pleij. Pleij is een emeritus (gepensioneerd) hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, met als specialisme de hele late middeleeuwen, eigenlijk meer de vroegmodern tijd. Hij is vooral geïnteresseerd in wat genoemd wordt “de cultuurhistorische achtergronden van de nationale identiteitsvorming” en heeft daar ook diverse boeken over geschreven. Waaronder Moet kunnen dat ik hier besproken heb.

Prof. Dr. Herman Pleij.

Hij houdt zich dus ook bezig met de moderne volkscultuur en probeert te duiden waar die vandaan komt. Dat doet hij (meestal)  leuk, want hij heeft de gave van het woord, waardoor hij pakkend kan vertellen en puntig en toch komisch kan duiden. Vandaar ook dat hij veel op tv te zien is als het weer eens over onze identiteit gaat en ook een graag gezien spreker is. Je kunt hem dan ook voor zoiets huren.

De organisatoren van het Feest van de Vrijheid, afgelopen woensdag 19 juli 2017 in en om het Hof hadden dat ook gedaan. Hij heeft zijn praatje daar gehouden, neem ik aan, en werd later geïnterviewd  door Thijs Blom van RTV Rijnmond. In een later op internet te vinden artikel werd hij geciteerd met deze zin: “De Eerste Vrije Statenvergadering in 1572 in Dordrecht is zo’n belangrijk moment geweest in de Nederlandse geschiedenis, dat het een Nationale Feestdag zou moeten worden”.

In de erbij geplaatste podcast had hij nog een paar opzienbarende uitspraken. Op de vraag of het feest belangrijk was antwoordde hij: “Jawel, maar niet alleen voor Dordrecht, maar ook voor Nederland, want hier is Nederland begonnen”. En even later: “…de steden besluiten het niet meer te pikken en keren zich af van de vorst.” Om nog weer verder te beweren: “de staten van Holland dat is een soort tweede kamer… die stellen de vrijheid van godsdienst vast en dat is uniek in de wereldgeschieddenis”.

De aanhef van de Declaration of Independence, 1776.

Pleij maakte ook de vergelijking met Independence Day, the Fourth of July, waarop de USA met barbecues en vuurwerk herdenkt dat ze onafhankelijk van Groot Brittannië werden en met Quatorze Juillet wanneer  de Fransen het begin van de Revolutie herdenken met veel militaire parades en vuurwerk. En waarom zouden we dat hier niet doen met 19 juli vanwege die o zo belangrijke eerste vrije statenvergadering? Elders noemde hij nog het feit dat ze in Philadelphia het gebouw waar de ondertekening van de Declaration of Independence had plaatsgevonden in de 20e eeuw hebben moeten reconstrueren, want er was door het veranderen en bijbouwen van het originele gebouw niet veel meer over,  terwijl wij hier gewoon het Augustijnenklooster nog hebben staan waar het allemaal gebeurde. Hij weet waarschijnlijk niet dat het helemaal niet zo zeker is dat die bewuste vergaderingen (19 tot en met 23 juli) daar hebben plaatsgevonden. Er is maar één bron voor die dat zegt en die dateert van 100 jaar later. Maar dat zal wel nooit echt bewezen kunnen worden.

godsdienstvrijheid
Het godsdienstvrijheid artikel in de notulen van de statenvergadering.

Dat is echter helemaal het punt niet. De vergaderingen begonnen op 19 juli in Dordrecht, gingen op 25 juli in Rotterdam verder en waren op 28 juli afgelopen en op die dag werden in Delft, waar men inmiddels vergaderde in het stadhuis, de notulen afgesloten. Iedereen kan dat zien: ze staan gewoon op internet. De notulen van de vergaderingen in Dordrecht van 19-23 juli: hier . En die te Delft van 28 juli: hier. Het wordt een beetje vervelend, want dit is de zoveelste keer dat ik dit schrijf: wat Pleij beweert is niet waar. Volgens de notulen werd er niets beslist over de vrijheid van godsdienst (= religie). Er staat onomwonden:

Voorts heeft Marnix verklaard dat het de intentie (bedoeling) is van de prins dat er vrijheid van godsdienst zal heersen tussen gereformeerden en roomsen en dat iedereen die in het openbaar kerken of kapellen zal gebruiken (en dat zal door de overheid geordonneerd worden) dat ongehinderd zal kunnen doen zonder dat iemand zich daarmee bemoeit.  Geestelijken zullen in hun werk ontzien worden en als iemand hen vijandig behandelt of mishandelt gaat dat in tegen het advies van de Staten Generaal van deze landen dat zal worden verordonneerd. De gedeputeerden hebben zich aan deze intentie van de prins geconformeerd.

Is het zo moeilijk te begrijpen? Er is niets besloten, de Staten Generaal moet nog over die bedoeling van de prins beslissen en daar is het zelfs op de Unie van Utrecht in 1579 niet van gekomen. Lees het blog: ik heb er alle bewijzen in gezet.  Dat is toch niet zo moeilijk? De gedeputeerden willen best aan de wens van de prins tegemoet komen, maar ze hebben voorlopig andere, dringender zaken aan hun hoofd. Eerst Alva en zijn troepen eruit en dan zien we weer verder.

alva
De hertog van Alva, geschilderd door Titiaan, ca 1575.

Alle in Dordrecht, Rotterdam en Delft genomen besluiten zijn ondertekend door gehoorzame onderdanen van de Spaanse koning. Ze waren niet in opstand tegen hun vorst, maar hun punt was dat het negeren van hun privileges door de Spaanse houwdegen Alva niet meer gepikt werd. Ze hadden niet de bedoeling een eigen onafhankelijke staat te beginnen, zelfs in 1581 bij het Placcaet van Verlatinghe was dat niet aan de orde. Toen het echt niet anders kon hebben ze in 1588 Filips II afgezet wegens grove schending van hun rechten en de republiek uitgeroepen. En dat was met meer dan alleen de Staten van Holland.

Als Professor Pleij die Staten dan ook nog met een Tweede Kamer vergelijkt, misschien om het begrijpelijk te maken voor de luisteraar, dan is hij verkeerd bezig.  Dat die Staten een democratisch gekozen groep mensen was die de regering (vorst plus parlement) moet controleren is zo anachronistisch dat het belachelijk is. Vanuit de mond van iemand die zich historicus noemt is het bovendien genant.

Overigens kloppen de vergelijkingen van onze in Dordrecht begonnen onafhankelijkheid met de Amerikaanse en Franse herdenkingen ook van geen kanten. De eerste is een onafhankelijkheidsverklaring naar de Britse Kroon toe met een behoorlijk filosofische inhoud: “de onafhankelijkheid werd in de verklaring gerechtvaardigd door een aantal “waarheden” die de ondertekenaars “vanzelfsprekend” achtten: dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat ze door hun schepper zijn uitgerust met bepaalde rechten en dat onder die rechten valt: het recht op leven, op vrijheid en op het nastreven van geluk.” Allemaal dingen die in dat land nou niet echt voor iedereen golden en gelden.

Bestorming van de Bastille, 14 juli 1789.

De Fransen vieren op 14 juli de bestorming  door revolutionair gepeupel van de Bastille, een uit de middeleeuwen daterende gevangenis, in 1789 om aan kruit voor hun gestolen wapens te komen. De officiële instelling van deze viering dateert trouwens pas uit 1880 want “de vaderlandsliefde kon na het debacle van de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) immers wel een oppepper gebruiken” zoals het op Wikipedia cynisch te lezen staat. Er waren bij elke wisseling van het soort regering in Frankrijk in de 19e eeuw al heel wat nationale feestdagen aan vooraf gegaan. Daaraan kun je al zien dat het niet bepaald een definitieve onafhankelijkheid betrof. Die is na 1789 nog diverse keren teloor gegaan en weer uitgeroepen; Frankrijk heeft notabene inmiddels al de Vijfde Republiek. Die bestorming was trouwens een volkomen toevallige keuze en is destijds alleen in 1790 maar een keer herdacht; het had net zo goed een ander wapenfeit uit die dagen kunnen zijn.

De Amerikanen hebben nog tot 1783 gevochten om van de Britten los te komen en kregen in 1782 van de Republiek, als tweede natie, de erkenning dat ze een echte staat waren. Ze zijn ons daar nog steeds kinderlijk dankbaar voor. Voor de oorspronkelijke inwoners van Noord-Amerika en de alom aanwezige zwarte slaven begon de ellende nu pas echt. Die bleken toch niet zo gelijk geschapen te zijn. En dat hebben ze geweten. In Frankrijk nam na de Jacobijnse terreur van de Revolutie eerst het Directoire de macht over en daarna Napoleon Bonaparte die het zelfs tot keizer schopte. Nadat hij in heel Europa een onvoorstelbare hoop ellende aangericht had, werd Frankrijk nog een aantal keren afwisselend weer republiek en keizerrijk. De Derde Republiek heeft dus in 1880 geprobeerd het volk mee te krijgen in een nationale feestdag op 14 juli. Daar zijn de Vierde en de Vijfde gewoon mee doorgegaan, maar eigenlijk is dat gedoe niets anders dan een poging tot het opwekken van een eng nationalistisch en chauvinistisch gevoel. Gelukkig is het voor de meeste inwoners van die landen gewoon een vrije dag, is het meestal mooi weer en kan je dus lekker buiten eten bij de barbecue. Met vuurwerk na. Je zou bijna denken dat zo’n datum daar speciaal voor is gekozen, zoals Pleij ook al opmerkte.

4th of July cookout

Als je iets vergelijkbaars, dus het afstoten van de oude orde en wat nieuws beginnen, zoekt kun je dat vinden in de Vrede van Munster uit 1648, het officiële einde van de 80-jarige oorlog. Één van de gevolgen daarvan was echter wel dat het calvinistische protestantisme daarbij officieel staatsgodsdient werd en de bezittingen van de katholieke kerk definitief aan de Republiek vervielen. Bovendien mochten de katholieken niet in het openbaar hun godsdienst belijden en waren ze tot 1795 aangewezen op schuilkerken. En werden ze buitengesloten van overheidsbetrekkingen. Dus sinds 1572 was er niets veranderd: hoe bedoelt u vrijheid van meningsuiting, religie en geweten? Bovendien hebben wij daarna ook nog diverse keren onze vrijheid verloren en weer moeten herwinnen. Die van de laatste keer, in 1945, wordt nog wel gevierd en herdacht, al gaat dat de laatste jaren steeds moeizamer. Maar als je ziet hoe die van 1813 een paar jaar geleden kunstmatig moest worden opgepompt, laat staan dat de Bataafse Revolutie van 1794-1795 nog wordt herinnerd, dan kun je niet echt zeggen dat het ‘hervinden van de vrijheid’  hier erg  leeft.

De hele roep om onze zogenaamde vrijheid van meningsuiting te vieren met een nationale herdenking, zoals onlangs in een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 17 juli jl, werd bepleit, riekt naar manipulatie van de naar een eigen identiteit op zoek zijnde burger. Zoals dat in de 19e eeuw gebeurde om het volk feestend achter God, Nederland en Oranje te krijgen. Na die rommelige en eigenwijze Republiek van door allerlei oligarchen bestuurde provincies en steden, met hun altijd naar vorstenstatus strevende stadhouders, werd de nationale geschiedenis herschreven om gehoorzame onderdanen van het nieuwe koninkrijk der Nederlanden te kweken. Inclusief de katholieken, die nu niet zulke goede herinneringen hadden aan de voor dat doel speciaal aangewezen Opstand tegen Spanje als begin van onze vrijheid. Dat was ongeveer net zo pijnlijk als een RK pastoor deze week in Dordrecht met een hagepreek mee laten doen.

Pastoor Tjeerd Visser tijdens zijn hagepreek. Foto Wim van de Pol.

Om het samen te vatten, speciaal voor meneer Pleij:

  • De Nederlandse staat begon niet op 19 juli 1572 in Dordrecht.
  • De statenvergadering was ook geen opmaat voor het uitroepen van zelfstandigheid.
  • Er werd toen geen besluit over de vrijheid van godsdienst genomen.
  • De Staten van Holland keerden zich ook (nog) niet af van de koning van Spanje.
  • En diezelfde Staten waren geen ‘soort tweede kamer’.

Als u het nog eens rustig wilt nalezen kan ik u verwijzen naar mijn blog vanaf oktober 2016.

Ik merk verder dat ik helemaal geen behoefte heb aan een op fout begrepen en misschien wel vervalste historische gegevens gebaseerde nationale feestdag, waarbij Dordrecht als braafste jongetje van de klas fungeert. Als ik behoefte heb aan een eigen identiteit probeer ik wel te kijken naar en leren van wat ik zelf gepresteerd heb. Daar hoeft mijn gemeente, mijn land en zeker de kerk niet voor te zorgen. Ik zou willen dat mijn stadsgenoten hun spreekwoordelijke nuchterheid terugkrijgen en zich niet mee laten slepen door cultuurbobo’s, dominees en pastoors, maar gewoon de feiten tot zich nemen en daar zelf hun conclusies uit trekken. Ik vrees alleen dat er vanaf nu een van bovenaf opgedrongen, naar nationalistisch sentiment riekend  feest zal worden gepromoot. Afijn… als het dan maar met een leuke picknick, een barbecue en vuurwerk opgeluisterd wordt. Naar de toespraken hoeft u niet, dat doet de Dordtse fine fleur wel.

Feest van de vrijheid

Soms denk ik wel eens: waar doe ik het voor? In de periode oktober tot en met december 2016 heb ik proberen aan te tonen dat die eerste vrije statenvergadering niet de eerste en ook niet een vrije statenvergadering was. Hij was ook niet bedoeld om de Nederlandse vrijheid te doen uitbreken en het was zeker niet de bedoeling dat er na afloop een nieuwe staat zou ontstaan. Er moesten maatregelen genomen worden om de Spanjaarden, als ze terugkwamen om de rebellie van de Hollandse en andere steden te bestraffen, van repliek te dienen. Daarvoor moest aan de prins van Oranje, die klaar stond om een inval in de zuidelijke Nederlanden te doen, veel geld overgemaakt worden. Daarvoor ook moesten in Holland zelf de nodige defensieve maatregelen genomen worden. En, oh ja, er moest nog wat met de katholieken, maar dat had geen haast.

Er kwam allemaal niks van terecht. Het geld was weggegooid want de prins werd teruggeslagen en zijn troepen plunderden, zonder dat hij ze tegenhield, van de weeromstuit de nodige steden en dorpen omdat ze niet genoeg geld kregen. Alva kwam terug en moordde vier steden uit voor zijn leger bij Alkmaar op zijn donder kreeg. De voor de Hollandse verdediging aangestelde generaal was een wrede machtswellusteling die zich niet ontzag katholieken te martelen en af te maken. En de andere katholieken? Tja. Abten en gardiaans werden opgesloten, monniken werden weggejaagd of vermoord en nonnen verkracht door de geuzen, kerken werden leeggeruimd en geplunderd en in beslag genomen door calvinistische dominees die de katholieken binnen een paar jaar uitsloten van deelname aan het maatschappelijk leven en van hen tweederangs burgers maakten.

Hoe bedoel u: In 1572 begon de vrijheid in het Hof van Dordrecht?

Als je met ‘hindsight’ terugkijkt op die gebeurtenissen kun je zeggen dat de inname van Brielle op 1 april 1572 het nodige in beweging heeft gezet: een opstand tegen het bevoegd gezag. Op den duur leidde die opstand  tot een oorlog die na een hoop ellende na 80 jaar gewonnen werd. Het was ook de oorzaak van het afzweren van de wettige vorst, Filips II van Spanje, in 1581 en het uitroepen van een Republiek in 1588, maar dat de basis daarvan in Dordrecht werd gelegd: nee. Het was als het gefladder van een mot om een kaars dat op den duur, naast allerlei ander gefladder, deel uitmaakte van een stuk geschiedenis. Er is daar niks begonnen, behalve een mislukking. Zeker voor de vrijheid van meningsuiting en religie van het grootste deel van de bevolking, dat nog gewoon katholiek was, werd het een totale afgang. Pas in de loop van de 17e eeuw zouden de zwarte dominees de nodige burgers dwingen het Ware Geloof aan te nemen, met veel dreigementen over hel en verdoemenis, en zijn we een min of meer protestant land geworden. Het is dat het in de Gouden Eeuw verdiende geld een hoop goed maakte (maar niet voor iedereen!), maar dat de Nederlanden een open en vrije samenleving werden waar de rechten van iedereen vastlagen, nee. Pas in 1839 ontstond er hier een tamelijk  geordend land dat in 1848 een grondwet kreeg. Wel moesten gewone mensen en vrouwen nog een hele tijd wachten voor ze democratisch mochten stemmen en dan nog… Hoe groot is de opkomst bij moderne verkiezingen? Hoe vrij zijn we met onze werkdwang, verzekeringen en hypotheken?

feest vrijheid
De Stem van Dordt, 5.7.2017

Ik heb destijds ook mijn afkeer en schaamte geuit over de toestand in 2015 toen de koning en koningin een onzin tekst ondertekenden. Dat werd me niet in dank afgenomen. Diverse cultuurbobo’s hier in de stad voelden ziich nogal op hun lange tenen getrapt. Van enkelen van hen kreeg ik onomwonden te horen dat ze niks aan de huidige opstelling van het museum in het Hof zouden doen; te duur, te moeilijk en ik had toch ongelijk. En dan gaat er nu dus een jaarlijks terugkerende herdenking van start. Het ‘feest van de vrijheid’ wordt het in de krant genoemd en het gaat op woensdag 19 juli gebeuren. In en om het Hof. Het programma liegt er niet om: de burgemeester in sede vacante opent het feest dat om 5 uur begint met een picknick en een barbecue in de Kloostertuin (zie foto bovenaan; de Statenzaal ziet u rechts naast de boom). En dan komt het: “bezoekers krijgen de vrijheid (!) om met kleden bezit te nemen van de tuin, te luisteren naar muziek, liederen en voordrachtskunst”. Is het dat waar 80 jaar (nou ja…) voor is gevochten? Dat je op een kleed al etend en  drinkend naar muziek kan luisteren? Wie verzint zoiets?

Maar dat is nog niet alles: ook Herman Pleij zal “het woord richten tot het publiek” . Onze nationale historische hofnar zal “plei(j)tbezorgen” voor het belang van Het Hof van … (ik kan het niet uit mijn toetsenbord krijgen!).  Bovendien zal vanuit het Platform Dordtse Kerken in het kader van “de geloofswaarden en onze vrijheid van nu” op het plein een hagepreek gehouden worden. Een wat? Een hagepreek! U weet wel: een preek in de open lucht uit de tijd van de vervolging van protestanten (met name in 1566 en een paar jaar erna), zoals er in of bij Dordrecht nooit één heeft plaatsgevonden. Daar is in 2015, toen die plannen er ook al waren, nogal wat protest tegen gekomen. Maar het ging toch door. En nu dus ook. De grote verrassing is echter dat degene die de preek houdt de rooms-katholiek pastoor Tjeerd Visser is. In het eerste krantenstukje van 5 juli jl en op de website stond die naam nog niet. Gisteren 12 juli dus wel  en mijn broek zakte af. 

Een katholiek gaat voor tijdens een hagepreek waarbij, historisch gesproken, door de calvinistische dominees de ‘roomse santenkraam’ als afgodendienst werd neergezet en in alle openheid de paus tot afgezant van de duivel werd benoemd. Ik weet dat het aanleren van historisch besef met de manier waarop in Nederland geschiedenis wordt onderwezen het zwaar heeft, maar dit geloof je toch niet. Moet kunnen, zal Pleij ongetwijfeld zeggen. Ik vraag me echt af of men een gaatje in zijn hoofd heeft, hier in Dordrecht.

Voorzitter van genoemde Platform, mijn goede kennis Hans Berrevoets, becommentariseerde in het laatste krantenartikel nog even de hagepreek. “Toen op de eerste Vrije Statenvergadering van 19 juli 1572 werd door twaalf Hollandse steden in Dordrecht gekozen voor een strijd voor de vrijheid van geloof en vrijheid van geweten”. Dat is niet waar, maar Hans heeft waarschijnlijk mijn blogs niet (goed) gelezen. Hij vervolgt: “Stadhouder Willem van Oranje kreeg de leiding (dat kreeg hij niet, die had hij al; hij werd er alleen in bevestigd). De hagenpreek anno 2017 is daarom kerkelijk breed van opzet zijn (! Ik citeer letterlijk…). In juli 1572 werd de katholieken het zwijgen opgelegd (dat was inderdaad het waarschijnlijk niet bedoelde effect…). Daarom zal het thema van de hagenpreek ook vrijheid van godsdienst zijn.”  Met andere woorden: de roomsen krijgen de kans om wat terug te zeggen?

Hagenpreken waren stiekem in de open lucht gehouden kerkdiensten van vervolgde protestanten. Katholieken hebben zich, bij mijn weten, in de tijd dat hun geloof verboden was er nooit aan gewaagd. Zij trokken zich terug in schuren en op zolders om daar in het verborgene missen op te dragen. Dat heeft nog heel lang geduurd. Pas halverwege de 19e eeuw kregen ze echte godsdienstvrijheid, dus nadat we hier in 1848 een grondwet hadden gekregen. Daarna is er in Nederland een soort vrijheid van geweten en religie gekomen, waar we nu nog van profiteren. Eh… sommigen van ons dan, want de heren populisten weten nog wel een paar religieuze uitingen die eigenlijk verboden zouden moeten worden.

Begrijp me goed: ik ga echt niet zitten roepen dat dat Feest van de Vrijheid verboden zou moeten worden. Men doet maar. Maar ik zou willen dat de historische context geen geweld wordt aangedaan, want van de motivatie deugt geen steek. En hoe bobo’s  als Pleij en Visser zullen gaan draaien om het toch een glimp van relevantie te geven wil ik ook niet horen. U zult me die woensdag dan ook niet in de buurt van het Hof zien. Maar als u dan toch wel  gaat houdt dan in de gaten dat de vrijheid van godsdienstbeoefening en die van het democratische Nederland niet in 1572 in Dordrecht zijn begonnen

Lachen om ons stadsrecht

stadsrecht 1220

Een paar weken geleden woonde ik in mijn alma mater Leiden een symposium bij over de geboorte en groei van het graafschap Holland. De laatste lezing van die dag werd gegeven door professor Rudi van Maanen en zou gaan over de oudste stadsrechten. We zijn hem al eens eerder in een van mijn blogs tegengekomen . Hij herhaalde nog eens dat een stadsrechtverlening geen geboorteacte van een stad was. Maar toen hij over Dordrecht en Geertruidenberg te spreken kwam (waarbij hij de ruzie over wie nou de oudste was nog noemde) vertoonde hij er ook een dia bij van ons oudste stadsrecht-exemplaar. U ziet het hierboven. Er ging een klaterend gelach door de collegezaal met ruim 250 aanwezigen. Ik wist niet wat ik hoorde en voelde me eigenlijk een beetje geïrriteerd: wat dachten die mensen wel! Ik heb alleen al in de eerste week van mijn studie (september 2003) afgeleerd om tijdens een hoorcollege mijn hand op te steken en de professor een vraag te stellen: zoiets  doet men niet!

prof van maanen
Professor Rudi van Maanen.

Nou is een lezing niet echt een college en ik heb het echt wel meegemaakt dat mensen mij tijdens lezingen onderbraken. Dat is dus hinderlijk. Ik heb na dat gelach echter niks van me laten horen. Tijdens het vragenrondje na afloop was het zo druk dat ik me ook toen stil gehouden heb. Zelfs in een kort gesprek tijdens de borrel heb ik het er met Van Maanen niet over gehad. Het was trouwens zijn schuld niet dat de mensen lachten. Ik heb me die avond op weg naar huis wel af zitten vragen waarom er gelachen werd. En eigenlijk vraag ik het me nog steeds af.

Het is natuurlijk een onooglijk ding, ons ‘stadsrecht’: vijf snippers beschreven perkament op een kartonnetje geplakt. Stukken van de tekst zijn verbleekt en de randen lijken wel door de muizen aangevreten. We weten zelfs niet hoe hoog het origineel was want de bovenrand is weg. Het is dat we de heruitgave van 1252 hebben die, op een paar aanvullingen na, letterlijk dezelfde tekst bevat, want anders zou de inhoud ons ook nog eens niks gezegd hebben. We weten zo tenminste wat er kwijt is. Het ziet er inderdaad niet uit. Maar om er nou om te gaan zitten lachen…

Het komt natuurlijk omdat de mensen in de zaal geen idee hadden hoe uniek dat stukje perkament is, ondanks dat er de nodige historici onder hen waren. Zij zijn trouwens de enigen niet. Ook Dordtenaren weten dat niet.  Ik moet het toch maar eens (nog een keer) uitleggen. Weet u, als lezer van dit blog, hoeveel  bronnen in de vorm van oorkonden, brieven, charters, kortom stukken beschreven perkament we voor Holland en Zeeland tussen het vroegst bekende van ca. 700 en 5.2.1222 (de dood van graaf Willem I) kennen?  423. Weet u hoeveel er van dit aantal nog fysiek ergens aanwezig zijn? 147. De rest is alleen bekend van afschriften. Weet u nog hoe dat komt? Juist, omdat ze door geestelijke instellingen als het bisdom Utrecht, kapittels, kloosters en abdijen zorgvuldig bewaard zijn door de eeuwen. Weliswaar zijn er bij die instituten ook wel stukken verdwenen, tot de draad versleten of gewoon verbrand en gestolen, maar ze lagen er relatief veilig. We zullen wel nooit weten hoeveel van die oorkonden er ooit echt geweest zijn.

Dikwijls zijn dergelijke verzamelingen oorkonden  voor men ergens tot de reformatie overging of voor geuzen, Spaanse of Frans-Revolutionaire troepen een klooster in brand staken nog in stedelijke archieven terecht gekomen. Zo worden de archieven van de abdijen van St Pieter en St Baafs, waar we de oudste Hollandse bronnen door kennen, in het Gentse stadsarchief  bewaard en die van de abdijen van Ter Doest en Ten Duinen in dat van Brugge. In Nederland berusten de archieven van de Utrechtse bisschop en de kapittels van de Dom en Oudmunster, van St. Jan, St. Pieter en St. Marie in het Rijksarchief van Utrecht en die van de graven van Holland en de abdijen van Egmond en Rijnsburg in het Nationaal Archief in Den Haag. In Middelburg worden in het in de oorlog zwaar beschadigde Rijksarchief van Zeeland die van de Onze Lieve Vrouwenabdij in die stad, voor zover niet verbrand, bewaard. Maar u moet niet denken dat dat er honderden zijn; het gaan meestal om niet meer dan enkele tientallen voor de genoemde periode.

Weet u hoeveel oorkonden verleend door wereldlijke heersers uit de periode ca 700-1222 die op Holland en Zeeland betrekking hebben zich in stedelijke archieven bevinden? 33. Elf daarvan zijn Duitse steden en betreft het vooral koninklijke of keizerlijke oorkonden. Zes zijn Vlaamse steden en ook daar zijn het koninklijke of grafelijke oorkonden. Dan een stel in Brabant (zeven in Brussel en één in Antwerpen), drie in Italië, één in Luxemburg, één in Parijs en één in Londen. In het huidige Nederland zijn er twee oorkonden gericht aan Utrecht: één door de stad Keulen (24.11.1203) en één van rooms koning Frederik II (19.4.1220). En dan hebben we Dordrecht. U herinnert zich het chartertje door graaf Dirk VII van februari 1200 dat het oudste stuk in het stadsarchief is en dan de in juli 1220 verleende stadskeur van graaf Willem I. Dat beide aan de stad gerichte oorkonden ook echt in het stadsarchief bewaard zijn gebleven mag gerust een klein wondertje genoemd worden. Al is de stadskeur dus zwaar beschadigd.

charter feb 1200
De tekst van het charter van februari 1200 uitgelicht.

Er zijn meer Nederlandse (en ook Hollandse) steden waar oudere stadsrechten vermoed worden. Ze worden soms zelfs genoemd in latere bewerkingen ervan, maar er is niks bewaard gebleven. En dat geldt natuurlijk ook voor het stadsrecht van vóór 1200 voor Dordrecht,  waarvan ik het bestaan heb  proberen te bewijzen. Tenminste… als dergelijke rechten inderdaad op schrift werden gesteld, want ook dat is niet bekend. Soms wordt in het nieuwe stadsrecht vermeld dat het een eerder, wel geschreven exemplaar verving dat intussen zo vervaagd of beschadigd was dat het niet meer te lezen was. Wat ook wat zegt over de bewaarmethoden in middeleeuwse steden. Er werd misschien niet al te voorzichtig mee omgesprongen of er trad beschadiging op door een brand die zegels liet smelten en perkament deed krimpen tot geplooid en gedonkerd leer.

Dat ook zo’n beschadigde stadskeur toch wel van waarde was voor de ontvangers blijkt uit het feit dat het exemplaar van Dordrecht uit 1220 in ieder geval in die vorm (“enkele verschroeide snippers”)  in een laatje van de Ijzeren Kast werd opgeborgen.  Dan bleef het in ieder geval bewaard, nadat er die vermeerderde kopie van was gemaakt in 1252. Bewaard om in de 19e eeuw door de stadssecretaris te worden teruggevonden en herkend te worden voor wat het was. Hoewel Van den Brandeler zich dat waarschijnlijk niet realiseerde, was het het tevens het oudst fysiek bewaard gebleven stadsrecht van Holland. Het volgende, dat van Haarlem, dateert van 25 jaar later; 1245. Dat is trouwens alleen maar te danken aan het feit dat het na een opstand in 1492 in beslag in genomen door de grafelijkheid en in Den Haag goed werd opgeborgen. Wie weet wat er mee was gebeurd als het in Haarlem was gebleven. Net zoiets als het zwaar beschadigde exemplaar van Delft uit 1246 waarschijnlijk.

Er valt dus helemaal niks te lachen om onze wat sjofele stadskeur. En al helemaal niet om het charter van 1200. Andere steden in Holland kunnen niet tippen aan onze oudste archiefstukken; wij hebben ze tenminste nog. En daar mogen we best een beetje chauvinistisch over doen.

Historische sensatie (3)

U zult me wel gemist hebben… 😉  Het is meer dan twee weken geleden dat ik een blog geschreven en gepubliceerd heb. Dat komt omdat er in de tussentijd het nodige gebeurd is. Ten eerste moest ik een geheel nieuwe lezing schrijven en in een powerpoint presentatie omzetten. Die heb ik inmiddels vorige week zaterdag gegeven. Ten tweede was er een hoofdstuk over elfde-eeuwse kleding dat ik beloofd heb te schrijven voor mijn goede vriend Kees Nieuwenhuijsen. Begin mei had ik daar een deadline voor waarop ik de inhoud ervan moest weten en in schets moest opschrijven. Dat is ook gelukt. Maar wat ingrijpender was, was dat ik, ten derde, eindelijk het groene licht kreeg om een boek te gaan schrijven waarover vorig jaar al onderhandeld is. Precies een week nadat ik het vorige blog had geplaatst kwam het contract binnen. Ik heb het getekend en teruggestuurd en nu is het dus officieel.

Het boek moet 1 juni 2018 klaar zijn en dat houdt in dat ik een jaar lang, naast mijn werk, flink in de weer zal zijn met onderzoek, schrijven, kaartjes tekenen en illustraties zoeken. Het betekent ook dat ik naast het werk en het schrijven niet veel tijd over zal hebben om aan mijn blog te werken. Dat moet een beetje in de verloren uurtjes gebeuren, want ik wil ook nog wel wat tijd overhouden voor gezin, kinderen en kleinkinderen. Ik hoop dat u, als mijn lezers, daarvoor begrip zult hebben.

Omdat er geen dringende historische zaken over Dordrecht zijn (nou ja: wat moet je met de Visbrug…) ga ik hier dus even verder met een historische sensatie. Ook dit is al een ouwetje, maar hij is wel van grote invloed op mij persoonlijk geweest. Je kunt zeggen dat hij aan de basis lag van mijn bestaan als historicus nu.

wapen dordt
De wapentekening uit 1977 bedoeld voor postcards en gemeentedrukwerk.

U weet misschien dat ik, voor ik echt in de geschiedenis verder ging, heraldicus en heraldisch tekenaar ben geweest. Officieel ben ik daar omstreeks 1975 mee begonnen, toen ik dus al even in Dordrecht woonde. Één van mijn eerste opdrachten was een nieuwe tekening maken van het Dordtse gemeentewapen. Na aflevering daarvan kreeg ik een telefoontje van de stadsarchivaris, Dr. Theo Jensma, of hij de originele tekening mocht hebben voor het archief. Ik had daar geen bezwaar tegen. We maakten een afspraak om de tekening over te dragen. Dat werd een leuk gesprek. Hij  merkte wel dat ik het beroep van heraldicus behoorlijk serieus nam en er inmiddels ook wel het nodige van afwist. Al pratend kwam hij met het plan om me voor het nieuw vormgegeven archieftijdschrift  Kwartaal & Teken een artikel te laten schrijven over het tot stand brengen van die nieuwe wapentekening, voorzien met afbeeldingen en beschrijvingen van de wapens die eraan vooraf waren gegaan.

kw & t 1977
Het omslag van het Kwartaal & Reken nummer waarin mijn artikel over het wapen van Dordrecht staat. De foto is van het gebeeldhouwde wapen op de Dordtse Groothoofdspoort uit 1618.

Ik was daar een beetje bunzig voor, want ik had nog nooit een artikel geschreven, laat staan iets historisch-heraldisch. Ik heb het voorstel echter wel aangenomen en nog steeds staat het artikel bovenaan mijn bibliografie. ‘Het wapen van Dordrecht. Een verantwoording’ in het eerste nummer van het jaar 1977. Met eigen illustraties en zelf opgezochte voorbeelden van oude stadswapens. Het zag er leuk uit en ik kreeg er de nodige complimenten over. En het had de nodige gevolgen. Na verschijning belde de archivaris me namelijk weer op en stelde voor dat ik de middeleeuwse schepenzegels heraldisch ging beschrijven, want dat was nog nooit gebeurd. Er waren nooit kenners van de blazoenering geweest die dat hadden kunnen doen. Blazoeneren is de taal waarmee je een wapen kort beschrijft zodat een tekenaar zonder het plaatje te hebben gezien toch een kloppende afbeelding van het beschreven wapen kan maken.

U begrijpt dat ik dat wel wilde, zeker toen bleek dat het ook nog betaald zou worden. De archivaris had een subsidie kunnen regelen om een jaar lang één dag in de week de  zegels te beschrijven. Ik kon dat geld goed gebruiken. Dus op een woensdag in mei 1978 begon ik met mijn werk op het gemeentearchief aan het Stek. Ik kreeg een hoekje in een ruimte waarin ook enkele andere mensen archieven doorspitten, inventariseerden en beschreven. Er werd een tafel neergezet met een installatie waarin ik een fototoestel kon schuiven, want ik moest de zegels niet alleen beschrijven, maar ook fotograferen. Ook dat was nog nooit gebeurd. Nou had ik op de academie ook fotografie gedaan, dus dat was geen bezwaar. Ik kon ze ook nog zelf ontwikkelen (er bestonden nog geen digitale camera’s) en afdrukken.

archief stek
Het gebouw van het stadsarchief aan het Stek zoals het was toen ik er ging werken, met de moderne aanbouw net zichtbaar.

De depotbeheerder had al een stapeltje enveloppen klaargelegd en ik vouwde onder zijn leiding en instructie mijn eerste ‘chartertje’ open. Het was meen ik 15e eeuws en uit een kloosterarchief afkomstig. Een klein velletje in zessen gevouwen beschreven perkament met door de omgevouwen onderkant ervan, de plica, drie smalle strookjes perkament met aan elk een stoffig stukje was. Wat er stond kon ik nauwelijks lezen, al had ik inmiddels les in oud schrift. Daar begonnen we met 17e eeuws schrift maar dit was wel wat anders. Ook de zegels waren onduidelijk. Goed dat ik een flink vergrootglas had waarmee  je de niet meer dan 1,5 of 2  cm grote zegels wat dichterbij kon halen. En inderdaad: het waren meestal nog steeds scherpe schildjes met heraldische figuren. Heel mooi en heel fijn bewerkt; ik was zeer onder de indruk. Maar hoewel dit een verrassende ervaring was, was het nog niet de historische sensatie. Dat kwam een paar maanden later.

charter 196 1345
Het bewuste charter uit 1345.

Na het inleveren van weer een paar opgevouwen charters bij de restauratore, waar ze gevlakt en op zuurvrij karton gezet zouden worden, kreeg ik een grote enveloppe aangereikt. Het was maar één stuk, want Riny Benschop verzekerde me dat ik daar wel even mee bezig zou zijn.  Het was een charter uit het oude stadsarchief, in de grafelijke tijd, en had als inventaris nummer 196. Het was een flinke lap perkament met onderaan enkele tientallen staarten met en zonder zegeltjes eraan. En helemaal links het stadszegel. Het was een acte waarbij het stadsbestuur verklaarde dat de burgers schadeloos gesteld zouden worden voor de geleden schade na het verbannen van drie personen. Wat er precies gebeurd was was me niet erg duidelijk, maar ik kon wel lezen van wanneer de oorkonde was. De datum was 1345…

Ik heb daar een hele tijd naar zitten kijken. Ik wist niet goed wat ik voelde, maar ik merkte wel dat ik letterlijk overal kippenvel had. Ik moet een hele tijd ongewoon stil zijn geweest, want mevrouw De Wijs, die schuin achter me het archief van de Remonstrantse kerk zat te beschrijven, vroeg: “Henk, er is toch niks?” Ik werd als het ware wakker en zei: “Dit charter heeft de Zwarte Dood meegemaakt!” Ze moest daar nogal om lachen, maar ik meende het serieus. Ik realiseerde me dat een stuk perkament met wassen zegeltjes gedurende de tijd dat in Europa tussen 1348 en 1351 een grote pestepidemie heerste ergens in het oude stadhuis van Dordrecht had gelegen.

Even bedacht ik me dat er misschien nog wel yersinia pestis bacteriëen ergens tussen die verfrommelde staarten zou kunnen zitten en dat ze me alsnog zouden besmetten, maar dat was natuurlijk onzin. Zonder voedingsbodem verdwijnen dat soort ziektekiemen al heel snel. Maar intussen had ik wel een baas van een historische sensatie gehad. Het je realiseren dat je iets in je handen houdt dat ‘getuige’ is geweest van een ingrijpende historische gebeurtenis is niet zomaar iets. Later realiseerde ik me dat dat voor heel mijn omgeving geldt. Ik loop, zit, sta en leef in een omgeving die een en al geschiedenis is. Dordrecht is oud en voor wie er oog voor heeft zijn overal zaken, gebouwen, straten en waterlopen zichtbaar die de Romeinen hebben zien komen, waar graven van Holland hebben gelopen, waar Spaanse soldaten hebben gevochten tegen Staatse troepen, etc. Duitse soldaten hebben zelfs een mitrailleur in het portiek van mijn huis opgesteld in de ochtend van 10 mei 1940 en daarmee over de spoorlijn geschoten.

Intussen is die historische sensatie door archiefstuk GAD 0001-0196 er de oorzaak van geweest dat ik toen, tussen de bedrijven door, mijn eerste historische onderzoek ben gaan doen. Mijn vraag was: hoe ingrijpend was de invloed van de pestepidemie van 1348-51 in Dordrecht, of in Holland. Uit de kronieken en politieke gebeurtenissen bleek daar niet veel van. De eerste problemen van wat later de Hoekse en Kabeljauwse Twisten zouden worden staken de kop op, er was oorlog tussen Holland en Utrecht, en tussen de jonge graaf en zijn moeder, etc. Niks wees erop dat een epidemie het dagelijks leven had verstoord. Ook eerder onderzoek van echte historici en dokters had dat voor Holland niet aangetoond. Ik was geïntrigeerd en dat ben ik nog. Het was het begin van mijn historische loopbaan en na bijna 40 jaar ben ik er nog steeds mee bezig.

Historische sensaties kunnen langdurige gevolgen hebben.

Wordt vervolgd

Historische sensatie (2)

Ik vervolg deze serie met een kort voorbeeld van één van mijn eerste historische sensaties in Dordrecht.

In november 1973 betrok ik mijn eerste Dordtse woning. Het was (en is) een piepklein huisje op de Nieuwbrug van dan even iets meer dan 3 meter breed en 6 meter diep. Het had een zeer hoge begane grond, een verdieping en een zolder. En een kelder. Die liep een paar keer per jaar onder en dan stond er een laag water in van ongeveer 10-20 cm. Niet bevorderlijk voor eventueel voor water gevoelige spullen die daar stonden, maar ja: het huisje staat buitendijks, dus er was toen weinig aan te doen. Ik merkte dat overigens pas in het voorjaar van 1974 en besloot de rommel in de kelder, die voor het grootste deel was achtergelaten door een vorige eigenaar, te onderzoeken op wat weg moest en wat kon blijven staan. Mijn eigen, tijdelijk daar opgeslagen spullen waren weliswaar nat geworden, maar gelukkig was er niets bij wat niet, na drogen, weer bruikbaar was.

nieuwbrug
De Nieuwbrug aan de Wijnstraat, mijn huisje was het derde van rechts (Google Maps)

Tussen de rest van de spullen (in een paar kistjes) vond ik een aardewerken potje. Ik was toen nog lang niet zo op de hoogte van archeologische voorwerpen als nu, maar ik herkende het wel als ‘oud’. Ik weet nog dat ik met dat potje in mijn handen stond en dacht: dit heeft iemand lang geleden gebruikt en toen het ene oor afgebroken was, in de kelder gezet. Tenminste… dat was één mogelijkheid. Wie weet wat er daarna nog allemaal mee gebeurd is. Het was een beetje raar gevoel. Het was donker in de kelder, maar door het open luik viel licht binnen via het glas in de voordeur en het raam, en dat weerkaatste tegen de gewitte muur van de kelder. Dat zorgde voor een heel eigenaardig licht: een beetje zoals op een 17e eeuws schilderij van Vermeer of De Hoogh. Ik voelde me even heel erg verbonden met het verleden.

kachelpan 1
De inhoud van het kachelpannetje.

Ik heb daar tot 1979 gewoond en het potje is daarna mee verhuisd naar mijn volgende woningen. Het staat nu op de schoorsteenmantel van mijn werkkamer, gevuld met een daar zelfgemaakt  vouwscheermes uit Indonesië dat ik van een vriendin heb gekregen, een paar tondelzwammen, twee brokken middeleeuwse baksteen en wat stukken vuursteen. Ik zie het even rechts voor me als ik opkijk van mijn werk en het herinnert me elke keer aan die eerste bewuste historische sensatie die ik in mijn nieuwe woonplaats had.

kachelpan 2
Het kachelpannetje van opzij.

Het gekke is dat ik me al die tijd niet heb afgevraagd hoe oud dat potje is en wat het voor een type aardewerk het is. Het is 16 cm in doorsnede en maar 11,5 cm hoog. Het is rood aardewerk en heeft een gedeeltelijke glazuur van een mooi bruin-geel type, dat je niet zoveel ziet. Volgens de archeologen zou dat kunnen wijzen op Friese herkomst. Inmiddels weet ik wel dat het een zogenaamde kachelpan is. Dat kun je zien aan de vlakke bodem. Het is dus een kookpotje, maar dan voor op een platte kachel of fornuis. Vroegere kookpotten stonden in de hete as in de open haard en hadden daarom allemaal drie pootjes. Dat was op een fornuis niet nodig, dus hij kon plat worden. Het heeft daarom ook geen beroete onderkant, zoals de driepootskookpotten, want het kwam niet met het vuur en de as in aanraking. Dergelijke pannen waren een stuk goedkoper dan metalen pannen, en ze werden dan ook tot in de vroege 20e eeuw nog wel gebruikt door arme gezinnen.

kroon van denemarken
Dezelfde hoek van de Nieuwbrug-Wijnstraat met het huis De Kroon van Denemarken en de andere huisjes die na 1847 werden afgebroken (aquarel Johannes Rutten, kort voor de afbraak, GPV 552_231891).

Het huisje aan de Nieuwbrug is ca 1879 gebouwd toen na 1847 de oprit naar de brug verbreed werd en een groot hoekhuis, de Kroon van Denemarken, en een rijtje daarachter liggende huisjes werd afgebroken. Het was één van een rijtje nog minder diepe arbeidershuisjes en werd steeds bewoond door zeer eenvoudige mensen. In een adresboek vond ik als bewoner een politieagent met vrouw en wel zeven kinderen. Dat laatste vond ik trouwens in het bevolkingsregister. Waar die in dat huisje allemaal sliepen is me een volkomen raadsel, maar veel ruimte kunnen ze er niet gehad hebben. Ze hadden er in ieder geval een fornuis – waarschijnlijk op de begane grond – want anders had dat pannetje geen zin. Dergelijke fornuizen dateren in gewone huizen meestal van de tweede helft van de 19e eeuw, dus de datering van het pannetje zal daar ook wel in passen.

kachelpannen
Kachelpannen in het Dordtse Archeologische Depot (met dank aan Deborah Paalman).

Kachelpannen komen niet veel naar boven bij archeologisch onderzoek. De 19e eeuw is niet echt een periode die opgegraven hoeft te worden. In de literatuur over stadskernonderzoek komen ze nauwelijks voor; ik heb maar twee in Kampen gevonden exemplaren in mijn vele verslagen staan. Het Dordtse depot bevat ook niet veel  kachelpannen. Hierbij ziet u een foto van een paar typen. Linksachter ziet u een pan die hier is gevonden, en die een zelfde kleur glazuur heeft. Deze komt echter, volgens het stempel, uit Oosterhout. Dus op een Friese herkomst vanwege dan bruin-gele glazuur kan je ook al geen peil trekken.

Ondanks zijn beschadiging, vind ik het nog steeds een mooi pannetje. Ik moet toch eens bij Boymans kijken of ze daar ook kachelpannen in de verzameling hebben.

Wordt vervolgd

‘Verborgen Verleden’ heraldisch en genealogisch fout

Arjan Lubach wilde wel eens weten wat er waar was van het familieverhaal dat hij via zijn oma Adriana van der Spek van graaf Floris V afstamde. In de laatste uitzending van Verborgen Verleden van dit seizoen (22.4.2017) kreeg hij zijn kans. Even dacht ik nog: “dan gaan ze wel even verkeerd te werk” toen hij naar de Gravenzaal in het Haarlemse stadhuis werd gestuurd. Daar hangen namelijk de gravenportretten in een versie uit omsteeks 1490. Ze dragen kleding en wapenrustingen uit die tijd, want men had aan het eind van de 15e eeuw geen idee hoe men een paar eeuwen eerder gekleed ging en schilderde maar wat men wel kende. Laat staan dat men wist hoe die vorsten (en de paar vorstinnen; dus meer dan één zoals de rondleider beweerde…) er zelf uitzagen in hun eigen tijd (ca 950-1490). Daar krijg je dus een nogal verkeerd beeld van.

maria en max
Maria van Bourgondiën en Maximiliaan van Oostenrijk ca 1490 (Haarlemse gravenportretten, uit Graven van Holland (Zutphen 1995) 143, detail.

Misschien had de schilder Karel de Stoute en zijn dochter Maria nog wel eens gezien, dus waarschijnlijk leek die laatste een beetje (Karels hoofd zit in een helm). Hij wist in ieder geval dat hertog en later Rooms koning en keizer Maximiliaan van Oostenrijk, de echtgenoot en opvolger van Maria, lang, blond golvend haar had, een kromme neus en een centenbakje, de bekende Habsburg-kin.

Lubach kreeg in Haarlem namelijk een beetje popie uitleg over de graven van Holland, maar men liet hem weten dat hij naar het Nationaal Archief in Den Haag moest wilde hij zekerheid krijgen. Over die herkomst dus. Men liet al doorschemeren dat die afkomst van Floris V er niet in zat, maar dat er daar wel wat anders, dat ook interessant was, te vinden was. In het depot van het NA, waar je als familieonderzoeker dus in het echt nooit komt, kreeg hij een middeleeuwse rekening te zien waaruit bleek dat de Van der Speckes tot de welgeborenen-stand behoorde. Er was ook nog wat materiaal over een aanstelling tot schout van Haarlem en een betrokkenheid bij het begin van de Hoekse en Kabeljauwse Twisten. Kortom: men was diep in de middeleeuwen beland en de Van der Speckes, zoals ze toen werden genoemd, waren geen gewone plattelanders uit Lisse.  Welgeborenen waren mensen van lage adel die er niet veel meer aan deden en eerder rijke boeren waren dan mensen die in een kasteel woonden. De archiefmedewerker verwees Lubach echter naar Leiden om tot het begin van de familie door te kunnen  dringen.

dirk van holland wapen
Het wapen van Dirk van Holland als landscommandeur van de Duitse Orde: het ordekruis gedeeld met Holland voorzien van een zwart-zilver geblokte schildrand (Arnout van Buchel, Monumenta, f. 94).

Daar werd Arjan Lubach door archivaris André van Noort geconfronteerd met het oudste archiefstuk waar een Van der Specke in voorkwam: uit 1329. En toen werd alles vaag. De archivaris meldde wel nog dat hij in ieder geval niet van een bastaard van Floris V afstamde, zoals het verhaal ging. Daarna kwam hij echter op de proppen met een bastaard van diens vader, graaf en koning Willem II, waarna er allerlei ‘theorieën’ rond gingen zweven. Die bastaard, ene Dirk, zou een voorvader van de Van der Speckes geweest zijn was theorie één. Volgens de grafelijke stamboom van Dek uit 1953 zou dat de Dirk van Holland kunnen zijn die tussen 1287 en 1303 als landcommandeur van de Duitse Orde wordt genoemd en die in 1312 overleed. Latere stambomen en geschiedenissen van en over de graven van Holland hebben het echter niet meer over hem bij de kinderen van Willem II, dus het is waarschijnlijk niet zeker van wie hij een bastaard was. Hij zou ook nog Willems jongere broer, Floris de Voogd, als vader gehad kunnen hebben. Op de wapenlijst van de landcommandeurs is trouwens mooi te zien hoe een bastaardwapens eruit kon zien: met een geblokte rand. Dergelijke mannen werden geacht celibatair te zijn, dus geen relaties met vrouwen te hebben: niet echt een voorwaarde voor veel nageslacht. Al weet je natuurlijk nooit.

De volgende theorie was dat er een bewijs van afstamming uit de graven van Holland te halen was via een zegel uit 1395! Dat was het zegel van Dirck van der Specke, schepen van Leiden en kleinzoon van Willem van de Specke uit 1329. Op het zegel is een klimmende leeuw te zien met eroverheen een barensteel. Dat laatste is een smalle band met een aantal rechthoekige hangers eraan die over de wapenfuguur, de leeuw dus, heengaat. Vervolgens sloeg archivaris Van Noort een flater van jewelste, want hij zei letterlijk: “dat duidt op een bastaardkind”. En dat is dus niet waar! Een barensteel staat in die periode (dus de late 14e eeuw, maar ook al in de late 13e) in eerste instantie voor de oudste zoon binnen een geslacht bij leven van de vader. Zodra die overleed verwijderde die zoon die barensteel, die eigenlijk alleen smalle strook stof of leer was met wat afhangende lapjes, en voerde hij, als nieuw hoofd van de familie, het volle wapen.

Bastaarden voerden in de 13e en 14e eeuw heel andere tekens en tooiden zich dus niet met barenstelen. In de 13e en vroege 14e eeuw stond het wapen van de natuurlijke vader meestal in een vrijkwartier, een vierkant vak linksboven in het schild, of in de bovenste helft van het schild als het vaderswapen zelf al ingewikkeld was. De rest van het schild bleef dan blank. Ook andere methoden werden wel gebruikt, zoals uit de geblokte rand van Dirk van Holland, hierboven, bleek. Dat principe werd ook in Engeland wel toegepast. Tegen 1300 kwamen er de schuinbalk, schuinstaak of schuinstreep bij, een diagonale band van linksboven naar rechtsonder over het voorvaderlijk wapen. Als Dirck van der Specke in 1395 een bastaard van de graven van Holland was geweest had hij waarschijnlijk zo’n schuinstaak over de leeuw gevoerd. De barensteel duidt echter aan dat ze volkomen legitiem waren.

rietstap teylingen
Van Teylingen wapen (J.B. Rietstap, Wapenboek van den Nederlandschen Adel, deel 2, plaat 88 (1887)).

Vervolgens lanceerde de archivaris een derde theorie: de wapenkleuren zouden die van Holland zijn (een rode leeuw op goud/geel) en de barensteel zou blauw zijn. Dat was gebaseerd op wat Gijsbert van Rijckhuysen in de 18e eeuw op zijn wapenkaarten van de magistraten van Leiden had getekend. Die moest voor Dirck  echter afgaan op zijn zegel en daar staan natuurlijk geen kleuren op. Ook was het systeem van arceringen voor heraldische kleuren er nog niet. Dat werd pas in het begin van de 17e eeuw verzonnen om in gravures (die altijd zwart-wit waren) toch heraldische kleuren aan te geven. Rijckhuysen maakte daar dus gebruik van. Maar de echte kleuren had hij nooit gezien: het zou net zo goed een zwarte leeuw op zilver met een rode barensteel geweest kunnen zijn.

Vervolgens kwam Van Noort met de volkomen uit de lucht gegrepen connectie met het adellijke geslacht Van Teijlingen (rode leeuw op goud met een blauwe barensteel, volgens het ‘wapenboek van Rietstap’), wat hij exact hetzelfde wapen noemde. Als je leest wat daar in de tekst bij ‘Van Teylingen’ (zo wordt het daar geschreven) staat, ga je daar vraagtekens bij zetten:

Het is ons onbekend uit wat oorzaak de blauwe kleur aangenomen is, want de zilveren lambel (oud-Frans voor barensteel HtJ) was het kenteeken der Teylingens en de blauwe dat der Brederodes.

En dat is terecht. We kennen die kleuren van die respectieve barenstelen uit het wapenboek Gelre (ca 1380) en die zijn behoorlijk betrouwbaar. Men zegt dus dat het wapen van Dirck van der Specke hetzelfde is als dat van de in de 18e eeuw nog levende adellijke Van Teylingens, maar dat zou dan een zilveren barensteel moeten hebben. Hier lijkt het dus eerder op het wapen van de Van Brederodes. Bij de Van Brederodes zijn echter in de bestaande genealogieën rond 1300 geen bastaarden genaamd Willem of Dirck te bekennen. Zowel bij hen als bij de Van Teijlingens komen die voornamen, afgeleid van de Hollandse graven zoals bij veel adellijke families gebeurde, trouwens regelmatig voor; dat zegt dus ook niks.

Brederode stamt waarschijnlijk uit Teijlingen (veel bewijs daarvoor is er niet) en dat geslacht zou weer een connectie met de graven van Holland hebben. De naam Teijlingen komt in 1143 voor het eerst voor (Gerhardo de Teilinc) dus als dat zo is moet die aftakking daarvoor ontstaan zijn, zeg aan het begin van de 12e eeuw. Daar zijn echter geen bronnen over en daarom is men later allerlei verhalen gaan verzinnen, bijvoorbeeld over afstamming van een broer van graaf Dirk III genaamd Sicco of Siegfried (+1030). Daar is dus geen enkel bewijs voor. Dat het wapen Teijlingen dat van Holland met een breuk, de barensteel, is klopt, maar we zullen nooit weten hoe die afstamming in elkaar zat want heraldiek werd in Holland pas tegen 1200 gebruikelijk.

De Brederodes geloofden, na het uitsterven van de oudste tak der Teijlingens, dat ze in de 15e eeuw echt de laatste afstammelingen van de graven van Holland waren en lieten op den duur de barensteel weg, maar daar lachte men destijds toch een beetje om. Reinoud II van Brederode werd er door de hertogen van Bourgondië zelfs om gewantrouwd, want hij vond dat hij meer recht op Holland had dan die Bourgondiërs.

Intussen is er dus geen bewijs dat de Van der Speckes van de Van Teijlingens afstamden en ook niet dat ze natuurlijke nakomelingen van de graven van Holland waren. Arjan Lubach kan dan wel leuk gaan lopen doen in de ruïne van Teijlingen, maar zijn afstamming via bastaardij uit die edelen is gebaseerd op lucht en op foute aannames door een Leidse archivaris over het wapen Van der Specke.

Historische sensatie (1)

Ik wil in mijn blog vanaf nu af en toe een stukje plaatsen over wat er aan middeleeuws is overgebleven in en om Dordrecht. Misschien weet u, als lezer, die plaatsen makkelijk te vinden, maar niet-Dordtenaren zullen daar wat meer moeite mee hebben. Het is zeker dat er al diverse keren over dergelijke overblijfsels is geschreven. Journalisten en andere schrijvers van populaire literatuur vertonen namelijk de hebbelijkheid af en toe zo’n soort historisch onderwerp bij de kop te nemen en daar een treffend artikel over te schrijven. Soms worden dergelijke stukjes ook gebundeld tot een boekje met een pakkende  titel  zodat het voor stadgenoten en toeristen makkelijk te bewaren blijft. Ik pak het iets anders aan. Ik kies de onderwerpen zuiver subjectief, dat wil zeggen dat ze mij om de één of andere reden persoonlijk en emotioneel moeten raken of geraakt hebben. Dat mag voor een historicus, van wie verwacht wordt dat hij toch een zekere  academische afstand van zijn onderwerp bewaart, vreemd lijken, maar er is een historische  context voor.

huizinga
Johan Huizinga, ca 1920. Fotograaf onbekend.

Johan Huizinga (1872-1945), de bekende cultuurhistoricus (van wie iedereen alleen Herfsttij der middeleeuwen (1919) kent, maar meestal niet heeft gelezen), is de eerste Nederlander geweest die dit fenomeen heeft beschreven en het  in 1920 ‘historische sensatie’ heeft genoemd. Hij schreef er zelf over als inspiratiebron voor Herfsttij, maar zoals diverse van zijn biografen hebben aangetoond, was dat eigenlijk niet helemaal waar. Het zien van een tentoonstelling van werk van Jan van Eijk en consorten, dat wel degelijk een grote indruk op hem maakte, en een meditatieve wandeling langs het Damsterdiep (bij Groningen), waarbij het idee voor het boek ontstond, kunnen als respectievelijk sensatie over en inzicht in een historische periode gezien worden. Maar zoals een recensent van het boek De historische sensatie. Het Rijksmuseum geschiedenisboek (2005) schreef kan die sensatie niet zonder een zekere bekendheid met het onderwerp dat zo’n indruk op je maakt. Daarvoor heb je dus “naast het talent om paf te staan, kennis van zaken” nodig (vrij naar Jan Blokker).

Ik heb al sinds mijn vroege jeugd het vermogen om paf te staan, om zaken heel dicht bij me te laten komen en me te laten verrassen. Die kennis van zaken kwam later, maar ik stelde al wel heel vroeg aan mezelf de vraag waarom iets me dan zo trof. Dat ik niet de bagage had om daar echt een antwoord op te vinden was wel een feit. Dat heb ik later, toen ik echt gericht onderzoek naar het verleden ging  doen, wel ingehaald. En zeker sinds mijn studie weet ik veel beter raad met datgene wat bij mij die historische sensatie veroorzaakt. Vroeger zou ik het zijn gaan tekenen of fotograferen.

dover high street
De foto’s uit 1968 zijn helaas niet bewaard gebleven, maar dit is een modern gezicht op de High Street in Dover, die overloopt in de London Road, waar de jeugdherberg was. Het was ook niet zulk mooi weer en het liep tegen de avond. Google Maps.

Voorbeeldje uit 1968. Ik kan me nog levendig mijn eerste avond op Engelse bodem herinneren. Na inchecken bij de jeugdherberg te Dover gingen we nog even het stadje in en daar overviel me zo’n vreemde serie gevoelens bij het zien van de straten met historische huizen, antieke winkelnaamborden met prachtige handgeschilderde letters en  een zeer oud natuurstenen kerkje achter een heg dat ik niet wist wat ik moest doen. Ik ben toen met mijn gloednieuwe Pentax  spiegelreflex camera allerlei geweldig vormgegeven Georgian en Regency voordeuren gaan fotograferen. Mijn toenmalige vriendin moet wel hebben gedacht dat ik een tik van de molen had gekregen, maar ik wist gewoon niet wat ik met deze historische sensatie aanmoest.

Het gaat in deze blogs dus over eigen ervaringen met middeleeuwse en andere historische zaken in en om Dordrecht. Maar ik laat het daar niet bij, want ik probeer wel die sensatie in zijn bijbehorende context te plaatsen. Niet zelden zal die ook een paar clichés of vooroordelen oplossen, want met subjectieve gevoelens sluipen natuurlijk ook valse emoties en daarop gebaseerde wensbeelden over ‘vroeger’ naar binnen. Ik ben geen liefhebber van nostalgie, dus er zal af en toe even een pijnlijk momentje zijn. U bent gewaarschuwd.

Wordt vervolgd

Wat was Riede en waar lag het? (8)

Soms is de uitkomst van een opnieuw gedaan historisch onderzoek onbevredigend. Toch is het dikwijls heel nuttig om nog eens naar eerdere onderzoeken te kijken en nieuwe conclusies te trekken, ook als die niet heel bevredigend blijken te zijn. Het drukt je in ieder geval op de feiten: vroeger nam men soms wel eens te makkelijk dingen aan, die helemaal niet zo zeker waren. Dat is het geval bij dit Riede-onderzoek.

Hoe komen het latere Ri(e)d(d)erkerk en de latere Riederwaard dan aan hun naam? Hadden die Van Riedes er later wel wat te zoeken? Ik heb al een paar keer het artikel van Hoek in de Nederlandsche Leeuw van 1969 aangehaald. Daarin komen Van Riedes voor die, naast dat zij heer van Werkendam waren, ook heer van Barendrecht en Pendrecht worden genoemd. De eerste is Theodericus de Reden (Dirk van Riede?) die in 1264 door de abt van het klooster van St Paulus binnen Utrecht beleend wordt met een derde deel van de tienden (die kerkelijke belasting van 1/10 van de opbrengst van het land) van Berendrecht (Barendrech) in het rechtsgebied van deze Dirk, die dus al heer van dat gebied was. Waarschijnlijk was het oorspronkelijke ambacht naar een Berend/Barend genoemd. Maar zou een hele waard een 25 jaar later naar de ambachtsheer van een gedeelte van Barendrecht genoemd zijn?

kerk barendrecht
De huidige kerk van Barendrecht dateert van 1512, maar staat wel op de plek waar die van voor 1375 stond (foto https://www.dorpskern-barendrecht.nl/).

Zodra het omdijkt zou zijn en hij er een kerk zou hebben gesticht zouden ook de andere twee derden en het patronaatsrecht van de kerk (o.a. het aanstellen van de pastoor) van hem zijn. Met andere woorden: Barendrecht bestond nog niet (of was overstroomd) maar als hij het droog zou krijgen en een kerk zou bouwen zou het echt van hem zijn. In de literatuur over stormvloeden en andere overstromingen wordt grote schade gemeld in 1214, 1219 en 1248. Het kon lang duren voor zo’n overstroming ingedamd was en het land was dan dus ‘ridende’. In 1240 blijkt bijvoorbeeld het land rond het dorp Erkentrudenkerke in de Dordtse Waard nog onder water te staan van de overstroming van 1219. Zoiets kan in 1264 ook aan de hand geweest zijn nadat het gebied om Barendrecht in 1248 onder water kwam te staan. Het is natuurlijk niet zeker dat het toen gebeurde; het kan al in 1214-19 overstroomd zijn. 1248 is echter een logischer keuze.

Theodericus’ zoon (?), ook Dirk geheten, verkocht in 1321 Barendrecht aan de Dordtse rijke patriciër Jan heren Gillisz. Dus ze zijn ongeveer een halve eeuw heer van een stukje waard geweest. Dat verkopen gebeurde trouwens met toestemming van de heer van Altena, die ook de leenheer van de Van Riedes in de Grote Waard was. Vandaar dat we weten dat de Van Altena’s hier bezit hadden.

Links de ruïne van het kasteel Altena bij Almkerk. Tekening door Roeland Roghman, 1647.

Even later, in 1273, blijkt Daniël van de Merwede (volgens de telling van Lenselink nummer III) van diezelfde abt van St. Paulus een derde (!) van de tienden van het ambacht Carnisse in leen te hebben gekregen. Carnisse grensde in het westen aan Barendrecht. Het klooster van St. Paulus behoudt hier wel de rest van de tienden en het patronaatsrecht van de kerk daar. Als ik gelijk heb met mijn plaatsing van Riede aan de zuidzijde van de Merwede, is Daniël een (achter)neef van Dirk van Riede. Het zit erin dat de Van Altena’s hier in Carnisse ook de leenheer waren.

In 1286-1290 blijkt Antonis van Riede heer van Pendrecht te zijn, dat weer ten westen van Carnisse lag. Zijn bastaardzoon Hendrik Splinter is beleend met het aangrenzende Albrandswaard, maar dat is Puttens bezit. Pendrecht is daarentegen ook bezit van Altena. Hoek verbond hier de conclusie aan dat de heren van Altena tussen 1260 en 1290 enkele leenmannen uit hun land ten zuiden van de Merwede naar de Riederwaard verplaatsten.

Samenvattend: in de tweede helft van de 13e eeuw blijken enkele Van Riedes en hun familie lenen te bezitten in de waarschijnlijk sinds ca 1270 zo genoemde Riederwaard. Ze behoren tot de oostelijke tak van de Grote Waardse Van Riedes, heren van Werkendam en leenmannen van de heren van Altena. Waarom zaten ze daar? Waarschijnlijk omdat in de Riederwaard leenmannen uitstierven of omdat die vanwege overstromingen (die van  1248?) de spade in de dijk hadden gestoken. Daarom plaatsten de Van Altena’s hier een aantal zetbazen: de neven Van Riede-Van de Merwede. Is het dan vanwege die aanwezigheid van de Van Riedes dat de waard naar hen genoemd werd? Ik betwijfel dat. Andere edelen bezaten veel grotere stukken van dat gebied dan deze leenmannen, die een tamelijk klein deel ervan beheerden en dat niet eens lang. IJsselmonde behoorde in die tijd tot de Van Egmonds, machtige Noordhollandse adel. De Van Puttens bezaten het hele westelijk deel van dit gebied met Albrandswaard, Rhoon, Poortugaal, Katendrecht en Pernis. Ook Ridderkerk, bezit van de heren Van der Lecke die de Van Alkemades als leenman daar hadden zitten, zal niet naar de Van Riedes genoemd zijn. Waar de waard dan haar naam aan ontleende is me daarom nog steeds onduidelijk. Ik denk ook niet dat we eruit komen. Het is wel duidelijk dat in het verleden te makkelijk van die vernoemingen is uitgegaan, louter en alleen vanwege de oppervlakkige naamsovereenkomst.

Wat is nu de conclusie van deze hele reconstructie van bezit langs de Merwede? Die is helaas niet makkelijk te trekken. Zijn die in het begin van de 13e eeuw genoemde De Rithes, De Riethens en De Ridens echt de voorvaderen van de latere Van Riedes? De naam Theodricus (Dirk) komt later inderdaad voor bij de laatste familie, maar Brun(o) niet. Er is echter geen enkel bewijs, bijvoorbeeld uit leenregisters, dat die eerste twee de voorgangers van de lateren zowel in de Grote Waard als in de Riederwaard waren. Er is geen connectie in de bronnen te vinden tussen die twee groepen, behalve dat ze beide niet onbelangrijk waren en in de omgeving, in ieder geval als getuigen, van de graaf en de grotere leenheren vertoefden.

kerk ridderkerk
De Singelkerk in Ridderkerk, gebouwd in de tweede helft van de 15e eeuw op de plaats van de in 1375 beschadigde oorspronkelijke kerk. Fotograaf onbekend.

De Van Riedes, heren van Werkendam, een leen van Altena, blijken sinds ca 1260 lenen in wat even later de Riederwaard (Riddewart) genoemd wordt. Maar ze hebben niets te maken in Ri(e)d(d)erkerk. Is de kerk van Riede genoemd naar een Van Riede? Klaarblijkelijk niet. Maar als Riede langs de oever van de Merwede, tussen Dordrecht en de Werken lag, waarom staat die kerk dan in het ambacht Riede in wat de Riederwaard wordt genoemd? Ik zie niet zo gauw een oplossing voor dit probleem, behalve als Riede iets betekent dat algemeen in het waterrijke land van de Zuid-Hollandse venen voorkomt. We hebben het al over ‘ridend’ land gehad, land dat onder water staat na een dijkdoorbraak of overstroming. Maar ‘ri(e)den’ betekent ook schudden, trillen, bewegen en zou kunnen slaan op zogenaamd ‘trilveen’, een type veen dat in die eeuwen van ontginningen veel in deze streken moet hebben bestaan. Dat soort veen kwam zowel in de Grote Waard als in de Zwijndrechtse en Riederwaarden en wijde omgeving voor. Bewijs voor die stelling is er helaas niet.

zegel zeger
Dit zou een tekening naar het origineel aan het stuk van 1275 zijn, maar de eigenaar is niet Zeger, maar Dirk. Arnout van Buchel, Monumenta (Utrechts Archief).

Het enige bewijs dat redelijk betrouwbaar is is de familierelatie van de Van Riedes met de Van de Merwedes. Van de laatste bestaat een zegel uit het laatst van de 13e eeuw (1293) waarin het aantal bezanten nog niet de latere hoeveelheid van 15 heeft. Er is ook een 17e eeuwse natekening door Aernout van Buchel van het zegel van Zeger van Riede aan het charter van 22 december 1275, waarin je precies hetzelfde wapen als dat van de Merwedes ziet, alleen met 2 bezanten minder. Probleempje is alleen dat in het randschrift volgens Van Buchel staat: +SIGILLVM.TIDERI.DE.RYEDE. Dat Tideri is een afkorting van Theoderic(us), niet van Sigeric(us). Is dit een leesfout van de tekenaar? Of gebruikte Zeger het zegel van, misschien, zijn vader (als dat een Dirk was tenminste)? Ook hier dus weer onzekerheid volop.

wapen Merwede
Natekening van het wapen van Daniël VI van de Merwede uit het wapenboek Gelre, ca 1380.

Hoe de kleuren toen waren is ook niet bekend. Pas uit het wapenboek Gelre (ca 1370-80) kennen we de kleuren van Van de Merwede en uit het wapenboek Beieren (ca 1405) dat van Riede van Brakel. Het is zeer waarschijnlijk dat die kleuren niet veranderd zijn na anderhalve eeuw, want in de heraldiek was men wat dat betrof conservatief, en dat geeft ons wat meer houvast. De heraldische traditie zegt dat een wapen met één kleur (rood) en één metaal (goud) ouder is dan een wapen met één kleur en twee metalen (goud en zilver). Zeker als die extra kleur wijst op een verandering van de kleur van één van de stukken, een breuk dus. Dat zou dus inhouden dat de Van de Merwedes een breuk in het origenele familiewapen toepasten en daarom dus een jongere tak waren van de Van Riedes. Het zou dus kunnen wezen dat Theodericus en Brun De Rithe, De Riethen of De Riden, omdat de namen erop lijken en gezien hun aanwezigheid in of in de buurt van Dordrecht tussen 1215 en 1243, wel de oudste Van Riedes waren. Maar er is, zoals gezegd, geen bewijs. Harder kan ik het niet maken.

wapen riede
Wapen van Herbaren van Riede van Brakel uit het wapenboek Beieren, ca 1405.

Dat betekent echter wel dat ik vind dat in het verleden wel eens te makkelijk bepaalde aannames gedaan zijn.

(Met dank aan Dr. Eef Dijkhof, die me hielp met het interpreteren van de oorkonden over de Riederwaard en aan Nieky Klaus voor de foto van de oorkonde van 1243)

Wat was Riede en waar lag het? (7)

Dit wordt een bijzonder saai stukje, met vooral tekst en plaatjes van tekst. Even doorbijten, want het is noodzakelijk voor de conclusie die in het volgende en laatste blog getrokken zal worden.

Overal waar je zoekt wordt beweerd dat de Riederwaard naar de familie Van Riede werd genoemd. Wikipedia beweert  zelfs letterlijk dat Theodericus de Riede als naamgever van de waard wordt beschouwd. Door wie of sinds wanneer staat er niet bij, maar juist vanwege zulke vage beweringen moet je met Wikipedia voorzichtig zijn. Maar ook met de vele genealogische sites op het internet. De website over de familie Van Rij(e) suggereert namelijk dat de familie haar naam niet aan dit waterrijke gebied heeft gegeven, maar eraan heeft ontleend, ondat het onder water staan van land als ‘rijdende’ of ‘riedende’ werd genoemd. Andere verklaringen zeggen dat de waard genoemd is naar de eerste bedijker die ridder of rijder was. En dat geldt ook voor Ridderkerk, dat door een ridder (of ridders) zou zijn gesticht.

Het past een historicus dat hij eens in de bronnen gaat zoeken wat de oudste vermeldingen van die namen Riederwaard en Ri(e)derkerk zijn. Van de locatie Riede zelf, zoals die in het falsum van 1064 (1145) voorkomt, heb ik in een eerder blog al proberen aan te tonen dat het helemaal niet op de plaats, die later Riederwaard werd, gelegen hoeft te hebben. Bij de naam Rederwerde kunnen we, zoals ik het vorige blog schreef, niet zeker zijn of het hier om de Riederwaard gaat. Maar hoe zit het met de echte Riederwaard zelf?

riddewart 1276
Detail uit de oorkonde van 1276 (1277) (OHZ III nr. 1773).

Het oorkondenboek van Holland en Zeeland geeft pas in 1276-77 Riddewart als naam die bewijsbaar voor het bewuste gebied is bedoeld en noemt in de zelfde oorkonde ook de kerk van Rieden. Dus niet van Riederkerke. De oorkonde is voor Dirk van Alkemade, een Noordhollands edelman, die door graaf Floris V beleend wordt met een stuk land, de Geer genoemd (waar de kerk staat), en nog wat gebied in de Riederwaard. Dat het echt om deze locatie gaat is op te maken uit het feit dat de Singelkerk, de oudste hoofdkerk van Ridderkerk, inderdaad in de Geer staat. Het gaat hier echter niet over een lid van de Van Riede familie en voor zover ik dat kan beoordelen heeft een Van Riede ook nooit iets in Ridderkerk of het ambacht Riede te maken gehad, want dat viel onder de heren van de Lecke. Wat het tamelijk onzeker maakt dat het dorp naar een Van Riede is genoemd.

riederwaard 1288
Het handvest van de Riederwaard uit 1288 volgens de tekst uit 1592 (OHZ IV nr. 2341)

Probleem met deze vroege vernoeming is dat het origneel van deze brief niet meer bestaat en dat de eerste kopie ervan uit 1329 dateert. Oftewel: toen de Riederwaard al meer dan 40 jaar zijn ‘handvest’ had (1288). De benaming Riddewart kan dus best pas toen zijn ontstaan. Dat is waarschijnlijk niet zo, maar het had gekund. Je kunt een waard  met een stad vergelijken. Zo’n handvest betekende, net als bij een stadsrecht, niet dat die waard toen pas ‘gesticht’ werd. Er zal al best een tijdje een min of meer omdijkt gebied hebben bestaan  dat al het nodige deed aan zijn waterstaat. Het handvest van 1288 is trouwens ook niet bewaard gebleven en kan niet vergeleken worden met bijvoorbeeld dat van de Alblasserwaard van 1277, waarin de hele structuur van zo’n waterschap werd geregeld. In dat van de Riederwaard staat niet meer dan vier artikelen (in het Alblasserwaardse handvest ook maar zes, maar daarin wordt veel meer geregeld door de heren van de ambachten en de heemraden) waarmee de graaf alleen maar beslist over wat er moet gebeuren als er een dijk doorbreekt, wie dat moeten repareren en wie daaraan mee moeten betalen. Meer niet. En dit vroegst bewaarde afschrift, in een 16e eeuwse versie van het middelnederlands, dateert pas uit 1592 (!).

riederwaard 1292
Bewaard gebleven oorkonde uit 1292 waarin zowel de Riederwaard als voor de eerste keer Ridderkerk in worden genoemd (OHZ IV nr. 2707)

Het eerste bewaard gebleven stuk waarin de Riederwaard zonder twijfel ter sprake komt dateert uit 1292. Hij is in echt middelnederlands gesteld in tegenstelling tot het late afschrift van het ‘handvest’. Het is toevallig ook de oorkonde waarin Ridderkerk voor het eerst genoemd wordt. De heemraden van de Riederwert beslissen, voor de baljuw van Zuid-Holland, dat iemand die zijn plicht tot dijkonderhoud in de waard ontloopt zijn land aan de ambachtsheer van Riederkerke zal kwijtraken. Er is dus een ambachtsheer in 1292, maar… dat was geen Van Riede. Tot dat adellijke huis in 1342 uitstierf behoorde de heerlijkheid aan de heren Van de Lecke die al vroeg in de 13e eeuw veel bezit hadden aan weerszijden van de Lek, in de westelijke Krimpener- en Alblasserwaard. En dus wat in de Riederwaard. De ambachtsheer van Ridderkerk in 1292 was Hendrik II van der Lecke (ca 1240-ca 1309) die het ambacht waarschijnlijk van zijn vader Hendrik I had geërfd.

Al het voorgaande zou erop kunnen wijzen dat de Riederwaard niet van oorsprong naar de Van Riedes is genoemd. In 1214 was er in ieder geval nog geen sprake van iemand uit die familie die in dit gebied een leen bezat. Als de Rederwerde dan niet naar hen genoemd is, wat betekent die naam dan wel? Misschien is deel ‘reder’ of ‘reden’ hier afkomstig van het zogenaamde ‘rijden’ van een waard, oftewel het langdurig onder water staan van zo’n polder. Maar dit is zuivere speculatie.

Wordt vervolgd

Wat was Riede en waar lag het? (6)

Als er getwijfeld kan worden aan de naamgeving van de Riederwaard, zoals in het vorige blog, is dat dan ook het geval bij de familie Van Riede? Je zou het wel zeggen. In het al meermalen genoemde artikel van Hoek in de Nederlandsche Leeuw staat een stamboompje van de Van Riedes afgedrukt (zie hierboven). Zoals bij middeleeuwse genealogiëen gebruikelijk is zijn de eerste generaties karig bedeeld met jaartallen. Ik heb eerder geschreven dat twee Van Riedes vroeg in de 13e eeuw genoemd worden, maar niemand weet hoe ze bij de latere generaties aansluiten. Ook Hoek sprak zich daar niet over uit, al zette hij Theodericus de Rithe van 1216 en Brun de Riethen/Riden van 1220-1243 onder elkaar zonder de verbindingsstreepjes die een familierelatie aanduiden, maar wel met de suggestie dat het vader en zoon waren. Hij noemde ‘Bruno’ ook  zonder meer ‘van Riede’, dus hij geloofde die connectie waarschijnlijk wel. De samenstellers van de genealogie Van Rij(e) op internet waren een stuk zekerder van hun zaak (of naïever…) en voegden zelfs tussenliggende anonieme Van Riedes toe als er te veel ruimte tussen de in de bronnen voorkomende leden van die familie zat.

Hoek reconstrueerde drie takken Van Riedes, maar zelfs bij die van de tweede helft van de 13e eeuw is niet duidelijk hoe die takken aan een enkele stamboom vastzaten. Dus de familierelatie is voor een flink deel gebaseerd op aannames. En dat roept de nodige vragen op. Zoals: zijn die eerste Van Riedes wel echte Van Riedes?

getuigen 1216
Het getuigenlijstje van de oorkonde van 5.12.1216 (OHZ I, nr. 370)

Theodericus de Rithe is in december 1216 getuige in een oorkonde van graaf Willem I, wanneer deze een schenking van gravin Aleid, weduwe van graaf Dirk VII, aan de abdij van Mariënweerd in de Betuwe bevestigt. Uit die acte is niets op te maken over Theodericus (de latijnse versie van Dirk) en wie hij was. Andere getuigen zijn (in deze volgorde) Dirk, heer van Voorne, Dirk Drossaard van Holland, Arnout van Rijswijk, Floris van Wo(e)rd(en), Jan van Putten, Dirk Bokel met als laatste Dirk van Rithe. Merkt u wat ik deed? Ik vertaalde alle, behalve de laatste achternaam, in modern Nederlands. Alle Dirken worden in het latijnse origineel als Theodericus geschreven. Arnout is dus Arnoldus, Floris is Florentius en Jan is Johannes. Voorne wordt als Voren geschreven, Rijswijk als Ryswic, Wo(e)rd(en) als Wordh, Putten als Pvtthen en Bokel als Bukel.

Drossaard, die eigenlijk Dirk van Teilingen heette, is natuurlijk geen achternaam, maar een niet onbelangrijke hoffunctie. Hij was een soort hofmeester oftewel hoofd van de huishouding. Daar moet u niet te gering over denken, want dat was geen erebaantje. Het was een zeer verantwoordelijke , functie; één die voornamelijk door adellijke personen werd uitgeoefend, liefst door familieleden van de vorst. Deze Dirk Drossaard wordt beschouwd als de voorvader van de heren van Brederode, die daarom lang hebben volgehouden dat ze familie van de graven van Holland waren. Net als de Van Teilingens trouwens.

Dat Voren Voorne is, Pvtthen Putten en Bukel Bokel mag veilig aangenomen worden. Welk Rijswijk hier bedoeld wordt is al wat minder duidelijk: er waren twee heerlijkheden Rijswijk. Één lag bij Den Haag en het andere in het land van Altena. De noordoostelijke Grote Waard dus. Van die heren daar horen we pas in de 14e eeuw, dus die vallen af. Er waren in de jaren ’20 van de 13e eeuw drie broers Van Rijswijk, Willem, Gelekin en Simon, die veel in de omgeving van de nog piepjonge graaf Floris IV te vinden waren. Zij hoorden bij het Rijswijk bij Den Haag. Het ziet er niet naar uit dat Arnoldus familie van hen was: hij lijkt alleen twee dochters gehad te hebben. Maar er was ook nog een Arnold van Teilingen (ook Arent of Arend genoemd) die zich Van Rijswijk noemde. Hij was waarschijnlijk een broer van Dirk Drossaard. Dat zal dan ook de vermelde Arnoldus geweest zijn.

Ook Florentius de Wordh is moeilijk te plaatsen. Is Wordh echt Woerden? Volgens de lijstjes van de heren van Woerden kan dat niet, want daar komt geen Floris in voor. Wat is het dan? Nu blijkt er een nakomeling van Dirk I, heer van Voorne, te zijn die Floris van Voorne, heer van de Hoge en Lage Woert genoemd wordt. Dat betekent dat Floris de broer is van Dirk II van Voorne die in het document als eerste van de getuigen wordt genoemd. Dirk was een belangrijk man was, vandaar dat hij op die eerste plaats stond. Hij was namelijk burggraaf van Zeeland, een soort plaatsvervanger van de graaf daar. U ziet dat het invoegen van mensen met een bepaalde achternaam in een familie in de 13e eeuw soms nogal riskant is. Ze kunnen zomaar de naam van een bezitting aangenomen hebben en dan moet je geluk hebben als je ze alsnog kunt plaatsen. En dat geldt ook voor de Van Riedes.

brun 1243
Brunone de Riden als getuige in de oorkonde van april 1243 (OHZ II, nr. 637).

Is ‘de Rithe’ echt hetzelfde als Van Riede? En geldt dat ook voor Brun de Riethen of de Riden? Is hij familie van Theodricus de Rithe, of is dat wishful thinking? De naam Brun (Bruno, Bruyn) komt niet veel voor in dit deel van de middeleeuwen. Dat wil zeggen: niet in Nederland. In Duitsland is hij veel gewoner in die tijd en ook al veel vroeger. Betekent dat dat hij een Duitser geweest kan zijn? Nou, dat zou een beetje al te radicaal zijn. Er is, ook hier, geen bewijs voor. Het is ook niet echt logisch dat hij dan als getuige bij typisch Hollandse handelingen wordt opgevoerd. Wat wel vreemd is dat die voornaam verder in de familie Van Riede nergens meer opduikt. Het was normaal bij de middeleeuwse adel (en niet alleen bij hen) dat er vernoemd werd naar opa’s en oma’s. Als Brun geen kinderen had kan zo’n naam natuurlijk verdwijnen, maar ook dat weten we niet. Het enige dat we weten is dat Brun in twee oorkonden voorkomen die over zaken in of vlakbij Dordrecht gaan. En dat Riede een aan Dordrecht grenzende bezitting was. Zoals gezegd: er is geen bewijs dat De Rithe, De Riethen en De Riden dezelfde achternaam zijn en dat ze op Riede slaan, al lijken ze op het eerste gezicht op elkaar.

Maar er zaten toch Van Riedes in de Riederwaard, hoor ik u vragen: dus die is toch naar die Van Riedes genoemd? En Ridderkerk was toch oorspronkelijk Riederkerk, ook vanwege die familie die de kerk daar had gesticht? Dat zou je inderdaad denken, vooral als je de populaire literatuur over die waard leest, zoals ik die in het vorige blog heb behandeld. Maar er zitten ook hier een paar addertjes onder het gras. Daar zal ik het in het volgende blog over hebben.

Wordt vervolgd